Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:1455

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
29-10-2019
Datum publicatie
18-02-2020
Zaaknummer
18/05053
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:287
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Eendaadse samenloop van witwassen (art. 420bis.1.a Sr) en witwassen (art. 420bis.1.b Sr) door vindplaats geldbedrag (€ 201.000) te verbergen in 2 koffers in terrarium met krokodillen en dit geldbedrag voorhanden te hebben. Bewijsklacht. Verklaring verdachte t.a.v. herkomst geld concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 18/04726.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/05053

Zitting 29 oktober 2019

CONCLUSIE

G. Knigge

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,

hierna: de verdachte.

1 De zaak

1.1.

De verdachte is bij arrest van 2 november 2018 door het gerechtshof Amsterdam in zaak A wegens 2. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod meermalen gepleegd en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod meermalen gepleegd”, 3. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod”, 4. “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde en vierde lid, van de Opiumwet” en 5. eerste en tweede cumulatief/alternatief, telkens opleverende “de eendaadse samenloop van witwassen en witwassen” en in zaak B wegens “in strijd met een hem bij wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf, en terwijl hij weet dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn recht op die verstrekking of tegemoetkoming” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr. Voorts heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen.

1.2.

Er bestaat samenhang met de zaken [medeverdachte 1] (18/04726) en [medeverdachte 2] (18/04924). In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

1.3.

Het cassatieberoep1 is ingesteld namens de verdachte en mr. M.D. Rijnsburger, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

1.4.

Het middel richt zich tegen het in zaak A onder 5 bewezenverklaarde witwassen.

2 Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1.

Ten laste van de verdachte is – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – in de zaak A onder 5 bewezen verklaard dat:

“onder 5 eerste cumulatief/alternatief:
(…)

hij in de periode van 13 december 2014 tot en met 23 februari 2016 te Amsterdam, van een geldbedrag ter waarde van € 201.100,00 de vindplaats heeft verborgen en heeft verhuld wie de rechthebbende op dat geldbedrag was, terwijl hij wist dat voornoemd voorwerp - onmiddellijk - afkomstig was uit misdrijf; onder 5 tweede cumulatief/alternatief
(…)
hij in de periode van 13 december 2014 tot en met 23 februari 2016 te Amsterdam, een geldbedrag ter waarde van € 201.100,00 heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist, dat voornoemd geldbedrag - onmiddellijk - afkomstig was uit misdrijf;
(…)”

2.2.

De bewezenverklaring berust op zes bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de bijlage houdende de bewijsmiddelen.

2.3.

Het hof heeft ten aanzien van dit feit in de bestreden uitspraak onder meer het volgende overwogen:

“Aan de verdachte is in zaak A onder 5 als eerste en tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van witwassen van twee geldbedragen, te weten € 211.100,00 en (…). De cumulatief/alternatief tenlastegelegde gedragingen zijn toegesneden op de twee varianten van witwassen zoals omschreven in de onderdelen a en b van artikel 420bis, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

(…)

De geldbedragen gevonden in de loods van [betrokkene 1]

In de loods van [betrokkene 1] aan de [a-straat 1] te Amsterdam zijn drie koffers aangetroffen met daarin geldbedragen van respectievelijk €10.000,00, €101.050,00 en €100.050,00 euro. De koffers waren verborgen in twee terraria (ruimte A en ruimte B) met krokodillen van [betrokkene 1] .

De koffer met € 10.000,00

Met de raadsman acht het hof het in zaak A onder 5 als eerste en tweede cumulatief/alternatief

tenlastegelegde witwassen niet bewezen voor zover het betreft het geldbedrag van € 10.000,00 dat in de loods van [betrokkene 1] in een koffer in een van de krokodillenverblijven (ruimte A) is aangetroffen. (…)

De twee koffers met totaal ongeveer €201.100,00: vermoeden van de criminele herkomst

Wat de twee andere koffers met daarin respectievelijk een geldbedrag van €101.050,00 en €100.050,00 betreft, staat allereerst ter beoordeling of deze gelden een criminele herkomst hebben.

De raadsman heeft betoogd dat ten aanzien van deze geldbedragen niet kan worden vastgesteld dat deze van misdrijf afkomstig zijn, hetgeen ertoe dient te leiden dat de verdachte van de onder 5 als eerste en als tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde varianten van witwassen dient te worden vrijgesproken. Dit verweer, dat de tenlastegelegde criminele herkomst aanvecht, leent zich deels voor een samenhangende bespreking ten aanzien van beide tenlastegelegde varianten.

