Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:141

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
19-02-2019
Datum publicatie
26-02-2019
Zaaknummer
17/03248
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:429
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Poging tot doodslag door opzettelijk met een stanleymes in de hals, borst en arm van aangever te snijden. Klachten t.a.v. verwerping verweer dat bij de verdachte geen sprake was van voorwaardelijk opzet op de dood van de aangever en de verwerping van het beroep op noodweer(exces).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/03248

Zitting: 19 februari 2019

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 22 juni 2017 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens “poging tot doodslag” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. R.J. Baumgardt en mr. P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. De bewijsconstructie is als volgt.

4. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

“hij op 28 december 2013 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [betrokkene 1] van het leven te beroven, met dat opzet met een stanleymes, voornoemde [betrokkene 1] in de hals en in de borst en in de arm heeft gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”

5. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 december 2013 (pg. 36-37), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]:

Op zaterdag 28 december 2013, omstreeks 02:50 uur kwamen wij ter plaatse op de [a-straat] in Eindhoven. Wij zagen dat er ter hoogte van [a-straat 1] een jongeman met ontbloot bovenlijf stond. Wij zagen dat deze jongeman een donkere huidskleur had. Wij zagen dat de jongeman helemaal onder het bloed zat. Wij zagen dat de jongeman een snijwond had van circa 35 centimeter die over zijn hals naar zijn borst liep. Wij zagen dat hij aan beide onderarmen een openstaande steekwond had. Wij hoorden dat de jongeman zei dat hij [betrokkene 1] (het hof begrijpt: aangever [betrokkene 1]) heette.


2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 december 2013 (pg. 38-39), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4]:


Op 28 december 2013 omstreeks 03.00 uur waren wij belast met de noodhulp in Eindhoven. Wij kregen van de meldkamer de opdracht te gaan naar de Jan van der Heijdestraat te Eindhoven. Aldaar was een andere surveillance-eenheid ter plaatse bij een steekincident. Wij zagen dat de ambulance ook ter plaatse was.
Ter plaatse ben ik, verbalisant [verbalisant 3], bij de ambulance gebleven. Ik zag dat de deur van de ambulance op een kier stond. Ik zag dat [betrokkene 1] op de brancard lag. Ik zag dat hij geheel onder het bloed zat. Ik zag dat hij op zijn rechterarm een wond had. Ik zag dat hij op zijn linkerarm een wond had. Ik zag dat zijn bovenlichaam ontbloot was. Ik zag dat hij een snijwond ter hoogte van zijn schouder en hals had.
Ik, [verbalisant 3], ben met de ambulance meegereden naar het Catharinaziekenhuis te Eindhoven. Aldaar is [betrokkene 1] geholpen aan zijn verwondingen. In het ziekenhuis zag ik dat hij op zijn rechterarm een snijwond had van ongeveer 2 á 3 centimeter. Deze wond zat aan de binnenkant van zijn rechter onderarm. Ik zag dat hij op zijn linkerarm een snijwond had van ongeveer 10 á 15 centimeter. Deze wond zat aan de buitenkant van zijn linker onderarm. Ik zag dat hij een snijwond had aan zijn schouder en hals. Ik zag dat de snijwond liep vanaf zijn linkerborst, over de borst en via de hals naar de rechterschouder.


3. Het proces-verbaal aangifte d.d. 29 december 2013 (pg. 62-63), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [betrokkene 1]:


Ik doe aangifte van poging moord/doodslag.
Op 27 december 2013, omstreeks 21.00 uur, bevond ik mij in de woning van een vriend, gelegen aan de [a-straat 2] te Eindoven. Ik kan me herinneren dat we nog op stap wilden gaan, dat moet na middernacht zijn geweest.
Ik kan me nog vaag herinneren dat ik wakker werd in het ziekenhuis. Ik heb een grote steekwond en diverse hechtingen.


4. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 28 december 2013 te 12.50 uur (pg. 65-69), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:


Ik woon aan de [a-straat 3] te Eindhoven.
Ik kwam gisteren (het hof begrijpt: 28 december 2013) terug van de kroeg. Ik zag toen een donkere jongen bij mijn overbuurman, van [a-straat 4], staan. Die stond daar ruzie te maken. Ik vroeg of alles goed was. Toen kwam die jongen naar mij toe en hij begon te schelden en te slaan. Ik ben toen naar binnen gegaan, mijn huis in.
Ik maakte de deur van mijn huis dicht. Vervolgens begon die jongen tegen mijn deur te schoppen en te slaan.
Toen heb ik een mes gepakt en heb ik de deur weer open gemaakt. Ik ben in de deuropening blijven staan. Toen kwam hij weer op me af en sloeg mij. Ik heb toen afgeweerd. Toen ik de deur dicht maakte en weer naar binnen liep, zag ik dat ik onder het bloed zat.
V : Heb jij die jongen gestoken?
A: Ik heb afgeweerd.
V: Hoe heb je dat precies gedaan dan?
A: Elke keer als hij sloeg, sloeg ik terug.
V: Met wat voor mes heb jij je afgeweerd?
A: Met een stanleymes.
V: Wanneer heb je dat mes precies gepakt?
A: Ik ging naar binnen, toen kwam hij richting mij. Toen heb ik hem de eerste keer weggeduwd. Toen maakte ik de deur dicht. Toen begon hij op de deur te slaan. Daarna heb ik dat mes gepakt.

5. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 28 december 2013 (pg. 53-54), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [betrokkene 2]:


Ik ben woonachtig aan de [a-straat 5] te Eindhoven. Op 28 december 2013 zag ik dat er een Somalische jongeman aan de deur stond bij mijn overbuurman van [a-straat 3] (het hof begrijpt: bij verdachte). Ik zag dat er wat handgebaren heen en weer werden gemaakt. Dit ging gepaard met woordenwisselingen. Ik zag dat de Somalische jongen verschillende klappen gaf in het gelaat van mijn overbuurman. Mijn overbuurman, die stond in de deuropening van zijn woning, wendde zich af van de klappen die er werden gegeven.
De Somalische jongen had een ontbloot bovenlichaam. Ik zag dat mijn overbuurman een slaande beweging maakte naar de Somalische jongen. Ik zag dat de Somalische jongen zich vervolgens omdraaide. Over zijn lichaam zag ik toen allemaal bloed stromen.

6. Het aanvraagformulier medische informatie van [betrokkene 3], huisarts, opgemaakt d.d. 19 juni 2014 (ongenummerd), voor zover van belang inhoudende:

Medische informatie betreffende: [betrokkene 1] Datum voorval: 28 december 2013
Uitwendig waargenomen letsel: Steek-/snijwond arm beiderzijds en over borst tot bijna in oksel.

7. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 23 januari 2014 (pg. 73-74), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [betrokkene 4]:

Op 28 december 2013 omstreeks 02.15 uur was ik in mijn woning aan de [a-straat 6] in Eindhoven. Mijn dochter zei tegen mij dat een man bij onze auto stond te schreeuwen en een prullenbak had omgegooid. In de buurt van onze auto zag ik een donkere man staan. Hij stond voor de deur van [a-straat 3]. Ik zag dat de voordeur geopend was en dat de bewoner in de deuropening stond. Ik hoorde dat de mannen naar elkaar aan het schreeuwen waren. De donkere man was dronken.

8. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 2 januari 2014 (pg. 70-71), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [betrokkene 5]:
Ik woon aan de [a-straat 4] in Eindhoven. In de nacht van vrijdag op zaterdag 28 december 2013 was ik thuis. Ik zag dat mijn overbuurman van pand [a-straat 3] en een Somalische jongen tegen elkaar aan het schreeuwen waren. Ik hoorde [verdachte] (hof begrijpt: verdachte) tegen de jongen zeggen dat hij weg moest gaan. Hij ging niet weg.

9. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 28 december 2013 (pg. 55-56), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [betrokkene 6]:
Ik woon aan de [a-straat 7] in Eindhoven. Op zaterdag 28 december 2013 werd ik wakker van gebonk buiten op straat. Ik zag een man met zijn vuist tegen mijn auto slaan. Ik zag dat hij zijn shirt uittrok. Ik hoorde dat de man aan het schreeuwen was.”

6. Daarnaast heeft het hof, in reactie op een verweer van de verdediging, ten aanzien van het bewijs het volgende overwogen:

“De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.


De raadsvrouwe heeft op gronden zoals vermeld in haar pleitaantekeningen vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit, nu onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. Daartoe heeft zij aangevoerd dat (a.) feitelijk onvoldoende vast staat dat het een handeling van cliënt is geweest waardoor het letsel bij het slachtoffer is ontstaan en (b.), voor zover het letsel wel zou zijn ontstaan door een zwaaiende hand van verdachte, dit een reactie was van verdachte op de aanval van het slachtoffer en aldus geen sprake was van opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, op het toebrengen van letsel en de dood van het slachtoffer.


Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier de dood - aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedragingen bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.


Uitgaande van de lezing van de verdachte in onderling verband en onderlinge samenhang beschouwd met de verklaring van de getuige [betrokkene 2], alsmede met het letsel dat bij de aangever is vastgesteld, staat naar het oordeel van het hof vast dat de verdachte met een stanleymes in zijn hand meermalen een afwerende dan wel slaande beweging heeft gemaakt in de richting van het ontblote bovenlichaam van aangever [betrokkene 1], die tegenover verdachte in de deuropening stond, waarbij aangever is geraakt.


Als gevolg van deze gedraging van verdachte heeft aangever letsel opgelopen, te weten een snij wond van ongeveer 35 cm die liep vanaf zijn linkerborst, over de borst en via de hals naar de rechterschouder. Voorts heeft aangever een snijwond van 2 à 3 cm opgelopen aan zijn rechteronderarm en een snijwond van ongeveer 10 à 15 cm aan zijn linkeronderarm.


