Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:143

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
19-02-2019
Datum publicatie
18-07-2019
Zaaknummer
17/03714
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:558
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van o.m. plegen van een plofkraak op een pinautomaat. Klacht dat de bewijsvoering t.a.v. de bewezenverklaring innerlijk tegenstrijdig is, althans dat het bewezenverklaarde niet naar de eis van de wet voldoende met redenen is omkleed. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 17/03715 P en 17/03458.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/03714

Zitting: 19 februari 2019

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

Het cassatieberoep

  1. De verdachte is bij arrest van 10 juli 2017 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch in de zaak met parketnummer 01-879007-13 en in de zaak met parketnummer 01-845051-12 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tachtig maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr. In de zaak met parketnummer 01-879007-13 is hij veroordeeld wegens 1. “voorbereiding van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is”, 2 en 3 “de voortgezette handeling van: medeplegen van voorbereiding van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak”, 4. “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen”. 5. “medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken en van het plegen van witwassen een gewoonte maken”, 7. “als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”. In de zaak met parketnummer 01-845051-12 is de verdachte veroordeeld wegens 1. “medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak”. Verder heeft het hof de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Ten slotte zijn in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen verbeurd verklaard, één en ander zoals in het arrest vermeld.

  2. De zaak hangt samen met de ontnemingszaak tegen de verdachte (17/03715) en de strafzaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] (17/03458), waarin ik vandaag ook concludeer.

  3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. R.J. Baumgardt en mr. P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, hebben vijf middelen van cassatie voorgesteld.

Feiten en achtergronden

4. Het gaat in deze zaak om het volgende. Door het hof is onder meer bewezen verklaard dat de verdachte in de periode van 1 maart 2013 tot en met 10 juni 2013 in Nederland als leider heeft deelgenomen aan een organisatie die het plegen van ‘plof-ramkraken’ tot oogmerk had. In dat verband heeft het hof het volgende vastgesteld. Op 15 februari 2012 heeft de verdachte tezamen en in vereniging met anderen een plofkraak gepleegd op een geldautomaat van de Rabobank in Maren-Kessel, gemeente Oss. Bij die plofkraak zijn lege geldcassettes uit die automaat buitgemaakt. Voorts heeft de verdachte in de periode van 19 maart 2013 tot en met 28 maart 2013 en 29 maart 2013 tot en met 10 juni 2013 (tezamen en in vereniging) een tweetal plofkraken op verschillende geldautomaten van banken in Nederland, in de regio Eindhoven, voorbereid. Daartoe had hij diverse voorwerpen verworven en voorhanden, waaronder gasflessen/gascilinders, gasslangen, een zogenaamd “T-stuk”, lansen, rollen tape, een jerrycan met benzine, een videocamera met daarop videobeelden/filmopnames van één van die geldautomaten, bestelauto’s en scooters. Vervolgens heeft de verdachte op 5 mei 2013, tezamen en in vereniging met anderen, een plofkraak gepleegd op de ABN Amrobank , die is gevestigd aan de [adres 1] . Bij die plofkraak is eveneens gebruik gemaakt van een ‘ramauto’. Met een gestolen auto, die was voorzien van een houten balk, zijn de bij de kluisruimte behorende toegangsdeuren vernield. Bij deze ‘plofkraak’ is een bedrag van € 194.140,- buitgemaakt. Diezelfde auto is na de ‘plofkraak’ in brand gestoken. De verdachte is tot slot door het hof veroordeeld voor het in de periode van 6 augustus 2012 tot en met 10 juni 2013 (gewoonte)witwassen van hoeveelheden contant geld door die gelden te gebruiken voor onder meer de aanschaf van auto’s, het betalen van de huur van de (voormalige) woning van de verdachte en de inboedel en inrichting van die woning.
Bespreking van de cassatiemiddelen

5. In cassatie zijn verschillende middelen geformuleerd. Het eerste middel betreft de klacht dat de bewijsvoering van het in de zaak met parketnummer 01-845051-12 onder 1 bewezen verklaarde innerlijk tegenstrijdig is. Het tweede middel bevat de klacht dat in de zaak met parketnummer 01-879007-13 onder 1 uit de door het hof gebezigde bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat de bewezen verklaarde gedragingen strekten ter voorbereiding van een ontploffing terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is. Met het derde middel wordt geklaagd over het oordeel van het hof dat de verdachte, als medepleger van de ramkraak in Eindhoven op 5 mei 2013, ook mede verantwoordelijk moet worden gehouden voor de vernieling van de personenauto door die in brand te steken. Het vierde middel behelst een klacht over de door het hof opgelegde straf en de motivering daarvan. Het vijfde middel behelst een klacht over de overschrijding van de inzendtermijn.

6. Hierna bespreek ik de desbetreffende klachten in de volgorde zoals die in de schriftuur worden gepresenteerd.

Innerlijk tegenstrijdige bewijsvoering

7. Het eerste middel behelst de klacht dat de bewijsvoering ten aanzien van de bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 01-845051-12 onder 1 ten laste gelegde innerlijk tegenstrijdig is, althans niet naar de eis van de wet voldoende met redenen is omkleed.

8. Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 01-845051-12 onder 1 bewezen verklaard dat:

“1. hij op 15 februari 2012 te Maren-Kessel, gemeente Oss, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een ontploffing in een geldautomaat teweeg heeft gebracht door gas(sen) in een geldautomaat te brengen en vervolgens tot ontsteking en/of ontbranding te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die geldautomaat en het gebouw waar die geldautomaat in aanwezig was, te duchten was;

en
hij op 15 februari 2012 te Maren-Kessel, gemeente Oss, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een pin/geldautomaat (gelegen aan de [a-straat 1] ) heeft weggenomen geldcassettes, toebehorende aan Rabobank , waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak, te weten door het openbreken van voornoemde pin/geldautomaat (door middel van het veroorzaken van een explosie).”

9. Deze bewezenverklaring steunt op 18 bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de aanvulling op het arrest. Daarvan zijn de bewijsmiddelen die zijn genummerd als 85, 86, 87 en 88 voor de beoordeling van het middel van belang. Die bewijsmiddelen houden het volgende in:

“85. Het volgende in het politiedossier gevoegde verslag van een telefoongesprek d.d. 3 maart 2012 (pag. 213-214), voor zover inhoudende:
N = NN-vrouw
B= [betrokkene 2]

N: Wat heb je allemaal uitgespookt
B: Ja hij heeft een pinautomaat laten ontploffen
N: In Maren Kessel zeker?
B: Ja
N: Ik heb het gelezen op internet.
N: Was jij daarbij dan?
B: Nee, ik sliep in een caravan en de politie moest hem nog hebben omdat hij nog naar de dingen moest...
B: En toen stonden ze ’s morgens aan de deur in Lith en toen moest hij mee...
B: Toen zagen ze die spullen daar liggen...
N: Gejatte spullen?
B: Ja
N: Maar hij zat ook in gejatte wagen toch ... of iets met een gejatte wagen stond erbij
B: Ja maar die was van zijn vrienden maar die vrienden lagen bij ons in de caravan.
B: Hij ging met hen mee
N: wat voor spullen lagen er in die caravan?
B: Cassettes, logboeken, zo’n boek van de pinautomaat.

86. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 16 februari 2012 (pg. 323-324), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van [getuige] :
Omstreeks 00.45 uur kwam [verdachte] naar mijn caravan (het hof begrijpt: Lithse Ham ). Omstreeks 01.00 en 01.15 uur zijn we weggegaan. [verdachte] heeft toen van mij een sporttas geleend. Hij had die nodig voor iets wat niet pluis was. Daarnaast vroeg hij ook een bivakmuts te leen. [verdachte] en ik hebben daarna een rondje gereden via Maren-Kessel naar de Maaspoort (het hof begrijpt: te ’s-Hertogenbosch). We zijn op de Reit terecht gekomen. Daar hebben we twee jongens opgepikt. We reden in de auto van [verdachte] , een zwarte Golf GTI. Die gasten stapten daar in de Volkswagen Golf. We reden daarna weg naar Lith , door Maren-Kessel zo naar de Lithse Ham . We kwamen aan bij de camping. Ik heb [betrokkene 2] wakker gemaakt en gezegd dat [verdachte] en nog twee jongens mee kwamen. Ze zijn omstreeks 03.00 à 03.30 uur weggegaan bij mij. Ik heb met ze gesproken. Ik denk dat ze uit de omgeving van Amsterdam kwamen gezien hun accent. Omstreeks 04.00 uur waren ze terug. Ik zag dat ze een tas met zich meedroegen. Ik zag dat in de tas boxen, vierkante kistjes, zaten die afkomstig waren uit een pinautomaat.

87. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 23 februari 2012 (pg. 325-330), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van [getuige] :
[p- 326]
Ik heb gehoord toen die jongens bij mij waren dat ze aan het praten waren over een pinautomaat. Ik hoorde dat ze zeiden dat ze daar geld wilden weghalen. Ze hadden het over het plaatsje Maren Kessel.

88. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 24 februari 2012 (pg. 331-337), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van [getuige] :
[p. 332-333]
V: Wij tonen jou wat foto’s. Wat kan je daarover verklaren?
Foto nummer 31. (Opmerking verbalisanten: Wij laten [getuige] zelf op de foto tekenen van wie welke schoenen zijn.)
A: Nummer 1 zijn de schoenen van [verdachte] .
Foto nummer 33. A: Dat is een jas, volgens mij is die van [verdachte] . De sleutel is niet van mij.
Zo ik het zie is deze van een Volkswagen Golf. Toen ik met de politie de camping afreed zag ik ze staan bij een Volkswagen Golf. Met die Golf is [verdachte] bij mij gekomen. Dat zwarte wat op de jas ligt, als dat een bivakmuts is, is die van mij. Toen de jongens zich omkleedden bij mij deed [verdachte] mijn bivakmuts op. Hij was de enige die een bivakmuts droeg.
[p. 335-336]
Toen ze terugkwamen heb ik ze binnengelaten. Die neger had die tas bij zich en kwam als derde binnen. De Marokkaan kwam als tweede binnen en [verdachte] liep voorop. Ik hoorde ze zeggen het zijn lege. Ik heb nog tegen [betrokkene 2] gezegd dat ze lege cassettes bij zich hadden. De tas heeft die neger voor de bank op de grond gezet.
V: Kan jij omschrijven waar de plek is waar je de twee Amsterdamse jongens hebt opgepikt.
A: Ik heb ze opgepikt op een parkeerplaats. Toen [verdachte] en ik daar aankwamen zag ik die neger al staan wachten. [verdachte] is toen uitgestapt en heeft even met die neger staan praten.
Even later, ik schat een kwartiertje of half uurtje later, zag ik de Seat Leon die gebruikt is bij de plofkraak aan komen rijden. Ik zag dat de Marokkaan achter het stuur zat. Ik zag dat de neger bij ons in de auto stapte. De Marokkaan reed vanaf de parkeerplaats vanaf de Reit met de Seat Leon achter ons aan. Wij reden door naar Maren Kessel. Honderd meter voorbij de pinautomaat in Maren Kessel zijn we gestopt. Daar heeft die Marokkaan de Seat Leon neergezet. Vervolgens is hij bij ons in de Golf gestapt. We zijn toen met zijn vieren naar de camping gereden. [verdachte] , de neger en de Marokkaan zijn ongeveer een half uur later weer bij mij weggegaan. Ze waren binnen een half uur terug.”

10. Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring het volgende overwogen:

“(…)
Zijdens verdachte is vrijspraak bepleit en is de betrouwbaarheid van de getuige [getuige] aan de orde gesteld.

Het hof is van oordeel dat het namens verdachte bepleite verweer gericht op vrijspraak van het ten laste gelegde feit wordt weersproken door de bewijsmiddelen. Het hof heeft, gelet op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, geen reden om aan de juistheid en de betrouwbaarheid van die, van de lezing van de verdediging afwijkende, bewijsmiddelen te twijfelen.

Blijkens een getuige zijn de daders van de plofkraak na het plegen daarvan (omstreeks 3.47 uur) vertrokken in een zwarte Volkswagen Golf. Die personenauto (met daarin onder meer een gasfles, slangen en een gasmengstuk) is aangetroffen bij de camping De Lithse Ham in Lith . De politie is het chalet […] binnengetreden omstreeks 07.20 uur. Aldaar zijn geldcassettes en een logboek van de Rabobank aangetroffen die bij de plofkraak zijn weggenomen. In het chalet waren aanwezig [getuige] , zijn toenmalige vriendin [betrokkene 2] , de verdachte en nog 2 andere personen. In een jas werd de sleutel van de Volkswagen golf aangetroffen. Volgens [getuige] was de jas van de verdachte.
Op de op de plaats delict aangetroffen spijkertrekker is DNA-materiaal aangetroffen dat overeenkomt met dat van de verdachte met een matchkans die kleiner dan één op één miljard. Voorts is op de camerabeelden die van de plofkraak zijn gemaakt, zichtbaar dat een van de daders brandend materiaal uittrapt met zijn linkerschoen. In het chalet is een linkerschoen aangetroffen met verbrand materiaal daaronder. Dit is onderzocht door het NFI met als uitkomst dat het versmolten materiaal onder de linkerschoen bestaat uit dezelfde chemische componenten als het brandmateriaal dat bij de pinautomaat is gevonden. Ook kan dezelfde laagopbouw worden herkend. Het materiaal onder de schoen kan dus afkomstig zijn van dat brandmateriaal en de kans wordt klein geacht dat een willekeurige andere zwarte kunststof bron uit dezelfde combinatie van componenten zou zijn opgebouwd als het materiaal onder de schoen. Volgens [getuige] behoort de schoen aan de verdachte toe.

Het hof hecht zwaarwegende betekenis aan de verklaring van de getuige [getuige] , voor zover deze betrekking heeft op de betrokkenheid van de verdachte bij de plofkraak. Hoewel niet aan het oordeel van het hof onderworpen, sluit het hof niet uit dat [getuige] over zijn eigen betrokkenheid bij de plofkraak niet de waarheid heeft verteld en dat hij daar bij aanwezig is geweest, zoals door [betrokkene 2] in een telefoongesprek tegen een onbekend gebleven persoon ook is verteld. Dit betekent echter niet dat [getuige] ook liegt over de rol van de verdachte. Het maakt niet dat zijn gehele verklaring onbetrouwbaar is.
Het hof acht met de advocaat-generaal wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de plofkraak heeft medegepleegd. De verdachte wordt immers kort na de plofkraak aangetroffen met goederen die bij de plofkraak zijn meegenomen en voorts vinden de verklaringen van [getuige] over de rol van verdachte in voldoende mate steun in objectieve bewijsmiddelen, zoals voornoemd telefoongesprek door [betrokkene 2] gevoerd en de DNA-sporen die van de verdachte zijn aangetroffen op zowel de veter van de linkerschoen die te herleiden is naar de plaats delict, als op de op de plaats delict aangetroffen spijkertrekker.
De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep dat de jas, waarin de sleutel van de vluchtauto zat en de schoen niet van hem zijn én dat hij de spijkertrekker mogelijk op een eerder moment in het chalet heeft aangeraakt, acht het hof niet aannemelijk.
Het hof heeft daarbij ook in aanmerking genomen dat de verdachte bij zijn aanhouding kort na het gepleegde delict een gelijksoortige trainingsbroek droeg met een Adidas-logo als degene die op de camerabeelden van de plofkraak te zien is en die is aangeduid als dader 1.

Volgens de verdediging is het dragen van een dergelijk kledingstuk onvoldoende onderscheidend, maar het hof is van oordeel dat dat gegeven in samenhang bezien met de hiervoor genoemde andere bewijsmiddelen, wel aanvullend bewijs oplevert.

