Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:1454

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
29-10-2019
Datum publicatie
18-02-2020
Zaaknummer
18/04726
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:286
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Eendaadse samenloop van medeplegen aanwezig hebben, vervoeren en afleveren van Crystal Methamfetamine, art. 2.B jo. 2.C Opiumwet. Bewijsklachten. HR: art. 80a RO. Samenhang met 18/05053.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/04726

Zitting 29 oktober 2019

CONCLUSIE

G. Knigge

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,

hierna: de verdachte

1 De zaak

1.1.

De verdachte is bij arrest van 2 november 2018 door het gerechtshof Amsterdam wegens 1 “de eendaadse samenloop van medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod”, 2. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, 3. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod”, 4 eerste cumulatief/alternatief “medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III” en 5. “medeplegen van handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr. Voorts heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen.

1.2.

Er bestaat samenhang met de zaken [medeverdachte 1] (18/04924) en [medeverdachte 2] (18/05053). In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

1.3.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. Y. Moszkowicz, advocaat te Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

1.4.

Het middel komt op tegen de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde feit.

2 Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1.

Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezen verklaard dat:

“zij op 26 januari 2016 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad en heeft vervoerd en afgeleverd een hoeveelheid Crystal Methamfetamine;”

2.2.

De bestreden uitspraak bevat ten aanzien van dit feit de navolgende bewijsoverweging:

“De raadsman heeft – kort gezegd - betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1, omdat niet kan worden bewezen dat zij tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk Crystal Methamfetamine aan [medeverdachte 2] heeft geleverd. In het telefoongesprek van 26 januari 2016 tussen de verdachte en [medeverdachte 2] is niet, ook niet versluierend, gesproken over Crystal Methamfetamine of andere (hard)drugs. Onderzoek van de tas van de verdachte naar aanleiding van de observatie later die dag is uitgebleven. Bovendien had de andere persoon met wie de verdachte samen was, zoals overigens pas ter terechtzitting van de rechtbank is gebleken, ook een tas bij zich. Weliswaar heeft de verdachte verklaard dat zij samen met deze persoon, genaamd [betrokkene 1], naar [medeverdachte 2] is gegaan, zij wist niet dat het daarbij ging om de levering van voornoemde drugs. Nu het voor medeplegen vereiste dubbel opzet bij de verdachte heeft ontbroken, moet zij reeds om die reden worden vrijgesproken.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 1 overeenkomstig het oordeel van de rechtbank bewezen kan worden verklaard.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen, zoals vervat in een bijlage die aan dit arrest is gehecht en daarvan deel uit maakt, stelt het hof het volgende vast.

[medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben zich gedurende de periode van 1 januari 2015 tot eind februari 2016 in georganiseerd verband bezig gehouden met de handel in harddrugs. Door de inzet van twee koeriers, [medeverdachte 4] ([medeverdachte 4]) en [medeverdachte 5] ([medeverdachte 5]) werden verschillende soorten harddrugs, waaronder Crystal Methamefetamine, aan een groot aantal klanten in Amsterdam en ook daarbuiten geleverd. [medeverdachte 2] zorgde er onder meer voor dat drugs werden ingekocht en naar het ‘stash house’, de woning van [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] aan de [a-straat 1] te Amsterdam, werden gebracht. [medeverdachte 1] haalde de drugs daar op en verstrekte deze aan de twee koeriers, die op hun beurt voor de aflevering aan de klanten zorgden. Crystal Methamfetamine wordt door de leden van de organisatie en de klanten ook wel aangeduid met de benaming ‘T’ en ‘Tina’.

Daarnaast acht het hof de volgende feiten en omstandigheden, die zijn ontleend aan wettige bewijsmiddelen, redengevend voor bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde.

Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant Van Dijk van 22 februari 2016 heeft de volgende voor het bewijs relevante inhoud.