Beoordelingskader

Het hof stelt wat het beoordelingskader betreft voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, onder a en b, Sr opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf', niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp "uit enig misdrijf' afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als uit het door het Openbaar Ministerie aangedragen bewijs feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp.

Indien de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst

onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het voorwerp, dan ligt het vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp, waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Overwegingen van het hof: witwasvermoeden

Het hof is van oordeel dat op grond van de feiten en omstandigheden zoals blijkend uit de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat er sprake is van een zogeheten gerechtvaardigd vermoeden van witwassen in de hiervoor bedoelde zin ten aanzien van het geldbedrag van in totaal €201.100,00 (aangetroffen bij [betrokkene 1] ). De verdachte heeft in de tenlastegelegde periode, buiten zijn uitkering van ongeveer €900,00 per maand, niet beschikt over enige vorm van legaal inkomen, hij heeft zich gedurende enkele jaren beziggehouden met de handel in hard drugs waarmee hij geld heeft verdiend en de aangetroffen geldbedragen, waarvan de verdachte heeft verklaard dat deze hem toebehoorden, bedroegen in totaal €201.100,00. Dit betekent dat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van deze geldbedragen. Aanvankelijk, te weten op 24 februari 2016, heeft de verdachte bij de politie verklaard dat het geld dat bij [betrokkene 1] is aangetroffen van hem is en dat hij voor de aanwezigheid daarvan geen aannemelijke verklaring kon geven. Hij is hierop ten tijde van zijn voorgeleiding bij de rechter-commissaris op 26 februari 2016, hoewel hem hierover geen vragen zijn gesteld, niet teruggekomen. Later heeft hij dit wel gedaan zoals hierna zal blijken.

De inhoud van de eerste koffer met €100.050.00: gelden chalets

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep verklaard dat hij in 2005 een lening van €30.000,00 aan [betrokkene 2] heeft verstrekt en dat twee chalets als “onderpand” voor die lening dienden. Van dit bedrag was €20.000,00 afkomstig van de broer van de verdachte en was €10.000,00 van de verdachte zelf, dat had hij teruggekregen van de Belastingdienst. [betrokkene 2] diende deze lening in niet nader afgesproken termijnen af te lossen tot een totaal van

€100.000,00. Op het moment van de doorzoeking van het pand van [betrokkene 1] op 23 februari 2016 was een bedrag van ongeveer €90.000,00 afbetaald. De verdachte had hiervan enkele malen een deel uitgeleend aan vrienden. Door het rendement op deze leningen was dat geldbedrag gegroeid tot €100.000,00.

Tijdens de doorzoeking van de woning van de verdachte is een document gevonden, getiteld “koopovereenkomst chalet”, gedateerd 10 juli 2005, waarin verkoper [betrokkene 2] twee recreatiechalets verkoopt aan de verdachte. De koopsom, volgens de overeenkomst een bedrag van €15,000,00, is betaald op 12 augustus 2005.

Er is, zo heeft de verdachte op vragen van het hof verklaard, geen notariële akte van levering opgemaakt. [betrokkene 2] , die op verzoek van de verdediging op 27 oktober 2016 door de rechter-commissaris is gehoord, heeft de lening van €30.000,00, die contant is verstrekt in 2005 ten behoeve van zijn onderneming, bevestigd. Hij heeft inmiddels een totaalbedrag van €87.750,00 afgelost. Bij gelegenheid van het verhoor bij de rechter-commissaris is een handgeschreven aantekening overgelegd die, volledig weergegeven, luidt: “op 1/7/15 totaal alreeds van [...] ontvangen 87 750,00”. Deze notitie, volgens [betrokkene 2] geplaatst op de achterkant van zijn exemplaar van het contract, is voorzien van één handtekening, te weten die van de verdachte. Het hof begrijpt dat met “[...]” is bedoeld [betrokkene 2] .

Ter beoordeling staat of de door de verdachte gegeven verklaring in samenhang met de daarop gegeven toelichting en verstrekte documenten tot resultaat moet hebben dat het witwasvermoeden zodanig wordt aangetast dat niet langer tot bewezenverklaring van het bedrag van €100.050,00 kan worden overgegaan.

