Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:142

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
19-02-2019
Datum publicatie
26-02-2019
Zaaknummer
18/03035
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 18/03035

Zitting: 19 februari 2019

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Amsterdam heeft de verdachte bij arrest van 9 maart 2018 wegens 1 primair, “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod”, 2, “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod” en 3 “diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand, met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf voor de duur van honderdtwintig uren, subsidiair zestig dagen.

  2. De zaak hangt samen met de ontnemingszaak tegen de verdachte (18/03034), waarin ik vandaag eveneens concludeer.

  3. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. A.J.J. van der Heiden, advocaat te Den Helder, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

  4. Het middel behelst de klacht dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

  5. Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezen verklaard dat:

“1 primair:

hij in de periode van 1 oktober 2013 tot en 20 januari 2014 in de gemeente Den Helder opzettelijk heeft geteeld in de woning aan de [a-straat 1] ongeveer 434 hennepplanten;

2:

hij op 21 januari 2014 in de gemeente Den Helder opzettelijk aanwezig heeft gehad in de woning aan de [a-straat 1] een hoeveelheid van 257 hennep.

3:

hij in de periode van 1 oktober 2013 tot en met 20 januari 2014 in de gemeente Den Helder met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid stroom, toebehorende aan Liander N.V., waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.”

6. Uit de aan het hof ter terechtzitting op 23 februari 2018 overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnota blijkt dat de raadsman van de verdachte het verweer heeft gevoerd dat uit niets blijkt dat de verdachte betrokken is geweest bij de bouw en exploitatie van de hennepkwekerij. De raadsman heeft betoogd dat de door de verdachte naar binnen gedragen isolatieplaten waren bedoeld voor in het elkaar zetten van een diepvries- of koelcel en dat de verdachte de woning heeft verhuurd. Volgens de raadsman wordt de stelling van de verdachte dat hij de woning heeft verhuurd ondersteund door de verklaring van de getuige [betrokkene 1] en is er een derde persoon bij de zaak betrokken, welke persoon is gezien door de getuige [betrokkene 2] . Ten slotte heeft de raadsman naar voren gebracht dat de verdachte ontkent wetenschap te hebben gehad van het feit dat er hennepproducten aanwezig waren in zijn woning.

7. Het hof heeft het verweer verworpen en heeft het volgende overwogen over het bewijs van het ten laste gelegde:

“De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat de in zijn woning aangetroffen hennepkwekerij door een derde, een huurder, is ingericht en geëxploiteerd en dat de in de kwekerij aangetroffen isolatieplaten weliswaar door de verdachte de woning zijn binnengebracht - hetgeen door een buurvrouw is gezien - maar dat deze platen waren bestemd voor het bouwen van een extra koelcel voor zijn restaurant; hij is niet betrokken geweest bij de bouw met deze platen van de geïsoleerde ruimte die werd aangetroffen in de woning.

Tegen de achtergrond van de omstandigheid dat de door de verdachte genoemde huurder een niet-bestaand persoon blijkt te zijn, heeft de door hem aangeleverde huurovereenkomst geen enkele betekenis. Nu ook andere aanwijzingen ontbreken voor het bestaan van die huurder, is het hof van oordeel dat de verklaring van de verdachte zelfs het begin van aannemelijkheid ontbeert. Voor het overige vindt het verweer van de verdediging zijn weerlegging in de door de politierechter en het hof gebezigde bewijsmiddelen.”

8. De bewezenverklaring steunt op de volgende – grotendeels uit het vonnis van de rechtbank overgenomen – bewijsmiddelen:

“I.

Een proces-verbaal van bevindingen, opgesteld door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] d.d. 11 december 2013 (dossierpagina’s 9 en 10):

Omstreeks 16.00 uur reden wij, verbalisanten, de [a-straat] (de politierechter begrijpt: te Den Helder) in. Wij reden daar omdat wij op de [a-straat 1] moesten zijn bij [betrokkene 3] . Hij stond nog in Papos voor een sanctiebedrag van 501 euro. Aldaar klopten wij aan bij [a-straat 1] , waar niet werd open gedaan. Het pand zag er slecht onderhouden uit. Beneden is er een soort garage, daarboven bevindt zich iets wat lijkt op een woning. Het gaat om een pand wat is gebouwd in een rijtje en staat direct aangrenzend met de panden ernaast.

