Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:145

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
12-02-2019
Datum publicatie
19-03-2019
Zaaknummer
19/00210
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:413, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Wet Bopz. Verzoek schadevergoeding i.v.m. overschrijding beslistermijn voor machtiging voortgezet verblijf (art. 35 Wet Bopz). Toerekening overschrijding beslistermijn aan betrokkene vanwege ongeoorloofd vertrek uit de instelling t.t.v. geplande mondelinge behandeling en aanhouding nadere mondelinge behandeling op verzoek betrokkene i.v.m. volgens deze ontbrekende gegevens. Na ontvangst en reactie op gegevens voldoende spoedig beslist? Niet-tijdige afgifte proces-verbaal mondelinge behandeling hoger beroep (HR 20 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3336).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr.: 19/00210 mr. M.L.C.C. Lückers

Zitting: 12 februari 2019 Conclusie inzake:

[betrokkene]

(hierna: betrokkene),

verzoeker tot cassatie,

advocaat: mr. G.E.M. Later,

tegen

De Staat der Nederlanden

(hierna: de Staat),

verweerder in cassatie,

niet verschenen.

In deze zaak heeft betrokkene op de voet van art. 35 Wet Bopz een verzoek tot schadevergoeding ingediend. Het hof heeft overwogen dat het verzoek niet voor toewijzing in aanmerking komt voor zover daar overschrijding van de beslistermijn door de rechter (art. 17 lid 2 Wet Bopz) aan ten grondslag is gelegd. Het hof heeft in dat verband geoordeeld dat gebleken is dat die overschrijding is veroorzaakt door aan betrokkene toe te rekenen omstandigheden. Het middel komt met verschillende klachten tegen dit oordeel op.

1 Feiten en procesverloop

1.1

Bij verzoekschrift, ingekomen op 15 mei 2017, heeft de officier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Nederland de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, verzocht een machtiging tot voortgezet verblijf te verlenen ten aanzien van betrokkene. Betrokkene verbleef toen in het psychiatrisch ziekenhuis Trajectum Hoeve Boschoord (Trajectum). De lopende rechterlijke machtiging liep af op 25 mei 2017. Bij het verzoekschrift waren gevoegd een geneeskundige verklaring, op 19 april 2017 ondertekend door de geneesheer-directeur van Trajectum, een zorgplan en de wettelijke aantekeningen als bedoeld in art. 37a Wet Bopz.1

1.2

Het verzoek van de officier van justitie zou ter zitting van 31 mei 2017 worden behandeld. Deze zitting is niet doorgegaan “omdat de betrokkene toen ongeoorloofd afwezig was”.2 Op 15 juni 2017 is het verzoek alsnog ter zitting behandeld. Ter zitting heeft de advocaat van betrokkene, mr. Sandberg, verzocht de behandeling aan te houden om Trajectum in de gelegenheid te stellen nadere gegevens te verstrekken omdat de advocaat de wettelijke aantekeningen te beperkt vond. De rechtbank heeft ter zitting de behandeling aangehouden teneinde de behandelaren van Trajectum in de gelegenheid te stellen binnen een week de nadere gegevens te verstrekken. Trajectum heeft vervolgens op 21 juni 2017 de verzochte nadere gegevens ingediend. De advocaat van betrokkene heeft daarop op 26 juni 2017 schriftelijk gereageerd.

1.3

Bij beschikking van 13 juli 2017 heeft de rechtbank een machtiging verleend tot voortgezet verblijf als bedoeld in art. 15 Wet Bopz, welke machtiging de bevoegdheid geeft om betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis te doen verblijven tot en met 24 mei 2018.