Het hof overweegt dat de overeenkomst kennelijk zo moet worden uitgelegd dat, met een beperkte juridische kennis, is beoogd af te spreken om een lening aan [betrokkene 2] te verstrekken die op zijn beurt twee chalets diende te leveren als hij bij de aflossing van het geleende bedrag van €30.000,00 en de betaling van de rente van in totaal €70.000,00 over de gehele looptijd, in gebreke zou blijven.

Het hof stelt vast dat de in de woning aangetroffen “koopovereenkomst” van 10 juli 2005 naast hetgeen hiervoor reeds is vermeld, de bepaling bevat dat de verkoper ( [betrokkene 2] ) op 1 januari 2015 de chalets weer zal “terugkopen” voor een bedrag van €100.000,-. Daarnaast ontvangt [betrokkene 2] gedurende de looptijd van de overeenkomst de huurpenningen. Uit de overeenkomst blijkt op geen enkele wijze, zo stelt het hof vast, dat er een verplichting voor [betrokkene 2] zou hebben bestaan om in de periode van 2005 tot 2015 op de lening af te lossen of anderszins geldbedragen aan de verdachte over te dragen. Op andere wijze is evenmin gebleken van die verplichting. [betrokkene 2] heeft bovendien op 26 februari 2016 bij de politie verklaard dat de verdachte per jaar een tegoed opbouwde van €9600,00 aan huurinkomsten uit de twee chalets en dat deze af en toe een deel hiervan kwam ophalen, terwijl hij bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat de betalingen dienen te worden getypeerd als rente en aflossing op een lening en dat de betalingen pas goed op gang zijn gekomen in de jaren 2008/2009. Deze verklaringen staan naar het oordeel van het hof op gespannen voet met elkaar.

Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte een uitleg gegeven voor zijn verklaring bij de politie dat hij niet aannemelijk kon verklaren over de geldbedragen afkomstig van [betrokkene 2] . Deze uitleg hield in dat hij hiervoor geen bewijs kon leveren en dat hij daarom niet geloofwaardig zou worden gevonden.

Deze weloverwogen taxatie van zijn positie verdraagt zich naar het oordeel van het hof slecht met de mentale toestand waarin de verdachte naar eigen zeggen zou hebben verkeerd. Hij heeft immers verklaard “onder de medicijnen” te hebben gezeten en herstellende van een narcose te zijn geweest.

Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat de verklaring die de verdachte heeft gegeven, in het licht van hetgeen hij overigens heeft aangedragen en heeft doen onderzoeken, niet kan worden aangemerkt als een verklaring, die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. De rechtsverhouding tussen [betrokkene 2] en de verdachte is in nevelen gehuld, elke mogelijkheid om die betrekking aan de hand van documenten nader te toetsen ontbreekt en voor de grondslag van de gestelde betalingen en de aanleiding om tot die betalingen over te gaan is niet op consistente wijze een aanknopingspunt geboden. Het aldus door de verdachte geboden tegenwicht tegen de verdenking van witwassen geeft geen aanleiding om te oordelen dat het doen van nader onderzoek op de weg van het Openbaar Ministerie had gelegen. Er is geen andere conclusie mogelijk dan dat het ten laste gelegde deel van het geldbedrag tot €100.050,00 onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is.

De inhoud van de tweede koffer met €101.050.00: geld afkomstig van de broer van de verdachte

De verdachte heeft met betrekking tot het geld in de tweede koffer verklaard dat dit geld grotendeels afkomstig is van zijn broer [betrokkene 3] , die destijds een succesvol bouwbedrijf had. Hij was gokverslaafd en heeft op enig moment een eind aan zijn leven gemaakt. Desgevraagd heeft de verdachte niet kunnen zeggen wanneer dit ongeveer is gebeurd. Deze broer heeft bij leven de verdachte gevraagd om geld te bewaren ten behoeve van diens kinderen. Het geld is in verschillende tranches gebracht. Een bedrag van ongeveer €80.000,00 is binnen een periode van zes tot acht jaar bij elkaar gekomen. De verdachte had tot het moment van de inbeslagneming het geld nog niet gegeven aan de kinderen. Hij stond wel op het punt om dat te gaan doen omdat zijn nichtje zwanger was en zijn neefje inmiddels een rustiger leven was gaan leiden.

Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte als getuige meegenomen [getuige 1] . Deze heeft gezegd dat hij de broer van de vrouw van de broer van de verdachte is. De getuige heeft een verklaring afgelegd die kort gezegd inhoudt dat hij heeft vernomen van de broer van de verdachte dat hij geld in bewaring gaf aan de verdachte om dit later aan zijn kinderen te geven. Van een overdracht van geld aan de verdachte is [getuige 1] nooit getuige geweest. In totaal zou het gaan om een bedrag van €90.000,00 dat de verdachte van zijn broer zou hebben ontvangen. Er is geen enkele schriftelijke vastlegging hiervan.

Vertrouwen was de basis, aldus [getuige 1] .

Het hof stelt vast dat de verklaring van de verdachte over het geld van zijn broer tal van details bevat. Essentiële en voor de hand liggende details die aanknopingspunt kunnen bieden voor nader onderzoek heeft hij echter niet gegeven. Te denken valt aan de personalia van zijn broer, gegevens over diens bedrijf en levenswandel, datum van overlijden, informatie over diens partner. Er is bovendien geen enkel schriftelijk stuk dat enigszins bevestiging biedt voor de aan de verdachte gedane betalingen of voor de op de verdachte rustende verplichting om de kinderen van zijn broer geld te geven. Evenmin heeft de verdachte zelf op enigerlei wijze een administratie bijgehouden. Daar komt bij dat de verdachte pas ten tijde van de inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak, meer dan een jaar na zijn aanhouding, de getuige [getuige 1] heeft gepresenteerd. Deze getuige heeft op geen van de relevant te achten punten enige aanvulling van betekenis verschaft. Bovendien heeft hij een andere hoogte van het geldbedrag genoemd.

Dit alles doet zeer ernstig afbreuk aan de geloofwaardigheid van de beweringen van de verdachte.

Voorts betrekt het hof in zijn overwegingen hetgeen ook reeds in het kader van de eerste koffer is overwogen over de spanningsvolle verhouding tussen de verklaring van de verdachte bij de politie dat hij geen aannemelijke verklaring had voor de geldbedragen, de later door hem gegeven uitleg daarover en de mentale toestand waarin hij op dat moment zou hebben verkeerd. Ook hierin is grond gelegen om zijn verklaringen op dit punt niet geloofwaardig te achten.

Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat de verklaring die de verdachte heeft gegeven, in het licht van hetgeen hij overigens heeft aangedragen, niet kan worden aangemerkt als een verklaring die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Het aldus door de verdachte geboden tegenwicht tegen de verdenking van witwassen geeft geen aanleiding om te oordelen dat het doen van nader onderzoek op de weg van het Openbaar Ministerie had gelegen. Er is geen andere conclusie mogelijk dan dat het ten laste gelegde deel van het geldbedrag tot €101.050,00 onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is.

(…)”

3 Bespreking van het middel

3.1.

Het middel bevat in de kern de klacht dat het oordeel van het hof dat ten aanzien van de beide koffers geen sprake is van een verklaring van de verdachte die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting althans onbegrijpelijk is. Daarbij wordt er ten aanzien van de eerste koffer op gewezen dat er sprake was van een schriftelijke overeenkomst tussen de verdachte en [betrokkene 2] en ten aanzien van de tweede koffer dat voor gegevens over de broer van de verdachte de burgerlijke stand kon worden geraadpleegd en de verklaring van de verdachte is bevestigd door [getuige 1] . Tot slot wordt betoogd dat sprake is van een omkering van de bewijslast, aangezien het hof van de verdachte verlangt dat hij bewijst dat de geldbedragen niet van misdrijf afkomstig zijn. Daarbij wordt een beroep gedaan op HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352, NJ 2019/298 m.nt. N. Rozemond.

3.2.

Ik stel voorop dat de vraag niet is of de bewering van de verdachte dat het geld in de koffers niet van drugshandel afkomstig is, aannemelijk is. Het vermoeden van witwassen dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid, dient ontzenuwd te worden door een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring dat het geld niet van misdrijf afkomstig is. Dat geen sprake is van drugsgeld, wil nog niet zeggen dat het geld een legale herkomst heeft. Voor zover het middel berust op de opvatting dat het hof heeft geoordeeld dat de verklaring van de verdachte voor zover die inhoudt dat het niet om drugsgeld ging, op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk terzijde kan worden geschoven, mist het feitelijke grondslag. Het hof heeft geoordeeld dat door de verdachte geen legale herkomst is aangedragen die concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. De vraag is of dat oordeel in cassatie stand houdt.

