Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:14

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-01-2019
Datum publicatie
19-02-2019
Zaaknummer
17/04209
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:151
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie plv. AG. OM-cassatie. Art. 6 WVW 1994. Het middel keert zich tegen ’s hofs oordeel dat niet is bewezen dat het ongeval heeft plaatsgevonden als gevolg van zeer althans aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend verkeersgedrag van de verdachte. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/04209

Zitting: 8 januari 2019 (bij vervroeging)

Mr. D.J.M.W. Paridaens

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij arrest van 17 februari 2017 de verdachte wegens het subsidiair bewezenverklaarde, opleverende: “overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994”, veroordeeld tot hechtenis voor de duur van vier weken. Tevens is aan de verdachte voor de duur van twee jaren de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen ontzegd.

  2. Het beroep in cassatie is ingesteld door het Openbaar Ministerie. Mr. H.H.J. Knol, advocaat-generaal bij het Ressortsparket, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel klaagt dat het hof (i) door de verdachte vrij te spreken van het primair tenlastegelegde het toepasselijke toetsingskader voor de vraag of sprake is van schuld in de zin van art. 6 WVW heeft miskend, waardoor het met verlating van de grondslag van de tenlastelegging, de verdachte heeft vrijgesproken van iets anders dan is tenlastegelegd en (ii) zijn oordeel dat hij het niet bewezen acht dat het ongeval heeft plaatsgevonden als gevolg van zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend verkeersgedrag van de verdachte niet zonder meer begrijpelijk, althans ontoereikend heeft gemotiveerd.

3.1. Aan de verdachte was primair tenlastegelegd dat:

“hij op of omstreeks 16 maart 2015, te Exloo, althans in de gemeente Borger-Odoorn, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (merk: VW, type Golf), daarmede rijdende over de weg de Oude Dijk, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, - terwijl hij, verdachte, tijdens het besturen van het motorrijtuig verkeerde onder invloed van het gebruik van verdovende middelen - met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig, in een (flauwe) bocht in genoemde weg, met hoge/verhoogde snelheid, in de voor verdachte rechterberm is gaan rijden en/of (vervolgens) is geslipt en/of de controle over het door verdachte bestuurde motorrijtuig heeft verloren, ten gevolge waarvan een botsing is ontstaan met een in de (voor verdachte) rechterberm staande boom, waardoor [betrokkene] , inzittende van het door verdachte bestuurder motorrijtuig werd gedood, terwijl hij, verdachte verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van genoemde wet”.

3.2. Het hof heeft de verdachte van het primair tenlastegelegde vrijgesproken en daartoe het volgende overwogen:

“Vrijspraak

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte schuld heeft aan het ongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, zodat verdachte van het primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt daartoe het volgende.

Op grond van de processtukken en het verhandelde ter zitting stelt het hof vast dat verdachte op 16 maart 2015 als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de Oude Dijk te Exloo, gemeente Borger-Odoorn, terwijl hij kort te voren amfetamine had gesnoven. Gekomen in een flauwe bocht in genoemde weg heeft verdachte de controle over het door hem bestuurde motorrijtuig verloren, waarna zijn voertuig in botsing is gekomen met een in de voor verdachte rechterberm staande boom. Als gevolg daarvan is [betrokkene] , die als passagier bij verdachte in de auto zat, om het leven gekomen.

Het hof acht niet bewezen, dat het ongeval heeft plaatsgevonden als gevolg van zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend verkeersgedrag van de verdachte, nu de oorzaak van het verlies van de controle over het voertuig niet is komen vast te staan en de omstandigheid, dat de rijvaardigheid waarschijnlijk negatief is beïnvloed door zijn amfetaminegebruik onvoldoende is om zelfstandig dat oordeel te dragen.”