Het verweer wordt verworpen.”

11. Het eerste middel valt uiteen in twee deelklachten. De stellers van het middel voeren allereerst aan dat de bewijsmotivering van het hof ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 01-845051-12 onder 1 bewezen verklaarde innerlijk tegenstrijdig is. Daarbij wijzen zij erop dat het hof enerzijds heeft overwogen dat niet is uit te sluiten dat de getuige [getuige] , gelet op het telefoongesprek van [betrokkene 2] met een anonieme persoon, over zijn eigen betrokkenheid niet de waarheid heeft verklaard, maar dat zulks niet betekent dat [getuige] ook liegt over de rol van de verdachte. Anderzijds overweegt het hof dat de verklaringen van [getuige] in voldoende mate steun vinden in objectieve bewijsmiddelen, zoals het genoemde telefoongesprek. Die bewijsvoering is volgens de stellers van het middel voorts innerlijk tegenstrijdig omdat uit het als bewijsmiddel opgenomen telefoongesprek blijkt dat [getuige] betrokken zou zijn geweest bij de plofkraak in Maren-Kessel, terwijl ook bewijsmiddelen zijn opgenomen waaruit volgt dat hij in het geheel niets te maken had met die plofkraak.

12. Het middel kan niet slagen. Het hof heeft de verklaringen van [getuige] wel betrouwbaar geacht voor zover zij betrekking hebben op de rol van de verdachte. In zoverre vinden de verklaringen van [getuige] steun in het bedoelde telefoongesprek. Daarbij wijs ik erop dat het telefoongesprek van [betrokkene 2] mede inhoudt dat in het chalet op de camping waar de verdachte na de plofkraak is aangetroffen ook cassettes, logboeken en een boek van de pinautomaat (in Maren-Kessel) lagen, dat de “gejatte wagen” van zijn vrienden was die bij hen in de caravan lagen en dat hij met hen mee was gegaan. Volgens de getuige [getuige] was de verdachte één van degenen die in de caravan. Die verklaring vindt verder steun in een proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten (bewijsmiddel 78). In zoverre biedt de weergave van het telefoongesprek steun aan het oordeel van het hof dat de verdachte bij die ‘plofkraak’ betrokken is geweest en is van enige tegenstrijdigheid geen sprake.

13. Voor zover de stellers van het middel zich op het standpunt stellen dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen enerzijds lijkt te volgen dat getuige [getuige] bij de ‘plofkraak’ betrokken is geweest, terwijl anderzijds bewijsmiddelen zijn opgenomen waaruit die betrokkenheid juist niet blijkt, merk ik op dat de verdachte bij die klacht geen belang heeft.1 Met weglating van de desbetreffende passage uit de bewijsvoering is de bewezenverklaring naar de eis van de wet voldoende met redenen omkleed. Niet valt in te zien dat de bewijsvoering ten aanzien van de betrokkenheid van de verdachte tegenstrijdigheden vertoont. Voor het overige stuit het middel af op de vrijheid van de feitenrechter in het kader van de selectie en waardering van het bewijsmateriaal.

14. Het middel faalt.

De voorbereiding van de plofkraak in Asten (parketnummer 01-879007-13 onder 1)

15. Het tweede middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring van de in de zaak met parketnummer 01-879007-13 onder 1 ten laste gelegde voorbereidingshandelingen, mede in het licht van wat de verdediging naar voren heeft gebracht, onvoldoende met redenen is omkleed.

16. Aan de verdachte is in de zaak met parketnummer 01-879007-13 onder 1 ten laste gelegd dat:

“hij op een of meerdere tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 19 maart 2013 tot en met 28 maart 2013 te 's-Hertogenbosch en/of Helmond en/of Aarle-Rixtel en/of Asten , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, ter voorbereiding van het misdrijf als bedoeld in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht (het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing in/van en/of opzettelijke brandstichting in/van een of meerdere kluis/kluizen behorende bij een of meerdere geldautoma(a)t(en) (teneinde daaruit geld weg te nemen (ram-/plofkraak) en/of opzettelijke brandstichting in/van een of meerdere (ram)auto('s), terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is), (telkens) opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten en/of vervoersmiddelen, te weten
- een of meer gasflessen/gascilinders (bevattende zuurstof en/of acetyleen) en/of
- een of meer rollen tape en/of
- een of meer gasslangen en/of
- een of meer reduceerventielen en/of
- een of meer lansen en/of
- een T-stuk en/of
- een of meer houten balken en/of
- een of meer scooters en/of
- een of meer tassen en/of
- een of meer bestelauto's en/of
- een of meer jerrycans met benzine en/of diesel en/of
- een stroomstootwapen/taser,
bestemd tot het begaan van dat misdrijf/die misdrijven, heeft verworven en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad;”

17. Hiervan heeft het hof bewezen verklaard dat:

“hij in de periode van 19 maart 2013 tot en met 28 maart 2013 in Nederland, ter voorbereiding van het misdrijf als bedoeld in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht (het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing in/van een of meerdere kluis/kluizen behorende bij een of meerdere geldautoma(a)t(en), terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is), opzettelijk voorwerpen en/of vervoersmiddelen, te weten
- rollen tape en
- lansen en
- een T-stuk en
- scooters en
- bestelauto’s en
- een jerrycan met benzine,
bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven en voorhanden heeft gehad;”

18. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 26 juni 2017 blijkt dat de raadsvrouw het woord heeft gevoerd overeenkomstig de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover voor de bespreking van het middel van belang, onder meer het volgende in:

“(…)
Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde zal vrijspraak worden bepleit nu de voorwerpen die voorhanden waren, niet als bestemd voor het teweegbrengen van een explosie of brand kunnen worden aangewezen en bovendien er onvoldoende basis is om een voldoende concreet misdrijf te duiden. Ten aanzien van feit 2 zal tot partiele vrijspraak worden geconcludeerd ten aanzien van de periode. Kort en goed komt het standpunt van de verdediging erop neer dat er kan worden gekomen tot één voorbereiding van een explosie en één voltooide plofkraak in 2013.
(…)

83. (…) Ten aanzien van feit 1 zullen daarbij de voorwerpen worden besproken in relatie tot het vereiste misdadig doel. De enkele gedragingen zijn onvoldoende om te kwalificeren als voorbereidingshandelingen, temeer nu deze enkele voorwerpen ontoereikend zijn om een voldoende bepaald misdrijf te onderscheiden. Voor zover aan de voorwerpen enig misdadig doel zou kunnen worden toegedicht, is dit pas enkel mogelijk in samenhang met de voorwerpen en gedragingen die onder 2 zijn tenlastegelegd.

102. De voorwerpen waren niet bedoeld voor een plofkraak in Asten op 28 maart 2013. Op 28 maart 2013 moment was er nog helemaal geen sprake van voorbereiding in de zin van artikel 46 WvSr. Er is dan (nog) geen misdadig doel gebleken. Voor zover dat doel er wel zou zijn geweest, blijkt uit de overige feiten en omstandigheden en uit de aard van de strafbaarstelling dat dit pas gestalte krijgt in samenhang met de feitelijkheden in april en mei 2013. Het opknippen van de tenlastelegging in twee aparte strafbare feiten is dan ook onjuist. Als cliënt op 27 maart 2013 voorwerpen heeft gehad, waren deze niet bestemd voor een plof op 28 maart 2013, maar vormen die voorwerpen het begin van het samenstel van handelingen die optellen tot voorbereidingshandelingen zoals tenlastegelegd onder 2.”

19. Het hof heeft, in reactie op het verweer van de verdediging, ten aanzien van het bewijs van het onder parketnummer 01-879007-13 onder 1 ten laste gelegde het volgende overwogen:

“Volgens de verdediging zijn de gedragingen als ten laste gelegd onder 1 niet te beschouwen als een samenstel van gedragingen die zien op een voldoende concreet te bepalen strafbaar feit.