Op 26 januari 2016 om 13:37 uur vond een telefoongesprek plaats tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] waarin door [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 5] werd gevraagd of hij nog iets gehoord had van die nieuwe T (pagina 166), waarop [medeverdachte 5] antwoordde dat hij er achteraan ging bellen. Een minuut later heeft [medeverdachte 5] gebeld met ene [betrokkene 2], die op de vraag hoe hij het meegegeven extraatje vond, antwoordde dat ‘het’ goed was (pagina 167). Om 13:39 uur, weer een minuut later, belde [medeverdachte 5] naar [medeverdachte 1] met de mededeling dat ‘het’ goed is, waarop [medeverdachte 1] antwoordde dat hij gelijk even ging bellen (pagina 167). Om 13:40 uur werd door [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 2] gebeld met de mededeling dat twee mensen ‘het’ hadden geprobeerd en (naar het hof begrijpt: het hadden goedgekeurd, want:) ‘twee mensen zeggen top’. [medeverdachte 2] reageerde daarop met de vraag ‘dus doen denk je?’, waarop [medeverdachte 1] antwoordde ‘ik denk van wel ja, als ze allebei zo goed erover praten’. [medeverdachte 2] ging vervolgens kijken of ze ‘het’ nog hadden (pagina 167 en 168).

Diezelfde dag om 15:01 uur belde de verdachte naar [medeverdachte 2], omdat ze had gezien dat [medeverdachte 2] haar had gebeld. In dit gesprek vroeg [medeverdachte 2] de verdachte of ‘het’ er nog was of dat ‘het’ al weg was. De verdachte antwoordde dat ze even voor hem ging bellen (pagina 168). Vijf minuten later belde de verdachte weer naar [medeverdachte 2] met de mededeling ‘nou het is er nog, dus dat is wel mazzel. Ik ga het ophalen en dan kom ik naar jou toe rond een uurtje of 5, half 6’ (pagina 168).

Op 26 januari 2016 is een observatieteam van de politie ingezet om het contact tussen de verdachte en [medeverdachte 2] waar te nemen. Daarbij is om 17:20 uur gezien dat de verdachte samen met een man de woning van [medeverdachte 2] op de [b-straat 1] te Amsterdam binnenging. Om 17:43 uur werd waargenomen dat de verdachte en de man het pand/de flat weer verlieten (proces-verbaal van observatie, pagina 172).

Vervolgens werd om 19:05 uur waargenomen dat [medeverdachte 2] met zijn voertuig (een Kia Sportage voorzien van kenteken [kenteken]) naar de [a-straat] reed (proces-verbaal van bevindingen, pagina 169). Om 19:44 uur heeft [medeverdachte 1] gebeld naar de koerier [medeverdachte 5] met de mededeling "er is nieuwe T” (proces-verbaal van bevindingen, pagina 170).

Op 23 februari 2016 vond een doorzoeking van de woning op de [a-straat 1] te Amsterdam plaats.

Daarbij zijn twee bakken aangetroffen met opschrift/opdruk ‘500’ en ‘500- NEW’, waarvan forensisch onderzoek heeft uitgewezen dat de inhoud Crystal Methamfetamine betrof (rapporten naar aanleiding van laboratoriumonderzoek van respectievelijk 1 maart 2016 en 14 maart 2016, pagina’s 905 en 1288 en een proces-verbaal analyse doorzoeking, pagina 1294).

[medeverdachte 6] heeft op 24 februari 2016 bij de politie verklaard dat het bakje waar Nieuw op stond fijne ‘T’ was, die [medeverdachte 2] eind januari (het hof begrijpt: 2016) had gebracht. Dat waren twee bakken van 500, dus een kilo (proces-verbaal van verhoor van de verdachte [medeverdachte 6], pagina 556).

De verdachte heeft ter terechtzitting van het hof verklaard dat zij op 26 januari 2016 samen met een bekende van haar, genaamd [betrokkene 1], naar de woning van [medeverdachte 2] is gegaan en dat [betrokkene 1] daar toen datgene aan [medeverdachte 2] heeft afgegeven/afgeleverd, waarover het in de gesprekken tussen haar en [medeverdachte 2] eerder op de dag is gegaan.

