Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:1421

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-12-2019
Datum publicatie
04-02-2020
Zaaknummer
19/03649
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:183
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Beklag, beslag ex art. 94 Sv op gegevensdragers onder kla(a)g(st)er(s) i.v.m. onderzoek naar OMG Caloh Wagoh, art. 552a Sv. Het oordeel van de Rb dat het belang van de kla(a)g(st)er(s) bij teruggave van in de beschikking van de Rb vermelde gegevensdragers “thans, na een half jaar”, zwaarder moet wegen dan het belang van Sv, is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. HR merkt t.a.v. gelasten van de teruggave van de goederen “indien daarover op 28 juni 2019 door het OM nog geen beslissing is genomen” op dat de wet geen “voorwaardelijke teruggave” kent. Is de rechter van oordeel dat het belang van Sv zich (nog) verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen, dan dient hij het klaagschrift waarin de teruggave van die voorwerpen wordt verzocht ongegrond te verklaren. Is daarvan geen sprake, dan dient in de regel teruggave te worden gelast (vgl. ECLI:NL:HR:2019:1692). Samenhang met 9 andere beschikkingen. Volgt gedeeltelijke vernietiging en terugwijzing naar de Rb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/03649 B

Zitting 10 december 2019

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[klager 6],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,

hierna: de klager

1 Inleiding

1.1.

Bij beschikking van 28 mei 2019 heeft de Rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, beslist tot gegrondverklaring van het door klager ingestelde beklag ten aanzien van de in de beschikking negen aangeduide gegevensdragers “indien daarover op 28 juni 2019 door het OM nog geen beslissing is genomen” en heeft de rechtbank daarvan ook de teruggave gelast van die goederen aan klager “indien daarover op 28 juni 2019 door het OM nog geen beslissing is genomen”1. Voorts heeft de rechtbank het beklag gegrond verklaard met betrekking tot het in de beschikking aangeduide geldbedrag, en tot teruggave daarvan. Daarnaast heeft de rechtbank het beklag ongegrond verklaard wat betreft vier in de beschikking aangeduide goederen en ten slotte heeft de rechtbank klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn beklag ten aanzien van de overige goederen op de beslaglijst.

1.2.

Er bestaat samenhang met negen andere zaken. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

1.3.

Uit de gedingstukken blijkt dat het in deze zaak en in de samenhangende zaken gaat om het volgende. In het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar de motorclub ‘[A] MC’ hebben bij een grootschalige actie op 21 november 2018 op 40 locaties doorzoekingen plaatsgevonden, waarbij naast andere goederen, in totaal ongeveer 700 digitale gegevensdragers in beslag zijn genomen. Het onderzoek door politie en justitie naar de inbeslaggenomen gegevensdragers richt zich op het uitlezen daarvan en de (mogelijke) communicatie tussen klagers en degenen die in dit onderzoek als verdachte zijn aangemerkt. Het gaat daarbij om twee verdachten, een bestuurder van de motorclub, [betrokkene 1] (bijnaam: [betrokkene 1]) en [betrokkene 2]. Zij worden verdacht van deelname aan een criminele organisatie en betrokkenheid bij de liquidatie van [betrokkene 3]. Met betrekking tot de liquidatie zijn eerder vier verdachten aangehouden, waarvan drie lid van de motorclub [A].

1.4.

De rechtbank heeft, zoals gezegd, in de onderhavige zaak bij beschikking van 28 mei 2019 het beklag op grond van art. 552a Sv tegen de inbeslagneming van negen gegevensdragers onder de klager gegrond verklaard per 28 juni 2019, indien daarover op die datum door het openbaar ministerie nog geen beslissing tot teruggave is genomen.

1.5.

Het cassatieberoep is ingesteld namens het openbaar ministerie en mr. H.H.J. Knol, plaatsvervangend officier van justitie bij het arrondissementsparket Midden-Nederland, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2 Het oordeel van de rechtbank

2.1.