Het hof verwerpt dit verweer, nu de raadsvrouw aan de strafbaarheid van de voorbereiding van een misdrijf een eis stelt die de wet niet kent en die ook niet bij het karakter van strafbare voorbereiding past. Voldoende is dat uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat de bewezenverklaarde gedragingen strekten ter voorbereiding van feiten als in de bewezenverklaring bedoeld, te weten het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is (als bedoeld in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht) en dat het opzet van de verdachte op het begaan daarvan was gericht.”

20. Het hof heeft de bewezenverklaring doen steunen op een aantal2 bewijsmiddelen, waarvan de inhoud in het onderstaande zo nodig ter sprake komt.

21. De stellers van het middel voeren in de toelichting daarop aan dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet volgt dat er sprake is geweest van een voldoende geconcretiseerd plan van de verdachte om bij één of meer geldautoma(a)t(en) een ontploffing te weeg te brengen

22. Artikel 46, eerste lid, Sr luidt als volgt:

“Voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld is strafbaar, wanneer de dader opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten of vervoermiddelen bestemd tot het begaan van dat misdrijf verwerft, vervaardigt, invoert, doorvoert, uitvoert of voorhanden heeft.”

23. Bij strafbare voorbereiding moet het voornemen zich, net als bij een poging tot misdrijf op grond van art. 45, eerste lid, Sr,3 in een handeling hebben geopenbaard. Er moet daadwerkelijk zijn voorbereid.4 Door Buruma is opgemerkt dat de voorbereidingshandeling in zoverre een verandering teweeg moet brengen dat het delict daardoor aantoonbaar dichterbij is gebracht.5 In de delictsomschrijving van art. 46 Sr is dit tot uitdrukking gebracht doordat de voorbereidingsmiddelen en voorbereidingshandelingen nader zijn geconcretiseerd. Daarbij kunnen ook alledaagse voorwerpen een voorbereidingsmiddel opleveren. Dat brengt mee dat de kern van de aansprakelijkstelling ligt bij de intentie die de voorbereider met die middelen heeft.6

24. Het voorbereidingsmiddel moet op grond van art. 46 Sr ´bestemd´ zijn tot het begaan van het uiteindelijke misdrijf en niet alleen tot de voorbereiding van dat misdrijf.7

25. Er is sprake van strafbare voorbereiding op grond van art. 46 Sr indien het opzet van de verdachte betrekking heeft op een bepaald misdrijf. Voorbereiding in het algemeen is niet strafbaar. Het moet op grond van de wettekst gaan om voorbereiding van misdrijven met een zwaar strafmaximum.8 Voor de strafbaarheid van voorbereiding is een concretisering van het voor te bereiden of te bevorderen misdrijf naar tijdstip, plaats en wijze van uitvoering niet vereist.9

26. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt onder meer het volgende. Op 27 maart 2013 wordt aan het begin van de middag om 13.14 uur een witte Volkswagen Transporter met kenteken [kenteken 2] tegenover de woning van de verdachte in ’s-Hertogenbosch geparkeerd. [betrokkene 3] loopt naar de woning en heeft op dat moment twee dunne staafjes (lansen) in zijn hand. Enkele minuten later loopt [betrokkene 4] vanaf de VW Transporter naar de woning. Hij heeft een ‘T-stuk’ in zijn hand. Beide mannen gaan de woning van de verdachte binnen. Een klein uur later verlaat de verdachte zijn woning en loopt richting de VW Transporter, die dan vertrekt (bewijsmiddel 1). Diezelfde avond om 18.10 uur wordt gezien dat vier mannen vanuit het centrum van Helmond de Kasteeltraverse oversteken. Eén van de mannen wordt door een verbalisant herkend als de verdachte (bewijsmiddel 2). Vervolgens wordt om 18.15 uur gezien dat een Volkswagen Transporter (kenteken [kenteken 2] ) met daarin vier inzittenden vanaf een parkeerplaats vertrekt. De bestuurder is één van de vier mannen die de verbalisant kort daarvoor heeft zien lopen. Een klein half uur later rijdt dezelfde Volkswagen Transporter in Asten een parkeerterrein op. Bij dat parkeerterrein zijn de ABN Amrobank en de Rabobank gevestigd (bewijsmiddel 2). De auto wordt geparkeerd en om 18.45 uur stapt één van de inzittenden uit en loopt in de richting van de Rabobank . Om 19.04 uur stappen er nog twee inzittenden uit die richting de ABN Amrobank lopen (bewijsmiddel 2). Gezien wordt dat de bedoelde inzittenden een meer dan gewone interesse hebben voor de beide banken en de omgeving daarvan (bewijsmiddel 3). Enkele minuten later vertrekt de Volkswagen Transporter (bewijsmiddel 2) en rijdt terug naar Helmond (bewijsmiddel 3).

Op dezelfde avond van 27 maart 2013 komt de verdachte om 20.38 uur terug bij zijn woning en gaat naar binnen (bewijsmiddel 1). Vervolgens wordt om 21.15 uur door het observatieteam gezien dat een grijze Volkswagen Polo (kenteken [kenteken 3] ) bij de woning van de verdachte stopt. Diezelfde Volkswagen stopt enkele minuten later bij het Total bezinestation aan de Hambakenweg in ’s-Hertogenbosch en de inzittenden gaan het tankstation binnen (bewijsmiddel 3). Tijdens deze stop bij het benzinestation is er brandstof getankt in een kleine donkerkleurige jerrycan. Eén van de mannen wordt herkend als de verdachte. Hij koopt in de shop van het tankstation twee rollen grijze tape (bewijsmiddel 3).

Om 22.15 uur komt vervolgens een Ford Transit bestelwagen (kenteken [kenteken 4] ) aanrijden die bij de woning van de verdachte stopt (bewijsmiddel 1). De bestuurder en de bijrijder gaan de woning binnen. Om 22.46 uur komt een man met capuchon de woning uit. Hij heeft een dunne staaf bij zich. Hij stapt als passagier in de Ford bestelwagen (bewijsmiddel 1). De genoemde Ford Transit is gehuurd door [betrokkene 5] van 25 maart 2013 tot en met 29 maart 2013 (bewijsmiddel 4).


Om 23.50 uur op woensdag 27 maart 2013 komt vanuit een brandgang op de [d-straat] in Helmond iemand met een scooter aanlopen (bewijsmiddel 2). Die scooter wordt in de laadruimte van de Ford Transit (kenteken [kenteken 4] ) geladen. Vervolgens loopt iemand met iets zwaars naar de achterzijde van de bestelwagen. Door een verbalisant werd gehoord dat er een zwaar voorwerp op de laadvloer werd gezet. Kort daarna wordt een tweede scooter in de Ford Transit geladen. Om 23.55 uur vertrekt de bestelwagen vanaf de [d-straat] . Op donderdag 28 maart 2013 om 00.13 uur wordt gezien dat dezelfde Ford Transit (kenteken [kenteken 4] ) stopt in Asten . Er werd gezien dat een aantal personen bij de geopende achterdeur staan. (bewijsmiddel 2).

Door [betrokkene 5] , de huurder van de Ford Transit bestelwagen met kenteken [kenteken 4] is verklaard dat hij in Helmond, vlakbij een winkelcentrum, twee scooters moest ophalen. Hij heeft voorts verklaard dat de verdachte naar iemand heeft gebeld en daarnaartoe is gelopen. Toen is de eigenaar mee terug gelopen. Zowel de eigenaar als de verdachte had een scooter vast en die hebben ze in de bus geladen. In Asten stond vervolgens een jongen op de verdachte te wachten. [betrokkene 5] heeft geholpen met het uitladen van de scooters (bewijsmiddel 6).