Op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden, bezien in onderling verband en samenhang, komt het hof tot het oordeel dat de verdachte op 26 januari 2016 tezamen met een ander opzettelijk een hoeveelheid Crystal Methamfetamine voorhanden heeft gehad, heeft vervoerd en heeft afgeleverd aan [medeverdachte 2]. Dat de verdachte, zoals zij zelf heeft verklaard, daarbij niet zou hebben geweten dat het om Crystal Methamfetamine ging, acht het hof uitgesloten, nu uit de inhoud van de telefoongesprekken die de verdachte met [medeverdachte 2] heeft gevoerd duidelijk blijkt dat beiden zonder meer weten waarover gesproken wordt als [medeverdachte 2] vraagt of ‘het’ er nog is en de verdachte antwoordt ‘dat zij even gaat bellen’ en dan later terugbelt met de mededeling dat 'het' er nog is en dat zij ‘het’ gaat ophalen en dan bij hem langs komt. Deze vaststelling vindt bovendien steun in de omstandigheid dat [medeverdachte 2] kort na het bezoek van de verdachte en [betrokkene 1] naar het ‘stash huis' aan de [a-straat] is gereden en in de verklaring van [medeverdachte 6] dat [medeverdachte 2] eind januari 2016 ‘T’ (het hof begrijpt: Crystal Methamfetamine) heeft gebracht.

De verdachte heeft bij deze aflevering nauw en intensief samengewerkt met de man die zij [betrokkene 1] noemt en haar bijdrage is van zodanig gewacht geweest dat sprake is van medeplegen. De verdachte heeft een verbindende rol gespeeld tussen de leverancier en de afnemer en actief geïnformeerd naar de aanwezigheid en beschikbaarheid van de verdovende middelen. Daarnaast is zij persoonlijk aanwezig geweest bij het vervoer en de bezorging van de drugs.

Voor het betoog van de raadsman dat de Crystal Methamfetamine mogelijk al in de woning van [medeverdachte 2] lag voorafgaand aan het moment waarop de verdachte en de man genaamd [betrokkene 1] daar aankwamen bevat het dossier geen enkel aanknopingspunt en ook overigens is dat niet aannemelijk geworden.”

2.3.

De bewezenverklaring berust voorts op de volgende, in een bijlage bij het arrest opgenomen bewijsmiddelen:

onder 1, 2, 3, 4 en 5

1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep op 18 oktober 2018. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Ik heb op 26 januari 2016 contact gehad met [medeverdachte 2] en met [betrokkene 1]. [betrokkene 1] had iets voor [medeverdachte 2]. Dat liet hij me weten. Ik heb daarover contact gehad met [medeverdachte 2]. Ik heb [betrokkene 1] vervolgens naar [medeverdachte 2] gebracht omdat hij me dat vroeg. De gesprekken met [medeverdachte 2] zullen dus zijn gegaan over dat wat [betrokkene 1] zou komen brengen. Ik was erbij toen [betrokkene 1] die tas aan [medeverdachte 2] gaf.

(…)

in aanvulling op de redengevende feiten en omstandigheden die voorzien van vindplaatsen onder 1 in het arrest zijn opgenomen

2. Een proces-verbaal van bevindingen drugsbenamingen en prijzen van 22 februari 2016, in de

wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (pagina 173 e.v.) en de bijbehorende tapgesprekken (pagina 186 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Het onderzoek 13-Oedang richt zich op de vermeende handel in verdovende middelen door de verdachten [medeverdachte 2], [medeverdachte 1], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4], [medeverdachte 5], [medeverdachte 6], [medeverdachte 7]. Uit de sinds 26 november 2015 afgeluisterde telefoongesprekken blijkt dat er meerdere

soorten verdovende middelen besteld kunnen worden. Zowel kopers als bezorgers gebruiken hiervoor andere woorden of men gebruikt de eerste letter van de betreffende drugs. Ook worden de betreffende prijzen van de genoemde verdovende middelen in een sms bericht gestuurd. Hieronder een beschrijving van de verdovende middelen die besteld worden. Tevens worden de prijzen benoemd die door de organisatie wordt gehanteerd.

