Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:1418

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-12-2019
Datum publicatie
28-01-2020
Zaaknummer
19/02253
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:126
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Herziening n.a.v. vordering AG bij HR. Eendaadse samenloop van medeplegen van poging tot zware mishandeling (art. 302 Sr) en openlijke geweldpleging (art. 141 Sr). Aangevoerd wordt dat sprake is geweest van persoonsverwisseling. Hetgeen door AG in zijn vordering is vermeld, geeft steun aan de stelling waarop de vordering berust, te weten dat in de zaak die leidde tot de uitspraak waarvan herziening is gevraagd, sprake is geweest van een persoonsverwisseling. Een en ander levert ernstig vermoeden op dat Hof, ware het hiermee bekend geweest, de veroordeelde van het hem tenlastegelegde zou hebben vrijgesproken. HR verklaart vordering gegrond en verwijst zaak naar Hof. Vervolg op ECLI:NL:HR:2014:3926 (art. 80a RO).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/02253 H

Zitting 3 december 2019

Vordering tot herziening

D.J.C. Aben

In de zaak

[veroordeelde] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,

hierna: de veroordeelde.

1. Bij deze wend ik mij tot de Hoge Raad der Nederlanden met een vordering tot herziening van de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 21 november 2013, waarbij [veroordeelde] , geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] , is vrijgesproken van het onder 1. primair tenlastegelegde en wegens 1. subsidiair en 2, “eendaadse samenloop van medeplegen van poging tot zware mishandeling en openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen”, is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden. Verder heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de veroordeelde een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander als nader in het arrest omschreven. Bij arrest van 11 november 2014 heeft de Hoge Raad de veroordeelde in zijn cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard op een van de gronden van artikel 80a RO, zodat de veroordeling sindsdien niet meer met gewone rechtsmiddelen kan worden aangevochten.

2. Op 11 maart 2019 ontving ik een e-mailbericht van mr. W. Stienen, advocaat-generaal bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, met het verzoek te overwegen om bij de Hoge Raad een herzieningsaanvraag te doen in verband met, kort gezegd, een vermoedelijke persoonsverwisseling. Bij e-mail van 6 mei 2019 zijn mij nadere bescheiden toegezonden. Naar mijn inzicht roepen de stukken ernstige twijfel op aan de juistheid van de veroordeling van [veroordeelde] . Het betreft zeer vermoedelijk een onherroepelijke veroordeling op naam van een bestaand persoon wiens persoonsgegevens door een ander valselijk zijn gebruikt. Ik zal deze vordering en de gronden waarop zij berust, nader toelichten na een korte schets van de feiten.

3. Op 13 juni 2009 vond op het Rembrandtplein te Amsterdam een vechtpartij plaats waarvoor kort na het incident drie personen werden aangehouden. Eén van de aangehouden mannen legitimeerde zich met een (m.i. vervalst) paspoort op naam van [veroordeelde] . Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Amsterdam op 18 maart 2011 blijkt dat de (niet-gemachtigde) raadsman een preliminair verweer voerde met de strekking dat de onjuiste persoon werd gedagvaard: de echte naam van de verdachte was niet [veroordeelde] , maar [betrokkene 1] , aldus de raadsman.1 Niettemin sprak de rechtbank een veroordeling uit. De naam van de verdachte in de kop van het veroordelende vonnis van 1 april 2011 is weergegeven als [veroordeelde] alias [betrokkene 1]”. Op 27 april 2011 is namens “[veroordeelde]” hoger beroep is gesteld tegen dit vonnis. Uit het grievenformulier kan worden afgeleid dat het hoger beroep feitelijk is ingesteld namens de aangehouden persoon, nu deze persoon inhoudelijk ingaat op hetgeen kennelijk op 13 juni 2009 is voorgevallen.

4. De dagvaarding van de verdachte om ter terechtzitting in hoger beroep van 7 november 2013 te verschijnen is, evenals in eerste aanleg, op naam van [veroordeelde] met het door [betrokkene 1] opgegeven adres in Groot-Brittannië uitgereikt aan de griffier en tevens als gewone brief gezonden naar het adres in het buitenland. Ter terechtzitting in hoger beroep is blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting verschenen mr. Sitaldin, die heeft medegedeeld uitdrukkelijk gemachtigd te zijn om voor de verdachte [betrokkene 1] op te treden.

5. Ook bij de terechtzitting van het hof is uitdrukkelijk aan de orde geweest dat de persoon die het feit heeft begaan niet [veroordeelde] heet, maar [betrokkene 1] .2 Desondanks bleef het veroordelend arrest op naam staan van [veroordeelde] .3 Tegen het arrest van het hof op 21 november 2013 is beroep in cassatie ingesteld, namens “[veroordeelde]”. De Hoge Raad heeft op 11 november 2014 het cassatieberoep op de voet van artikel 80a RO niet-ontvankelijk verklaard, waardoor het arrest van het hof zoals gezegd onherroepelijk is geworden.