27. Het hof heeft uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden dat de verdachte de in de bewezenverklaring opgenomen voorbereidingsmiddelen (rollen tape, lansen, een T-stuk, scooters, bestelauto’s en een jerrycan met benzine) verworven en voorhanden heeft gehad met de bedoeling om die te gebruiken voor het teweeg brengen van een ontploffing in één of meerdere kluis/kluizen van één of meer geldautoma(a)t(en. De enkele omstandigheid dat de voorwerpen die in de bewezenverklaring worden genoemd als zodanig en los van andere voorwerpen nog niet toereikend zijn om een ontploffing teweeg te brengen, doet aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof niet af.10 Het hof heeft het verwerven en voorhanden hebben van de voorwerpen kennelijk en niet onbegrijpelijk in samenhang bezien met de bewijsvoering ten aanzien van andere feiten, die duiden op een modus operandi bij ‘plofkraken’ waarbij de verdachte volgens het hof een initiërende rol heeft vervuld en waarbij soortgelijke voorwerpen werden gebruikt. Daarbij neem ik verder het volgende in aanmerking.

28. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk afgeleid dat er op de avond van 27 maart 2013 een voorverkenning heeft plaatsgevonden bij de ABN Amrobank en de Rabobank in Asten . De inzittenden van de Volkswagen Transporter ( [kenteken 2] ) gaven blijk van een meer dan gewone interesse voor die beide banken en de omgeving daarvan. Daar komt bij dat het hof ten aanzien van de scooters in de motivering van de strafoplegging heeft overwogen dat die scooters dienden voor de vlucht. Ook bij de in de zaak met parketnummer 01-879007-13 onder 2 en 3 door het hof bewezen verklaarde (voorbereiding van) de plofkraak in Eindhoven werden die scooters na het plaatsvinden van de ‘plofkraak’ gebruikt.11 Daarmee heeft het hof in zijn oordeel zowel de voorverkenning als een mogelijke vluchtmogelijkheid betrokken. Tot slot wijs ik er ten aanzien van het aangetroffen ‘T-stuk’ nog op dat dit een gereedschap is dat wordt gebruikt bij het forceren van gelduitgiftesleuven van geldautomaten (bewijsmiddel 52) en daarmee dienstig kan zijn aan het tot ontploffing brengen van de geldautomaat. Datzelfde geldt voor de aangetroffen lansen en de rollen tape. De lansen worden in dat kader gebruikt om een gasmengsel door de opening van de geldlade in de kluisruimte van de geldautomaat te kunnen brengen (bewijsmiddel 31), terwijl de rollen tape worden gebruikt om de camera van de geldautomaat af te plakken en gasflessen aan elkaar te kunnen koppelen (bewijsmiddel 37 en 38).

29. Gelet op het voorafgaande, meen ik dat de bewezenverklaring in zoverre naar de eis van de wet voldoende met redenen is omkleed. Ook in het licht van hetgeen de verdediging tijdens de behandeling in hoger beroep heeft aangevoerd, behoefde het oordeel van het hof geen nadere motivering.

30. De stellers van het middel betogen ten slotte dat het hof, gelet op het onder 2 bewezen verklaarde, klaarblijkelijk heeft vastgesteld dat de onder feit 1 bewezen verklaarde gedragingen zijn gepleegd ter voorbereiding van de onder feit 2 bewezen verklaarde voorbereidingshandelingen, hetgeen niet strafbaar is. Ook in zoverre faalt het middel omdat het uitgaat van een verkeerde lezing van het bestreden arrest en daarmee feitelijke grondslag ontbeert. Het hof heeft ten aanzien van de strafbaarheid van het bewezen verklaarde immers het volgende overwogen:

Het hof is van oordeel dat in de zaak met parketnummer 01-879007-13 er sprake is van een voortgezette handeling van feit 2, de voorbereidingshandelingen gericht op het teweegbrengen van een ontploffing, en feit 3. De verschillende strafbare feiten hebben, chronologisch gezien, een nauw verband waaraan één ongeoorloofd wilsbesluit ten grondslag ligt namelijk het plegen van een plof/ramkraak en het zoeken naar een geschikte locatie daarvoor. Het hof beschouwt de feiten 2 en 3 in wezen als één verwijt, waarbij de voorbereidingshandelingen en het daarop volgende feit waarop de voorbereidingen kennelijk waren gericht als een voortgezette handeling worden opgevat. Dat ligt anders met betrekking tot feit 1. Verdachte heeft een plofkraak in Asten voorbereid en is ook naar Asten gegaan, kennelijk met het oogmerk om dat voornemen ook uit te voeren. Alleen omdat een van de betrokkenen een auto herkende als een voertuig van een arrestatieteam zijn de plannen afgeblazen. Aan dit feit ligt een ander ongeoorloofd wilsbesluit ten grondslag”.

31. Het middel faalt.

Medeplegen van vernieling van de gestolen personenauto

32. Het derde middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 01-879007-13 onder 4 ten laste gelegde, mede in het licht van een verweer van de verdediging, onvoldoende met redenen is omkleed.

33. Ten laste van de verdachte heeft het hof in de zaak met parketnummer 01-879007-13 onder 4 bewezen verklaard dat:

“hij op 5 mei 2013 te Eindhoven tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (Volkswagen Golf, kenteken [kenteken 5] ), toebehorende aan [betrokkene 6] , heeft vernield door voornoemde personenauto in brand te steken;”

34. Deze bewezenverklaring steunt onder meer op de volgende bewijsmiddelen:

“37. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 31 mei 2013 (pg. 33676-33678), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [betrokkene 7] :
Hierbij doe ik aangifte van diefstal door middel van het gebruik van geweld c.q. van een plofkraak. Ik ben als medewerker organisatie en risicobeheer bij de ABN Amrobank werkzaam en als zodanig bevoegd tot het doen van aangifte.
Op 5 mei 2013 om 04.23 uur kwam bij de alarmcentrale een alarmsignaal binnen. Dit betrof de geldautomaat op de [b-straat 1] te Eindhoven . Een medewerker ging ter plaatse en trof een ontplofte geldautomaat, een ingeramde deur en een uitgebrande auto, een grijze Volkswagen voorzien van het kenteken [kenteken 5] , aan. De geldautomaat was opgeblazen door middel van het gebruik van gas. De toegangsdeur tot de serviceruimte was geforceerd. Er was sprake van het gebruik van een ramauto, voorzien van een rambalk. De deur is geforceerd mogelijk met een breekijzer. Ik zie lichte schade ter hoogte van het slot in de metalen deur. De camera van de geldautomaat was afgeplakt met een stukje tape. De cassettes met geld zijn weggenomen uit de geldautomaat. Het totaal bedrag van het weggenomen geld is 194.140 euro. (…)

38. Het proces-verbaal bevindingen d.d. 18 mei 2013 (pg. 33573-33579), voor zover inhoudende als relaas verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] :
Op 5 mei 2013 omstreeks 05.00 uur werd door ons een forensisch onderzoek naar sporen verricht in verband met een plof/ramkraak op de geldautomaat van de ABN Amrobank gelegen aan de [b-straat 1] te Eindhoven . De geldautomaat is gevestigd in de buitengevel op de hoek van een supermarkt Albert Heijn . (…)
Wij zagen dat de geldautomaat via het parkeerterrein bereikbaar was. Wij zagen dat de geldautomaat vernield was. Wij zagen dat er twee doorgeknipte hangsloten op de grond lagen en dat er drie kettingen doorgeknipt waren. Om de hoek van het gebouw waar de geldautomaat was geplaatst zagen wij een personenauto staan, merk Volkswagen type Golf, kleur grijs en kenteken [kenteken 5] . Wij zagen dat de personenauto zwaar beschadigd was door brand. Wij zagen dat er door de achterruit van de personenauto een grotendeels ingebrande houten balk stak. Vermoedelijk werd middels de houten balk en met de achterzijde van de personenauto de buitendeur van de geldautomaat geramd. (…)


39. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 5 mei 2013 (pg. 33705-33708), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van [betrokkene 6] :
Ik doe aangifte van diefstal van mijn personenauto. Het weggenomen goed behoort mij geheel in eigendom toe. Op 3 mei 2013 had ik mijn auto geparkeerd in een parkeervak aan de [e-straat] te Eindhoven. Ik heb mijn auto onbeschadigd achtergelaten. Op 5 mei 2013 keek ik uit het raam en zag dat mijn auto weggenomen was.