Uit [a-straat 2] kwam een vrouw naar ons toe die ons aansprak. Wij, verbalisanten, hoorden de vrouw zeggen dat er waarschijnlijk niemand open zou doen omdat er volgens haar al maanden niemand meer woonde (..). Verder hoorden wij de vrouw zeggen dat de eigenaar van het pand een winkel op heeft op het einde van de [b-straat] te Den Helder, genaamd [A] . Volgens de vrouw gaat het slecht met de zaken van [A] . Wij, verbalisanten, hoorden de vrouw zeggen dat er een tijd terug een soort koelcel binnen werd gebracht in het pand op [a-straat 1] . Ook zouden er meerdere isolatiepanelen naar binnen zijn gebracht (…).

Ik, verbalisant [verbalisant 2] , zag dat de onderste ramen waren geblindeerd met blauwe ondoorzichtig folie. Ik zag dat het bovenste raampje open stond, welke niet was geblindeerd. Hierop heb ik een grijze rolcontainer gepakt die ook in dit steegje stond. Ik ben hierop geklommen en kon zo het pand binnen kijken. Ik zag een trap naar de bovenverdieping. Verder was er een klein halletje waar wat rotzooi op de grond lag. Ik rook als ik vlakbij het raampje was een lichte henneplucht vanuit het pand komen. Hierop ben ik van de grijze rolcontainer af gegaan. Vervolgens ben ik, verbalisant [verbalisant 1] , op de grijze rolcontainer gaan staan. Toen ik door het openstaande raampje keek zag ik wat rotzooi op de grond liggen. Ook zag ik door de deuropening, dat er in een naastgelegen ruimte iets in aluminiumfolie op de grond lag. Door de kleine opening in het raam kon ik niet goed zien wat voor product die mogelijk kon zijn. Ook rook ik een lichte henneplucht uit het pand komen.

II.

Een proces-verbaal van bevindingen (warmtebeeld) opgesteld door verbalisant [verbalisant 3] d.d. 19 augustus 2014 (dossierpagina 13):

Naar aanleiding van binnengekomen informatie betreffende panden, waar mogelijk hennep zou worden gekweekt, onderzocht ik deze panden met behulp van FLIR warmtebeeldcamera om zodoende meer aanwijzingen vast te leggen. Op donderdag 16 januari 2014 omstreeks 03:00 uur bekeek ik perceel [a-straat 1] Den Helder. Bij dit pand was door politieambtenaren een henneplucht waargenomen (…).

Ik zag in de beelden van de FLIR warmtebeeldcamera dat het pand [a-straat 1] op de muurzijden grote warmte uitstraalde, dit in vergelijking tot de naastgelegen panden. Verder zag ik aan de achterzijde van het pand op de 1e verdieping bij de ramen een hotspot. Tevens zag ik dat deze ramen afgedicht waren waardoor zicht naar binnen ontnomen werd.

III.

Een proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij opgesteld door [verbalisant 4] en [verbalisant 5] d.d. 19 augustus 2014 (dossierpagina’s 17 t/m 20):

Op 21 januari 2014 waren wij, verbalisanten, tijdens een henneprooidag bij de woning [a-straat 1] te Den Helder. Nadat wij een globaal onderzoek hadden ingesteld in het pand troffen wij in de ruimte 1 op de begane grond een compleet ingerichte hennepkwekerij aan. Vanaf de achterdeur bekeken was er links voor de kweekruimte een ruimte ingericht als watervoorziening en voedingsruimte (zie foto 21 t/m 28). Hier was tevens een schakelbord opgehangen voor de aansturing van elektriciteit voor de kweekruimte. Vanaf de achterdeur bekeken was er rechts voor de kweekruimte en ruimte waarin twee slakkenhuizen waren geïnstalleerd voor de afzuiging. Deze ruimte grensde aan een badkamer (zie foto 5 t/m 9). Op de 1e etage zagen wij een kamer die was ingericht als droogruimte. Deze kamer is nader aangeduid als ruimte 2.

