Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:1466

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
29-10-2019
Datum publicatie
21-04-2020
Zaaknummer
18/03721
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:773
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/03721

Zitting 29 oktober 2019

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij verstek bij arrest van 17 november 2015 door het gerechtshof Den Haag niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 31 januari 2014 waarbij hij wegens feit 1: “Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod” en feit 2: “Een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden en/of bevorderen, door een ander trachten te bewegen dat feit te plegen en/of door zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en/of voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit” is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden met aftrek van voorarrest en onder opheffing van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

  2. Namens de verdachte heeft mr. G.R. Stolk, advocaat te Schiedam, één middel van cassatie voorgesteld.

De ontvankelijkheid van het cassatieberoep

3. Voorafgaand aan de bespreking van het middel, besteed ik aandacht aan de vraag naar de ontvankelijkheid van de verdachte in zijn cassatieberoep. De mededeling uitspraak die de verdachte na het arrest van het hof op grond van art. 366 Sv diende te ontvangen, is immers op 18 mei 2018 in persoon aan de verdachte uitgereikt, terwijl hij pas op 28 juni 2018 – en dus niet binnen een termijn van 14 dagen – beroep in cassatie heeft laten instellen.

4. Met de steller van het middel ben ik van mening dat deze termijnoverschrijding verontschuldigbaar is. Uit de stukken van het geding die overeenkomstig art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad zijn gezonden, kan allereerst niet blijken dat aan de verdachte een schriftelijke vertaling van de mededeling uitspraak in een voor hem begrijpelijke taal is verstrekt, terwijl uit deze stukken wel blijkt dat de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst.1 Op grond van het bepaalde in art. 366, vierde lid, Sv, dat op grond van het bepaalde in art. 415, eerste lid, Sv op het rechtsgeding voor het hof van overeenkomstige toepassing is, had daarom door de advocaat-generaal een schriftelijke vertaling van de mededeling uitspraak aan de verdachte verstrekt moeten worden, terwijl ervan moet worden uitgegaan dat dit niet is geschied. Voorts blijkt niet dat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de verdachte op een andere wijze op een eerder moment van de uitspraak van het hof op de hoogte is geraakt.2

5. Nu de termijnoverschrijding verontschuldigbaar is, acht ik de verdachte ontvankelijk in zijn cassatieberoep.

6. De beoordeling van het middel

7. Het middel klaagt dat het hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep omdat het niet heeft onderzocht of de in art. 260, vijfde lid, Sv gestelde eisen zijn nageleefd, terwijl de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst en hem geen vertaalde dagvaarding of oproeping is verstrekt. Om die reden is het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en het naar aanleiding daarvan bij verstek gewezen arrest nietig.

8. Art. 260, vijfde lid, Sv luidt als volgt:

“5. Indien de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, wordt hem onverwijld een schriftelijke vertaling van de dagvaarding verstrekt dan wel wordt hem in een voor hem begrijpelijke taal schriftelijk mededeling gedaan van de plaats, datum en het tijdstip waarop de verdachte ter terechtzitting moet verschijnen alsmede een korte omschrijving van het feit en de mededelingen, bedoeld in het derde lid, tweede volzin, en het vierde lid.”

9. Art. 260, vijfde lid, Sv is op 1 oktober 2013 ingevoegd bij wet van 28 februari 2013 tot implementatie van richtlijn nr. 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures (PbEU L 280).3Art. 3 van deze richtlijn bevat bepalingen over het recht op vertaling van essentiële processtukken. Het recht om in een voor de verdachte begrijpelijke taal in kennis te worden gesteld van de beschuldiging die tegen hem is ingebracht, vloeit voort uit art. 6, derde lid, onderdeel a, van het EVRM en de richtlijn voegt hieraan toe dat dit in beginsel dient te geschieden door middel van een schriftelijke vertaling van in ieder geval de relevante onderdelen van de dagvaarding.4

10. Uit de memorie van toelichting5 op de genoemde wet blijkt dat ter implementatie van art. 3 van de richtlijn aan artikel 260 Sv − dat al regels bevatte ten aanzien van de inhoud van de dagvaarding − een lid is toegevoegd waarin wordt bepaald dat aan de verdachte die de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst hetzij een schriftelijke vertaling van de gehele dagvaarding wordt verstrekt, hetzij dat hem schriftelijk in een voor hem begrijpelijke taal mededeling wordt gedaan van de relevante onderdelen van de dagvaarding.6 Als relevante onderdelen worden genoemd: de plaats, datum en het tijdstip waarop de verdachte ter terechtzitting moet verschijnen, een korte omschrijving van het strafbare feit en een aantal belangrijke mededelingen die rechten voor de verdachte bevatten, zoals bijvoorbeeld de opgave van de oproeping van een tolk, de mogelijkheid om een bezwaarschrift tegen de dagvaarding in te dienen en de mogelijkheid om getuigen of deskundigen te doen oproepen.