Bijlage weggenomen goederen:
Voertuig: personenauto
Merk/type: Volkswagen Golf, Variant,
Kleur: grijs
Kenteken: [kenteken 5]
(…)

41. Het proces-verbaal bevindingen d.d. 20 mei 2013 (pg. 33695-33696), voor zover inhoudende als relaas verbalisant [verbalisant 4] :
Door mij werd een onderzoek ingesteld naar opgenomen beveiligingsbeelden welke gemaakt waren in de nacht van 4 op 5 mei 2013. De beelden waren opgenomen door de aan en in het pand aanwezige beveiligingscamera’s. De camera’s hadden zicht op de geldautomaat van de ABN-Amrobank gevestigd in het pand [b-straat 2] te Eindhoven , zijnde een Albert Heijnwinkel . Op camera 32 is te zien dat omstreeks 04.08/04.09 uur de op de [e-straat] (het hof begrijpt: de [e-straat] ) te Eindhoven weggenomen VW Golf de parkeerplaats op komt rijden. Vervolgens is te zien dat deze auto doorrijdt en de hoek om gaat waar de pinautomaat zich bevindt. Omdat het ter plaatse zeer donker is, is er verder niet veel meer te zien totdat de auto om 04.16 uur in brand wordt gestoken en de omgeving verlicht wordt.
Op camera 31 is te zien omstreeks 04.18.11 uur dat twee personen/schimmen zich bewegen op de parkeerplaats en weglopen/wandelen in de richting van de achterzijde van de parkeerplaats en daar uit het zicht verdwijnen.
(…)”

35. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 26 juni 2017 blijkt dat de raadsvrouw het woord heeft gevoerd overeenkomstig de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover voor de bespreking van het middel van belang, het volgende in:

“Feit 4
110. Waar de verklaringen van [betrokkene 8] ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde voldoende aanknopingspunten bieden om cliënt als medepleger aan te wijzen, geldt dit niet zonder meer ten aanzien van feit 4.
111. Voor zover cliënt fysiek op de [b-straat] te plaatsen zou zijn, geldt niet automatisch dat hij ook als medepleger van de brandstichting kan worden aangemerkt. Brandstichting is een separate handeling. Het doortrekken van medeplegen van de plofkraak naar (mede)plegen van brandstichting, is te kort door de bocht.
112. [betrokkene 8] verklaart niets over brandstichting. De camerabeelden geven ook geen aanwijzingen voor brandstichting, laat staan in gezamenlijkheid. Er zijn bovendien geen dactyloscopische sporen of andere aanwijzingen.

113. Cliënt kan niet als uitvoerder van de brandstichting worden aangewezen en voor enige vorm van nauwe en bewuste samenwerking met betrekking tot deze brandstichting zijn geen aanknopingspunten.

114. Er is dan ook onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om aan cliënt betrokkenheid - in welke vorm dan ook - bij de brandstichting, toe te dichten. Vrijspraak.”

36. Het hof heeft, in reactie op het verweer van de verdediging, ten aanzien van het bewijs van het onder parketnummer 01-879007-13 onder 4 ten laste gelegde het volgende overwogen:

“Uit het medeplegen van een plofkraak op 5 mei 2013 kan niet worden gekomen tot een bewezenverklaring van het medeplegen van vernieling van een personenauto, aldus de raadsvrouw van de verdachte.

Het hof overweegt dienaangaande dat het in brand steken van de personenauto die is gebruikt als ramauto bij de plofkraak, mogelijk bedoeld was om sporen uit te wissen en onderdeel was van het plan tot het plegen van dit delict. Hoewel niet vaststaat dat het verdachte is geweest die de auto in brand heeft gestoken, is het hof van oordeel dat hij als medepleger van de ramkraak, daarbij gelet op de samenhang van de verschillende verrichte handelingen, daar wel mede verantwoordelijk voor is. Uit het dossier komt naar voren dat er sprake is geweest van een uitvoerige voorbereiding van gepleegde plofkraken. Er worden voorwerpen aangeschaft, er wordt een personenauto gestolen die voor de ramkraak wordt ingezet en de auto wordt naderhand in brand gestoken. Nu verdachte deel uitmaakt van een criminele organisatie die deze plofkraken voorbereidt en hij door het hof gezien wordt als een leidende figuur in deze organisatie, is het hof van oordeel dat sprake is geweest van voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen hem en zijn mededaders voor wat betreft de gepleegde plofkraak en de daarmee samenhangende delicten waaronder het in brand steken van de gebruikte personenauto. Het feit dat verdachte dat wellicht niet zelf de vlam bij de auto heeft gebracht, doet daar niet aan af.”

37. De stellers van het middel stellen zich op het standpunt dat het bewezen verklaarde niet kan volgen uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen. De motivering zou ook in het licht van de arresten van de Hoge Raad in de “Nijmeegse scooterzaak” tekortschieten.12

38. Het hof heeft ten laste van de verdachte in de zaak met parketnummer 01-879007-13 onder 3 – kort gezegd – bewezen verklaard dat hij op 5 mei 2013 in Eindhoven, tezamen en in vereniging met anderen, een ‘plofkraak’ heeft gepleegd bij de geldautomaat van de ABN Amrobank aan de [b-straat] te Eindhoven . Bij die ‘plofkraak’ is een grote hoeveelheid geld buitgemaakt. Over dat oordeel wordt in cassatie niet geklaagd.13

39. Het in de zaak met parketnummer 01-879007-13 onder 4 bewezen verklaarde houdt – als gezegd – in dat de verdachte, eveneens op 5 mei 2013 in Eindhoven, tezamen en in vereniging met anderen een (gestolen) auto heeft vernield door die auto in brand te steken. Uit bewijsmiddel 41 volgt dat de ‘plofkraak’ een aanvang neemt om 4.08/4.09 uur, terwijl de auto om 4.16 uur in brand wordt gestoken. Het hof heeft overwogen dat die auto is gebruikt als ‘ramauto’ bij de plofkraak. Ook over dat oordeel wordt in cassatie niet geklaagd.

40. De enkele omstandigheid dat niet vast is komen te staan dat de verdachte de auto in brand heeft gestoken, hoeft aan het oordeel dat sprake is (geweest) van medeplegen niet in de weg te staan.14 Voor zover de stellers van het middel zich op dat standpunt stellen faalt het middel dan ook.

41. Het hof heeft de verdachte aangemerkt als een leidende figuur in een criminele organisatie die op uitvoerige wijze ‘plofkraken’ voorbereidt. Voorts is onbestreden dat de verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de desbetreffende ‘plofkraak’ in Eindhoven. Het hof heeft geoordeeld dat het in brand steken van de auto onderdeel was van het plan om een plofkraak te plegen. Daarmee ligt in de overwegingen van het hof besloten dat het in brand steken van de bij de plofkraak gebruikte ‘ramauto’ onderdeel uitmaakte van de nauwe en bewuste samenwerking in het kader van de ‘plofkraak’. Dat betekent dat ook ten aanzien van het in brand steken van die auto zo bewust en nauw is samengewerkt, dat van medeplegen kan worden gesproken.15

42. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is in het licht van de door het hof vastgestelde feiten niet onbegrijpelijk. Ik meen dat de bewijsmiddelen die hiervoor zijn geciteerd in dit verband in hun onderlinge samenhang moeten worden bezien met de overige bewijsmiddelen die betrekking hebben op de ‘plofkraak’ en de vernieling van de auto in Eindhoven. Daarbij wijs ik op hetgeen door [betrokkene 8] ten overstaan van de politie is verklaard. [betrokkene 8] verklaart dat hij, voorafgaand aan de plofkraak in Eindhoven op 5 mei 2013, onder meer met de verdachte langs verschillende bankfilialen is gereden om die banken ‘af te leggen’ (bewijsmiddel 44 en 45), dat hij voorafgaand aan de plofkraak bij de ABN Amrobank aan de [b-straat] heeft gepind (bewijsmiddelen 44 en 47) en dat hij heeft gezien dat er zaken voor een plofkraak werden voorbereid (bewijsmiddel 45). Ook heeft hij benzine getankt voor de verdachte, die kennelijk bestemd was voor de scooters (bewijsmiddel 46, 49 en 50). Op de vraag van de politie of hij weet wat er met de gestolen auto is gebeurd, heeft hij geantwoord: “Die auto hebben ze in de fik gezet” (bewijsmiddel 46).

