Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:1387

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
12-11-2019
Datum publicatie
10-01-2020
Zaaknummer
18/00841
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:3
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Betekeningsperikelen t.a.v. inleidende dagvaarding. Betekening aan verdachte in het buitenland (Colombia) en de vraag of van verdachte een feitelijke woon- of verblijfplaats in NL bekend is. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2020/13 met annotatie van Oort, C. van
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/00841

Zitting 12 november 2019

CONCLUSIE

A.E. Harteveld

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 22 februari 2018 door het gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens 1. “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” en 2. “diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uren te vervangen door 90 dagen hechtenis, een en ander met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. C.J.J. Visser, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte de inleidende dagvaarding niet nietig heeft verklaard.

3.1.

De volgende stukken die zich in het dossier bevinden zijn van belang:

(i) Een informatiestaat SKDB d.d. 1 februari 2017 waaruit blijkt dat het BRP-adres van de verdachte sinds 9 juli 2015 een adres een Colombia is en als laatst opgegeven woon- of verblijfplaats bekend is het op 27 maart 2016 geregistreerd adres [a-straat 1] te [plaats 1] .

(ii) Een informatiestaat SKDB d.d. 9 februari 2017 waaruit geen wijzigingen blijken ten opzichte van de informatiestaat SKDB d.d. 1 februari 2017.

(iii) Een brief van de raadsman van de verdachte d.d. 2 mei 2016 waarbij hij het parket Midden Nederland (locatie Utrecht) als volgt bericht:

“Namens cliënt [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1982, bericht ik u hierbij dat zijn postadres is gewijzigd. Zijn huidige adres is:

[verdachte]

[b-straat 1]

[plaats 2] ”.

(iv) Akten van uitreiking waaruit blijkt dat op 27 januari 2017 is gepoogd de dagvaarding van de verdachte in de zaak met nummer 16-262519-14, om te verschijnen op de terechtzitting van de politierechter van 6 maart 2017 en de dagvaarding in de zaak met nummer 16-065510-16, eveneens om te verschijnen op de terechtzitting van de politierechter van 6 maart 2017 uit te reiken aan het onder (iii) genoemde adres in [plaats 2]. Dat is niet gelukt omdat de geadresseerde niet (meer) op het vermelde adres woont.

(v) Een akte van uitreiking waaruit blijkt dat op 9 februari 2017 de dagvaarding van de verdachte in de zaak met nummer 16-262519-141, om te verschijnen op de terechtzitting van de politierechter van 6 maart 2017 is uitgereikt aan de griffier omdat de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde niet bekend is, de dagvaarding is verzonden naar het adres in Colombia en op grond van art. 588a Sv een afschrift van de dagvaarding is verzonden naar het adres in [plaats 2] .

3.2.

Uit het proces-verbaal van de zitting bij de politierechter van 6 maart 2017 blijkt dat de verdachte niet is verschenen ter terechtzitting. De ter terechtzitting aanwezige raadsman van de verdachte heeft geklaagd over een betekeningsverzuim. Het proces-verbaal vermeldt daar het volgende over:

“ “De raadsman voert het woord bij preliminair verweer — zakelijk weergegeven — als volgt. Mijns inziens is de dagvaarding voor beide zaken niet op de bij wet voorgeschreven wijze aan mijn cliënt betekend. Deze hadden namelijk in [plaats 1] betekend moeten worden, want dat is zijn laatst bekende verblijfplaats. In het verhoor voor de zaak met parketnummer 16.065510-16 heeft mijn cliënt aangegeven in [plaats 1] te wonen.

“ De officier van justitie verklaart – zakelijk weergegeven – als volgt.

“ Ik begrijp het standpunt van de raadsman dat conform artikel 588a Sv de dagvaarding ook per brief had moeten worden gestuurd aan het door verdachte tijdens zijn verhoor opgegeven adres, maar in deze zaak kan worden gesteld dat vaststaat dat het door verdachte opgegeven adres een achterhaald adres is.

“ De raadsman verklaart - zakelijk weergegeven - als volgt.

