Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:16

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
15-01-2019
Datum publicatie
28-02-2019
Zaaknummer
17/02517
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:246
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG over het delictsbestanddeel "levensgezel"als bedoeld in art. 304 Sr. De conclusie strekt tot partiële vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/02517

Zitting: 15 januari 2019

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 12 mei 2017, met aanvulling van art. 63 Sr, het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 30 januari 2015 bevestigd, waarbij de verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, waarvan een maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met aftrek overeenkomstig art. 27 Sr, wegens “1. mishandeling begaan tegen zijn levensgezel, meermalen gepleegd” (parketnummer 01/845438-14), “2. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd” (parketnummer 01/845438-14), “bedreiging met zware mishandeling” (parketnummer 01/821476-13) en “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening” (parketnummer 01/820010-15).

  2. Namens de verdachte hebben mr. R.J. Baumgardt en mr. P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, een middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel, bezien in samenhang met de toelichting, keert zich tegen de bewezenverklaring van feit 1 (met parketnummer 01/845438-14) en klaagt dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft bewezenverklaard dat de verdachte de mishandeling telkens heeft begaan tegen "zijn levensgezel" als bedoeld in art. 304 Sr.

  4. Ten laste van de verdachte is onder feit 1 bewezenverklaard dat:

“hij op meer tijdstippen in de periode van 30 mei 2014 tot en met 12 juni 2014 te Someren, opzettelijk mishandelend zijn levensgezel, te weten [betrokkene 1] , met kracht tegen de borst en/of in het gezicht heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.”

5. Deze bewezenverklaring steunt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, op de volgende bewijsmiddelen:

“Gebezigde bewijsmiddelen en andere gronden voor de bewezenverklaring.

• Ten aanzien van feit 1 en feit 2 met parketnummer 01/845438-14:

De inhoud van het procesdossier hiervoor genoemd onder 1, voor zover hieronder is weergegeven.

De aangifte van [betrokkene 1] van 12 juni 2014 pagina 23 tot en met 26:

Ik doe aangifte van mishandeling en bedreiging die plaatsvonden in Someren tussen 29 mei 2014 en 12 juni 2014. In oktober 2012 heb ik een relatie gekregen met [verdachte] . Op 29 mei 2014 heb ik ruzie gehad met [verdachte] . Tijdens de ruzie zegt hij dan: “krijg de kanker, krijg de tering, ik maak jou en [betrokkene 2] kapot al moet ik er 6 jaar voor gaan zitten”. Toen hij dit zei zaten mijn zoon en zijn zoon er gewoon bij. Ik ben dan echt bang voor hem. De volgende dag werd [verdachte] helemaal gek en dreigde door te zeggen: “Ik maak jou en jouw zoon kapot”. Ik dacht dat hij dit echt ging doen. Ik was erg bang. Mijn zoontje en zijn zoon hoorden wat hij zei. Op een bepaald moment liep ik [verdachte] voorbij. Hij stond op en sloeg mij met gebalde vuist, met veel kracht op mijn linkerborst. Ik voelde meteen veel pijn en ik kreeg geen lucht. Ik ben toen naar de wc gegaan waar ik 45 minuten op de grond heb gelegen omdat ik veel pijn had. Toen ik op de wc zat riep [verdachte] : “Ik vermoord jou en jouw zoon”. Ik werd toen zo bang dat ik op een bepaald moment mijn zoon uit bed heb gehaald en met hem op de scooter ben weggereden. Die nacht ben ik naar de huisartsenpost in Weert geweest en hebben ze geconstateerd dat ik 2 à 3 ribben had gekneusd en dat ik mijn sleutelbeen had gekneusd van de klap die [verdachte] mij had gegeven. De dag erna heb ik foto’s gemaakt van mijn letsel.

Op 12 juni 2014 is [verdachte] omstreeks 22.30 uur bij mij aan de voordeur gekomen. Ik deed de voordeur open en toen [verdachte] binnen was sloeg hij mij meteen erg hard met zijn vlakke rechterhand op mijn linkerwang/kaak. Ik voelde meteen veel pijn. Ik heb de buurtbrigadier ge-sms-t over wat er gebeurd was.