3.3.

Ik begin met de tweede koffer, waarin geld zat dat van een broer van de verdachte afkomstig zou zijn. Ook als aannemelijk moet worden geacht dat deze broer het geld aan de verdachte in bewaring heeft gegeven ten behoeve van zijn kinderen en dat de verdachte steeds de intentie heeft gehad dat geld aan die kinderen te geven, is de vraag of dat geld een legale herkomst had. Een vraag die direct rijst, is waarom de verdachte dat geld niet op de bank heeft gezet. De meest voor de hand liggende verklaring daarvoor is dat het om zwart geld ging, dat buiten het zicht van de fiscus moest worden gehouden.23 Daarop wijst ook het feit dat de verdachte het geld volgens zijn verklaring contant van zijn broer kreeg.4 De getuige [getuige 1] verklaarde dat zijn zwager (de broer van de verdachte) vaak contant betaald kreeg voor de klussen die hij deed, dat van alles wat zijn zwager verdiende een deel naar de verdachte ging en dat het geld contant naar de verdachte ging omdat zijn zwager dat zo wilde. De getuige verklaarde ook dat hij zeker wist dat het niet om zwart geld ging en dat alles netjes in de boekhouding werd verwerkt, maar na enig doorvragen moest hij toegeven dat hij dit alleen maar dacht omdat “als je geen belasting betaalt, dan kun je je bedrijf niet houden”.5 Ook om nog een andere reden kan betwijfeld worden of de verdachte met zijn verklaring een legale herkomst van het geld heeft aangedragen. De verdachte verklaarde dat het geld buiten de erfenis zou blijven en dat hij zijn neefjes en nichtjes had aangeraden om afstand van de erfenis te doen.6 Erg legaal komt dat niet over. Daar komt nog bij dat de vraag is of de schoonzus van de verdachte (met wie zijn broer in gemeenschap van goederen was getrouwd) ermee instemde dat het geld niet naar haar, maar naar de kinderen ging.7 Het buiten de erfenis houden van geld dat aan de schoonzus toebehoort, riekt dus ook naar verduistering. Ten slotte kan worden opgemerkt dat de verklaring die de verdachte geeft voor het verschil tussen het bedrag dat hij van zijn broer zou hebben gekregen en de inhoud van de koffer (“ik heb geld uit die koffer aan anderen uitgeleend tegen een hoog rendement en ik heb ermee geïnvesteerd”) niet te verifiëren is en daardoor ook de vraag oproept of dat geld niet zwart is verdiend.

3.4.

Ik houd het ervoor dat het hof, dat de verklaring van de verdachte heeft beoordeeld “in het licht van hetgeen hij overigens heeft aangedragen”, het voorgaande in zijn overwegingen heeft betrokken. Het komt mij dan ook niet onbegrijpelijk voor dat het hof heeft geoordeeld dat de verklaring van de verdachte niet een zodanig tegenwicht biedt tegen de verdenking van witwassen dat het op de weg van het openbaar ministerie ligt daarnaar onderzoek te doen. Van een concrete, verifieerbare en niet op voorhand onwaarschijnlijke verklaring die inhoudt dat het geld een legale herkomst heeft, is naar mijn mening geen sprake. Daarin ligt meteen een belangrijk verschil met het arrest waarop in de schriftuur een beroep wordt gedaan (HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352, NJ 2019/298 m.nt. N. Rozemond). In dat arrest had de verdachte een onmiskenbaar legale bron aangedragen waaruit het geld afkomstig zou zijn, namelijk inkomsten uit eigen arbeid. Die verklaring was eenduidig en bovendien voor het openbaar ministerie betrekkelijk eenvoudig te verifiëren door het doen van navraag bij de fiscus. Van een dergelijke eenduidige en gemakkelijk te verifiëren verklaring is in deze zaak geen sprake. Dat maakt ook dat, anders dan het middel wil, van een omkering van de bewijslast geen sprake is. Het hof heeft niet geoordeeld dat de verdachte zijn verklaring niet aannemelijk heeft gemaakt, maar dat die verklaring niet noopt tot een nader door het openbaar ministerie in te stellen onderzoek. Erkend kan worden dat de overweging van het hof dat de verdachte “essentiële en voor de hand liggende details die aanknopingspunten kunnen bieden voor nader onderzoek” niet heeft gegeven (waarbij het hof denkt aan de personalia van zijn broer, gegevens over diens bedrijf en levenswandel, datum van overlijden, informatie over diens partner), niet tot de meest overtuigende onderdelen van de door het hof gegeven motivering behoort. Het hof zal echter niet hebben bedoeld dat het ontbreken van deze details het voor het openbaar ministerie onmogelijk maakt om de verklaring te verifiëren (de meeste van deze details zijn door een opsporingsambtenaar eenvoudig te achterhalen), maar dat het ontbreken van deze details de verklaring zo weinig concreet maken dat het verifiëren ervan tot een nogal oeverloze exercitie leidt. Aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof in zijn geheel beschouwd, doet deze overweging in elk geval niet af.