43. Aan het voorafgaande doet niet af dat het hof ook heeft overwogen dat het in brand steken van de auto mogelijk bedoeld was om sporen uit te wissen. Ik lees de desbetreffende overweging aldus, dat het in brand steken van de auto deel uitmaakte van het plan tot het plegen van de ‘plofkraak’ en dat het in brand steken van de auto mogelijk was bedoeld om sporen uit te wissen.

44. De bewezenverklaring is in het licht van het voorafgaande naar de eis van de wet voldoende met redenen omkleed. Ook in het licht van hetgeen door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep in verband met het medeplegen van de vernieling naar voren is gebracht, was het hof niet gehouden zijn oordeel nader te motiveren.

45. Het middel faalt.

De strafoplegging

46. Het vierde middel behelst de klacht dat de motivering van de strafoplegging door het hof onbegrijpelijk is voor zover het hof heeft overwogen dat “de witwasactiviteiten” betrekking hadden op een bedrag van € 62.201,-. Daartoe wordt aangevoerd dat dit bedrag betrekking heeft op het onderdeel van het bewezen verklaarde witwassen waarvan de verdachte is ontslagen van alle rechtsvervolging, terwijl het hof expliciet heeft overwogen dat de omvang van die witwasactiviteiten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden rechtvaardigt.

47. Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 01-879007-13 onder 5 bewezen verklaard dat:

“hij in de periode van 6 augustus 2012 tot en met 10 juni 2013, in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, van (een) hoeveelheid/heden contant geld, de werkelijke aard en de herkomst heeft verhuld, door die hoeveelheid/heden contant geld te storten op en/of over te schrijven/over te boeken naar bankrekeningen op naam van hem, verdachte, en/of van [betrokkene 1] ,

en
tezamen en in vereniging met een ander voorwerpen, te weten (een) hoeveelheid/heden (contant) geld, heeft omgezet, door die hoeveelheid/heden (contant) geld te gebruiken voor de aanschaf en/of betaling van:
- een scooter en
- een Iphone,
terwijl hij, verdachte, en zijn mededader wisten dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf, en terwijl hij, verdachte, en zijn mededader van het plegen van witwassen een gewoonte hebben gemaakt;

en
voorwerpen, te weten (een) hoeveelheid/heden (contant) geld, heeft omgezet, door die hoeveelheid/heden (contant) geld te gebruiken voor de aanschaf en/of betaling van:
- auto's (een Renault Clio en een Audi A3) en
- de huurpenningen van de woning [c-straat 1] te 's-Hertogenbosch en
- de inboedel en/of inrichting van de woning [c-straat 1] te 's-Hertogenbosch , terwijl hij, verdachte, wist dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf, en terwijl hij, verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt;”

48. Die bewezenverklaring berust onder meer op de volgende bewijsmiddelen:

“56. Zaaksdossier BRZ424.13W.037.BN d.d. 12 november 2013, (p. 35001-35007), voor zover inhoudende als relaas verbalisant [verbalisant 5] :

Onderzoek bankrekeningen [verdachte]

Rabobankrekeningen
Rekening [rekeningnummer 3] bevatte op 13 april 2013 een positief saldo van € 683,54. Na 13 april 2013 tot en met 10 juni 2013 werd geen geld van deze rekening opgenomen.
Na 4 november 2011 tot en met 10 juni 2013 werd de rekening [rekeningnummer 4] niet meer gebruikt voor transacties. Na 4 november 2011 vonden geen mutaties plaats.

ING-rekening
Vanaf september 2012 ontving [verdachte] een zorgtoeslag op zijn rekening met nummer [rekeningnummer 1] . over de periode 6 augustus 2012 tot 10 juni 2013 ontving hij € 667,- aan zorgtoeslag. Verder bleek dat de rekening werd gevoed door bijschrijvingen vanaf de rekening van zijn vriendin [betrokkene 1] , rekening nummer [rekeningnummer 2] . Totaal werd over de onderzoeksperiode van 6 augustus 2012 tot 10 juni 2013 € 3.672,76 op zijn rekening bij geschreven. De vermoedelijke herkomst van giraal overgeschreven geld betroffen kasstortingen op de rekening van [rekeningnummer 2] (€ 3.330,-).
Op de rekening [rekeningnummer 1] werden over de onderzoeksperiode van 6 augustus 2012 tot 10 juni 2013 kasstortingen gedaan voor een bedrag van € 5.839,76

(…)

60. Het rapport kasopstelling d.d. 1 november 2013, (p. 35092-35012 (het hof begrijpt: 35112)), voor zover inhoudende als relaas verbalisant [verbalisant 5] :
Onderzoek contante geldstromen.
Aan de hand van de contante geldstromen kan aangetoond worden dat [verdachte] in de periode van 6 augustus 2012 tot 10 juni 2013 meer contante inkomsten heeft genoten dan de traceerbare legale inkomsten. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de kasopstelling.
[betrokkene 1] wordt bij het opstellen van deze rapportage betrokken en benoemd.
Uit de mutaties op haar bankrekening en uit afgeluisterde telefoongesprekken bleek dat ze over de bankrekening van [verdachte] kon beschikken en ook de rekening zodanig beheerde dat ze ook overschrijvingen kon doen vanaf de rekening van [verdachte] ; goederen waaronder een scooter contant kocht van het geld dat ze bewaarde voor [verdachte] ; contant geld op haar rekening liet storten wat ze giraal overschreef naar de rekening van [verdachte] ; ze in haar woning contant geld bewaarde dat eigendom was van [verdachte] of dat ze contant ontvangen had van [verdachte] .

Op 6 augustus 2012 werd [verdachte] uit detentie ontslagen.
De eerste contante geldopname vindt plaats op 3 september 2012. Ik, verbalisant, stel het beginsaldo op € 250,- gezien de langere tijd tussen vrijlating en de eerste geldopname. Ik, verbalisant, neem aan dat hij “zakgeld” ontving van zijn ouders.
Storting rekening [rekeningnummer 1] : dit betreft contante stortingen op de eigen ING rekening gedaan in de periode van 6 augustus 2012 tot 9 juni 2013 (het hof begrijpt: totaal bedrag ad € 5.839,--).
Storting rekening [rekeningnummer 2] : dit betreft contante stortingen op de ING rekening van [betrokkene 1] (het hof begrijpt: totaal bedrag ad € 3.330,-).

Uit het onderzoek rees het vermoeden dat [betrokkene 1] geld bewaarde voor [verdachte] en ook de rekening van [verdachte] beheerde. Dat de stortingen vermoedelijk door [verdachte] werden gedaan maakte ik, verbalisant, op uit het feit dat veelvuldig kort na de stortingen geld werd overgeschreven naar de rekening [rekeningnummer 1] van [verdachte] .

Opnamen van rekening [rekeningnummer 1] in de periode van 6 augustus 2012 tot 9 juni 2013
(…)

Uit de kasopstelling blijkt dat [verdachte] de contante uitgaven niet heeft kunnen betalen van de uit het onderzoek bekende, traceerbare legale contante inkomsten. Er moet daarom nog een andere contante inkomstenbron zijn geweest. De hoogste negatieve kas bedroeg op 10 juni 2013 afgerond €62.201,-.”