“ Ik wil wijzen op een adres van de Hoge Raad van 2 maart 2010 ECLI:NL:HR:2010:BK6313, waarin wordt beschreven dat uit de stukken niet blijkt dat de dagvaarding is geprobeerd uit te reiken aan het door de verdachte in het verhoor opgegeven adres en dat dit kennelijk wel had moeten gebeuren. Deze situatie doet zich ook voor in deze zaak.

“ De politierechter deelt - zakelijk weergegeven - mede.

“ De dagvaarding voor beide zaken is betekend aan het adres van verdachte in [plaats 2] en in zijn adres in Columbia. Het adres in [plaats 1] is wellicht zijn laatst opgegeven adres, maar feitelijk verblijft hij daar niet meer en hij ook heeft niet aangegeven dat hij daar zijn post wil ontvangen. Bovendien geeft het huidige BRP adres aan dat verdachte in Colombia woont. Daarnaast bevindt zich in het dossier een brief van de raadsman van 2 mei 2016 waarin wordt aangegeven dat het (voorkeurs)adres van verdachte de [b-straat] in [plaats 2] is. Daarom is ook op dit adres geprobeerd te betekenen. De dagvaarding voor beide zaken is op de juiste manier uitgereikt en daarmee geldig.”

3.3.

Het proces-verbaal van de zitting bij het hof op 8 februari 2018 houdt, voor zover van belang, het volgende in:

“ “De voorzitter deelt mee, zakelijk weergeven:

“ Uit de informatiestaat SKDB van 7 februari 2018 volgt dat verdachte momenteel staat ingeschreven op een adres in Colombia. Uit de akte van uitreiking van de dagvaarding van verdachte in hoger beroep kan worden afgeleid dat een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep naar het adres van verdachte in Colombia is gestuurd. Daarnaast is sprake geweest van een griffiebetekening.

“ In eerste aanleg werd gesproken van een aantal adressen in Nederland. Het ging onder andere om een adres in [plaats 1] dat verdachte op 17 maart 2016 heeft opgegeven als verblijfadres. Dat adres in [plaats 1] is achterhaald nu het dossier een brief van de raadsman van 2 mei 2016 bevat, waaruit volgt dat verdachte een postadres in [plaats 2] heeft per 2 mei 2016.

“ De raadsman reageert, zakelijk weergegeven:

“ Het adres in [plaats 1] is niet achterhaald. Mijn cliënt heeft een postadres opgegeven in [plaats 2] per 2 mei 2016. In de brief is aangegeven dat het adres in [plaats 2] het postadres van mijn cliënt is. Op dat adres wil mijn cliënt stukken en brieven wil ontvangen. Zijn woon- of verblijfplaats is daarmee niet veranderd.

“ Er zijn geen problemen met de betekening in hoger beroep, maar wel met de betekening in eerste aanleg. De dagvaarding in eerste aanleg had aan het adres in [plaats 1] betekend moeten worden, nu mijn cliënt heeft verklaard dat hij daar woonde. Hij heeft enkel een postadres opgegeven, maar nooit gezegd dat hij op dat adres zou gaan wonen. Er had in eerste aanleg betekend moeten worden op het adres in [plaats 1] . Nu dat niet is gebeurd is de behandeling in eerste aanleg nietig.

“ De raadsman voert een preliminair verweer overeenkomstig zijn pleitnotities welke aan het hof is overgelegd. Opmerking griffier: de pleitnotities zijn aan dit proces-verbaal gehecht.

“ In aanvulling op de pleitnotities voert de raadsman aan, zakelijk weergegeven:

“ Tijdens het verhoor in de Almeerse zaak heeft mijn cliënt gezegd dat hij in Almere woont. De wetgever heeft bepaald dat met het eerste verhoor flexibel moet worden omgegaan. Later heeft mijn cliënt gezegd dat hij bij zijn ouders in [plaats 1] woont.

“ De politierechter maakt onderscheid tussen een post- en verblijfadres. De politierechter heeft gezegd dat mijn cliënt ergens anders woont, maar dit blijkt niet uit het dossier.