De beschikking van de rechtbank houdt onder meer het volgende in:

‘’
‘’De rechtbank gaat bij de beoordeling van het onderhavige beklag uit van de navolgende feiten en omstandigheden:

‘’ 1. onder klager is op 21 november 2018 op de locaties [d-straat 1] te [plaats], de [e-straat 1] te [plaats] en de [f-straat 1] te [plaats] een (groot) aantal goederen in beslag genomen (zie beslaglijst die als bijlage I is gevoegd);
2. klager heeft geen afstand gedaan van hetgeen in beslag is genomen.
(…)
Overwegingen


De raadsman van klager heeft aangevoerd dat een groot aantal goederen van aanzienlijke waarde nog niet is teruggegeven. De grondslag voor het beslag ontbreekt volgens klager. Ook voor het voortduren van het beslag is geen grond. Het beslag en het voortduren is onrechtmatig. Klager ondervindt schade van de doorzoekingen en het beslag. Klager verzoekt dan ook dat alle goederen worden teruggegeven.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de volgende goederen nog een onderzoeksbelang is. Het bezit van deze goederen is mogelijk strafbaar. Dat maakt dat het OM zich verzet tegen teruggave van:

AW.01.04.005 kogelwerend vest
S1.01.001 pepperspray
S1.01.003 wapenstok.
Ook verzet het OM zich tegen de teruggave van:

AW.06.03.002 Motorfiets Yamaha, met kenteken [kenteken 2].

Onderzoek aan de bromfiets heeft uitgewezen dat deze is voorzien van een vals voertuigidentificatienummer en dat de identiteit hiervan niet kon worden vastgesteld. Het is volgens de officier van justitie niet hoogst onwaarschijnlijk dat de rechtbank zal bepalen dat de bromfiets wordt onttrokken aan het verkeer. Dat maakt dat het OM zich verzet tegen teruggave van:
Voorts heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van een aantal goederen er op dit moment nog een onderzoeksbelang is. Dat maakt dat het OM zich verzet tegen de teruggave van:

AW.01.01.001 Ipad

AW.01.03.001 navigatie Garmin

AW.01.03.002 navigatie Tom Tom

AW.03.01.003 Iphone

S.01.02.002 Iphone

S.01.02.003 Iphone

S.01.03.001 Iphone

S1.01.002 Imac

S1.01.004 Iphone.
Bovenstaande digitale gegevensdragers konden niet volledig worden uitgelezen. Aangezien er nog geen inhoudelijk onderzoek plaats heeft kunnen vinden aan deze goederen, is het onderzoeksbelang nog onverkort van kracht. Het onderzoek richt zich op communicatie tussen klagers en verdachten in het onderzoek.

Ter zitting heeft de officier van justitie aangegeven dat alle gegevensdragers (tussentijds) zullen worden teruggegeven als deze zijn onderzocht. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het klaagschrift voor wat betreft deze goederen vooralsnog ongegrond dient te worden verklaard.
Wat betreft de overige goederen op bijlage I en het geldbedrag, te weten een bedrag van € 6.094,61 (bijlage 6) dient het klaagschrift volgens de officier van justitie niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat deze goederen en het geldbedrag zijn of worden geretourneerd aan klager.

De rechtbank overweegt dat na verkregen machtiging van de rechter-commissaris te Den Haag een groot aantal huiszoekingen zijn gedaan in het kader van een grootschalig onderzoek dat zich richt op de verdenking dat [A] MC een criminele organisatie is. In dat kader zijn als verdachten [betrokkene 1] en [betrokkene 2] aangehouden. In hoger beroep zijn door het Gerechtshof te Den Haag geen ernstige bezwaren aangenomen voor voornoemde verdenking. Over de redenen dat bij klager huiszoeking is gedaan is in het kader van het onderzoeksbelang geen mededeling gedaan. Klager is en wordt evenwel tot op de dag van vandaag niet als verdachte in dit onderzoek aangemerkt. Hetgeen van de zijde van het openbaar ministerie is aangevoerd rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank niet veel langer de conclusie dat het belang van strafvordering zich in dit geval verzet tegen de beëindiging van het beslag. Hoewel een groot aantal gegevensdragers in beslag is genomen en het begrijpelijkerwijs veel tijd kost om alles te doorzoeken is de rechtbank van oordeel dat het belang van klager bij teruggave van de gegevensdragers thans, na een halfjaar, zwaarder moet wegen. De rechtbank stelt een termijn van één maand waarbinnen het onderzoek dient te worden afgerond. De rechtbank zal het klaagschrift dan ook per 28 juni 2019 gegrond verklaren ten aanzien van de gegevensdragers waarover op 28 juni 2019 door het OM nog geen beslissing is genomen en de teruggave daarvan gelasten.