Een fax van 23 juli 2014 van [betrokkene 3] , huisarts bij de huisartsenpost, aan de huisarts van [betrokkene 1] , pagina 30:

Uw patiënt [betrokkene 1] heeft contact gehad met, is langs geweest bij of is bezocht door een dienstdoend arts van onze post. De contactdatum is zaterdag 31 mei 2014 om 3.00 uur-3.05 uur. Stomp op haar borst, pijnlijk. Bult op schouder/sleutelbeen. Geslagen op borst en schouder, allemaal erg pijnlijk.

Het relaas van verbalisant [verbalisant 1] . 13 juni 2014, pagina 34 met drie fotobijlagen:

Op 13 juni 2014 was ik belast met het onderzoek naar de mishandeling van aangeefster [betrokkene 1] door verdachte Van Oorschot. Op 13 juni 2014 omstreeks 11.30 uur zag ik dat aangeefster [betrokkene 1] op haar linkerwang een rode plek had zitten. Ik vroeg aan aangeefster [betrokkene 1] of dit was van gisterenavond 12 juni 2014. Ik hoorde aangeefster zeggen dat dit van gisterenavond was. Ik heb van dit letsel foto’s gemaakt Deze foto’s zijn toegevoegd als bijlage aan dit proces-verbaal van bevindingen onder de nummers 1 en 2. Op bijlage 2 is de rode plek aangegeven met een pijl. Ik hoorde aangeefster zeggen dat ze naar aanleiding van de mishandeling op 30 mei 2014 nog een foto had staan op haar telefoon van de blauwe plek onder haar sleutelbeen. Ik heb deze foto via de whatsapp doorgestuurd gekregen van aangeefster [betrokkene 1] en deze toegevoegd aan dit proces-verbaal van bevindingen onder nummer 3.

De verklaring van getuige [getuige] van 13 juni 2014, pagina 38 en 39:

De afgelopen tijd en dan voornamelijk tussen 30 mei en 12 juni 2014 heb ik gehoord dat hij [betrokkene 1] heeft geslagen. Er is de afgelopen maanden veel gebeurd. [betrokkene 1] had mij meteen gebeld toen het gebeurd was, nadat [verdachte] haar zo op haar ribben geslagen had. [verdachte] is toen weggegaan en ik ben meteen naar [betrokkene 1] toe gegaan. Ik heb zelfs foto’s van de gekneusde ribben gemaakt. Ik hoorde [betrokkene 1] vertellen dat [verdachte] haar op haar ribben had geslagen. Toen ik de foto’s maakte zag ik dat het helemaal blauw en paars was net boven de borst links bij [betrokkene 1] .

Verder heb ik vaker gezien als ik daar was bij [betrokkene 1] dat [verdachte] goed gedronken had. Ik hoorde [verdachte] dan tegen [betrokkene 1] zeggen dat als [betrokkene 1] niet normaal tegen hem [de politierechter leest: deed] dat hij haar dan kapot zou maken en haar zoon.

Gisteren werd ik om half een gebeld door [betrokkene 1] . Ze vertelde mij dat [verdachte] aan de deur was gekomen en dat hij meteen was begonnen te slaan. Ik hoorde dat hij haar meteen in haar gezicht had geslagen. Vanochtend zag ik dat [betrokkene 1] nog heel veel pijn had aan haar hoofd en aan haar schouder, nog steeds van al die keren dat hij haar geslagen heeft. Ik zag dat [betrokkene 1] op de botjes tussen haar oog en haar wang een verdikking in haar gezicht had aan de rechterkant van haar gezicht. Ik zag ook dat het een beetje rood was. Voordat ik gisterenavond rond 21.00 uur bij haar wegging heb ik niks gezien. Toen had ze dat nog niet.