RUIMTE 1:

Wij zagen dat ruimte 1, op de begane grond, ingericht was als professionele hennepkwekerij. Na meting bleek ons dat de kweekruimte circa 9.75 meter lang en 4.00 meter breed was.

Wij zagen dat de voor de hennepkwekerij ingerichte ruime door middel van isolatiemateriaal en betimmering kunstmatig werd afgesloten met betrekking tot licht, lucht en geluid.

Wij zagen dat de luchtvoorziening en verversing in de ruimte kunstmatig werd geregeld door middel van een luchtafzuigsysteem met 2 luchtafzuigers (slakkenhuizen), 3 koolstoffilters en 1 ventilator.

Wij zagen dat de luchtafzuigers in de aangrenzende ruimte stonden opgesteld.

Wij zagen dat de belichting in de ruimte kunstmatig werd geregeld door middel van 26 assimilatielampen (600 Watt) aangestuurd door tijdklokken. Wij zagen dat de tijdklokken waren ingesteld van 20.00 uur tot 08.00 uur (zie foto 28).

Wij zagen dat de armaturen van de assimilatielampen en de transformatoren een geheel vormde (zie foto 32).

Wij zagen dat de voeding en bevochtiging van de ruimte werd geregeld door middel van een irrigatiesysteem welke bestond uit een watervat, een lekbank, irrigatiebuis en 2 dompelpompen.

Wij zagen dat er in de ruimte 434 bloempotten stonden welke waren gevuld met steenwol snippers. Wij zagen verder in de kweekruimte een CO2-meter, een op een gasleiding aangesloten CO2 generator (Hotbox, zie foto 31), een luchtbevochtiger (zie foto 33) en een airconditioning, merk Opticlimate (zie foto 39).

Ik, [verbalisant 4] , zag dat er in deze ruimte 2 hygro/thermometers hingen.

Ik, [verbalisant 4] , zag dat er in de ruimte 2 ph/ec meters stonden.

Wij zagen in de ruimte resten van hennepplanten liggen. Wij zagen in de ruimte een vuilniszak gevuld met wortelresten en hennepresten (zie foto 35).

Ik zag op de armatuur van een assimilatielamp gedroogde henneptoppen liggen (zie foto 34).

Ik, [verbalisant 4] , herkende de henneptoppen en de resten van planten aan de geur en aan het uiterlijk als hennepplanten.

Wij zagen op de begane grond in een ruimte voor de kweekruimte diverse jerrycans met voedingsstoffen en groeimiddelen staan. Tevens zagen wij dat zich in deze ruimte het dompelvat met dompelpomp en tuinslag bevond.

RUIMTE 2:

Wij zagen dat op de 1e etage een kamer was ingericht als droogruimte (zie foto 12).

Wij zagen dat deze ruimte zich in het midden van het pand bevond en geen ramen had.

Wij zagen dat er een droognet hing. Ik, [verbalisant 4] , zag dat er hennepresten in het droognet lagen (zie foto 14). Wij zagen dat er een plastic zak met gedroogde hennep in het droognet lag (zie foto 13).

Ik, [verbalisant 4] , herkende hennepresten in het droognet en de gedroogde planten in de plastic zak aan de geur en aan het uiterlijk als hennep.

Wij zagen dat er nog 5 droognetten in de droogruimte lagen met daarin hennepresten.

Wij zagen dat er in de droogruimte een koolstoffilter stond, waarop een afzuiger was bevestigd, die de lucht via een flexibele slang afvoerde (zie foto 12).

Wij zagen dat er een elektronische weegschaal stond en een strijkijzer (zie foto 15 en 16).

Na weging bleek mij, [verbalisant 4] , dat de plastic zak met gedroogde hennep 257 gram woog (zie foto 16).