1.4

Eerder, op 15 juni 2017, had betrokkene een voorlopig verzoek tot schadevergoeding op de voet van art. 35 Bopz ingediend. Dit verzoek is op 17 augustus 2017 aangevuld. In het verzoekschrift zijn als verweerders aangemerkt (a) Trajectum en (b) de Staat, onder te verdelen in (i) het Openbaar Ministerie Noord-Nederland en (ii) de rechtbank Noord-Nederland. Voor zover van belang is aan het verzoek, samengevat, ten grondslag gelegd dat de rechtbank niet binnen de voorgeschreven termijn heeft beslist op het verzoek van 15 mei 2017 en dat de voorschriften met betrekking tot de wettelijke aantekeningen en het behandelplan zijn geschonden omdat die niet voldoen aan de daaraan gestelde inhoudelijke en formele eisen en toch zijn aanvaard door de rechtbank.3

1.5

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, heeft het verzoek om schadevergoeding behandeld ter zitting van 21 november 2017.

1.6

Bij beschikking van 5 december 2017 heeft de rechtbank betrokkene in zijn verzoek tot schadevergoeding, voor zover gericht tegen Trajectum, niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft het verzoek van betrokkene, voor zover dat was gericht tegen de Staat, afgewezen.

1.7

Betrokkene heeft, onder aanvoering van drie grieven, hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden. In dat beroep heeft hij alleen de Staat betrokken. De Staat is door het hof in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Het hof heeft de zaak mondeling behandeld op 27 augustus 2018. Daarbij was aanwezig de advocaat van betrokkene.

1.8

Bij beschikking van 11 oktober 2018 heeft het hof de beschikking van de rechtbank van 5 december 2017, voor zover aan het hoger beroep onderworpen, bekrachtigd. Het hof heeft als volgt overwogen:

“5.1 In artikel 35 Bopz is bepaald dat indien degene ten aanzien van wie door de officier van justitie een verzoek is gedaan tot het verlenen van een der machtigingen als bedoeld in hoofdstuk II van die wet (artikelen 2 t/m 15), dan wel tot het geven van een beslissing inzake ontslag als bedoeld in artikel 49, derde of tiende lid, nadeel heeft geleden doordat de rechter of de officier van justitie een der bepalingen, vervat in hoofdstuk II of in artikel 49, niet in acht heeft genomen, de rechter deze op verzoek van betrokkene een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding toekent ten laste van de Staat.

5.2

Het feit dat aan de gronden voor de machtiging voortgezet verblijf wordt voldaan, staat op zichzelf niet in de weg aan het aanspraak kunnen maken op schadevergoeding indien sprake is van overschrijding van de beslistermijn. In dit verband kan op grond van artikel 35 Bopz bij overschrijding door de rechter van de beslistermijn een vergoeding worden toegekend ter zake van immaterieel nadeel aan een betrokkene die stelt dat hij in de periode van overschrijding heeft verkeerd in onzekerheid over de rechtmatigheid van zijn gedwongen verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis. De op geld waardeerbare schade bestaat dan uit het nadeel dat is geleden in de vorm van spanning of frustratie door het uitblijven van een tijdige rechterlijke beslissing over de vrijheidsbeneming of de voortzetting daarvan en de onzekerheid over de situatie (vgl. HR 10 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:926).

5.3

Met betrekking tot de in het onderhavige geval aangevoerde overschrijding van de beslistermijn en daaruit voortvloeiend nadeel, overweegt het hof als volgt.

In de Bopz is met het oog op de verplichtingen voortvloeiend uit artikel 5 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) geregeld dat iedere rechterlijke machtiging een maximale geldigheidsduur heeft en dat steeds vooraf een toetsing van de maatregel plaatsvindt waarbij de rechter gehouden is aan een beslistermijn. In artikel 17 Bopz is in dit verband bepaald, voor zover van belang, dat het verzoekschrift van de officier van justitie tot het verlenen van een machtiging voortgezet verblijf wordt ingediend tijdens de zesde of vijfde week voor het einde van de geldigheidsduur van de lopende machtiging en dat de rechtbank daarop binnen vier weken na indiening ervan beslist.