Ad a. Naar het oordeel van het hof vindt het door de verdediging opgeworpen scenario, inhoudende dat aangever [betrokkene 1] het letsel heeft opgelopen door het klimmen over (of vallen van) een hek met punten, weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen, in het bijzonder de verklaring van voornoemde getuige [betrokkene 2] (dossierpagina 53). Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de verwondingen van het slachtoffer zijn ontstaan door voormelde gedragingen van verdachte.


Ad b. Het hof is van oordeel dat de hiervoor omschreven gedragingen - het op korte afstand met een stanleymes snijden in het ontblote bovenlichaam (hals- en borststreek) van het slachtoffer - naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer oplevert. Bij de vaststelling van deze aanmerkelijke kans heeft het hof in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte aangever met een slaande dan wel afwerende beweging, oftewel met enige kracht, met het mes heeft geraakt. Voorts overweegt het hof dat het een feit van algemene bekendheid is dat zich in het bovenlichaam van een mens vitale organen en vitale (slag)aders bevinden en dat verwondingen aan dergelijke vitale delen levensbedreigend kunnen zijn en tot de dood kunnen leiden. De verdachte moet hiervan - evenals ieder ander weldenkend mens - op de hoogte zijn geweest.


De gedragingen van de verdachte kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op de dood van aangever dat het - behoudens contra- indicaties die in het onderhavige geval niet aannemelijk zijn geworden - niet anders kan zijn geweest dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op die gevolgen heeft aanvaard. Dat - zoals door de verdediging is aangevoerd - sprake zou zijn van een eenmalige reflex van de zijde van de verdachte, hetgeen een contra-indicatie voor de aanvaarding zou zijn, is reeds gelet op verdachtes eigen verklaring niet aannemelijk geworden. De conclusie van het hof is dan ook, dat de verdachte door zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aangever als gevolg van het snijden met het mes zou komen te overlijden. Het opzet van de verdachte is derhalve in voorwaardelijke zin gericht geweest op het van het leven beroven van de aangever.


Hetgeen de raadsvrouwe in dit kader voorts heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.


Gelet op de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden en de daaraan ten grondslag gelegde bewijsmiddelen is het hof met de rechtbank en de advocaat-generaal van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag.”

7. Het eerste middel behelst de klacht dat het oordeel van het hof dat sprake was van voorwaardelijk opzet op de dood van aangever [betrokkene 1], in het licht van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd, ontoereikend is gemotiveerd.

8. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 juni 2017 blijkt dat de raadsvrouw het woord heeft gevoerd overeenkomstig de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitaantekeningen. Deze pleitaantekeningen houden, voor zover voor de bespreking van het middel van belang, het volgende in:

“1. Cliënt heeft gehandeld uit noodweer c.q. noodweerexces jegens een dronken, agressieve, verwarde man die midden in de nacht cliënt bij zijn eigen woning heeft aangevallen.
2. Cliënt heeft zich verweerd, en dat mocht hij.
3. Van opzet - al dan niet in voorwaardelijke zin - is geen sprake. Primair zal dan ook worden bepleit dat cliënt behoort te worden vrijgesproken.
(…)

Opzet
15. Het is niet vast te stellen dat door het stanleymesje letsel bij [betrokkene 1] is veroorzaakt. [betrokkene 1] is immers ook in een hek geklommen met punten. Het letsel past hier ook bij. Niet kan worden uitgesloten dat het letsel hier is ontstaan.
16. Indien wel als uitgangspunt zou worden genomen dat het letsel is ontstaan door het stanleymesje, dan kan daaruit niet volgen dat sprake is van opzettelijk handelen.
17. Uit de verklaringen blijkt wel van een reactie van cliënt. Hij handelt in een reflex, het is geen doelbewuste, weloverwogen, doordachte handeling.
18. De reactie van cliënt kan niet als opzettelijk handelen worden betiteld, niet op enige vorm van toebrengen van letsel, en zeker niet op levensberoving.
19. Ook voorwaardelijk opzet is niet aan de orde. Er is nimmer willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de dood zou intreden of enig letsel zou ontstaan. Het ter hand nemen van een stanleymesje impliceert niet het aanvaarden van een aanmerkelijke kans.
20. Zelfs als het letsel door het mesje zou zijn ontstaan, dan is het onduidelijk in welke hand cliënt het stanleymes vasthield op het moment dat het [betrokkene 1] richting cliënt kwam en of het in de hand zat waarmee cliënt heeft gezwaaid. Ook is onbekend of het mesje was uitgeschoven, en voor zover daarvan sprake was, hoe ver dit is geweest. Uit het oppervlakkige letsel kan niet worden afgeleid dat dit ver was, integendeel.
21. Er is feitelijk onvoldoende om vast te stellen dat het een handeling is geweest van cliënt waardoor het letsel is ontstaan. Voor zover het wel zou zijn ontstaan door de zwaaiende hand van cliënt, volgt daaruit geen opzet. Een aanmerkelijke kans op het ontstaan van letsel zou er kunnen zijn, maar die is dan zeker niet aanvaard. Een reflex is een contra-indicatie voor aanvaarding.
22. Geen opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, aldus: vrijspraak ten aanzien van (al) hetgeen is tenlastegelegd.”