Ten aanzien van de volgende goederen:

AW.01.04.005 (kogelwerend vest)

S1.01.001 pepperspray
S1.01.003 wapenstok.

AW.06.03.002 Motorfiets Yamaha, met kenteken [kenteken 2]
overweegt de rechtbank dat het beslag dient voort te duren omdat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de rechter, later oordelend, hetgeen in beslag is genomen zal verbeurd verklaren of onttrekken aan het verkeer. Het klaagschrift zal derhalve ten aanzien van deze goederen ongegrond worden verklaard.
Wat betreft het geldbedrag van € 6.094,61 dient het klaagschrift gegrond te worden verklaard omdat dit geldbedrag nog niet is geretourneerd aan klager.

Wat betreft de overige goederen op de beslaglijst dient klager niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn beklag, omdat deze goederen zijn geretourneerd aan klager.


Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beklag per 28 juni 2019 gegrond ten aanzien van de volgende goederen, indien daarover op 28 juni 2019 door het OM nog geen beslissing is genomen:


AW.01.01.001 Ipad

AW.01.03.001 navigatie Garmin

AW.01.03.002 navigatie Tom Tom

AW.03.01.003 Iphone

S.01.02.002 Iphone

S.01.02.003 Iphone

S.01.03.001 Iphone

S1.01.002 Imac

S1.01.004 Iphone.
- gelast de teruggave van het inbeslaggenomene, te weten


AW.01.01.001 Ipad

AW.01.03.001 navigatie Garmin

AW.01.03.002 navigatie Tom Tom

AW.03.01.003 Iphone

S.01.02.002 Iphone

S.01.02.003 Iphone

S.01.03.001 Iphone

S1.01.002 Imac

AW.01.04.005 kogelwerend vest2

aan klager, indien daarover op 28 juni 2019 door het OM nog geen beslissing is genomen;

  • -

    verklaart het beklag gegrond ten aanzien van het geldbedrag, te weten € 6.094,61;
    gelast de teruggave van het inbeslaggenomene, te weten: het geldbedrag van

  • -

    € 6.094,61 aan klager;
    - verklaart het beklag ongegrond ten aanzien van de volgende goederen:

  • -


    AW.01.04.005 (kogelwerend vest)

  • -

    SI.01.001 pepperspray

  • -

    SI.01.003 wapenstok.

  • -

    AW.06.03.002 Motorfiets Yamaha, met kenteken [kenteken 2];
    - verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn beklag ten aanzien van de overige goederen op de beslaglijst.’’

3 Het middel

3.1.

Het middel komt op tegen de (gedeeltelijke) gegrondverklaring van het klaagschrift en is gebaseerd op twee klachten.

3.2.

Primair wordt aangevoerd dat uit de overwegingen van de rechtbank niet expliciet blijkt dat zij de maatstaf heeft aangelegd dan wel heeft toegepast die geldt bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene tegen een op de voet van art. 94 Sv gelegd beslag.3 Dit brengt volgens de steller van het middel mee dat de bestreden beschikking ontoereikend is gemotiveerd.4

3.3.