Drugs

Benamingen

Prijzen

Crystal Methamfetamine

T / Tina / Ice / Kristallen

0,5 gram = 100 euro

1 gram = 175 euro

2 gram = 300 euro

4 gram = 500 euro

5 gram = 600 euro

10 gram = 1000 euro

GHB

GH / Spa Rood

30 ml = 20 euro

0,5 l = 150 euro

GBL

GB

30 ml = 30 euro

0,5 l = 200 euro

XTC

X / Snoepjes

1 pil 5 euro

5 pillen = 20 euro

100 pillen 350 euro

Cocaïne

C / Coke

1 gram 50 euro

Fire Coke

FC / First Class

1 gram 60 euro

Speed

S

1 gram 15 euro

Mephodrone

Miauw Miauw

1 gram 30 euro

MDMA

MD

1 gram = 25 euro

Bezorgkosten

Bestelling tot 75 euro = 10 euro

3. Een proces-verbaal verdenkingen contra verdachte [medeverdachte 2] van 24 februari 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (pagina 308 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Organisatie van de leveringen harddrugs:

De verdovende middelen worden ingekocht door [medeverdachte 2] . Hij zorgt ervoor dat de verdovende middelen vervolgens in een ‘stash house’ op de [a-straat 1] in [plaats] terecht komen en hij zorgt ervoor dat de voorraad op peil is. [a-straat 1] is de woning van [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6]. [medeverdachte 1] ([medeverdachte 1], het hof begrijpt: [medeverdachte 1]) haalt de drugs op [a-straat 1] en verstrekt deze samen met zijn vrouw [medeverdachte 3] aan de twee koeriers genaamd ‘[medeverdachte 5]’ (het hof begrijpt: [medeverdachte 5]) en ‘[medeverdachte 4]’ (het hof: begrijpt [medeverdachte 4], [medeverdachte 4]).

De koeriers komen meerdere malen per dag bij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] om een nieuwe voorraad drugs op te halen die zij vervolgens naar de kopers brengen.

4. Een proces-verbaal van verhoor van 24 februari 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 2] (pagina 438 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op die datum tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [medeverdachte 2]:

Ik ken [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte]). Het klopt dat zij op 26 januari 2016 bij mij is geweest en iets heeft gebracht. Het klopt dat ik iets naar de [a-straat] heb gebracht.”

3 De bespreking van het middel

3.1.

Het middel klaagt dat het onder 1 ten laste gelegde medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod niet uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, zodat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.

3.2.

Het middel bevat allereerst de klacht dat het hof niet heeft gemotiveerd dat is voldaan aan het voor medeplegen vereiste ‘dubbel opzet’. Daartoe wordt in de kern betoogd dat, aangezien het hof heeft vastgesteld dat wanneer over Crystal Methamfetamine wordt gesproken, die drug door de leden van de organisatie wordt aangeduid met de benaming ‘T’ en ‘Tina’, uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat wanneer wordt gesproken over ‘het’, daarmee eveneens op diezelfde drug wordt gedoeld.

3.3.

