Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:138

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
15-02-2019
Datum publicatie
19-03-2019
Zaaknummer
18/01190
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:640, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid en concernaansprakelijkheid. Motiveringsklachten. Betekenis van stellingen die zijn aangevoerd in verband met een in hoger beroep niet-gehandhaafde grondslag voor aansprakelijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2019/420
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 18/01190 mr. T. Hartlief

Zitting: 15 februari 2019 Conclusie inzake:

1. de maatschap [naam maatschap]

2. [eiser 2]

3. [eiser 3]

(hierna gezamenlijk: ‘[naam maatschap] c.s.’)

tegen

1. [verweerder 1] (hierna: ‘ [verweerder 1] ’)

2. Ris Consultants B.V. (hierna: ‘RIS’)

3. Xando B.V. (hierna: ‘Xando’)

(hierna gezamenlijk: ‘ [verweerders] ’)

Dit geschil draait in eerste instantie om de huur van een winkelpand. Huurder Xando Nijmegen B.V. (hierna: ‘Xando Nijmegen’) is failliet gegaan. Verhuurders [naam maatschap] c.s. verwijten de aandeelhouder en twee (indirect) bestuurders van de huurder ( [verweerders] ), kort gezegd, dat zij een (onderhuur)constructie hebben opgezet waarbij huurder Xando Nijmegen is opgetreden als ‘huur-B.V.’, waarin wel de lasten (de verplichting tot betaling van huurpenningen) vielen, maar niet de baten omdat in feite moedervennootschap Xando de winkel exploiteerde. Na het staken van de exploitatie en het beëindigen van de onderhuur door Xando is Xando Nijmegen failliet gegaan. [naam maatschap] c.s. spreken [verweerders] op diverse gronden aan en verwijten hen daarbij onder meer dat zij zich de belangen van [naam maatschap] c.s. onvoldoende hebben aangetrokken en daarom onrechtmatig jegens hen hebben gehandeld als gevolg waarvan zij schade hebben geleden doordat Xando Nijmegen geen verhaal meer biedt voor de huurpenningen. Complicerende factor is dat [naam maatschap] c.s. niet de oorspronkelijke eigenaar/verhuurder waren en de door [naam maatschap] c.s. bestreden constructie toen zij eigenaar werden van het pand dus al bestond. Net als de rechtbank heeft ook het hof de vorderingen afgewezen. In cassatie komen [naam maatschap] c.s. enkel op tegen ’s hofs oordeel dat [verweerders] niet kan worden verweten dat zij zich als bestuurder c.q. aandeelhouder de belangen van [naam maatschap] c.s. onvoldoende hebben aangetrokken en dat zij derhalve vrijuit gaan.

1 Feiten

1.1

In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.1

1.2

[verweerder 1] is enig bestuurder tevens enig aandeelhouder van RIS. RIS is enig bestuurder en enig aandeelhouder van twee besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, te weten: Xando Trade B.V. en Xando. Xando op haar beurt is enig aandeelhouder van drie besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid (van welke drie vennootschappen RIS bestuurder is), te weten: Xando Enschede B.V., Xando Zwolle B.V. (hierna: ‘Xando Zwolle’) en Xando Nijmegen.

1.3

Bij akte van 22 maart 2013 is de naam van Xando Nijmegen gewijzigd in Retail OG Nijmegen en op 26 april 2013 is Retail OG Nijmegen op haar eigen verzoek in staat van faillissement verklaard.

1.4

Xando Nijmegen heeft ingaande op 1 januari 2009 van de besloten vennootschap Jobatrust B.V. (hierna: ‘Jobatrust’) een pand gehuurd dat zij in gebruik heeft genomen als winkelruimte (hierna: ‘het pand’). In de huurovereenkomst is onder meer het volgende bepaald:

“1.3 Het gehuurde zal door of vanwege huurder uitsluitend worden bestemd om te worden gebruikt als winkelruimte conform artikel 7:290 BW ten behoeve van de verkoop van Appleproducten en aanverwante artikelen, conform de internationaal gevoerde Apple-formule.

(...)

3.1

Deze overeenkomst is aangegaan voor de duur van 10 jaar, ingaande op 1 januari 2009 en lopende tot en met 31 december 2018.

3.2

Na het verstrijken van de in 3.1 genoemde periode wordt deze overeenkomst voortgezet voor een aansluitende periode[n] van telkens 5 jaar.

(...)

4.1

De aanvangshuurprijs van het gehuurde bedraagt op jaarbasis € 115.000,-- zegge honderdvijftienduizend euro.

(...)

12. Het moederconcern van huurder, Xando B.V. (...) is bereid een concerngarantie af te geven van één jaar huur, te vermeerderen met de geldende BTW. Indien na ommekomst van drie huurjaren blijkt dat huurder onberispelijk betalingsgedrag heeft vertoond, dan wordt deze concerngarantie geretourneerd aan Xando B.V. en is deze concerngarantie dus niet meer geldig.”