Subsidiair wordt gesteld dat het oordeel van de rechtbank dat "het belang van klager bij teruggave van de gegevensdragers thans, na een half jaar, zwaarder moet wegen", zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk is. Daarbij wordt gewezen op rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot de weging van de proportionaliteit en subsidiariteit van het beslag in het kader van de beklagprocedure.5

Uit deze jurisprudentie leidt de steller van het middel af dat slechts in uitzonderlijke gevallen sprake is van onrechtmatig voortduren van beslag op grond van disproportionaliteit vanwege het verstreken tijdsverloop na de inbeslagname. Van de beklagrechter mag dan worden verlangd dat hij blijk geeft van een zorgvuldige belangenafweging door aandacht te besteden aan de bijzonderheden van het geval en daarbij helder motiveert waarom de persoonlijke belangen van klager in casu zwaarder dienen te wegen dan het strafvorderlijk belang bij handhaving van het beslag.6

3.4.

In het onderhavige geval heeft de officier van justitie blijkens het voorlopig standpunt OM aangevoerd dat:

(i) op 21 november 2018 in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar [A] MC op veertig locaties doorzoekingen ter inbeslagneming hebben plaatsgevonden, waaronder op adressen van klager,

(ii) klager geen verdachte is,

(iii) de onder klagers inbeslaggenomen gegevensdragers zullen worden onderzocht op (mogelijke) communicatie tussen klagers en de verdachte(n) in het onderzoek,

(iv) dat het onderzoeksbelang zich verzet tegen teruggave aan klager,

(v) bij de doorzoekingen op de veertig locaties in totaal ca. 700 digitale gegevensdragers in beslag zijn genomen, en

(vi) het volledig uitlezen van deze gegevensdragers een tijdrovende klus is, waardoor teruggave langer dan normaal op zich laat wachten.

3.5.

Door te oordelen dat "het belang van klager bij teruggave van de gegevensdragers thans, na een half jaar, zwaarder moet wegen" heeft de rechtbank volgens de steller van het middel onvoldoende oog gehad voor de omvang en de complexiteit van het te verrichten onderzoek aan alle inbeslaggenomen voorwerpen. Daarnaast heeft de rechtbank niet aangeduid welke kennelijk zwaarder wegende belangen van de klager dan in het geding zijn en waarom het belang van strafvordering, welk belang is gelegen in het kunnen onderzoeken van de inbeslaggenomen voorwerpen ten behoeve van de waarheidsvinding, daarvoor moet wijken. Uit de overwegingen van de rechtbank blijkt niet van enige afweging van de belangen van de klager ten opzichte van de belangen van strafvordering, terwijl de rechtbank ook overigens geen aandacht heeft besteed aan de bijzonderheden van het geval. De motivering van de rechtbank schiet volgens de steller van het middel daardoor tekort.

4 Juridisch kader

4.1.

In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat onder de klager op de voet van art. 94 Sv beslag is gelegd op de in de bijlage aan het klaagschrift genoemde goederen. Bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene gericht tegen een op de voet van art. 94 Sv gelegd beslag dient de rechter a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. Het door art. 94 Sv beschermde belang van strafvordering verzet zich onder meer tegen teruggave indien de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen, ook in een zaak betreffende een ander dan de klager.7

4.2.

De toepassing van deze maatstaf verplicht volgens de Hoge Raad niet tot een (ambtshalve) onderzoek met betrekking tot de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, maar sluit dat ook niet uit, indien de omstandigheden van het geval dat meebrengen.8 Daarbij hoeft het gegeven dat de inbeslagneming lang duurt niet zonder meer tot de conclusie te leiden dat voortzetting van het beslag disproportioneel is.9

5 Beoordeling van het middel

5.1.

Gelet op het hiervoor weergegeven juridisch kader meen ik dat het middel terecht is voorgesteld. Uit de overwegingen van de rechtbank kan wellicht nog wel worden afgeleid dat de rechtbank bij haar beoordeling de maatstaf zoals bedoeld onder 4.1. heeft toegepast. Het oordeel van de rechtbank dat het belang van de klager zwaarder moet wegen dan het belang van strafvordering acht ik echter niet zonder meer begrijpelijk.

5.2.