3.5.

Dan nu de eerste koffer, waarin geld zat dat afkomstig zou zijn van een investering in chalets. Voor die koffer geldt iets soortgelijks als voor de tweede koffer. De verklaring van de verdachte dat hij een lucratieve investering had gedaan in chalets die hem in ongeveer tien jaar tijd bijna € 90.000,00 opleverde, komt mij, met de rechtbank, niet onaannemelijk voor. Ik betrek daarbij de stukken van het geding waaraan het hof in zijn overwegingen refereert.8 Alles wijst erop dat de twee chalets die in de – bij een doorzoeking van de woning van de verdachte aangetroffen – overeenkomst worden genoemd, daadwerkelijk bestaan.9 Het lijkt ook weinig twijfel te lijden dat deze chalets door [betrokkene 2] (de eigenaar van de camping) worden verhuurd en dat deze chalets dus inkomsten genereren. In zijn tegenover de politie afgelegde verklaring stelde de campingeigenaar dat beide chalets (naar ik meen te mogen begrijpen) samen per jaar ongeveer € 15.600,00 aan huur opbrengen en dat daarvan € 6000,00 moest worden afgetrokken voor huur van de grond, zodat voor de verdachte € 9.600,00 aan inkomsten per jaar overbleef.10 Dat betekent dat de verdachte in tien jaar tijd bijna € 100.000,00 verkreeg. In zijn tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring gaf de eigenaar van de camping een iets andere voorstelling van zaken. Hij zou van de € 30.000,00 die hij van de verdachte had “gekregen” door middel van “tussentijdse aflossingen” € 100.000,00 “terugbetalen”. In de koopovereenkomst komt dat bedrag van € 100.000,00 ook voor.11 De campingeigenaar kreeg het recht de chalets na tien jaar voor dat bedrag terug te kopen. In de tussentijd, zo was bedongen, “zijn de huurinkomsten van de chalets en het gebruik voor de verkoper”, dus voor de campingeigenaar. Ondanks alle verschillen in de voorstelling van zaken die werd gegeven, komt die voorstelling wat de kern van de gemaakte afspraak betreft telkens op hetzelfde neer. Die kern is dat de verdachte € 30.000,00 ter beschikking zou stellen en dat hij uiterlijk na tien jaar € 100.000,00 zou terugkrijgen. Onrealistisch was die afspraak niet, aangenomen dat juist is dat de verhuur van de beide chalets en van de beide standplaatsen jaarlijks ongeveer € 15.600,00 aan inkomsten genereerden. Gerekend over tien jaar is dat € 150.600,00. De twee chalets dienden daarbij als zekerheidstelling.12 Of die zekerheidstelling op een juridisch houdbare wijze vorm had gekregen, kan men zich met het hof afvragen.13 Aan de aannemelijkheid van de kennelijke bedoeling doet dat echter niet af. Die bedoeling was dat de verdachte aanspraak had op de beide chalets zolang hij het bedrag van € 100.000,00 niet had gekregen.14 De verklaring van de verdachte dat een investering in chalets hem een bedrag van € 87.750,00 had opgeleverd, kan gezien dit alles mijns inziens niet als op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk worden aangemerkt.

3.6.