9. De stellers van het middel betogen in de toelichting daarop – kort gezegd – het volgende. De afwerende dan wel slaande beweging die de verdachte heeft gemaakt, in de situatie waarin hij door de aangever werd aangevallen, kan niet worden beschouwd als een gedraging die naar haar uiterlijke verschijningsvorm zozeer is gericht op de dood van de aangever dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op de dood heeft aanvaard. Dat geldt temeer in de situatie waarin de verdachte niet zelf de aanval heeft gezocht, maar heeft geprobeerd zich tegen de agressieve handelingen van de aangever te verweren, terwijl één en ander zich in een zeer kort tijdsbestek heeft afgespeeld, aldus de stellers van het middel.

10. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich bewust heeft blootgesteld aan zodanige kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Uit de enkele omstandigheid dat die wetenschap bij de verdachte aanwezig is dan wel bij hem moet worden verondersteld, kan niet zonder meer volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat in geval van die wetenschap ook sprake kan zijn van bewuste schuld. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.1

11. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte met een stanleymes in zijn hand meermalen een afwerende dan wel slaande beweging heeft gemaakt in de richting van het ontblote bovenlichaam van de aangever, waarbij de verdachte de aangever in de hals, in de borst en in de beide onderarmen heeft gesneden. Nu tegen deze feitelijke vaststellingen geen klacht is gericht, moet daarvan in cassatie worden uitgegaan. Hetzelfde geldt voor het oordeel van het hof dat het op korte afstand met een stanleymes snijden in het ontblote bovenlichaam (hals- en borststreek) van het slachtoffer, waar zich vitale organen en (slag)aders bevinden, naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer oplevert. Ten slotte wordt niet geklaagd over het oordeel dat de verdachte van die kans op de hoogte moet zijn geweest. Wel staat de aanvaarding van die aanmerkelijke kans ter discussie.

12. Het hof heeft het verweer van de verdediging dat de verdachte heeft gehandeld in een (eenmalige) reflex en dat geen sprake was van een doelbewuste en weloverwogen, doordachte handeling niet aannemelijk geacht op grond van de eigen verklaring van de verdachte (zie hiervoor onder 6 van deze conclusie). Die verklaring houdt in dat hij elke keer wanneer de aangever sloeg, terug sloeg, zich afweerde met een stanleymes (bewijsmiddel 4). Ook de getuige [betrokkene 2] verklaart dat de verdachte naar de aangever “een slaande beweging” maakte, waarna hij “allemaal bloed” zag stromen over het lichaam van de aangever (bewijsmiddel 5). Bij de aangever zijn daarnaast steek- en snijwonden aan beide armen geconstateerd en een snijwond van ongeveer 35 centimeter die liep vanaf zijn linkerborst, over de borst en via de hals naar de rechterschouder (bewijsmiddelen 1, 2 en 6). In het licht van de aard van de gedragingen, te weten slaande bewegingen met een stanleymes en het snijden met een stanleymes in de hals- en borststreek van een aangever met ontbloot bovenlichaam, heeft het hof zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op de dood van aangever dat het – behoudens contra-indicaties die in het onderhavige geval niet aannemelijk zijn geworden – niet anders kan zijn geweest dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op die gevolgen heeft aanvaard.

13. In het licht van hetgeen de raadsvrouw ter onderbouwing van het in het middel bedoelde verweer heeft aangevoerd, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering. De bewezenverklaring is naar de eis van de wet voldoende met redenen omkleed.

14. Voor zover door de stellers van het middel nog wordt aangevoerd dat het hof onbegrijpelijk heeft vastgesteld dat uit het letsel van de aangever volgt dat de verdachte de aangever met ‘enige kracht’ heeft geraakt, terwijl er enkel sprake is van vrij oppervlakkige snijwonden, berust het middel op een onjuiste lezing van de bestreden uitspraak. Het hof heeft de vaststelling dat de aangever met enige kracht is geraakt niet afgeleid uit het letsel van de aangever. Het hof heeft immers overwogen dat de verdachte de aangever met een slaande dan wel afwerende beweging, ofwel met enige kracht, met het mes heeft geraakt, terwijl de opmerking dat sprake is van vrij oppervlakkige snijwonden niet kan worden gegrond op vaststellingen die het hof heeft gedaan.

15. Het middel faalt.

16. Het tweede middel behelst de klacht dat het hof het beroep op noodweer(exces) heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen.

17. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt dat namens de verdachte een beroep is gedaan op noodweer en noodweerexces. Dat verweer is door het hof in het verkort arrest als volgt samengevat en gemotiveerd verworpen:

“Van de zijde van de verdediging is voorts bepleit dat de verdachte met betrekking tot het bewezen verklaarde van alle rechtsvervolging moet worden ontslagen. Daartoe is aangevoerd dat verdachte zich heeft moeten verdedigen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zijn lijf zodat hem een beroep op noodweer toekomt. De raadsvrouwe heeft daartoe aangevoerd dat de gehele aanloop, waarbij het slachtoffer zich dreigend en agressief bij de woning van verdachte heeft opgehouden, en in het bijzonder het moment dat aangever verdachte in de deuropening heeft aangevallen, heeft te gelden als een noodweersituatie, waartegen de verdachte zich in alle redelijkheid mocht verdedigen. Het handelen van verdachte was noodzakelijk en kan in de visie van de raadsvrouwe daarnaast als proportioneel worden beschouwd.


Het hof overweegt hieromtrent als volgt.


Het hof stelt voorop dat een beroep op noodweer in de zin van artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht kan worden gehonoreerd indien aannemelijk is geworden dat het handelen van de verdachte was geboden door de noodzakelijke verdediging van verdachtes of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding.


Ter beoordeling van het beroep op noodweer stelt het hof, op basis van het dossier en mede uitgaande van de verklaring van verdachte, het volgende vast.


Op 28 december 2013 omstreeks 02:15 uur was aangever [betrokkene 1] stennis aan het schoppen in de [a-straat], terwijl hij in beschonken toestand was. Aldaar schreeuwde hij, sloeg hij tegen geparkeerde auto’s en had hij een woordenwisseling met een van de buurtbewoners. Op enig moment is verdachte, wonende aan de [a-straat 3], thuisgekomen en zag dat aangever ruzie aan het maken was met zijn overbuurman op [a-straat 4]. Na de vraag van verdachte aan zijn overbuurman of alles goed was, heeft aangever zich naar de woning van verdachte begeven en is een woordenwisseling tussen beiden ontstaan. De verdachte heeft aangever gezegd dat hij weg moest gaan en heeft hem een duw gegeven. Hierop is verdachte zijn woning ingegaan en heeft de voordeur dichtgedaan. Aangever is vervolgens tegen de voordeur van verdachte gaan schoppen en slaan. De verdachte heeft hierna in zijn woning een stanleymes gepakt en heeft zijn voordeur weer opengemaakt. Op dat moment is aangever op verdachte afgekomen en heeft hem geslagen. De verdachte heeft vervolgens met het stanleymes in zijn hand afwerende- dan wel slaande bewegingen gemaakt: “Elke keer als hij sloeg, sloeg ik terug”, aldus verdachte (dossier p. 68).


Op grond van voorgaande omstandigheden acht het hof aannemelijk dat er sprake is geweest van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf door [betrokkene 1], bestaande uit het slaan van de verdachte door [betrokkene 1] terwijl hij, verdachte, in de deuropening van zijn woning stond.
Naar het oordeel van het hof ontstond op dat moment (en niet eerder) een noodweersituatie waartegen verdediging door verdachte gerechtvaardigd (“noodzakelijk”) was.

De verdachte heeft zich verdedigd door met een stanleymes, dat hij reeds in zijn hand had, meermalen een afwerende dan wel slaande beweging te maken in de richting van het bovenlijf van [betrokkene 1]. Ter beantwoording ligt de vraag voor of dit handelen van verdachte, deze wijze van verdedigen, geboden was door de noodzakelijke verdediging tegen de aanranding van [betrokkene 1].

Naar het oordeel van het hof is zulks niet het geval. Uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden is genoegzaam komen vast te staan dat de verdachte zich direct na het slaan met de blote handen door [betrokkene 1] heeft afgeweerd met een stanleymes in zijn hand en daarbij [betrokkene 1] in de hals- en borststreek heeft geraakt, als gevolg waarvan [betrokkene 1] letsel heeft opgelopen. Het hof acht deze gedraging van de verdachte een buitenproportionele reactie die niet in redelijke verhouding stond tot de ernst van de wederrechtelijke aanranding en acht hiermee de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschreden. Uit het onderzoek ter terechtzitting is immers niet aannemelijk geworden dat hem in de gegeven omstandigheden niet de mogelijkheid openstond om zich bijvoorbeeld met zijn blote handen tegen de aangever.

Het beroep op noodweer ten aanzien van het bewezen verklaarde slaagt derhalve niet.

Met betrekking tot het subsidiair aangevoerde beroep op noodweerexces, overweegt het hof als volgt.

Van noodweerexces, oftewel van een verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging, kan slechts sprake zijn indien:
a. de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin, en op een tijdstip waarop, voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden is, dan wel indien;
b. op het tijdstip van de aan de verdachte verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar is beëindigd en derhalve de noodzaak tot verdediging niet meer bestaat, doch niettemin deze gedraging toch het onmiddellijk gevolg is van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.