“ Op vragen van de advocaat-generaal antwoordt de raadsman, zakelijk weergegeven:

“ U vraagt hoe mijn brief van 2 mei 2016 gelezen dient te worden. Mijn cliënt woonde bij zijn ouders. Hij wilde niet dat er brieven van justitie bij zijn ouders terecht zouden komen. Op het adres van zijn ouders wil mijn cliënt geen post ontvangen, maar het is wel zijn woon- en verblijfplaats. De dagvaarding zou op dat adres betekend moeten worden.

“ De advocaat-generaal reageert, zakelijk weergegeven:

“ In hoger beroep is de oproeping van verdachte correct betekend. In de akte rechtsmiddel wordt het adres van verdachte in Colombia opgegeven, welk adres ook in de informatiestaat SKDB als huidige adres van verdachte staat genoteerd. Uit de informatiestaat SKDB volgt tevens dat het laatst opgegeven adres van verdachte het adres in [plaats 1] was. Dat adres in [plaats 1] is door hem als verblijfplaats opgegeven. In zoverre ben ik het eens met de raadsman dat het adres in [plaats 1] zijn feitelijke woon- en verblijfplaats was.

“ Op het moment van betekening was verdachte niet ingeschreven in Nederland. Getracht is te betekenen op het postadres in [plaats 2] , welk adres door de raadsman is doorgegeven. Strikt genomen is niet voldaan aan de betekeningsvoorschriften. De vraag is wat voor belang daarmee geschonden. In eerste aanleg is de zaak inhoudelijk behandeld en de zaak kan wat mij betreft ook hier inhoudelijk worden behandeld.

“ De raadsman brengt hierop naar voren, zakelijk weergegeven:

“ In dit geval maakt het geschonden belang niet uit. Een nietige dagvaarding is nietig. Dan moet de inhoudelijke behandeling in eerste aanleg opnieuw plaatsvinden. Ik denk dat mijn cliënt daar belang bij heeft.

“ De voorzitter stelt de oudste raadsheer, de jongste raadsheer en de advocaat-generaal in de gelegenheid te reageren op dan wel vragen te stellen aan de raadsman over het preliminaire verweer. De oudste raadsheer, de jongste raadsheer en de advocaat-generaal geven te kennen van deze gelegenheid geen gebruik te willen maken.

“ De zitting wordt korte tijd onderbroken voor beraad.

“ Nadat de zitting is hervat deelt de voorzitter de beslissing van het hof mede, inhoudende - zakelijk weergegeven-:

“ De raadsman heeft een beroep gedaan op de nietigheid van de dagvaarding in eerste aanleg. Het hof heeft geconstateerd dat verdachte op dat moment volgens de Basisregistratie Personen was ingeschreven op het adres in Colombia.

“ Ook was er sprake van een adres in [plaats 1] conform artikel 588a van het Wetboek van Strafvordering. Naar dat adres had een afschrift van de dagvaarding gestuurd moeten worden. Dat is niet gebeurd. Dit levert echter geen nietigheid van de dagvaarding in eerste aanleg op.

“ Het had tot aanhouding van de zaak kunnen leiden indien de raadsman op dat moment om aanhouding had gevraagd. Dat een dergelijk aanhoudingsverzoek is gedaan blijkt niet uit het proces-verbaal van de zitting. De raadsman was uitdrukkelijk gemachtigd. De zaak is inhoudelijk en op tegenspraak behandeld. Dit betekent volgens het hof dat er geen sprake is van een gemiste instantie en dat er geen aanleiding is om nietigheid van de dagvaarding in eerste aanleg uit te spreken.

“ Vandaag zal de zaak in hoger beroep inhoudelijk worden behandeld.

“ De raadsman reageert, zakelijk weergegeven:

“ Er is sprake van een adres conform artikel 588 van het Wetboek van Strafvordering.

“ De voorzitter deelt daarop mede, zakelijk weergegeven:

“ Op dat moment was er geen sprake van een adres van verdachte dat volgde uit de Basisregistratie Personen en daarom is artikel 588a van het Wetboek van Strafvordering aan de orde.”

3.4.