Anders dan het middel wil doen geloven, sluit het een het ander niet uit. Als de gesprekspartner niet weet over welke drug het gaat, zal het beestje bij de (bij)naam moeten worden genoemd (in dit geval ‘T’ of “Tina’). Als de gesprekspartner wel weet waarover het gaat, is een verduidelijking overbodig. Versluieren is dan, althans voor een drugshandelaar, zelfs beter. Dat kan door enkel van ‘het’ te spreken. Dit wordt geïllustreerd door de telefoongesprekken die voorafgaan aan de gesprekken die [medeverdachte 2] met de verdachte voert. [medeverdachte 1] vraagt daarin aan [medeverdachte 5] of hij nog iets gehoord heeft van “die nieuwe T”. [medeverdachte 5] belooft er achteraan te bellen en belt vrijwel direct met ene [betrokkene 2] met de vraag hoe hij “het meegegeven extraatje” vond. Kennelijk begrijpt die [betrokkene 2] wat dat extraatje was en antwoordt dat “het” goed was. Dan belt [medeverdachte 5] terug naar [medeverdachte 1] met de mededeling dat “het” goed is. De gevolgtrekking van het hof dat [medeverdachte 5] hier met “het” de nieuwe ‘T’ bedoelde waar hij achteraan zou bellen (en dat [medeverdachte 1] dat begreep), is geenszins onbegrijpelijk.

3.4.

Dat geldt ook voor de uitleg die het hof heeft gegeven aan de telefoongesprekken die de verdachte met [medeverdachte 2] voerde. [medeverdachte 2] vroeg aan de verdachte of “het” er nog was dan wel of “het” al weg was. Kennelijk refereerde hij hier aan iets waarover ze het eerder samen hadden gehad. Het oordeel van het hof dat duidelijk blijkt dat beiden zonder meer weten waarover gesproken wordt, is dan ook bepaald niet onbegrijpelijk. De conclusie van het hof dat het om Crystal Methamfetamine ging, is gelet op hetgeen verder uit de bewijsvoering blijkt evenmin onbegrijpelijk.

3.5.

Het middel bevat voorts de klacht dat het hof het door de verdediging aangevoerde alternatieve scenario, inhoudende dat de Crystal Methamfetamine reeds in de woning van [medeverdachte 2] aanwezig was op het moment dat de verdachte en [betrokkene 1] in de woning aankwamen, ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.

3.6.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer het volgende in:

“De verdachte en haar raadsman voeren het woord tot verdediging.

(…) Het gaat hier om 26 januari 2016. En dan in het bijzonder om de vraag of de verdachte op die datum Crystal Methamfetamine heeft afgeleverd en of zij wist dat ze dat deed. Ik meen dat die vraag ontkennend moet worden beantwoord. Ik meen dat niet kan worden bewezen dat de verdachte samen met een ander opzettelijk Crystal Methamfetamine aan [medeverdachte 2] heeft geleverd. (…) De tas van de verdachte is niet onderzocht. We weten dus niet of de drugs die dag zijn geleverd. Er zijn allerlei scenario’s denkbaar. Wie weet lag het al bij [medeverdachte 2]. Daar is geen onderzoek naar gedaan. (…)”

3.7.

Het aldus gevoerde verweer kan niet los worden gezien van de stelling van de verdediging dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte en [medeverdachte 2] het in de telefoongesprekken die zij voerden over Crystal Methamfetamine hadden. Die stelling is, zoals bij de bespreking van de eerste deelklacht bleek, onjuist. Die bewijsmiddelen laten in de daaraan door het hof gegeven uitleg moeilijk een andere conclusie toe dan dat de verdachte samen met [betrokkene 1] Crystal Methamfetamine aan [medeverdachte 2] heeft geleverd. Dat betekent dat de als alternatief scenario gepresenteerde mogelijkheid dat de Crystal Methamfetamine al in de woning van [medeverdachte 2] lag haar weerlegging vindt in de gemotiveerde bewezenverklaring.1 Ten overvloede merk ik nog op dat het verweer slechts een theoretische mogelijkheid behelsde waarvoor, zoals het hof overwoog, in het dossier geen enkel aanknopingspunt is te vinden.2

3.8.

Het middel faalt in zijn beide onderdelen.

4 Afronding

4.1.

Het is naar mijn oordeel evident dat het middel niet kan slagen. Dat betekent dat de zaak afgedaan kan worden met toepassing van art. 80a RO.

4.2.

Deze conclusie strekt ertoe dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk wordt verklaard.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 16 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3359, NJ 2010/314.

2 Vgl. HR 17 november 1998, NJ 1999/152.