5.4

Artikel 48 lid 1, aanhef en onder b, Bopz bepaalt dat de geneesheer-directeur aan een patiënt die krachtens een rechterlijke machtiging is opgenomen ontslag uit het psychiatrisch ziekenhuis verleent zodra de geldigheidsduur van de machtiging is verstreken, tenzij voortzetting van het verblijf als vrijwillig patiënt gewenst is en betrokkene blijk geeft van de nodige bereidheid daartoe. In afwijking van deze hoofdregel blijft het ontslag achterwege indien, zoals in het onderhavige geval, vóór het verstrijken van de geldigheidsduur een verzoekschrift is ingediend tot het verlenen van een aansluitende machtiging. De machtiging waarvan de geldigheidsduur is verstreken heeft in zoverre een zekere ‘nawerking’. Is voor het einde van de geldigheidsduur van de lopende machtiging een aansluitende machtiging verzocht en wordt vervolgens de wettelijke beslistermijn door de rechter overschreden, dan verleent de geneesheer-directeur alsnog ontslag op grond van artikel 48, lid 1 onder b, Wet Bopz. Het tweede lid van artikel 48 maakt op deze laatste regel slechts een uitzondering indien de overschrijding van de beslistermijn het gevolg is van een contra-expertise op verzoek van de patiënt.

5.5

Vast staat dat niet binnen vier weken na indiening van het verzoek door de officier van justitie op 15 mei 2017 is beslist maar eerst op 13 juli 2017 en dus na het verstrijken van de geldigheid van de voorliggende machtiging op 24 mei 2017. Gebleken is echter dat die overschrijding van de beslistermijn is veroorzaakt door aan de betrokkene toe te rekenen omstandigheden. De op 31 mei 2017 geplande zitting bij de rechtbank kon in dit verband niet doorgaan wegens ongeoorloofde afwezigheid van de betrokkene en heeft pas op 15 juni 2017 kunnen plaats[vinden]. Tijdens die zitting is vervolgens namens de betrokkene om een aanhouding van de beslissing gevraagd omdat er volgens de betrokkene nadere gegevens nodig waren. De advocaat van de betrokkene vond dat ten onrechte gegevens ontbraken over de periode waarin de betrokkene op de locatie Rekken-Berkelland verbleef. Die nadere gegevens zijn op 21 juni 2017 door Trajectum bij de rechtbank ingediend en vervolgens is daarop namens de betrokkene op 26 juni 2017 gereageerd. De tijd die gemoeid is geweest met de voormelde ongeoorloofde afwezigheid van de betrokkene en de aanhouding van de beslissing, dient naar het oordeel van het hof voor rekening en risico van de betrokkene te blijven. De voorschriften betreffende de geneeskundige verklaring en de wettelijke aantekening, bedoeld in artikel 16 lid 4 Bopz en artikel 37a Bopz, strekken er immers toe dat de rechter in staat wordt gesteld zich een oordeel te vormen over de gronden voor de verzochte maatregel, en dat die gronden zich hier voordoen is niet betwist. De nadere gegevens van Trajectum hebben dat bevestigd. Daarbij komt dat de instelling bij de invulling van de wettelijke aantekening een zekere beoordelingsvrijheid heeft al naar gelang de feiten en omstandigheden van het geval (…). Vast staat dat zowel Rekken-Berkelland als Hoeve Boschoord onder Trajectum vallen. De betrokkene heeft het hof daarom niet overtuigd van de noodzaak van het verzoek om de nadere gegevens van Trajectum.

5.6

Uit het voorgaande volgt dat het verzoek om schadevergoeding niet voor toewijzing in aanmerking komt voor zover daar overschrijding van de beslistermijn door de rechter aan ten grondslag is gelegd. Tot 24 mei 2017 verkeerde betrokkene immers niet in onzekerheid over zijn verblijfsstatus omdat de vorige machtiging toen nog niet verstreken was. Tot 15 juni 2017 kon de rechtbank niet beslissen vanwege de ongeoorloofde afwezigheid van de betrokkene. Ook de aanhouding van de beslissing in de periode van 15 juni 2017 tot en met 26 juni 2017 ligt in de risicosfeer van de betrokkene. Dat de beslissing vervolgens door de rechtbank op 13 juli 2017 is genomen, ruim binnen vier weken na 26 juni 2017, is naar het oordeel van het hof in de gegeven omstandigheden voldoende spoedig (in de zin van artikel 5 lid 4 EVRM), mede nu de rechtbank daarover het overleg heeft gezocht met de advocaat van de betrokkene.