Volgens de steller van het middel was het hof kennelijk van oordeel dat de dagvaarding op grond van art. 588 lid 1 onder b sub 1 Sv aan het adres in Colombia zou moeten worden uitgereikt. Ten onrechte, meent hij, omdat art. 588 lid 1 onder b sub 1 Sv alleen betrekking heeft op een BRP-adres in Nederland. Daarom moest op grond van art. 588 lid 1 onder b sub 2 Sv worden uitgereikt aan de woon- of verblijfplaats van de verdachte, te weten het adres in [plaats 1] .

3.5.

Uitreiking van de dagvaarding aan een niet-gedetineerde verdachte geschiedt aan het adres waar hij als ingezetene is ingeschreven in de BRP. Ingevolge art. 1.1 aanhef en onder f Wet BRP is een ingezetene de ingeschrevene die zijn adres heeft in een gemeente in Nederland. Het adres van de verdachte in Colombia is dus geen BRP-adres in de zin van art. 588, lid 1 aanhef en onder b sub 1 Sv. In zoverre heeft het hof dus een onjuiste rechtsopvatting gehanteerd. De vraag of dat ergens toe moet leiden hangt echter af van wat nog meer blijkt omtrent de adressen van de verdachte.

3.6.

Betekening aan het adres in het buitenland komt gelet op de volgorde in art. 588 Sv en met inachtneming van het overzichtsarrest van de Hoge Raad over de betekeningsprocedure (HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002, 163 m.nt. Schalken) eerst aan de orde indien geen feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is. Omtrent die feitelijke woon- of verblijfplaats geldt het volgende. Ingevolge art. 588, lid 1 aanhef en onder b sub 3 Sv wordt de dagvaarding aan de griffier uitgereikt indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de BRP, noch een feitelijke woon- of verblijfplaats van hem bekend is. Onbekendheid van een feitelijke woon- of verblijfplaats kan blijkens het zojuist genoemde overzichtsarrest “niet worden aangenomen indien niet is getracht de uitreiking van de dagvaarding te doen plaatsvinden op het uit de stukken blijkend – voor de hand liggend en niet door latere opgave achterhaald – adres dat redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats zou kunnen gelden. Of van dat laatste sprake is, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Een algemene regel daaromtrent laat zich dus bezwaarlijk formuleren. Daarom zal de Hoge Raad volstaan met het noemen van enige voorbeelden. Wat betreft de dagvaarding in eerste aanleg zou in aanmerking kunnen komen een door de verdachte bij zijn verhoor door de politie of de rechter-commissaris opgegeven adres en voorts een adres dat door of namens de verdachte aan het openbaar ministerie is medegedeeld met het oog op de betekening van gerechtelijke mededelingen. Wat betreft een oproeping voor een nadere terechtzitting kan worden gedacht aan het adres dat de verdachte heeft opgegeven op de eerdere terechtzitting, waar het onderzoek voor onbepaalde tijd is geschorst.”2

3.7.

Blijkens het proces-verbaal van de zitting bij het hof van 8 februari 2018 heeft het hof uit de hierboven in 3.1 onder (iii) genoemde brief van de raadsman – in navolging van de rechtbank – afgeleid dat het adres in [plaats 1] achterhaald was en niet meer behoefde te worden aangemerkt als een adres dat redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte zou kunnen gelden. Dat is een feitelijk oordeel dat naar ik meen in cassatie gerespecteerd dient te worden. Onbegrijpelijk is het niet, mede gelet op de slotzin in de brief van de raadsman aan het OM die luidt: “Zijn huidige adres is ….”

3.8.

Het lijkt mij dat, uitgaande van die vaststelling, het oordeel van het hof dat de inleidende dagvaarding rechtsgeldig is betekend juist is. Ik neem daarbij in aanmerking dat, zoals de Hoge Raad overwoog in het overzichtsarrest van 2002, als feitelijk adres ook kan worden aangemerkt een adres dat door of namens de verdachte aan het openbaar ministerie is medegedeeld met het oog op de betekening van gerechtelijke mededelingen. Gelet daarop kan hetgeen het hof daaromtrent voorts heeft overwogen buiten beschouwing blijven.

3.9.

Het middel faalt.

4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De akte van uitreiking van de dagvaarding in de zaak met nr. 16-065510-16 heb ik in het dossier niet aangetroffen.

2 Rov. 3.24 sub b.