Wij zagen dat er nieuwe strijkzakken lagen. Wij zagen dat er zwarte opengescheurde strijkzakken lagen met daarin hennepresten (zie foto 17). Waaruit ik, [verbalisant 4] , concludeer dat er ook hennep vanaf elders werd aangevoerd om in deze ruimte te drogen (…)

Uit test blijkt dat het gaat om hennep (…)

Op aanwijzing van de fraude-expert van Liander zag ik dat:

- de zegels van de hoofdaansluitkast waren verbroken;

- aan de bovenzijde van de zekeringen een illegale aansluiting was gemaakt, waardoor de elektriciteit voor de hennepkwekerij niet door de elektriciteitsmeter werd geregistreerd;

- de stoppen van de meterkast waren verzwaard van 3 x 25 ampère naar 3 x 50 ampère.

IV.

Een proces-verbaal van aangifte gedaan door [betrokkene 4] namens Liander N.V. d.d 29 januari 2014 (dossierpagina’s 92 t/m 94) en bijlagen:

De fraudespecialist (M090) constateerde op 21 januari 2014 verboden handelingen aan de elektriciteitsinstallatie en trof het volgende aan:

De eerdergenoemde fraudespecialist zag dat de zegels van de hoofdaansluitkast waren verbroken. Hij zag namelijk dat de hoofdaansluitkast open stond en hij zag dat aan de bovenzijde van de zekeringhouders een illegale elektriciteitsaansluiting was gemaakt en dat deze aansluiting buiten de elektriciteitsmeter om liep naar de hennepplantage en deze voorzag van elektriciteit. De eerdergenoemde fraudespecialist zag dat de hoofdbeveiliging ten behoeve van de elektrische installatie verzwaard was. Van contractwaarde 3 x 25 ampère naar 3 x 50 ampère. (…)

Uit het door Liander N.V. ingestelde onderzoek is gebleken dat er een hennepplantage was ingericht in bovengenoemd perceel in ieder geval in de periode vanaf november 2013 (…)

Naar aanleiding van deze inventarisatie en het door Liander N.V. ingestelde onderzoek is door mij een berekening gemaakt waaruit blijkt dat er minimaal 21.484 kWh illegaal is afgenomen (weggenomen) ten behoeve van de hennepplantage.

V.

Een proces-verbaal van verhoor van getuige [betrokkene 2] d.d. 23 januari 2014 (dossierpagina’s 37 en 38):

In de zomer van 2013 in de maand juli ergens kwam ik vanaf ons “vakantiehuis” richting huis omstreeks 07:00 uur omdat ik moest werken deze ochtend. Ik zag daar pallets liggen met hele grote isolatieplaten. Ik zag twee mannen die isolatieplaten via de voorzijde van het pand naar binnen brengen. Eén daarvan herkende ik als [verdachte] (…).

Enkele weken na dit voorval hoorden wij bij [a-straat 1] een hoop herrie van werkzaamheden zoals timmeren en boren. Het was zo hard dat het soms leek alsof ze bij ons naar binnen zouden komen.

VI.

Een proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 23 januari 2014 (dossierpagina 29)”

V: Wie is de eigenaar van het pand [a-straat 1] te Den Helder?

A: Dan ben ik.

Een proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij van 19 augustus 2014 met nummer PL10HW- 2013129132-4, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , doorgenummerde dossierpagina 17 tot en met 20. Dit proces-verbaal houdt op pagina 19 in voor zover van belang:

Bemonsteren en onderzoek hennepplanten:

Ik [verbalisant 4] , heb uit ruimte 1 en 2 een monster van één van de aanwezige hennepplanten veiliggesteld en onderzocht. Gelet op geur en uiterlijk waren de planten in de kwekerij vermoedelijk van de soort Cannabis Sativa L ook bekend onder de naam Hennep of Nederwiet. Een klein gedeelte van dit monster werd door mij getest met behulp van test 8 (Duquenois reagent) van de O.D.V. narcotica testset. Dit leverde de blauw/paarse verkleuring op van de in het testbuisje aanwezige vloeistof, een aanwijzing voor wat betreft de aanwezigheid van TetraHydroCannabinol (THC), zijnde de werkzame stof in cannabisplanten THC is een stof die voorkomt in alle onderdelen van zowel de vrouwelijke als de mannelijke cannabisplant.