5.7

De in artikel 17 Bopz genoemde indieningstermijn voor de officier van justitie (de zesde of vijfde week voor het verstrijken van de machtiging) strekt ertoe de rechter in staat te stellen om tijdig vóór het verstrijken van de geldigheid van de lopende machtiging een beslissing te nemen op het verzoek om voortgezet verblijf. Die indieningstermijn is bedoeld om de procedure te stroomlijnen en strekt aldus, anders dan de beslistermijn, niet rechtstreeks tot bescherming van de (op geld waardeerbare) belangen van de betrokkene. Dat de indieningstermijn in het onderhavige geval niet in acht is genomen geeft het hof daarom op zichzelf geen reden schadevergoeding aan de betrokkene toe te kennen waarbij het hof in aanmerking neemt dat de betrokkene in ieder geval tot 24 mei 2017 niet in onzekerheid verkeerde omtrent zijn verblijfsstatus in de instelling en hij daarna geruime tijd ongeoorloofd afwezig is geweest uit de instelling.”

1.9

Namens betrokkene is op 11 januari 2019 - tijdig - beroep in cassatie ingesteld tegen deze beschikking. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel bestaat uit vier onderdelen (I t/m IV).

2.2

Onderdeel I is gericht tegen de volgende passages uit de rechtsoverwegingen 5.5 en 5.6:

“5.5 Vast staat dat niet binnen vier weken na indiening van het verzoek door de officier van justitie op 15 mei 2017 is beslist maar eerst op 13 juli 2017 en dus na het verstrijken van de geldigheid van de voorliggende machtiging op 24 mei 2017. Gebleken is echter dat die overschrijding van de beslistermijn is veroorzaakt door aan de betrokkene toe te rekenen omstandigheden. De op 31 mei 2017 geplande zitting bij de rechtbank kon in dit verband niet doorgaan wegens ongeoorloofde afwezigheid van de betrokkene en heeft pas op 15 juni 2017 kunnen plaats[vinden]. (…)

5.6

Uit het voorgaande volgt dat het verzoek om schadevergoeding niet voor toewijzing in aanmerking komt voor zover daar overschrijding van de beslistermijn door de rechter aan ten grondslag is gelegd. Tot 24 mei 2017 verkeerde betrokkene immers niet in onzekerheid over zijn verblijfsstatus omdat de vorige machtiging toen nog niet verstreken was. Tot 15 juni 2017 kon de rechtbank niet beslissen vanwege de ongeoorloofde afwezigheid van de betrokkene (…)”

2.3

Het onderdeel klaagt dat uit de bestreden beschikking niet blijkt waarom de rechtbank het verzoek om een machtiging tot voortgezet verblijf te verlenen niet heeft behandeld op 31 mei 2017, althans dat de rechtbank onvoldoende duidelijk maakt waarom de op die datum gepande zitting niet is doorgegaan. Het onderdeel stelt dat de rechtbank heeft overwogen dat de mondelinge behandeling niet heeft plaatsgevonden “omdat verzoeker ongeoorloofd afwezig was”, doch vraagt zich af of dit de reden was om een behandeling niet te laten plaatsvinden. Ter toelichting stelt het onderdeel dat, indien betrokkene op de hoogte was van de zitting op 31 mei 2017, zijn afwezigheid beschouwd kon worden als “het niet gehoord willen worden”. Het onderdeel stelt vervolgens dat betrokkene bekend was met de zitting, “zodat er van uitgegaan had kunnen worden dat hij zijn redenen had om niet bij de zitting aanwezig te willen zijn”. Het onderdeel stelt dat uit de stukken blijkt dat betrokkene op 2 juni 2017 weer terug was in de inrichting en dat nergens uit blijkt waarom de rechtbank pas op 15 juni 2017 de zitting “heeft laten plaatsvinden”. Het onderdeel wijst er in dat verband op dat de laatste dag om een beslissing te nemen 12 juni 2017 was, uitgaande van binnenkomst van het verzoek van de officier van justitie op 15 mei 2017. Zelfs als de rechtbank rekening had willen houden met de ongeoorloofde afwezigheid van betrokkene had het verzoek, zo betoogt het onderdeel, toch nog binnen de termijn behandeld kunnen worden en had binnen de termijn kunnen worden beslist. Het onderdeel klaagt dat het oordeel dat de overschrijding van de beslistermijn is veroorzaakt door aan betrokkene toe te rekenen omstandigheden, derhalve onjuist is, althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.