Het relaas van verbalisant [verbalisant 2] van 13 juni 2014, pagina 42 en 43:

Op 6 juni 2014 zag ik dat [betrokkene 1] haar T-shirt een stukje naar beneden trok en me een grote donkerpaarse plek liet zien ter hoogte van haar sleutelbeen. Ze vertelde me dat [verdachte] dit gedaan had 30 mei [de politierechter leest: 2014].

Op 12 juni 2014 heb ik diverse SMS-jes ontvangen van [betrokkene 1] .

[betrokkene 1] 22:28 uur: Kom aub is hier geslagen binnen.

Ik heb telefonisch contact opgenomen met [betrokkene 1] . Ik hoorde haar huilen en ze was helemaal over haar toeren. Ze zou geslagen zijn in haar gezicht door [verdachte] . Ze was enorm bang en ze vertelde me dat we moesten komen omdat [verdachte] voor de voordeur stond. Vervolgens heb ik tegen [betrokkene 1] gezegd dat ze de voordeur moest openen omdat de collega’s van politie DAS voor haar woning stonden. Ik hoorde dat verbalisant [verbalisant 3] een gesprek aanging met [betrokkene 1] en dat hij om versterking vroeg omdat [verdachte] werd aangehouden.”

6. De toelichting op het middel voert aan dat noch uit de gebezigde bewijsmiddelen, noch uit het verhandelde ter terechtzitting kan volgen dat tussen de verdachte en de aangeefster sprake is van een zodanig nauwe persoonlijke betrekking van een zekere dichtheid dat de aangeefster kan worden aangemerkt als de levensgezel van de verdachte.

7. Art. 304 Sr, strafverzwarend ten opzichte van de daaraan voorafgaande vormen van mishandeling, luidt, voor zover hier van belang:

“De in de artikelen 300-303 (http://wetten.overheid.nl/BWBR0001854/2018-09-19) bepaalde gevangenisstraffen kunnen met een derde worden verhoogd:

1°. ten aanzien van de schuldige die het misdrijf begaat tegen zijn moeder, zijn vader tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat, zijn echtgenoot, zijn levensgezel, zijn kind, een kind over wie hij het gezag uitoefent of een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin;

[…]”

8. Wat betreft het delictsbestanddeel “levensgezel” houdt de toelichting bij de nota van wijziging bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 22 december 2005, Stb. 2006, 11 (Wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en de Wegenverkeerswet 1994, in verband met de herijking van een aantal wettelijke strafmaxima) het volgende in:1

"Artikel 304 van het Wetboek van Strafrecht bepaalt welke strafverzwarende omstandigheden bij mishandeling kunnen leiden tot verhoging van de maximumgevangenisstraf met een derde. Een van de strafverzwarende omstandigheden die wordt genoemd is dat de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn echtgenoot; onder echtgenoot wordt mede begrepen de geregistreerde partner (artikel 90octies van het Wetboek van Strafrecht). In deze nota van wijziging wordt voorgesteld artikel 304 Sr aan te vullen met het begrip «levensgezel». Daarmee wordt uitvoering gegeven aan de daartoe strekkende aanbeveling van de stuurgroep van het project «Voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld». De gronden die thans de strafverhoging bij mishandeling van de echtgenoot (enz.) rechtvaardigen - verschuldigde piëteit en mogelijk machtsmisbruik - zijn naar het oordeel van de regering ook aanwezig bij mishandeling tussen personen die met elkaar een nauwe persoonlijke betrekking onderhouden, maar die niet zijn gehuwd of niet als partners zijn geregistreerd. De voorgestelde uitbreiding van artikel 304 Sr sluit aan bij een maatschappelijke ontwikkeling en onderstreept ook voor andere samenlevingsvormen dan het huwelijk en het geregistreerde partnerschap dat mishandeling tussen personen die een nauwe persoonlijke betrekking onderhouden extra strafwaardig is.