Gezien het vorenstaande, met in het bijzonder de geur en het uiterlijk van de planten, alsmede de uitslag van de test, concludeer ik dat het onderzochte materiaal hennep is. Hennep of onderdelen daarvan met uitzondering van de zaden, staat genoemd in lijst II van de Opiumwet.”

9. Met het middel wordt geklaagd over de bewezenverklaring van de drie ten laste gelegde feiten. Ik bespreek eerst de klachten over het bewijs van hennepteelt en het aanwezig hebben van hennep (feiten 1 en 2). Daarna kom ik toe aan een bespreking van de klacht over het bewijs van diefstal door middel van verbreking.

10. Uit de bewijsmiddelen volgt dat op 21 januari 2014 in het pand aan de [a-straat 1] in Den Helder twee ruimtes werden aangetroffen die waren ingericht als respectievelijk kweekruimte en droogruimte (bewijsmiddel III), dat de verdachte de eigenaar van dit pand is (bewijsmiddel VI) en dat een getuige in juli 2013 de verdachte samen met een andere man heeft gezien toen hij isolatieplaten naar binnen bracht, waarna de getuige in het pand een hoop herrie van werkzaamheden hoorde (bewijsmiddel V). Verder heeft het hof overwogen dat de verdachte heeft verklaard dat de in zijn woning aangetroffen hennepkwekerij door een derde, een huurder, is ingericht en geëxploiteerd en dat de in de kwekerij aangetroffen isolatieplaten weliswaar door de verdachte de woning zijn binnengebracht maar dat deze platen waren bestemd voor het bouwen van een extra koelcel voor zijn restaurant. Het hof heeft geoordeeld dat deze verklaring zelfs het begin van aannemelijkheid ontbeert, omdat de door de verdachte genoemde huurder een niet-bestaand persoon blijkt te zijn en andere aanwijzingen voor het bestaan van die huurder ontbreken.

11. Gelet op het voorafgaande, acht ik het oordeel van het hof dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het telen en aanwezig hebben van hennep niet onbegrijpelijk. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden. Ik neem daarbij in aanmerking dat het hof de verklaring van de verdachte als onaannemelijk terzijde heeft geschoven, terwijl het in hoger beroep gevoerde verweer overigens niets concreets inhoudt over betrokkenheid bij het telen. Aan de begrijpelijkheid van het oordeel doet niet af dat de tot het bewijs gebezigde verklaring van de getuige [betrokkene 2] (bewijsmiddel I) inhoudt dat “er niemand meer woonde in het pand” en dat “er een tijd terug een soort koelcel binnen werd gebracht”. Ik wijs erop dat dezelfde verklaring volgens de verbalisanten verder inhoudt dat er “ook meerdere isolatiepanelen naar binnen zijn gebracht”. Voor zover in de toelichting op het middel een beroep wordt gedaan op (een gedeelte van) een niet tot het bewijs gebezigde getuigenverklaring, stuit het middel af op de selectie- en waarderingsvrijheid van de feitenrechter. Ook de overige in de toelichting naar voren gebrachte klachten kunnen nergens toe leiden. Daartoe wijs ik op het volgende.

12. De steller van het middel merkt op dat niet duidelijk is op grond waarvan het hof tot het oordeel komt dat de verdachte de feiten opzettelijk heeft gepleegd. Daarbij brengt hij naar voren dat uit de bewijsmiddelen zou volgen dat de verbalisant heeft verklaard dat de in de woning aangetroffen hennepresten mogelijk van elders afkomstig zijn en dat de verdediging in hoger beroep heeft betoogd dat de hennepkwekerij niet in werking is geweest. Ik kan hem daarin niet volgen. Uit het voor het bewijs gebruikte proces-verbaal van bevindingen (bewijsmiddel III) volgt dat de verbalisant [verbalisant 4] heeft geconcludeerd dat er “ook [mijn cursivering] hennep vanaf elders werd aangevoerd om in deze ruimte te drogen”. Bovendien volgt uit hetzelfde proces-verbaal dat “ruimte 1” in de woning was ingericht als hennepkwekerij en “ruimte 2” als hennepdrogerij. De raadsman heeft in hoger beroep betoogd dat de hennepkwekerij niet in werking is geweest, maar dit heeft hij aangevoerd in het kader van de ontnemingsprocedure.1 In de strafzaak heeft de raadsman – zo blijkt uit zijn pleitnota – gesteld dat “aangenomen kan worden dat sprake is van een gebruikte kwekerij, omdat de politie stofresten en andere gebruiksresten heeft aangetroffen”. De bewezenverklaringen onder 1 en 2 zijn aldus naar de eis van de wet voldoende met redenen omkleed.