11. Gelet op art. 412, derde lid, Sv is art. 260, vijfde lid, Sv ook van toepassing in hoger beroep.

12. Alvorens dat in de onderhavige zaak op 17 december 2015 door het hof verstek is verleend, is de verdachte gedagvaard om te verschijnen ter terechtzitting van het hof van 21 april 2015. De verdachte is daar niet verschenen en zijn raadsman evenmin. Voorafgaand aan die terechtzitting heeft de raadsman schriftelijk een verzoek om aanhouding van de behandeling van de zaak verzocht. Zijn per fax verzonden brief van 20 april 2015 houdt het volgende in:

“Op uitdrukkelijk verzoek van cliënt vraag ik u hierbij de behandeling van de zaak voor onbepaalde tijd aan te houden.
‘Heden heb ik van cliënt vernomen dat hij al enige tijd in het buitenland verblijft en voornemens was pas over enkele weken terug te komen naar NL. Ik begrijp dat hij – anders dan in eerste aanleg – gebruik wenst te maken van het verschijningsrecht.’”

13. Op voorhand is aan de raadsman te kennen gegeven dat het aanhoudingsverzoek ter terechtzitting zal worden toegewezen. Het hof heeft het onderzoek ter terechtzitting vervolgens voor onbepaalde tijd geschorst en de oproeping van de verdachte en zijn raadsman voor de nadere terechtzitting bevolen.

14. In cassatie wordt aangevoerd dat de verdachte “nimmer een vertaalde dagvaarding heeft ontvangen waardoor hij op de hoogte kon raken van de behandeling van zijn strafzaak” en dat “met betrekking tot de appeldagvaarding c.q. de oproep voor de zitting in hoger beroep uit niets [blijkt] dat is voldaan aan de vereisten van artikel 260, vijfde lid Sv”.

15. Bij de stukken van het geding, bevindt zich een afschrift van de dagvaarding van de verdachte om te verschijnen op 21 april 2015 ter terechtzitting van het gerechtshof Den Haag. Aan de dagvaarding die op 10 maart 2015 is uitgereikt op het in de akte rechtsmiddel opgegeven adres van de verdachte, is een Spaanse vertaling daarvan gehecht met als opschrift “Citación del inculpado en apelación”. Daarnaast is tevergeefs getracht een dagvaarding voor deze terechtzitting met vertaling uit te reiken op twee andere adressen die van de verdachte bekend waren.

16. Daarom faalt het middel bij gebrek aan feitelijke grondslag voor zover erover wordt geklaagd dat de appeldagvaarding niet overeenkomstig de eisen van art. 260, vijfde lid, Sv is vertaald.

17. Voor zover erover wordt geklaagd dat de verdachte de vertaalde dagvaarding nimmer heeft ontvangen, wijs ik op het volgende. De appeldagvaarding is betekend en toegezonden op de manier zoals de wet voorschrijft, in het bijzonder aan het adres dat de verdachte zelf heeft opgegeven bij het instellen van hoger beroep om daar een afschrift van de dagvaarding te ontvangen. Van de verdachte die zelf hoger beroep heeft ingesteld, mag worden verwacht dat hij de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen neemt om te voorkomen dat een dagvaarding voor de terechtzitting in hoger beroep hem niet bereikt.7 Zonder het laten registreren van een woonplaats in de Basisregistratie Personen (BRP), neemt de verdachte het risico dat gerechtelijke stukken zoals een appeldagvaarding hem niet bereiken. Uit de ID-staat SKDB die is opgemaakt in verband met het uitreiken van de appeldagvaarding blijkt dat de verdachte met ingang van 7 augustus 2014 in de BRP is geregistreerd als “Vertrokken Onbekend Waarheen”.

18. Daarmee kom ik toe aan de klacht die betrekking heeft op de oproeping van de verdachte voor de nadere terechtzitting.

19. In verband met de behandeling van de zaak ter terechtzitting van het hof van 17 november 2015 is van belang dat zich bij de stukken van het geding die zich op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad zijn gezonden, een handgeschreven brief van de raadsman bevindt van 17 november 2015 die het volgende inhoudt:

“Cliënt is heden niet verschenen ter zitting. Ik ben niet bepaaldelijk gemachtigd om hem te vertegenwoordigen. Sinds 21-4-2015 is er geen contact geweest met cliënt. In het verleden heeft hij altijd contact opgenomen met kantoor. Wat mij betreft moet het er voor gehouden worden dat hij nog steeds gebruik wil maken van zijn aanwezigheidsrecht, derhalve verzoek ik u om de zaak aan te houden.”

20. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 17 november 2015 houdt het volgende in:

“De verdachte […] is niet ter terechtzitting verschenen.
[…]
Het gerechtshof verleent verstek tegen de niet-verschenen verdachte.

De voorzitter maakt melding van een ingekomen schrijven van de raadsman van de verdachte, mr. R. Tetteroo, advocaat te Schiedam, inhoudende de mededeling dat hij vandaag voor de onderhavige zaak was verschenen bij het hof, maar dat hij door zittingsverplichtingen elders weer is vertrokken. Door de raadsman die sinds 21 april 2015 geen contact meer heeft gehad met zijn cliënt en die door hem niet uitdrukkelijk is gemachtigd de verdediging te voeren, wordt een verzoek gedaan om de behandeling van de zaak aan te houden teneinde de verdachte in staat te stellen gebruik te maken van zijn aanwezigheidsrecht.”

21. De oproeping voor de verdachte om te verschijnen op de nadere terechtzitting van het hof van 17 november 2015 is op 25 september 2015 uitgereikt op de wijze zoals is voorgeschreven in art. 588, eerste lid onder 2° sub 3, Sv, aan de griffier van de rechtbank van het arrondissement waar de zaak laatstelijk heeft gediend omdat de verdachte niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen noch een feitelijke woon- of verblijfplaats van hem bekend is. Uit een andere akte van uitreiking blijkt dat tevens, maar tevergeefs, is getracht de oproeping uit te reiken op het adres dat de verdachte bij het instellen van hoger beroep heeft opgegeven om een afschrift van de dagvaarding te ontvangen. Laatstbedoelde akte van uitreiking houdt in dat op 1 oktober 2015 de oproeping “niet [is] uitgereikt omdat volgens mededeling van degene die zich op het door mij ingevulde adres bevond, de geadresseerde daar niet woont noch verblijft.” De akte houdt verder in dat een afschrift van de oproeping op 5 oktober 2015 aan hetzelfde adres is verzonden.

22. Hoewel uit de stukken niet blijkt dat het afschrift van de oproeping die op 5 oktober 2015 is verzonden onbestelbaar retour is gekomen, meen ik dat de verdachte geen in rechte te respecteren belang heeft bij de klacht dat aan de verdachte geen vertaling van de oproeping is verstrekt. Uit de akte van uitreiking die op 1 oktober 2015 is opgemaakt blijkt namelijk dat de verdachte “daar niet woont noch verblijft”, zodat voor het antwoord op de vraag of de verdachte een in rechte te respecteren belang heeft bij zijn klacht, ervan mag worden uitgegaan dat ook indien de oproeping wel was voorzien van een vertaling deze de betrokkene niet zou hebben bereikt.

23. Nu er in cassatie op basis van de aktes van uitreiking van de oproeping van mag worden uitgegaan dat de oproeping de verdachte niet heeft bereikt, is het belang van de verdachte bij deze klacht niet evident. In gevallen waarin het belang bij de betekeningsklacht niet evident is, mag van de verdediging in redelijkheid worden verlangd dat zij in de cassatieschriftuur een toelichting geeft met betrekking tot dat belang. Nu zo een toelichting ontbreekt, is deze klacht tevergeefs voorgesteld.8

24. Het middel faalt in alle onderdelen.

25. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

26. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv. AG

1 Het onderzoek ter terechtzitting van de rechtbank Rotterdam van 24 oktober 2013 heeft immers plaatsgevonden met bijstand van een tolk in de Spaanse taal omdat de verdachte de Nederlandse taal niet of niet voldoende beheerst.

2 Vgl. HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2008.

3 Stb. 2013, 85.

4 Kamerstukken II 2012/13, 33555, nr. 3, p. 13.

5 Ibidem.

6 Het betekende een aanzienlijke verruiming van de vertaalplicht die al was opgenomen in art. 588, tweede lid, Sv voor uitreikingen in het buitenland.

7 Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317 m.nt. T.M. Schalken, r.o. 3.33.

8 Vgl. HR 12 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:624 r.o. 3.3: “In aanmerking genomen dat de in het middel bedoelde oproeping - kort gezegd - onbestelbaar retour is gekomen is het belang van de betrokkene bij de in het middel aangevoerde klacht, niet evident. Immers, ook indien de oproeping wel was voorzien van de op grond van art. 588, tweede lid, Sv vereiste vertaling in de Bulgaarse taal zou deze de betrokkene niet hebben bereikt. In gevallen waarin het belang bij de klacht niet evident is, mag van de verdediging in redelijkheid worden verlangd dat zij in de cassatieschriftuur een toelichting geeft met betrekking tot dat belang. Nu zo een toelichting ontbreekt, is het middel tevergeefs voorgesteld.”