2.4

Ik stel bij de beoordeling van het onderdeel voorop dat uitsluitend wordt geklaagd over het overschrijden door de rechtbank van de in art. 17 lid 2 Wet Bopz genoemde beslistermijn van vier weken na het indienen van het verzoekschrift. Over het te laat indienen door de officier van justitie van het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf (art. 17 lid 1 Wet Bopz) klaagt het onderdeel niet. Tegen rov. 5.7 wordt in cassatie namelijk geen klacht gericht.

2.5

Het onderdeel faalt naar mijn mening reeds op de grond dat betrokkene zijn stelling dat de rechtbank vóór dan wel uiterlijk op 12 juni 2017 een beslissing had kunnen en moeten nemen, in hoger beroep heeft prijsgegeven. Betrokkene stelt in het appelschrift onder punt 13 immers dat de rechtbank “op of zeer kort na 26 juni 2017 had moeten beslissen en dat de beslissing van 13 juli 2017 dus 16 dagen te laat is genomen”.

2.6

Ook overigens faalt het onderdeel. Voor zover het onderdeel betoogt dat betrokkene op de hoogte was van de zitting op 31 mei 2017 en dat zijn afwezigheid zodoende moet worden beschouwd als “het niet gehoord willen worden”, ziet het over het hoofd dat betrokkene vóór de geplande zitting van 31 mei 2017 zitting de instelling ongeoorloofd had verlaten. Uit de stellingen die betrokkene in de procedure heeft ingenomen kan worden afgeleid dat hij zelf het standpunt inneemt dat de zitting door zijn afwezigheid eerst op 15 juni 2017 heeft kunnen plaatsvinden. Zo staat in het aanvullend verzoek van 16 augustus 2017 onder punt 5:

“(…) Gerekend vanaf 15 mei 2017 diende de rechtbank te beslissen vóór 13 juni 2017. Toegegeven moet worden, dat verzoeker doordat hij de kuierlatten had genomen vlak voor de zitting van 31 mei 2017 en pas nadien weer boven water kwam waardoor de zitting eerst op 15 juni 2017 heeft plaatsgevonden wegens eigen schuld geen aanspraak kan maken op schadevergoeding over de periode 13 tot en met 15 juni 2017.”

Dat er vóór 15 juni 2017 een nieuwe zitting had kunnen worden gepland is in de feitelijke instanties niet aangevoerd. Het onderdeel verwijst in ieder geval niet naar een vindplaats.

2.7

Voor zover het onderdeel op blz. 2 (vierde alinea van onder, laatste volzin) van het cassatierekest nog afzonderlijk klaagt dat, nu het verzoek van de officier van justitie eerst op 15 mei 2017 is ingediend, de geneeskundige verklaring van 19 april 2017 niet kan worden aangemerkt als een verklaring “op basis van een onderzoek dat kort tevoren had plaatsgevonden”, faalt deze klacht, nu deze stelling niet in de feitelijke instanties naar voren is gebracht. Het onderdeel verwijst ook hier niet naar een vindplaats.