13. Het middel faalt voor zover daarin wordt geklaagd over het bewijs van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

14. Bij de beoordeling van de klacht ten aanzien van de bewezenverklaring van diefstal door verbreking van elektriciteit (feit 3) stel ik het volgende voorop. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat onder wegnemen als bedoeld in art. 310 Sr moet worden verstaan het zich verschaffen van de feitelijke heerschappij over het goed dan wel het aan de feitelijke heerschappij van de rechthebbende onttrekken van dat goed. Elektriciteit en gas worden eerst weggenomen door het verbruiken ervan door de in de woning aanwezige apparaten en installaties die zijn aangesloten op het elektriciteitsnet respectievelijk op het gasnet.2

15. De Hoge Raad is streng als het gaat om het bewijs van het plegen of het medeplegen van diefstal van elektriciteit bij hennepteelt. Het is onvoldoende dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte betrokken is geweest bij hennepteelt. Dat geldt ook als het gaat om een hennepkwekerij die zich in de woning van de verdachte bevindt.3 Bovendien is in de onderhavige zaak diefstal door middel van verbreking bewezen verklaard, zodat uit de bewijsvoering ook moet kunnen worden afgeleid dat het de verdachte is geweest die de verzegeling van de meterkast heeft verbroken en een illegale aansluiting heeft gemaakt.4 Indien als vaststaand kan worden aangenomen dat de verdachte de desbetreffende hennepkwekerij alleen heeft opgezet, ingericht en onderhouden, terwijl een illegale elektriciteitsaansluiting onderdeel van de hennepkwekerij uitmaakt, zou daaruit kunnen worden afgeleid dat hij ook degene is geweest die de elektriciteit heeft gestolen.5 In twee zaken zou een dergelijke redenering ten grondslag kunnen liggen aan het oordeel dat het bewijs dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van elektriciteit (door verbreking) naar de eis van de wet voldoende met redenen omkleed was. De Hoge Raad verwierp de klachten in dit verband overigens met toepassing van art. 81, eerste lid, RO, zodat een behoedzame interpretatie op haar plaats is.

16. In de eerste zaak was de verdachte veroordeeld voor het telen van hennep en diefstal van elektriciteit.6 Uit de bewijsmiddelen bleek onder meer dat de verdachte de huurder was van het pand waarin de hennepkwekerij zich bevond en waarin de meterkast was gemanipuleerd. Voorts was op de gebruikershandleiding van een sms-alarmsysteem in het pand een vingerafdruk van de verdachte aangetroffen. Het hof overweegt dat deze feiten en omstandigheden zodanig wijzen op betrokkenheid van de verdachte bij de hennepkwekerij en de diefstal dat van de verdachte een verklaring mag worden verlangd, maar dat hij ervoor heeft gekozen om te zwijgen. Het hof komt vervolgens tot een veroordeling, waarbij het overweegt dat “van enige betrokkenheid van anderen bij het telen van hennep en het stelen van elektriciteit in dat pand niet is gebleken”. Mijn ambtgenoot Hofstee concludeert dat het kennelijke oordeel van het hof dat het niet anders kan zijn dan dat het de verdachte is geweest die de bewezen verklaarde feiten heeft gepleegd niet onbegrijpelijk is en toereikend is gemotiveerd.