Daarbij stel ik voorop dat de rechtbank (in elk geval op het moment van het nemen van de beslissing) kennelijk van oordeel is dat er een belang van strafvordering aanwezig is, welk belang is gelegen in de waarheidsvinding. De overwegingen dat het ‘’begrijpelijkerwijs veel tijd kost om alles te doorzoeken’’ en dat de rechtbank een termijn van één maand stelt waarbinnen het onderzoek dient te worden afgerond, wijzen daarop. Datzelfde geldt voor de overweging en de beslissing om het klaagschrift per 28 juni 2019 gegrond te verklaren indien dan nog geen beslissing is genomen over de teruggave van het beslag. De overwegingen van de rechtbank die kennelijk hebben bijgedragen aan de gegrondverklaring van het klaagschrift, namelijk dat door het hof Den Haag geen ernstige bezwaren zijn aangenomen ten aanzien van de twee verdachten10, over de redenen van de huiszoeking geen mededeling is gedaan aan de klager en de klager niet als verdachte wordt aangemerkt, doen daaraan niet af.

5.3.

De Hoge Raad acht slechts in uitzonderlijke gevallen een gegrondverklaring vanwege disproportionaliteit toelaatbaar. In die gevallen dient de rechter een dergelijk oordeel goed te motiveren.11 In het licht van hetgeen door de officier van justitie en de klager is aangevoerd en de omstandigheden van het geval heeft de rechtbank dit laatste mijns inziens onvoldoende gedaan. Daarbij wijs ik erop dat het gaat om een grootschalig onderzoek naar ernstige strafbare feiten in georganiseerd verband waarbij aanwijzingen bestaan dat dit zich heeft afgespeeld binnen de motorclub. Voor dit onderzoek zijn in totaal ongeveer 700 gegevensdragers in beslaggenomen waaraan complex digitaal onderzoek moet worden verricht. Aan de vaststelling dat na een half jaar het onderzoek nog niet is afgerond kan mijns inziens – mede in het licht van de jurisprudentie12 – dan ook niet het oordeel worden verbonden dat het openbaar ministerie niet voortvarend zou hebben gehandeld. De rechtbank geeft geen inzicht waarom – anders dan het openbaar ministerie kennelijk meent – het onderzoek naar haar oordeel binnen een maand (wel) afgerond zou kunnen zijn en waarom geen genoegen kan worden genomen met de stelling van de officier van justitie dat het beslag wordt opgeheven zodra het onderzoek daaraan is afgerond. Tot slot heeft de rechtbank niet voldoende kenbaar gemaakt in welk belang de klager precies wordt getroffen en waarom het beslag na een half jaar zo onevenredig zwaar drukt op de klager dat dit (niet nader omschreven) belang zwaarder moet wegen dan het belang van strafvordering. Van een concrete en nauwkeurige belangenafweging toegespitst op de klager13 blijkt niet.

5.4.

Het middel is terecht voorgesteld.

6 Ambtshalve opmerkingen ten overvloede

6.1.

Ook al dient het middel mijns inziens tot cassatie te leiden, wil ik ambtshalve nog opmerken dat de bestreden beschikking ook het volgende gebrek vertoont.

6.2.

De rechtbank heeft het klaagschrift met betrekking tot negen voorwerpen gegrond verklaard en een last tot teruggave gegeven ‘’indien daarover op 28 juni 2019 door het OM nog geen beslissing is genomen.’’ De wet voorziet echter niet in het geven van een dergelijke beslissing. Is de rechter van oordeel dat het belang van strafvordering zich (nog) verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen, dan dient hij het klaagschrift waarin de teruggave van die voorwerpen wordt verzocht ongegrond te verklaren. Is daarvan geen sprake, dan dient in de regel teruggave te worden gelast.14 Een voorwaardelijke last tot teruggave is dus niet mogelijk. Ook hierom kan de bestreden beschikking niet in stand blijven.

7 Conclusie

7.1.

Het middel slaagt.

7.2.