6. De tenuitvoerlegging van het onherroepelijke arrest vond plaats doordat de persoon die [veroordeelde] heet op 26 januari 2018 op Schiphol werd aangehouden en tot en met 23 maart 2018 aldaar in het Justitieel Complex gedetineerd is geweest.4

7. Bij deze herzieningsaanvraag voeg ik de volgende bescheiden, die blijk geven van gronden voor herziening.

8. Op 18 november 2018 is bij het arrondissementsparket Amsterdam een brief binnengekomen van [betrokkene 2] uit Manchester, waarin zij stelt dat haar zoon ten onrechte is veroordeeld. Zij geeft daarbij bovendien aan dat het oorspronkelijke paspoort van haar zoon in 2005 voor het laatst is gebruikt en dat in 2016 een nieuw paspoort is aangevraagd omdat het vorige zoek zou zijn geraakt. Nadat dit bij het lokale postkantoor door [betrokkene 2] was gemeld, werd zij geadviseerd op het aanvraagformulier van het nieuwe paspoort in te vullen dat de aanvraag werd gedaan vanwege een verloren paspoort.

9. Bij de stukken is een proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 april 2019 gevoegd met mutatienummer PL27QR/19-035346. Dit bevat een bijlage waarin drie foto’s zijn opgenomen: 1) pasfoto van [veroordeelde] , geb. [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] , van Britse nationaliteit, vervaardigd te detentiecentrum Schiphol, 2) pasfoto Brits paspoort t.n.v. [veroordeelde] , geb. [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] , afkomstig uit de SKDB, en 3) politiefoto van een ander persoon, vervaardigd op 13 juni 2009 in de zaak met BVH-nummer 2009162163. Dat BVH-nummer komt overeen met het nummer van het proces-verbaal inzake de geweldpleging d.d. 13 juni 2009 waarvoor [veroordeelde] is veroordeeld. Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] komen in het proces-verbaal tot de conclusie dat de personen die staan afgebeeld op drie verschillende foto’s, in werkelijkheid twee verschillende personen zijn. Kort gezegd, de persoon die is afgebeeld op de foto’s onder 1 en 2, is niet de persoon die is afgebeeld op foto 3. Tegen de achtergrond van de informatie die is opgesomd in het proces-verbaal d.d. 23 april 2019 van de officier van justitie, mr. W.J. Nijkerk, maakt dit het zeer waarschijnlijk dat de persoon op afbeelding 3, welke afbeelding is vervaardigd kort nadat hij was aangehouden op verdenking van de geweldpleging op 13 juni 2009, in werkelijkheid genaamd is: [betrokkene 1] , terwijl de persoon die op Schiphol twee maanden in detentie heeft verbleven de op foto’s 1 en 2 afgebeelde [veroordeelde] is.

10. Met de gegevens genoemd onder randnummer 8 en 9 van deze vordering was het hof niet bekend, terwijl het ernstige vermoeden ontstaat dat het onderzoek van de zaak tegen [veroordeelde] bij bekendheid met dit gegeven zou zijn geëindigd in vrijspraak ter zake van alle tenlastegelegde feiten begaan op 13 juni 2009 te Amsterdam. Hoewel tijdens de terechtzittingen bij de rechtbank en het gerechtshof al aan de orde is geweest dat de verdachte onder de verkeerde naam is gedagvaard, is pas met deze stukken, die beschikbaar kwamen na de onherroepelijke veroordeling, aan het licht gekomen dat er daadwerkelijk een persoon met deze identiteit bestaat. Bovendien volgt uit de brief van de moeder van veroordeelde dat het paspoort was zoekgeraakt en dat het dus heel wel mogelijk is dat het paspoort in verkeerde handen is gekomen.

11. Het OM heeft zorggedragen voor het informeren van de veroordeelde [veroordeelde] over deze gang van zaken, met inbegrip van het voorstel om herziening aan te vragen. Bij schriftelijke verklaring van 7 mei 2019 heeft [veroordeelde] laten weten dat hij deze vordering tot herziening ondersteunt.

12. Hierbij vraag ik op de hierboven aangevoerde gronden de herziening aan van de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 november 2013, onder parketnummer 21/004771-11 gewezen ten laste van [veroordeelde] , geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] . Tevens geef ik Uw Raad in overweging om – bij wijze van hoge uitzondering in herzieningszaken5 – het bestreden arrest te vernietigen en [veroordeelde] terstond vrij te spreken.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Proces-verbaal terechtzitting rechtbank Amsterdam. De rechter meldt dat de rechtbank die stukken (de pv’s van de aanhouding in een ander zaak, te weten van oktober 2009) niet heeft, de officier van justitie en de raadsman beschikken wel over de stukken.

2 Proces-verbaal terechtzitting gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, p. 1-2.

3 Het arrest van het gerechtshof hanteert niet de ‘aliasvorm’ zoals de rechtbank dat heeft gedaan.

4 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 april 2019, opgemaakt door mr. W.J. Nijkerk. Overigens heeft [veroordeelde] teneinde een langere detentie te voorkomen, blijkens een schrijven van zijn moeder, de vordering tot schadevergoeding aan de benadeelde partij voldaan.

5 Ingeval de Hoge Raad het novum gegrond acht, opent artikel 472, tweede lid, Sv niet met zoveel woorden de mogelijkheid dat de Hoge Raad een verwijzing van de zaak achterwege laat en de zaak ten principale zelf afdoet. Niettemin heeft de Hoge Raad de strafzaak om redenen van doelmatigheid zelf afgedaan in die gevallen waarin de uitkomst van het geding in herziening op voorhand vaststond. Zie bijv. HR 3 maart 1987, ECLI:NL:HR:1987:AB8325, NJ 1987/865 m.nt. Corstens; HR 24 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0782; HR 1 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2432, en HR 11 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2296.