17. In de tweede zaak betrof het een veroordeling wegens hennepteelt en diefstal door verbreking van elektriciteit.7 De bewijsvoering hield in dat zich in de woning, die eigendom was van de verdachte, een hennepkwekerij bevond en dat de verdachte regelmatig in de buurt van de woning was gesignaleerd. In de woning waren verschillende foto’s van de verdachte en diens vader aangetroffen, alsmede motorkleding van de verdachte en ongeopende post. Het hof overwoog dat het verweer van de verdachte dat hij het pand had verhuurd niet aannemelijk was geworden, dat de verdachte verantwoordelijk kan worden gehouden voor de hennepkwekerij en dat “daaruit volgt” dat verdachte eveneens degene is die verantwoordelijk is voor de diefstal van stroom. Mijn ambtgenoot Aben concludeert dat aangezien als vaststaand kan worden aangenomen dat de woning waarin de hennepkwekerij zich bevond eigendom was van de verdachte en de verdachte de desbetreffende hennepkwekerij alleen heeft geëxploiteerd, het hof daaruit mocht afleiden dat hij ook degene is geweest die de elektriciteit heeft weggenomen.

18. De onderhavige zaak laat zich in diverse opzichten vergelijken met de onder 17 besproken zaak. Ook in de onderhavige zaak heeft het hof overwogen dat het verweer van de verdachte dat de hennepkwekerij is ingericht en geëxploiteerd door een derde, een huurder, niet aannemelijk is geworden. Voorts is de verdachte veroordeeld voor het plegen – niet het medeplegen – van hennepteelt.

19. De onderhavige zaak verschilt echter ook op wezenlijke punten van de hiervoor besproken zaken. Ik wijs daartoe op het volgende.

20. Anders dan in de hiervoor besproken zaken, heeft het hof in de onderhavige zaak niets overwogen over het bewijs van de ten laste gelegde diefstal door verbreking van elektriciteit. De bewijsmiddelen houden bovendien niets in waaruit kan worden afgeleid dat het de verdachte is geweest die de verzegeling van de meterkast heeft verbroken en een illegale aansluiting heeft gemaakt, waarna stroom is weggenomen door het verbruiken ervan door de in de woning aanwezige apparaten en installaties. Uit de omstandigheid dat het hof het verweer van de verdediging dat een huurder bij de hennepkwekerij betrokken was niet aannemelijk heeft geacht, kan niet worden afgeleid dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van stroom door middel van verbreking.

21. Ten aanzien van de mogelijke rol van de verdachte bij het aanleggen van de hennepkwekerij kan worden gewezen op de verklaringen van de getuige [betrokkene 2] (bewijsmiddelen I en V). Zij verklaart dat in juli 2013 een soort koelcel en isolatiepanelen dan wel isolatieplaten in het pand waar later de hennepkwekerij is aangetroffen naar binnen werden gebracht. Het hof overweegt dat de isolatieplaten in de kwekerij zijn aangetroffen. De betrokken getuige verklaart evenwel ook dat bij deze activiteiten niet alleen de verdachte, maar ook een andere man betrokken was. Samen brachten zij de platen naar binnen. Daarin verschilt de zaak van de hiervoor besproken zaken, waarin van enige betrokkenheid van een ander bij het inrichten van de hennepkwekerij uit de bewijsvoering niets bleek. Nu uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte samen met een ander een koelcel en isolatiepanelen dan wel isolatieplaten naar binnen bracht die zijn aangetroffen in de kwekerij, gaat de redenering dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal door verbreking van elektriciteit niet op.

22. De bewezenverklaring van diefstal van stroom door middel van verbreking is aldus onvoldoende met redenen omkleed. In zoverre slaagt het middel.8

23. Het middel slaagt ten dele.

24. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

25. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 3 ten laste gelegde en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Er is één pleitnota, waarin onderscheid wordt gemaakt tussen “de onderliggende zaak” en “de ontnemingsprocedure”.

2 HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3361.

3 Vgl. onderdeel 5.4 van de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge voor HR 22 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:42.

4 Vgl. onderdeel 3.6 van de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge voor HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:390.

5 Onderdeel 3.8 van de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge voor HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:390.

6 HR 3 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2534.

7 HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2340.

8 Vgl. HR 1 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0431, HR 22 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT6448, HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3361, HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:390, HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2002 en HR 22 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:42.