1.5

Op de huurovereenkomst zijn de algemene bepalingen huurovereenkomst winkelruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van art. 7:290 BW van toepassing. In de algemene bepalingen is opgenomen:

“6.1 Huurder zal het gehuurde – gedurende de gehele duur van de overeenkomst – daadwerkelijk, geheel, behoorlijk en zelf gebruiken uitsluitend overeenkomstig de in de huurovereenkomst aangegeven bestemming.

(...)

7. Indien huurder zich, na door verhuurder behoorlijk in gebreke te zijn gesteld, niet houdt aan de in de huurovereenkomst en de in deze algemene bepalingen opgenomen voorschriften, verbeurt huurder aan verhuurder, voor zover geen specifieke boete is overeengekomen, een direct opeisbare boete van € 250,00 per dag voor elke dag dat huurder in verzuim is. Het vorenstaande laat onverlet het recht van verhuurder op volledige schadevergoeding, voor zover de geleden schade de verbeurde boete overtreft.

(...)

8.1

Behoudens voorafgaande schriftelijke toestemming van verhuurder is het huurder niet toegestaan het gehuurde geheel of gedeeltelijk aan derden in huur, onderhuur of gebruik af te staan, dan wel de huurrechten geheel of gedeeltelijk aan derden over te dragen of in te brengen in een personenvennootschap of rechtspersoon.

8.2

Ingeval huurder handelt in strijd met bovenstaande bepaling, verbeurt huurder aan verhuurder per kalenderdag dat de overtreding voortduurt een direct opeisbare boete, gelijk aan tweemaal de op dat moment voor huurder geldende huurprijs per dag, onverminderd het recht van verhuurder om nakoming dan wel ontbinding van de huurovereenkomst, alsmede schadevergoeding te vorderen.”

1.6

Op 10 september 2009 hebben [eiser 2] en [eiser 3] (gezamenlijk handelend onder de naam [naam maatschap]) het gehuurde gekocht van Jobatrust en zijn de rechten en verplichtingen die voor Jobatrust voortvloeiden uit de huurovereenkomst op [naam maatschap] overgegaan. Ten tijde van de overname werd door Xando onder de naam “Xando” een Apple Premium Reseller winkel (hierna: ‘APR-winkel’) geëxploiteerd in het pand.

1.7

Per 30 juni 2012 is de APR-winkel verhuisd naar een andere locatie in Nijmegen. [naam maatschap] heeft Xando Nijmegen in gebreke gesteld voor wat betreft de exploitatie van het gehuurde. Tevens heeft zij aanspraak gemaakt op een boete op grond van de algemene bepalingen. Na enige tijd heeft Xando een andere winkel, genaamd “Xale” in het gehuurde geëxploiteerd.

1.8

In een brief van 12 februari 2013 van de advocaat van [naam maatschap] aan Xando staat onder meer het volgende vermeld:

“Hoewel Xando B.V. de huur tot en met de maand december 2012 correct heeft betaald, zijn betalingen nadien uitgebleven. Huurder schiet daardoor tekort in zijn verplichting ex[.] art 4.10 van de huurovereenkomst om de uit hoofde van de huurovereenkomst verschuldigde bedragen vóór of op de eerste van de dag van de periode waarop de betaling betrekking heeft, stipt te voldoen.

[naam maatschap] maakt daarom tevens aanspraak op de contractuele boete ex art. 18.2 ab van € 300,00 per kalendermaand, waarbij iedere ingetreden kalendermaand als een volle maand geldt”

1.9

Bij brief van 12 maart 2013 hebben Xando Nijmegen en Xando aan [naam maatschap] medegedeeld dat zij de exploitatie van Xale in het gehuurde om bedrijfseconomische redenen niet kunnen voortzetten. Tevens hebben zij gemeld dat Xando Nijmegen vanaf 1 maart 2013 niet langer in staat is aan haar betalingsverplichtingen jegens [naam maatschap] te voldoen.

1.10

Na faillietverklaring van Xando Nijmegen heeft de curator de huurovereenkomst met [naam maatschap] opgezegd tegen 31 juli 2013.

1.11

In het eindverslag van de curator van 17 april 2014 staat onder meer vermeld:

“De curator heeft de situatie met betrekking tot de bedrijfsruimte in Nijmegen onderzocht. De conclusie luidt dat sprake is (geweest) van een vorm van onderhuurconstructie. De onderneming die feitelijk gebruik maakte van de winkelruimte en namens curanda de huur heeft voldaan tot het moment dat zij de exploitatie heeft gestaakt, is door de curator tot betaling van huur aangesproken. (…)

De aangeschreven onderneming heeft bij monde van haar raadsman de vordering gemotiveerd betwist. Gesteld wordt dat geen sprake zou zijn van een onderhuurovereenkomst, maar van een exploitatieovereenkomst in concernverband zodat iedere grond voor betaling zou ontbreken. (...)

Verdere maatregelen zijn niet in het belang van de boedel geoordeeld (...)

De oorzaak van het faillissement is gelegen in het staken van de exploitatie van de winkel door Xando BV. (...)

Paulianeus handelen

(...)

De curator heeft zijn onderzoek afgerond en zal geen verdere actie ondernemen.”