49. Het hof heeft in een bijzondere overweging omtrent het bewijs ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 01-879007-13 onder 5 ten laste gelegde het volgende overwogen:

“Allereerst is door de verdediging aangevoerd dat, voor zover het betreft het storten van contante gelden op een (eigen) bankrekening, niet kan worden gesproken van witwassen. Derhalve dient ten aanzien van dit onderdeel van de tenlastelegging ontslag van alle rechtsvervolging te volgen.

Met de verdediging is het hof van oordeel dat het storten van gelden die zijn verkregen uit eigen misdrijf, op een bankrekening van verdachte of dat van diens partner, niet te beschouwen is als een handeling die daadwerkelijk gericht is op het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die gelden. Van dit onderdeel dient de verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
(…)”

50. Het dictum van de bestreden uitspraak van het hof houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“BESLISSING
Het hof:
(...)
Ontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging voor het onder parketnummer 01-879007-13 onder 5 ten laste gelegde, voor zover het betreft het onderdeel:

“van (een) hoeveelheid/heden contant geld, de werkelijke aard en de herkomst heeft verhuld, door die hoeveelheid/heden contant geld te storten op en/of over te schrijven/over te boeken naar bankrekeningen op naam van hem, verdachte, en/of van [betrokkene 1] ” ”

51. Onder de aanhef “Op te leggen straffen en maatregel” (p. 14) houdt de bestreden uitspraak voorts onder meer in:

“(…) Het hof acht ook bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van vernieling van een auto, alsmede aan (het medeplegen van) gewoontewitwassen door het uit misdrijf verkregen geld om te zetten dan wel te verhullen.
(…)
Het hof overweegt als volgt.
(…)
Alles overziende is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van lange duur met zich brengt.

Voor het bepalen van de duur van de gevangenisstraf neemt het hof de Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden, tot uitgangspunt. (…)

(…)
Ingeval van fraude met een benadelingsbedrag tussen de € 10.000,- en € 70.000,- geldt gebruikelijk als oriëntatiepunt voor straftoemeting een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 2 tot 5 maanden dan wel een taakstraf. Aangezien, gelet op de toelichting, de voormelde oriëntatiepunten bij fraude ook van toepassing kunnen zijn op witwassen, zal het hof bij het bepalen van de strafmaat genoemd oriëntatiepunt als uitgangspunt nemen. In het onderhavige geval hadden de witwasactiviteiten van de verdachte betrekking op een bedrag van € 62.201,—. Deze omvang rechtvaardigt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden, nu het gewoontewitwassen betreft en een deel daarvan in vereniging is gepleegd. (…)”

52. Uit de kasopstelling die door het hof tot het bewijs van witwassen is gebezigd blijkt dat het negatieve kasverschil van € 62.201,- mede bestaat uit stortingen van contante geldbedragen op de rekeningen met nummers [rekeningnummer 1] (de eigen rekening van de verdachte) en [rekeningnummer 2] , de rekening van de toenmalige vriendin van de verdachte. Zij beheerde ook de rekening van de verdachte. Het hof heeft het verweer van de verdediging, inhoudende dat voor zover er contante gelden op een (eigen) bankrekening zijn gestort, niet kan worden gesproken van witwassen, gehonoreerd. Het hof heeft de verdachte voor dat onderdeel ontslagen van alle rechtsvervolging.

53. Het voorafgaande brengt mee dat de “witwasactiviteiten” waarop het hof in de strafmotivering doelt een bedrag van € 53.032,00 (€ 62.201,00 – € 5.839,00 - € 3.330,00) betroffen en niet een bedrag van € 62.201,00. Het middel klaagt daarover terecht. Tot cassatie hoeft dat echter niet te leiden. Ik wijs daartoe op het volgende.

54. Het hof heeft in de strafmotivering aansluiting gezocht bij de LOVS-oriëntatiepunten voor fraude met een benadelingsbedrag tussen de € 10.000,-- en € 70.000,-. In dat geval geldt als oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee tot vijf maanden dan wel een taakstraf. Het hof heeft overwogen deze oriëntatiepunten als uitgangspunt te nemen, aangezien zij ook van toepassing kunnen zijn bij witwassen.16 Het hof komt vervolgens uit op een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden. Daarbij heeft het hof niet alleen de omvang van de “witwasactiviteiten” tot uitgangspunt genomen, maar ook de omstandigheden dat het om gewoontewitwassen gaat en een deel daarvan in vereniging is gepleegd. In het licht van deze factoren en in aanmerking nemend dat ook het bedrag van € 53.032,00 zich aan de bovenkant van de genoemde marges van de oriëntatiepunten bevindt, meen ik dat de onvolkomenheid in de strafmotivering van ondergeschikt belang is en niet tot cassatie hoeft te leiden.17

55. Het middel hoeft niet tot cassatie te leiden.

De redelijke termijn in cassatie

56. Het vijfde middel behelst de klacht dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.

57. Namens de verdachte is op 13 juli 2017 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 10 juli 2018 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn van zes maanden18 is overschreden. Het middel is terecht voorgesteld. De Hoge Raad zal voorts uitspraak doen nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken.

58. Het voorafgaande brengt mee dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dat moet leiden tot strafvermindering.

59. Het vijfde middel is terecht voorgesteld. Het eerste, tweede, derde en vierde middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging.

60. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

61. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005, rov. 2.5.1, HR 20 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1176, rov. 2.6, HR 20 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1167, rov. 3.6, en HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, NJ 2013/241, rov. 2.2.5.

2 In de aanvulling bewijsmiddelen is vermeld dat alle bewijsmiddelen gelden ten aanzien van alle bewezen verklaarde feiten, voor zover zij daar, blijkens de inhoud ervan, betrekking op hebben. Daarbij is ook vermeld dat de in de aanvulling opgenomen aanduiding van de feiten zoals tussen haakjes vermeld, slechts is bedoeld voor de leesbaarheid van het geheel.

3 J. de Hullu, Materieel Strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Kluwer 2018, p. 393.

4 J. de Hullu, Materieel Strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Kluwer 2018, p. 416.

5 Y. Buruma, Bestraft zonder iets gedaan te hebben, in: De gedraging in beweging, Nijmegen 2007, p. 33 en 37.

6 J. de Hullu, Materieel Strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Kluwer 2018, p. 416-417.

7 Vgl. bijv. HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1956, NJ 2013, 133.

8 Dat bijzondere delict moet met zoveel woorden in de tenlastelegging en in de kwalificatie tot uitdrukking komen. Zie ook HR 5 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6691, NJ 2011, 316 m.nt. Mevis.

9 Vgl. HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:416, NJ 2018, 72 m.nt. Kooijmans.

10 Vgl. HR 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0213. Zie in dit verband ook de conclusie van mijn ambtgenoot Vegter voorafgaand aan HR 27 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1233, NJ 2014/338, m.nt. Rozemond.

11 Zie bewijsmiddel 42 in de aanvulling bewijsmiddelen.

12 Vgl. HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1964 en HR 20 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:241.

13 Dat wekt overigens geen verbazing, aangezien de raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep in haar pleidooi al heeft aangegeven dat de verdediging zich ten aanzien van de betrokkenheid van de verdachte bij voorbereidingshandelingen in de aanloop tot en de plofkraak aan de [b-straat] refereert aan het oordeel van het hof (p. 21 pleitnota in hoger beroep).

14 J. de Hullu, Materieel Strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Kluwer 2018, p. 459.

15 Vgl. HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1964 (rov. 2.3.3).

16 Zie daarover, in een ander verband, mijn conclusie voorafgaand aan HR 13 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:320 onder 14-21.

17 Vgl. HR 1 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:824.

18 Uit het door mij opgevraagde detentieoverzicht blijkt dat de verdachte zich ten tijde van het instellen van het cassatieberoep in voorlopige hechtenis bevond.