Iets anders is of de verdachte met die verklaring een legale herkomst heeft aangedragen van het geld dat zich in de koffer bevond. Bij die vraag zijn de verschillen in de wijze waarop de zaken werden voorgesteld, wél van belang. Dat de rechtsverhouding tussen de campingeigenaar en de verdachte, zoals het hof overwoog, “in nevelen [is] gehuld”, zou zijn verklaring kunnen vinden in het feit dat die rechtsverhouding het daglicht niet goed kon velen. In dit verband is van belang dat de investering van € 30.000,00 contant werd gedaan. Of dat geld een legale herkomst had, kan men zich daarbij afvragen. Dat, zoals de verdachte stelde, € 10.000,00 van dat bedrag afkomstig was van een belastingteruggaaf valt tot op zekere hoogte nog wel te verifiëren, dat de rest (€ 20.000,00) door zijn broer aan de verdachte was geschonken15, niet of nauwelijks. Bovendien is, als het geld inderdaad door de broer is geschonken, daarmee nog niet gezegd dat dit geld wit was. Aandacht verdient ook dat de campinghouder tegenover de rechter-commissaris verklaarde dat hij het contante geld – dat hij destijds nodig had voor de aankoop van de camping – als eigen vermogen had opgevoerd “richting de bank”. Hij verklaarde verder dat hij de verhuuropbrengsten van de beide chalets gewoon als omzet in zijn eigen boekhouding opvoerde. De “aflossingen” aan de verdachte betaalde hij privé. De verdachte van zijn kant gaf deze aflossingen kennelijk niet op aan de fiscus, noch als inkomsten, noch als opgebouwd eigen vermogen.16 Bij het een en ander past goed dat, zoals het hof vaststelde, in de koopovereenkomst niet werd gesproken van een verplichting om de lening af te lossen dan wel anderszins geld aan de verdachte over te dragen. Wie deze geldstroom aan het zicht van de fiscus wil onttrekken, maakt daarvan geen melding in een contract. Mijn conclusie is dan ook dat, als juist is dat het geld in de koffer grotendeels bestond uit de opbrengst van de investering in de chalets, de gedachte dat dit geld door belastingontduiking was verkregen, zich moeilijk laat onderdrukken.

3.7.

Mede in dit licht beschouwd acht ik het oordeel van het hof dat de verklaring die de verdachte heeft gegeven over de herkomst van het geld onvoldoende tegenwicht biedt tegen de verdenking van witwassen, niet onbegrijpelijk. Het hof heeft bij zijn oordeel veel gewicht toe kunnen kennen aan het feit dat de rechtsverhouding tussen de verdachte en de campingeigenaar in nevelen was gehuld, waardoor het niet goed mogelijk was om de grondslag van de gestelde betalingen vast te stellen. Niet alleen miste de verklaring van de verdachte daardoor de concreetheid die nodig is om die verklaring te kunnen verifiëren of te kunnen falsifiëren, zij maakt ook dat ernstig betwijfeld kan worden of wel een beroep is gedaan op een legale herkomst van het geld.

3.8.

Het middel faalt in al zijn onderdelen.

4 Afronding

4.1.

Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

4.2.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

4.3.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De cassatieakte van 16 november 2018 houdt in dat het beroep in cassatie partieel is ingesteld en zich beperkt tot het in zaak A onder 5 bewezen verklaarde witwassen.

2 De verdachte verklaarde dat hij het geld contant had bewaard omdat hij “geen problemen of vragen over dat geld wilde hebben”. Zie het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 oktober 2018, p. 3.

3 Ook zwart geld is geld dat door een misdrijf (kort gezegd belastingontduiking) is verkregen. Zie HR 7 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2774.

4 Zie het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 21 maart 2017, p. 11 (mijn broer “bracht” mij het geld) en het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 oktober 2018, p. 3 (“Ik denk dat mijn broer me uiteindelijk € 80.000,00 cash heeft gegeven.”)

5 Zie het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 21 maart 2017, p. 7 en 8.

6 Zie het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 21 maart 2017, p. 12.

7 De verdachte meende dat zijn schoonzus geen weet had van het geld en hij vond dat het geld niet naar haar toe moest gaan. Zie het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 21 maart 2017, p. 12. Getuige [getuige 1] meende dat zijn zus (de schoonzus van de verdachte) wel van het geld af wist. Hij verklaarde dat zijn zus en de broer van de verdachte in gemeenschap van goederen waren getrouwd. Zie het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 21 maart 2017, p. 8.