Verder volgt uit het vereiste dat de gedraging het onmiddellijk gevolg moet zijn van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door een wederrechtelijke aanranding, dat aannemelijk moet zijn dat de aldus veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de gedraging, maar niet dat geheel uitgesloten is dat andere factoren mede hebben bijgedragen aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging. Bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval van een “dergelijk onmiddellijk gevolg” sprake is geweest, kan gewicht toekomen aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden alsmede aan de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging.

In deze is naar het oordeel van het hof echter niet aannemelijk geworden dat het uitgeoefende geweld door verdachte een onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging en dat deze zou zijn veroorzaakt door - kort gezegd - het slaan door aangever.

De verdachte heeft uitvoerig verklaard over zijn beweegredenen om het stanleymes in zijn woning te pakken en de deur te openen, te weten omdat aangever tegen zijn voordeur sloeg en schopte, verdachte niet wist hoeveel mannen er voor zijn deur stonden en voorts ter bescherming van zijn zoon die lag te slapen. Deze omstandigheden zien echter, naar het oordeel van het hof, niet op de vraag of zijn reactie op de nadien volgende aanranding door aangever in doorslaggevende mate is ingegeven door een hevige gemoedsbeweging die -mede- werd veroorzaakt door deze aanranding.

Het beroep op noodweerexces wordt dan ook verworpen.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.”

18. Niet ter discussie staat dat sprake is geweest van een noodweersituatie. Het hof heeft geoordeeld dat de noodweersituatie niet eerder ontstond dan toen de aangever de verdachte sloeg, terwijl de verdachte in de deuropening van zijn woning stond. Voor het geval het hof daarmee tot uitdrukking zou hebben willen brengen dat in een eerder stadium geen sprake was van een noodweersituatie, zou het oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk zijn. Ik wijs er in dit verband op dat het hof de verklaring van de verdachte tot het bewijs heeft gebezigd, voor zover deze inhoudt dat de aangever, voordat hij de deur van zijn huis dichtdeed, naar de verdachte toe kwam en begon te schelden en te slaan. Ook heeft het hof vastgesteld dat de aangever tegen de deur van de woning van de verdachte heeft geschopt en geslagen.2 Ik meen evenwel dat de overwegingen van het hof aldus kunnen worden gelezen, dat de wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zich na het openen van de deur te verdedigen had, was gelegen in het slaan van de verdachte door de aangever nadat de verdachte de deur had geopend en dat een eventuele eerdere noodweersituatie op dat moment al was beëindigd. Aldus bezien, getuigt het oordeel van het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk.

19. De stellers van het middel richten hun pijlen op de overweging van het hof dat het handelen van de verdachte – kort gezegd – niet geboden was door de noodzakelijke verdediging en dat uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden dat voor de verdachte in de gegeven omstandigheden niet de mogelijkheid openstond om zich bijvoorbeeld met zijn blote handen tegen de aangever te verweren. Betoogd wordt dat het hof, tegen de achtergrond van het arrest van de Hoge Raad van 5 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2950, NJ 2013, 165, met die laatste overweging te hoge eisen stelt aan een beroep op noodweer. Ten aanzien van de verwerping van het beroep op noodweerexces wordt aangevoerd dat die verwerping onbegrijpelijk is in het licht van hetgeen door en namens de verdachte is gesteld, te weten dat hij door de handelingen van de aangever is geschrokken en ten tijde van het slaan door de aangever uit angst heeft gehandeld.

20. In het voor noodweer geldende vereiste dat de gedraging is "geboden door de noodzakelijke verdediging" worden de vereisten van subsidiariteit en proportionaliteit tot uitdrukking gebracht. Het subsidiariteitsvereiste heeft betrekking op de vraag of verdediging tegen de aanranding noodzakelijk was, het proportionaliteitsvereiste op de vraag of de gekozen wijze van verdediging tegen de aanranding geboden was. Deze vragen zijn niet altijd scherp van elkaar te onderscheiden.3 Voor zover voor de onderhavige zaak van belang, strekt de proportionaliteitseis ertoe om niet ook dan een gedraging straffeloos te doen zijn indien zij – als verdedigingsmiddel – niet in verhouding staat tot de ernst van de aanranding.4 Maatgevend is in dat verband of de gedraging als verdedigingsmiddel niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. Bij de beoordeling van de proportionaliteit staat de keuze van het middel en de wijze waarop dit wordt gebruikt ter verdediging centraal.5

21. Ingeval de grenzen van de noodzakelijke verdediging worden overschreden, waardoor er niet (meer) aan de proportionaliteitseis voor het aannemen van noodweer is voldaan, komt het in art. 41, tweede lid, Sr vervatte noodweerexces in beeld. Hiervoor geldt in alle gevallen dat van verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging slechts sprake kan zijn indien:
“a. de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden was, dan wel indien;
b. op het tijdstip van de hem verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar was beëindigd en de noodzaak tot verdediging er dus wel was geweest (maar niet meer bestond), doch zijn gedraging niettemin het onmiddellijk gevolg was van een hevige gemoedsbeweging die was veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.”6
Bij de beantwoording van de vraag of de gedraging het “onmiddellijk gevolg” was van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door de wederrechtelijke aanranding, is maatgevend of de door de aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de gedraging.7 Daarbij kan betekenis toekomen aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden en aan de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging.8