Met het begrip «levensgezel» wordt aangesloten bij de algemene aanwijzingen voor de regelgeving (AR 72a), waarin dit begrip is aangewezen voor twee meerderjarigen die, anders dan als elkaars echtgenoot, «met elkaar een nauwe persoonlijke betrekking onderhouden». Het begrip komt momenteel in ongeveer tien andere wetten voor - o.a. het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Faillissementswet en de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens -, vaak naast de begrippen echtgenoot en geregistreerde partner.

Bij de beoordeling of sprake is van een «levensgezel» zijn de volgende aspecten van belang:

- of sprake is van een gemeenschappelijke huishouding

- de duur van de gemeenschappelijke huishouding

- of er een relatie van affectieve aard is, en met name

- of betrokkenen kennelijk uitgaan van een nauwe lotsverbondenheid.

Doorslaggevend is in het begrip «levensgezel» evenwel, als gezegd, de nauwe persoonlijke betrekking van een zekere hechtheid. Het moet gaan om een relatie die qua hechtheid vergelijkbaar is met die tussen echtgenoten of geregistreerde partners. Deze is niet per se met het enkele feit van het samenwonen gegeven en vereist ook niet per se dat betrokkenen met elkaar samenwonen.”

9. Doorslaggevend is derhalve of sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking van een zekere hechtheid. Dat personen niet met elkaar samenwonen hoeft – anders dan de stellers van het middel lijken te denken – blijkens de hiervoor geciteerde passage uit de nota van wijziging niet in de weg te staan aan het bestaan van een dergelijke betrekking. Het enkele bestaan van een liefdesrelatie is volgens rechtspraak van de Hoge Raad evenwel niet toereikend voor het bewijs van “zijn levensgezel”. Dat iemand een ander kent en deze aanduidt als zijn of haar vriend(in), maakt die ander nog niet tot levensgezel.2 De bewijsmiddelen moeten voldoende inhouden omtrent de aard en hechtheid van de betrekking.3 Ook onvoldoende waren volgens de Hoge Raad de enkele bewijsoverwegingen van het hof waaruit kon worden opgemaakt dat de verdachte met de aangeefster wilde trouwen en de feiten hadden plaatsgevonden naar aanleiding van een ruzie die kort na de geboorte van haar zoon was ontstaan nadat de aangeefster had aangegeven dat zij wenste dat de verdachte eerst in therapie zou gaan wegens zijn agressieve buien.4

10. Een geval waarin de Hoge Raad de bewezenverklaring van het bestanddeel “zijn levensgeval” voldoende met redenen omkleed achtte en de bestreden beslissing in stand liet, doet zich voor in het arrest van 30 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:113. De verdachte en de aangeefster, die beiden dakloos waren, hadden gedurende een periode van ongeveer zes maanden dag en nacht samen opgetrokken. Daarbij had de verdachte de zorg voor de aangeefster – die gebruik maakte van een rolstoel – op zich genomen. Ten opzichte van de verdachte moest de aangeefster zich verantwoorden over haar doen en laten. Voorts was er sprake van seksuele omgang tussen de verdachte en de aangeefster. Het hof kwam mede op grond van deze vaststellingen tot het oordeel dat de verdachte en de aangeefster een zodanig nauwe persoonlijke betrekking van een zekere hechtheid met elkaar onderhielden dat de aangeefster als levensgezel van de verdachte was aan te merken. Dat oordeel, aldus de Hoge Raad, gaf niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en was niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Zie voor een ander geval HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2396.5 De verklaringen van de verdachte zelf hielden onder meer in dat hij een (nieuwe) relatie had met de aangeefster en dat zij Islamitisch waren getrouwd. Ook verbleef hij af en toe bij de aangeefster in haar woning en had hij een sleutel van de woning. De aangeefster bevestigde een en ander en voegde daaraan toe dat uit hun relatie twee dochters waren geboren. Het oordeel van het hof dat de aangeefster ten tijde van het tenlastegelegde feit als “levensgezel” van de verdachte kon worden beschouwd, gaf geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, was niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering. De Hoge Raad deed het cassatiemiddel af met toepassing van art. 81, eerste lid, RO.