8 Zie de “koopovereenkomst chalet” van 10 juli 2005 (p. 146-148 van het politiedossier), de verklaring die [betrokkene 2] op 27 oktober 2016 heeft afgelegd bij de rechter-commissaris (p. 8 van de dossiermap “RC-verhoren”), de verklaring die [betrokkene 2] bij de politie heeft afgelegd op 26 februari 2016 (p. 141-142 van het politiedossier) en de verklaring die de verdachte op 24 februari 2016 bij de politie heeft afgelegd (p. 438-440 van het politiedossier).

9 De twee chalets zijn in beslag genomen. Zie het proces-verbaal van bevindingen (p. 140 van het politiedossier) en de kennisgeving van inbeslagneming (p. 150 van het dossier).

10 Zie het proces-verbaal van verhoor getuige (p. 141 politiedossier). De huurprijs die de campingeigenaar zijn klanten in rekening bracht, lijkt dus uit twee componenten te bestaan: huur van het chalet en huur van de grond waarop dat chalet staat. Dat strookt met de inhoud van de overeenkomst die in de woning van de verdachte is gevonden. Die overeenkomst vermeldt dat bij de koop van de chalets “tevens het eeuwigduurend recht van huur van de standplaatsen C-056 & C-057 van toepassing [is]” en dat “de huur van de standplaats de eerste 10 jaar vrij” is. Volgens deze overeenkomst kocht de verdachte alleen de chalets, niet de grond waarop zij stonden. Wel verkreeg hij het recht die grond te huren, de eerste tien jaar zelfs gratis. Bij het verhuren van de chalets aan klanten bracht de campingeigenaar kennelijk wel huur voor de standplaats in rekening. Die huur hield hij voor zichzelf.

11 Volgens die overeenkomst is “een tweetal rekreatie chalets” verkocht “voor de prijs van 15.000 euro”. In zijn tegenover de politie afgelegde verklaring stelde de campingeigenaar dat de bedoeling was dat de chalets voor € 15.000,00 per stuk werden verkocht (dus in totaal voor € 30.000,00).

12 De verdachte sprak van een “onderpand” (arrest hof, p. 6), de campingeigenaar van “een borgstelling als het met mij of met mijn bedrijf niet goed zou gaan” (zie zijn tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring).

13 Zoals al even werd aangestipt, werd in de koopovereenkomst onderscheid gemaakt tussen het chalet en de standplaats ervan. De chalets ervan werden verkocht (en geleverd door “overdracht van de sleutels van het kampeermiddel”), de standplaats bleef kennelijk eigendom van de camping. Die constructie houdt alleen stand als het “kampeermiddel” niet een gebouw is dat in de zin van art. 3:3 lid 1 en 5:20 lid 1 sub e BW duurzaam met de grond is verenigd. Zie daarover het Portacabin-arrest (HR 31 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2478, NJ 1998/97).

14 Het hof spreekt van een verplichting tot levering van de chalets als de verkoper niet aan zijn verplichting tot aflossing en rentebetaling voldeed.

15 Hoewel twee derde van de investering afkomstig zou zijn van zijn broer, droeg de verdachte niets van de opbrengsten af aan zijn broer. Hij lijkt zich daartoe ook niet verplicht te voelen. Tegenover het hof verklaarde de verdachte dat zijn broer hem met deze deal zekerheid voor de toekomst had willen bieden. Zie het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep van 17 oktober 2018, p. 5.

16 Het hof overweegt in het arrest dat de verdachte in de tenlastegelegde periode, buiten zijn uitkering van € 900,00 per maand, niet beschikte over enige vorm van legaal inkomen. Dat sluit aan bij het onder B bewezenverklaarde feit (uitkeringsfraude), dat in de periode van 1 januari 2012 tot 23 februari 2016 werd gepleegd. Bij de rechtbank verklaarde de verdachte dat hij nooit geld had opgegeven bij de Belastingdienst omdat dat nu eenmaal lastig was te combineren met een uitkering. “De afgelopen jaren heb ik heel domme dingen gedaan, maar ik besefte wel dat er problemen van zouden komen als ik het geld bij de Belastingdienst zou opgeven”.