22. Tot slot geldt als uitgangspunt dat de selectie en waardering van feiten is voorbehouden aan de feitenrechter. In cassatie moet dan ook worden uitgegaan van de feitelijke vaststellingen die het hof bij het verwerpen van de namens de verdachte gevoerde verweren tot uitgangspunt heeft genomen.9

23. De voorliggende zaak verschilt van de door de stellers van het middel genoemde zaak die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 5 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2950, NJ 2013, 165. Het hof heeft immers overwogen dat de verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden omdat de gedraging van de verdachte niet in redelijke verhouding stond tot de ernst van de wederrechtelijke aanranding. Daarmee heeft het hof de juiste maatstaf toegepast bij de beoordeling van de proportionaliteit van het handelen van de verdachte. Dat oordeel van het hof is niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat het hof heeft vastgesteld dat de aangever de verdachte met zijn blote handen heeft geslagen en dat de verdachte de aangever, die met ontbloot bovenlijf op korte afstand van de verdachte stond, heeft geslagen terwijl hij een stanleymes in zijn hand had, waarbij de aangever in de hals- en borststreek is geraakt en hij letsel heeft opgelopen, onder meer bestaande uit een snijwond van ongeveer 35 centimeter die over de hals naar de borst van de aangever liep. In zijn standaardarrest over noodweer(exces) van 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456 verwijst de Hoge Raad als uitwerking van de proportionaliteitseis (in een voetnoot) naar HR 8 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5982, NJ 2008/33. Daarbij overweegt de Hoge Raad dat in beginsel het met kracht toebrengen van een diepe, potentieel dodelijke steekwond niet in verhouding staat met een aanval die bestaat uit het slaan met de blote handen dan wel een vuist.10 In de bedoelde zaak liep een ruzie tijdens een feest uit op een vechtpartij. Het hof had vastgesteld dat de verdachte daarbij meermalen door een persoon in het gezicht in zijn gezicht is geslagen dan wel gestompt. Daarop had de verdachte bij het slachtoffer een diepe steekwond in de rug toegebracht. Het hof verwierp het beroep op noodweer omdat het van oordeel was dat het door de verdachte gekozen verdedigingsmiddel en de wijze waarop hij dat heeft aangewend, disproportioneel was. Ook overwoog het hof: “Niet aannemelijk is geworden dat verdachte niet minder vergaande middelen ter beschikking stonden dan gebruikmaking van het mes. Zo had verdachte bijvoorbeeld het mes uit zijn handen kunnen laten vallen en zich aldus met de blote hand tegen de aanval kunnen verdedigen”.

24. Aan de laatste overweging van het hof in de zaak HR 8 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5982 doet ook de overweging van het hof in de voorliggende zaak denken. Aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof doet die overweging niet af.11 Het hof heeft in de onderhavige zaak, anders dan in de genoemde zaak, niet vastgesteld dat sprake is geweest van het toebrengen van een “diepe steekwond”. Niettemin meen ik dat het hof heeft kunnen oordelen dat het op korte afstand maken van slaande bewegingen met het gebruik van een stanleymes tegen de onbedekte hals- en borststreek van de aangever niet in een redelijke verhouding staat tot de ernst van de wederrechtelijke aanranding,12 ook als daarbij wordt betrokken dat de aangever de verdachte in de deuropening van zijn eigen woning in de nachtelijke uren sloeg.13 Het voorafgaande brengt mee dat het hof het beroep op noodweer toereikend gemotiveerd heeft verworpen. Daarbij heeft het hof voorts voldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang. In zoverre faalt het middel.

25. De stellers van het middel klagen ook over de motivering van de verwerping van het beroep op noodweerexces. Daarover merk ik het volgende op.

26. Het hof heeft op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden geoordeeld dat sprake was van een noodweersituatie op het moment dat de verdachte in de deuropening van zijn woning stond en de aangever op hem afkwam en hem sloeg. Daarmee heeft het hof, anders dan door de verdediging ter terechtzitting betoogd, tot uitdrukking gebracht dat een eventuele eerdere noodweersituatie op dat moment was beëindigd.14 Aldus bezien, is (ook) niet onbegrijpelijk het oordeel van het hof dat de door de verdachte aangevoerde omstandigheden geen betrekking hebben op de vraag of zijn reactie op de nadien volgende aanranding door aangever in doorslaggevende mate is ingegeven door een hevige gemoedsbeweging die – mede- werd veroorzaakt door deze aanranding.