11. Ik keer terug naar de onderhavige zaak en de bewijsvoering. Allereerst zij opgemerkt dat door de verdediging noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep is aangevoerd dat de aangeefster niet als levensgezel van de verdachte kan worden aangemerkt. Dit kan verklaren waarom in het bevestigde vonnis en in het bestreden arrest daaromtrent geen expliciete overweging is gewijd. Over de verhouding tussen de verdachte en de aangeefster is in de gebezigde bewijsmiddelen slechts één zinnetje te ontdekken, en wel in de aangifte van de aangeefster: “In oktober 2012 heb ik een relatie gekregen met [verdachte] .” Wat de aard van die relatie was, hoe die relatie er uitzag, is onduidelijk (gebleven). Zelfs of die relatie (als die er ooit was) ten tijde van de tenlastegelegde en bewezenverklaarde periode (30 mei tot en met 12 juni 2014) nog bestond, is niet zeker. Helder is in het licht van de hierboven aangehaalde rechtspraak echter wel dat deze enkele verklaring van de aangeefster onvoldoende is voor het bewijs van “levensgezel”.6Deze verklaring houdt immers onvoldoende in omtrent de aard en hechtheid van de betrekking tussen de verdachte en de aangeefster.

12. Datzelfde geldt overigens voor de verklaringen die de verdachte en de aangeefster (als getuige) blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal op de terechtzitting van de rechtbank van 30 januari 2015 hebben afgelegd. De verdachte heeft toen verklaard dat hij de aangeefster sinds juni 2012 kent, hij samen met de aangeefster verder wil en met de aangeefster een relatie wil opbouwen.7 De aangeefster spreekt op die terechtzitting over “verstandhouding”. Tot slot laat het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 28 april 2017 zien dat de verdachte toen heeft verklaard dat hij en de aangeefster samen een kind hebben. Ik meen dat ook het verhandelde ter terechtzitting (zowel in eerste aanleg als in hoger beroep) onvoldoende inzicht geeft in de aard en hechtheid van de betrekking tussen de verdachte en de aangeefster ten tijde van de verweten mishandelingen.

13. Op grond van het voorgaande ben ik van mening dat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.

13. Het middel is terecht voorgesteld.

13. Ik heb mij afgevraagd of het voorgaande uiteindelijk tot cassatie moet leiden, of dat gezegd kan worden dat het daartoe vereiste belang voor de verdachte ontbreekt. Dat laatste is naar mijn inzicht niet het geval. Weliswaar, en anders dan in HR 9 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1875, geeft de door het hof bevestigde strafmotivering niet expliciet blijk ervan dat bij de bepaling van de straf(duur) mede, of in het bijzonder, in aanmerking is genomen dat de verdachte de aangeefster in de hoedanigheid van levensgezel heeft mishandeld, maar dat neemt niet weg dat blijkens het hoofd “De op te leggen straf(fen) en/of maatregel(en)” bij het bepalen van de straf wel (in algemene zin) is gelet op onder meer “de aard van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan”8 en dat onder het hoofd “Toepasselijke wetsartikelen” wordt vermeld dat de beslissing (betreffende de strafoplegging, AG) is gegrond op (onder meer) art. 304 Sr.

16. Het middel slaagt.

16. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

16. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 01/845438-14 onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging, tot terugwijzing naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Kamerstukken II 2002/03, 28 484, nr. 5, p. 5. Zie bijv. ook HR 30 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:113, NJ 2018/85 en HR 9 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1875.

2 HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:104.

3 HR 29 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:1075, NJ 2013/523.

4 HR 9 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1875.

5 De casusgegevens heb ik ontleend aan de conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld.

6 Wat dat betreft dringt zich gelijkenis op met HR 29 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:1075, NJ 2013/523 en HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:104.

7 De raadsvrouw van de verdachte heeft op die terechtzitting nog meegedeeld dat de verdachte en aangeefster zich hebben aangemeld voor “relatietherapie”.

8 Vgl. ook HR 29 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:1075, NJ 2013/523.