2.8

Onderdeel II is in de kern gericht tegen het oordeel in de rechtsoverwegingen 5.5 en 5.6 dat ook de aanhouding van de beslissing in de periode van 15 juni 2017 tot en met 26 juni 2017 in de risicosfeer van betrokkene ligt. Het hof heeft in dat verband overwogen dat de advocaat van betrokkene tijdens de zitting van 15 juni 2017 om een aanhouding van de beslissing heeft gevraagd omdat er volgens hem nadere gegevens nodig waren (te weten gegevens over de periode waarin betrokkene op de locatie Rekken-Berkelland verbleef), dat die gegevens op 21 juni 2017 door Trajectum zijn overgelegd en dat de advocaat van betrokkene daarop vervolgens op 26 juni 2017 heeft gereageerd. Geklaagd wordt dat het bestreden oordeel onjuist is, althans onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. Ter toelichting stelt het onderdeel dat uit het dossier blijkt dat de zitting plaatsvond in Trajectum Hoeve Boschoord en dat dit betekent dat ter plekke had kunnen worden gevraagd om de verzochte aantekeningen te produceren zodat vervolgens met alle stukken de zaak verder had kunnen worden afgewerkt. Het onderdeel klaagt dat niet begrijpelijk is waarom de rechtbank heeft bepaald dat de behandelaren een week de tijd krijgen om de wettelijke aantekeningen te overleggen. Het onderdeel stelt dat het de taak is van de officier van justitie om alle stukken over leggen die volgens de wet moeten worden overgelegd en dat de officier van justitie in deze zaak daarbij in gebreke is gebleven. De beslissing om de periode tussen het geven van een termijn om de ontbrekende aantekeningen over te leggen en de dag waarop de advocaat van betrokkene daarop heeft gereageerd, voor rekening van betrokkene te laten komen is volgens het onderdeel gelet op het bovenstaande “een omdraaiing van verantwoordelijkheden”, aangezien betrokkene er niets aan kan doen als (i) de geneesheer-directeur niet alle stukken overlegt die hij volgens de wet moet overleggen, (ii) de officier van justitie tussen 19 april 2017 en het indienen van zijn verzoek op 15 mei 2017 de stukken niet op volledigheid controleert, en (iii) het psychiatrisch ziekenhuis niet direct ter zitting de aantekeningen die de geneesheer-directeur moet bijhouden, produceert.

2.9

Het onderdeel dient naar mijn mening reeds te falen op de grond zoals hiervoor in 2.5 weergegeven. Betrokkene stelt in zijn appelschrift onder punt 13 dat de rechtbank “op of zeer kort na 26 juni 2017 had moeten beslissen en dat de beslissing van 13 juli 2017 dus 16 dagen te laat is genomen”. Deze stelling kan niet anders worden begrepen dan dat betrokkene zich in hoger beroep op het standpunt heeft gesteld dat de rechtbank niet eerder dan de datum waarop zijn advocaat op de aanvullende wettelijke aantekeningen zou hebben gereageerd, een beslissing hoefde te nemen. Aldus faalt het onderdeel bij gebrek aan belang.

2.10

Daarnaast faalt het onderdeel omdat de advocaat van betrokkene de rechtbank ter zitting van 15 juni 2017 niet heeft verzocht om de instelling op te dragen de door hem gewenste aanvullende stukken direct over te leggen. Het onderdeel verwijst in ieder geval niet naar een vindplaats in het proces-verbaal van de zitting waar een dergelijk verzoek is gedaan. Nu moet worden aangenomen dat de advocaat van betrokkene niet heeft verzocht om de door hem verlangde stukken direct over te leggen, zodat hij daarop ook ter zitting kon reageren, kan naar mijn mening niet (meer) beslissend zijn of de geneesheer-directeur en/of de officier van justitie (wellicht) in gebreke zijn gebleven om die stukken in een eerder stadium over te leggen.