27. De vraag is evenwel of daarmee de agressie van de aangever jegens het lijf en het goed van de verdachte niet te zeer wordt gecompartimenteerd en of het hof niet de mogelijkheid in zijn afwegingen had moeten betrekken dat de hevige gemoedsbeweging het gevolg is geweest van een reeds beëindigde noodweersituatie (extensief noodweerexces). Ook als die vraag bevestigend zou worden beantwoord, meen ik evenwel dat de klacht geen doel treft. De verwerping van het beroep op noodweerexces steunt immers (mede) op een andere pijler. Het hof heeft ook overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat het uitgeoefende geweld door de verdachte een onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk. In het licht van het namens de verdachte aangevoerde, behoefde het oordeel geen nadere motivering. Daarbij neem ik in aanmerking dat de raadsvrouw van de verdachte in dit verband slechts heeft aangevoerd dat “evident” is dat de verdachte heeft gehandeld vanuit een hevige gemoedsbeweging. Daartoe verwijst zij naar de verklaring van de verdachte, voor zover deze inhoudt dat hij “uit schrik” heeft gehandeld, zich belaagd voelde en het mes heeft gepakt omdat hij zich bedreigd voelde.

28. Nu de grond dat niet aannemelijk is geworden dat het uitgeoefende geweld door de verdachte een onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging de verwerping van het verweer zelfstandig draagt, kan de klacht reeds om die reden niet slagen. Daarbij neem ik nog in aanmerking dat het hierbij gaat om een – niet onbegrijpelijk - oordeel dat, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet verder kan worden getoetst.15

29. Het middel faalt.

30. De beide middelen falen. In elk geval het eerste middel kan worden afgedaan met de aan artikel 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

31. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

32. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718, HR 30 januari 2018, ECU:NL:HR:2018:117, rov. 3.2, HR 30 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:973, rov. 3.4, HR 24 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:60, rov. 2.3, HR 17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:862, rov. 3.2.2, HR 30 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5396, NJ 2013/111 m.nt. Keijzer, rov. 2.3, HR 13 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7123, NJ 2012/12, rov. 3.4, HR 18 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4871, rov. 3.5, HR 22 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3888, NJ 2006/123, rov. 3.3, HR 18 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR1860, NJ 2005/154 m.nt. De Jong, rov. 3.3 en HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003/552 m.nt. Buruma, rov. 3.6.

2 Vgl. HR 13 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2094.

3 HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, NJ 2016, 316 met verwijzing naar HR 13 juni 1989, ECLI:NL:HR:1989:AC3119, NJ 1990, 193.

4 HR 8 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3895, NJ 2010, 391.

5 HR 8 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5982, NJ 2008, 233, zoals is herhaald in HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, NJ 2016, 316, rov. 3.5.3, naar welke overweging wordt verwezen in HR 27 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1162. Zie ook mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2018:123) vóór HR 3 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:496.

6 HR 18 september 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC8183, NJ 1990, 291 zoals herhaald in HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, NJ 2016, 316 en HR 18 mei 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC9359, NJ 1993, 691.

7 Vlg. HR 13 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW3569, NJ 2006, 343. Zie tevens HR 28 februari 2017 ECLI:NL:HR:2017:319.

8 HR 8 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4459, NJ 2008, 312.

9 Zie onder meer HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, NJ 2016, 316, rov. 5 en de conclusie (ECLI:NL:PHR:2017:542) van mijn ambtgenoot Knigge, in het bijzonder punt 4.3-4.4, vóór HR 27 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1162.

10 HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, NJ 2016, 316, rov. 3.5.3. Knigge heeft daarover nog opgemerkt dat de door de Hoge Raad gekozen bewoordingen (“in beginsel”) ruimte laten voor de omstandigheden van het geval. Zie zijn conclusie voorafgaand aan HR 30 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:973, NJ 2017/250, onder 5.7.

11 Vgl. in een spiegelbeeldige situatie de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge voorafgaand aan HR 30 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:973, NJ 2017/250, onder 5.7.

12 Vgl. voor een iets andere, als het ware spiegelbeeldige situatie HR 4 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2223.

13 Zie voor het belang van het in aanmerking nemen van de context: HR 27 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1162, NJ 2018/131, m.nt. Wolswijk. Hoewel het in de onderhavige zaak gaat om de huiselijke omgeving, vond de aanranding plaats vanaf de openbare ruimte jegens de verdachte die zich in de deuropening van zijn woning bevond. In die zin is een relevant onderscheid te onderkennen met de situaties waarin personen in de nachtelijke uren in hun woning worden overrompeld. Vgl. HR 27 mei 2008, NJ 2008/510, m.nt. Borgers en de conclusie van AG Vellinga, alsmede F.W. Bleichrodt en H. de Doelder, Inbrekersrisico, in: Ad hunc modem (liber amicorum A.J. Machielse), Deventer: Kluwer 2013, p. 13-21.

14 Vgl. HR 27 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1162, NJ 2018/131, m.nt. Wolswijk, HR 27 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3171, HR 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2867, HR 21 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN7732, HR 27 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC6794.

15 Zie onder meer HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, NJ 2016, 316, rov. 5 en de conclusie (ECLI:NL:PHR:2017:542) van mijn ambtgenoot Knigge, in het bijzonder punt 4.3-4.4, vóór HR 27 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1162.