Ambtshalve heb ik – behoudens de onder 6 genoemde grond – geen andere gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.

7.3.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking voor zover de rechtbank het beklag ten aanzien van bepaalde inbeslaggenomen voorwerpen (voorwaardelijk) gegrond heeft verklaard en de teruggave daarvan heeft gelast per 28 juni 2019 en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank opdat de zaak in zoverre op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Abusievelijk staat onder de goederen waarvan de rechtbank (voorwaardelijk) de teruggave heeft gelast ook het kogelwerend vest, maar dat is gelet op de overweging in de beschikking en in het dictum verderop, waar het beklag ongegrond wordt verklaard onder meer ten aanzien van dat kogelwerend vest, een evidente vergissing. Gelet op de gegrondverklaring en de teruggave daarvan, dient in plaats van het kogelwerend vest te worden gelezen: S1.01.004 Iphone.

2 Opmerking AG: dit is, zoals opgemerkt in voetnoot 1, een kennelijke misslag en dient te worden gelezen als ‘S1.01.004 Iphone’. Zie ook de inhoud van het dictum verderop waarop het beklag ten aanzien van het kogelwerend vest ongegrond wordt verklaard.

3 HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654 m.nt. Mevis, rov. 2.8 en 2.9.

4 Verwezen wordt naar: HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:959; HR 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2785 en HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:977.

5 Geciteerd wordt uit de volgende beschikkingen: HR 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:379; HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:38, NJ 2014/66 en HR 18 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3311.

6 Verwezen wordt naar conclusie AG Harteveld voor HR 18 november 2014, ECLI:NL:PHR:2014:2088, onder 4.7 en conclusie AG Harteveld voor HR 22 april 2014, ECLI:NL:PHR:2014:325, onder 4.6.

7 HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654 m.nt. Mevis, rov. 2.8 en 2.9.

8 Vgl. HR 5 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3065 (art. 94a Sv beslag); HR 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2881, rov. 2.3. (art. 94a Sv beslag); HR 18 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3311 (94a Sv beslag); HR 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:379 (art. 94 Sv beslag); HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:38, NJ 2014/66 (94a Sv beslag) en HR 1 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:833, NJ 2014/278 m.nt. Keulen (art. 94a Sv beslag). Zie ook HR 24 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS9296 (art. 94 Sv beslag); conclusie AG Harteveld voor HR 7 januari 2014, ECLI:NL:PHR:2013:1683, NJ 2014/66, onder 3.3. en conclusie AG Knigge voor HR 29 mei 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BW6674, NJ 2012/354, onder 4.7.

9 Zie bijvoorbeeld de volgende zaken die ook door de steller van het middel worden aangehaald HR 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:379 (art. 94 Sv beslag; het ging hier om een “oudere zaak” en er kon kennelijk geen uitsluitsel worden gegeven wanneer de inbeslaggenomen computer zou worden onderzocht); HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:38, NJ 2014/66 (art. 94a Sv beslag; zaak lag al vijf maanden stil en er is sprake van een inbreuk op het eigendomsrecht). HR 18 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3311 (art. 94a Sv beslag; na 2,5 jaar conservatoir beslag nog geen zittingsdatum bekend).

10 Een stuk dat deze vaststelling ondersteunt heb ik overigens niet in het dossier aangetroffen.

11 Waaronder ik ook reken de disproportionaliteit tussen het belang van de strafvordering enerzijds en de belangen van de klagers anderzijds, zie bijv. conclusie AG Harteveld voor HR 7 januari 2014, ECLI:NL:PHR:2013:1683, NJ 2014/66, onder 3.3 en conclusie AG Vellinga voor HR 31 januari 2017, ECLI:NL:PHR:2016:1452 onder 6.

12 Zie bijv. HR 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:379.

13 Ik merk op dat de (dragende) overwegingen van de rechtbank in deze zaak exact overeenkomen met de (dragende) overwegingen die de rechtbank ten grondslag heeft gelegd aan haar oordeel met betrekking tot de andere, samenhangende zaken.

14 HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1692.