2.11

Onderdeel III is gericht tegen het oordeel in rov. 5.6 dat het op 13 juli 2017, ruim binnen vier weken na 26 juni 2017, nemen van een beslissing door de rechtbank voldoende spoedig (in de zin van art. 5 lid 4 EVRM) is, mede nu de rechtbank daarover het overleg heeft gezocht met de advocaat van betrokkene. Het onderdeel klaagt dat dit oordeel onjuist is. Ter toelichting stelt het onderdeel dat (i) de beslistermijn in deze zaak verstreek op 12 juni 2017, (ii) de redenen van de afwezigheid van betrokkene ter zitting van 31 mei 2017 onderzocht hadden moeten worden alvorens die zitting niet door te laten gaan, (iii) het niet overleggen van alle benodigde stukken niet aan betrokkene verweten kan worden, en (iv) het onbegrijpelijk is dat er niet over de vrijheidsberoving wordt beslist, “omdat de rechter met vakantie is”. Volgens het onderdeel zijn dit alle geen valabele redenen in het kader van de verplichting om binnen korte termijn als bedoeld in art. 5 lid 4 EVRM te beslissen. Het onderdeel stelt dat het hof “kennelijk meent” dat de termijn voor het nemen van een beslissing werd verlengd met vier weken nadat de advocaat van betrokkene had gereageerd op de hem op 22 juni 2017 toegezonden aanvullende wettelijke aantekeningen. Het onderdeel wijst erop dat Uw Raad eerder heeft geoordeeld dat in het geval dat de verdediging om een contra-expertise verzoekt, de rechtbank binnen vier weken na de contra-expertise een beslissing dient te nemen, doch dat dit zich in deze zaak niet voordoet. Het onderdeel stelt verder dat de beslistermijn al lang voorbij was en dat de geneesheer-directeur betrokkene gelet op art. 48 lid 1, aanhef en onder b, punt 2, Wet Bopz had moeten ontslaan, hetgeen niet is gebeurd. Het onderdeel stelt dat de wet geen enkele indicatie geeft dat uitgegaan kan worden van een termijn van vier weken na 26 juni 2017, en derhalve van een overschrijding van de beslistermijn van 31 dagen. Aldus is volgens het onderdeel onjuist, althans onbegrijpelijk dat het hof in navolging van de rechtbank het verzoek om schadevergoeding heeft afgewezen, althans dat het onvoldoende heeft gemotiveerd waarom een dergelijke beslissing is genomen.

2.12

Bij de beoordeling stel ik wederom voorop dat het cassatiemiddel alleen klaagt over het overschrijden door de rechtbank van de in art. 17 lid 2 Wet Bopz genoemde beslistermijn van vier weken na het indienen van het verzoekschrift. Het onderdeel stelt dat de beslistermijn in deze zaak “al lang voorbij was en dat de geneesheer-directeur betrokkene gelet op art. 48 lid 1, aanhef en onder b, punt 2, Wet Bopz had moeten ontslaan”. Uit het overgelegde proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 27 augustus 2018 kan evenwel worden afgeleid dat de advocaat van betrokkene er bewust voor heeft gekozen om geen ontslagverzoek in te dienen. Het proces-verbaal vermeldt in dat verband het volgende:

De voorzitter: u heeft geen ontslag gevraagd aan de geneeskundig directeur?

De advocaat: soms doe ik dat wel inderdaad maar in dit geval heb ik ervoor gekozen dat niet te doen vanwege de ernstige problematiek van betrokkene. Hij zou compleet ontregeld raken. Alles wat spanning veroorzaakt is een trigger. Hij loopt dan weg, gaat drugs gebruiken en raakt helemaal ‘uitgewoond’. Het begint nu voorzichtig wat beter te worden.”

De advocaat van betrokkene heeft betrokkene niet alleen in de onderhavige schadevergoedingsprocedure bijgestaan, doch ook in de bewuste procedure betreffende het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf. Indien de advocaat van mening was dat betrokkene had moeten worden ontslagen - en hij was zich er blijkens het weergegeven citaat tijdig van bewust dat dit speelde - dan had hij een dergelijk verzoek kunnen indienen. Zoals gezegd heeft hij daarvan welbewust afgezien. Het onderdeel dient mijns inziens reeds daarom te falen.