3.3. Door de steller van het middel wordt aangevoerd dat het hof er geen blijk van heeft gegeven acht te hebben geslagen op het door de Hoge Raad gegeven toetsingskader, waarbij eerst gekeken moet worden naar het uiterlijk waarneembare rijgedrag van de verdachte met inbegrip van de omstandigheden zoals die zich objectief hebben voorgedaan. Deze beoordeling kan leiden tot het voorlopig oordeel dat er sprake is van schuld als bedoeld in art. 6 WVW 1994. Vervolgens komt de vraag aan de orde of er omstandigheden aannemelijk zijn geworden waaruit volgt dat van schuld (toch) niet kan worden gesproken. Deze (door Knigge in zijn annotatie bij HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822, NJ 2005/252 genoemde) “twee stappen-benadering” zou niet in het bestreden arrest zijn te ontdekken, waardoor de overwegingen van het hof in dat opzicht blijk zouden geven van een onjuiste rechtsopvatting. Tevens wordt aangevoerd dat het oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk is.

3.4. Ik stel het volgende voorop. In cassatie kan niet worden onderzocht of de feitenrechter die de verdachte op grond van zijn feitelijke waardering van het bewijsmateriaal heeft vrijgesproken, terecht tot dat oordeel is gekomen. In geval de rechter die over de feiten oordeelt het tenlastegelegde bewezen acht, is het aan die rechter voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Deze beslissing inzake die selectie en waardering, die – behoudens bijzondere gevallen – geen motivering behoeft, kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Hetzelfde heeft te gelden in het tegenovergestelde geval dat de rechter op grond van de aan hem voorbehouden selectie en waardering van het bewijsmateriaal tot de slotsom komt dat vrijspraak moet volgen. Hieruit volgt dat het oordeel betreffende het al dan niet bewezen zijn van het tenlastegelegde, met de daartoe gegeven motivering, niet onbegrijpelijk genoemd zal kunnen worden op de grond dat het beschikbare bewijsmateriaal – al dan niet in verband met een andere uitleg van gegevens van feitelijke aard – een andere (bewijs)beslissing toelaat.1

3.5. In zijn arrest van 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822, NJ 2005/252, m.nt. Knigge, overwoog de Hoge Raad aangaande art. 6 WVW 1994 het volgende:

“3.5

In cassatie kan slechts worden onderzocht of de schuld aan het verkeersongeval in de zin van art. 6 Wegenverkeerswet 1994, in het onderhavige geval de bewezenverklaarde aanmerkelijke onoplettendheid en/of onachtzaamheid, uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.

Dat brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van evenbedoelde bepaling. Daarvoor zijn immers verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

3.6

Het Hof heeft blijkens de gebezigde bewijsmiddelen vastgesteld dat de verdachte als bestuurster van een personenauto, rijdend met een snelheid van ongeveer 80 km per uur op een tweebaansweg, na een flauwe bocht naar links niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden maar plotseling zonder enige aanleiding, zo ver naar links is gekomen dat zij daardoor op de verkeerde weghelft is terechtgekomen en daar frontaal in botsing is gekomen met een op die andere weghelft rijdende tegenligger. Zodanig verkeersgedrag kan in beginsel de gevolgtrekking dragen dat de verdachte zich aanmerkelijk onoplettend en/of onachtzaam heeft gedragen en dat het verkeersongeval aan de schuld van de verdachte als bedoeld in art. 6 van de Wegenverkeerswet 1994 te wijten is. Dat kan in concreto evenwel anders zijn indien omstandigheden zijn aangevoerd en aannemelijk zijn geworden — bijvoorbeeld dat de verdachte ten tijde van het ongeval in verontschuldigbare onmacht verkeerde — waaruit volgt dat van schuld in vorenbedoelde zin niet kan worden gesproken.”