2.13

Ook overigens kan het onderdeel niet tot cassatie leiden. Het hof heeft in rov. 5.5 overwogen dat de overschrijding van de beslistermijn is veroorzaakt door aan betrokkene toe te rekenen omstandigheden, te weten het ongeoorloofd de inrichting verlaten vóór de geplande zitting. Voor het standpunt dat betrokkene de instelling met het oog op de op 31 mei 2017 geplande zitting heeft verlaten valt geen steun te vinden in de processtukken. Integendeel, uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 27 augustus 2018 kan worden afgeleid dat betrokkene op de locatie Boschoord veel het hazenpad heeft gekozen en dat de aard van zijn problematiek meebrengt dat hij bij de geringste druk vluchtgedrag vertoont. Het hof heeft vervolgens in rov. 5.6 overwogen dat ook de aanhouding van de beslissing in de periode van 15 juni 2017 (de dag van de voortgezette behandeling) tot en met 26 juni 2017 (de dag waarop de advocaat van betrokkene heeft gereageerd op de door de instelling overgelegde aanvullende stukken waarom de advocaat had verzocht) in de risicosfeer van betrokkene ligt. De tegen deze oordelen gerichte klachten falen, zo blijkt uit het bovenstaande. Over het antwoord op de vraag of de termijn tussen 26 juni 2017 en 13 juli 2017, de datum waarop de machtiging is verleend, aangemerkt kan worden als een redelijke termijn, kan verschillend worden gedacht. Het oordeel van het hof dat het op 13 juli 2017 nemen van een beslissing in de gegeven omstandigheden voldoende spoedig is, is een feitelijk oordeel. Het hof heeft daarbij in ogenschouw genomen het gegeven dat de rechtbank “daarover het overleg heeft gezocht met de advocaat van betrokkene”. Tegen laatstgenoemd oordeel, waarvoor steun kan worden gevonden in de processtukken, wordt in cassatie geen klacht gericht. Reeds gelet daarop acht ik het bestreden oordeel niet onbegrijpelijk.

2.14

De conclusie is dat het onderdeel faalt.

2.15

Onderdeel IV tot slot klaagt dat het hof ten onrechte “tot op heden” in strijd met art. 290 lid 2 Rv geen proces-verbaal van de zitting van 27 augustus 2018 heeft verstrekt, waardoor het voor betrokkene niet mogelijk was dat proces-verbaal “bij de beoordeling van dit cassatieverzoek te betrekken”. Dit onderdeel faalt reeds bij gebrek aan belang. Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling is na het indienen van het verzoekschrift in cassatie door het hof afgegeven en de cassatieadvocaat heeft dit proces-verbaal aan de griffie van de Hoge Raad verstrekt. Het staat cassatieadvocaten vrij om een voorbehoud te maken tot aanvulling van het cassatiemiddel indien het opgevraagde proces-verbaal van de vorige instantie daartoe aanleiding mocht geven. Een dergelijk voorbehoud is blijkens de laatste bladzijde van het verzoekschrift in cassatie gemaakt. Er is evenwel geen gebruik van gemaakt.

2.16

Nu geen van de onderdelen slaagt, dient het cassatieberoep te worden verworpen.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Blijkens een brief die zich in het dossier bevindt, heeft de geneesheer-directeur op diezelfde dag, 19 april 2017, alle stukken gestuurd naar het BOPZ-bureau van het arrondissementsparket Groningen met het verzoek tot het indienen van een aanvraag tot verlenging van de eerder verleende rechterlijke machtiging.

2 Zie daarvoor de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 13 juli 2017 en rov. 3.2 van de bestreden beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, van 11 oktober 2018.

3 Rov. 3.3 van de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, van 11 oktober 2018, in cassatie niet bestreden.