3.6. Of er sprake is van schuld in de zin van art. 6 WVW 1994 hangt dus af van het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.2 Daarnaast blijkt uit de rechtspraak van de Hoge Raad dat het gebruik van een stof die de rijvaardigheid kan verminderen, zoals het inwendig gebruik van alcoholhoudende drank, kan bijdragen aan het oordeel dat sprake is van schuld in de zin van art. 6 WVW 1994. De vaststelling van uitsluitend dergelijk gebruik zal doorgaans echter onvoldoende zijn voor het oordeel dat sprake is van schuld in de zin van art. 6 WVW 1994.3 Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte op 16 maart 2015 als bestuurder van een personenauto heeft gereden op de Oude Dijk te Exloo, terwijl de verdachte kort te voren amfetamine had gesnoven. De verdachte heeft in een flauwe bocht de controle over de door hem bestuurde personenauto verloren, waarna de auto in botsing is gekomen met een in de voor verdachte rechterberm staande boom. Als gevolg daarvan is [betrokkene] , die als passagier bij de verdachte in de auto zat, om het leven gekomen. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat het niet bewezen acht dat het ongeval heeft plaatsgevonden als gevolg van zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend verkeersgedrag van de verdachte, nu de oorzaak van het verlies van de controle over het voertuig niet is komen vast te staan en de omstandigheid dat de rijvaardigheid waarschijnlijk negatief is beïnvloed door zijn amfetaminegebruik onvoldoende is om dat oordeel zelfstandig te dragen. In dit oordeel ligt besloten dat het hof van oordeel is dat uit de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden de schuld als bedoeld in artikel 6 WVW 1994 niet kan worden afgeleid en dat daarbij van belang is geweest dat de oorzaak van het verlies van de controle over het voertuig, niet is komen vast te staan.

3.7. Anders dan de steller van het middel meent, miskent het hof daarmee mijns inziens niet het in dit geval toepasselijke toetsingskader. Het hof heeft om te beginnen de gedragingen van de verdachte en de omstandigheden van het geval vastgesteld, waaronder het feit dat de verdachte kort te voren amfetamine had gesnoven, dat de verdachte in een flauwe bocht de controle over de personenauto is verloren en dat zijn voertuig met een voor de verdachte in de rechterberm staande boom in botsing is gekomen. Dat het hof vervolgens niet meer toekomt aan de vraag of sprake is van disculperende omstandigheden (door Knigge ‘stap 2’ genoemd), is niet verwonderlijk nu het hof heeft geoordeeld dat er geen sprake is van aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend verkeersgedrag (in de woorden van Knigge strandt het hof dus al bij ‘stap 1’).4 Het oordeel van het hof getuigt derhalve niet van een onjuiste rechtsopvatting. Ik neem daarbij in aanmerking dat de vaststelling van uitsluitend gebruik van een stof die de rijvaardigheid kan verminderen – zoals in de onderhavige zaak het snuiven van amfetamine – doorgaans, zoals het hof dus terecht heeft overwogen, onvoldoende is voor het oordeel dat sprake is van schuld in de zin van art. 6 WVW 1994 en dat bijvoorbeeld niet is vast komen te staan dat de verdachte de controle over het voertuig is verloren als gevolg van het te hard rijden of te hard remmen.5

3.8. De vraag die vervolgens beantwoord dient te worden is of het oordeel van het hof begrijpelijk en toereikend gemotiveerd is. Het hof heeft geoordeeld dat de oorzaak van het verlies van de controle over het voertuig niet is komen vast te staan en de omstandigheid dat de rijvaardigheid waarschijnlijk negatief is beïnvloed door zijn amfetaminegebruik onvoldoende is om dat oordeel zelfstandig te dragen. Gelet op de voorhanden feiten en omstandigheden, waarvan in cassatie behoort te worden uitgegaan, is het oordeel van het hof dat het verkeersgedrag van de verdachte geen schuld in de zin van art. 6 WVW 1994 oplevert niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

3.9. Het middel kan niet tot cassatie leiden.

4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv. AG

1 HR 4 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5061, NJ 2004/480, HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:54 en HR 17 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:346. Zie ook A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 233.

2 HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822, NJ 2005/252, m.nt. Knigge, en HR 29 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0544, NJ 2008/440.

3 HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3616, NJ 2015/107, m.nt. Vellinga-Schootstra.

4 Zie ook W.H. Vellinga, ‘Vervolging en berechting van culpose verkeersdelicten’, VR 2005-6, p. 170.

5 Zie HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3616, NJ 2015/107, m.nt. Vellinga-Schootstra.