2 Procesverloop

2.1

Het procesverloop kan worden weergegeven als volgt.2

2.2

[naam maatschap] c.s. hebben bij dagvaarding van 8 juli 2013 [verweerders] tezamen met Xando Zwolle gedagvaard voor de rechtbank Overijssel en, kort gezegd, gevorderd dat [verweerders] hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 1.742.112,33 – te vermeerderen met rente en kosten – uit hoofde van nakoming en schadevergoeding.

2.3

[naam maatschap] c.s. hebben als grondslag voor hun vordering aangevoerd dat [verweerders] onrechtmatig jegens hen hebben gehandeld wegens het niet voldoen aan hun contractuele verplichtingen, het staken van de exploitatie en ongeoorloofde onderhuur. [naam maatschap] c.s. hebben hun vorderingen, na beperking van de grondslag van de vorderingen in hoger beroep, gebaseerd op bestuurdersaansprakelijkheid, concernaansprakelijkheid, misbruik van faillissementsrecht, een concerngarantie en ongerechtvaardigde verrijking.

2.4

De rechtbank Overijssel heeft bij vonnis van 22 oktober 2014 de vorderingen van [naam maatschap] c.s. afgewezen. De rechtbank heeft daartoe, onder meer, overwogen dat niet voldoende is onderbouwd de stelling dat [verweerders] van meet af aan de exploitatieconstructie tussen Xando en Xando Nijmegen verborgen hebben gehouden, wetende dat Xando Nijmegen op termijn niet solvabel zou zijn. De rechtbank heeft mede daarom niet aangenomen dat sprake is van onrechtmatige daad uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid (rov. 4.9.). De rechtbank heeft het beroep op concernaansprakelijkheid verworpen, kort gezegd, omdat dat beroep gebaseerd is op een te vergaande en onjuiste uitleg van het Osby-arrest van Uw Raad (rov. 4.10.-4.12.).3 Ook het beroep van [naam maatschap] c.s. op het Comsys-arrest van Uw Raad heeft de rechtbank verworpen.4 De rechtbank heeft hiertoe, kort gezegd, overwogen dat van de in dat arrest genoemde omstandigheden, die in die zaak hebben geleid tot het oordeel dat onrechtmatig is gehandeld, in het onderhavige geval geen sprake is (rov. 4.13.-4.15.). De rechtbank heeft het beroep op paulianeus handelen en misbruik van faillissementsrecht – door onder de gegeven omstandigheden het eigen faillissement aan te vragen – als onvoldoende onderbouwd verworpen (rov. 4.16.-4.20.). Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat de concerngarantie waarop [naam maatschap] c.s. zich hebben beroepen niet meer geldig was (rov. 4.22.) en dat de vordering op grond van ongerechtvaardigde verrijking eveneens onvoldoende is onderbouwd (rov. 4.23.). Geen van de aangevoerde gronden, zo heeft de rechtbank ten slotte geoordeeld, leidt tot de conclusie dat Henderson c.s. en/of Xando Zwolle onrechtmatig jegens [naam maatschap] c.s. hebben gehandeld (rov. 4.24.).

2.5

Bij appeldagvaarding van 21 januari 2015 hebben [naam maatschap] c.s. enkel jegens [verweerders] (maar niet jegens Xando Zwolle) hoger beroep ingesteld tegen het eindvonnis en grieven gericht tegen de oordelen van de rechtbank inzake bestuurdersaansprakelijkheid (grieven 3 tot en met 10), concernaansprakelijkheid (grieven 11 tot en met 17), misbruik van faillissementsrecht (grief 19), de concerngarantie (grief 20) en ongerechtvaardigde verrijking (grief 21).5 De grieven 22 en 23 zijn door het hof aangemerkt als ‘veeggrieven’ die zelfstandige betekenis missen (rov. 5.1.1).

2.6

Het hof heeft allereerst, in reactie op een door [verweerders] gevoerd verweer dat de vorderingen waarvan [naam maatschap] c.s. betaling vorderen niet van Jobatrust op hen zijn overgegaan, geoordeeld dat de vorderingen waarom het in deze procedure gaat, niet door [naam maatschap] c.s. zijn verkregen van Jobatrust of door eigendomsverkrijging van het verhuurde op hen zijn overgegaan (rov. 5.2.2). De op onrechtmatige daad gebaseerde vorderingen moeten derhalve, naar het oordeel van het hof, door cessie op [naam maatschap] c.s. zijn overgegaan willen zij voor toewijzing in aanmerking komen (rov. 5.2.3).6 Het hof heeft echter geoordeeld dat [naam maatschap] geen vorderingen jegens [verweerders] van Jobatrust heeft verkregen door cessie (rov. 5.2.4-5.2.7). Het hof heeft hieruit de conclusie getrokken dat de vorderingen slechts voor toewijzing in aanmerking kunnen komen voor zover [verweerders] jegens [naam maatschap] c.s. zelf7 onrechtmatig hebben gehandeld in de periode die aanvangt met het moment dat [naam maatschap] c.s. op 10 september 2009 eigenaar werden van het pand (rov. 5.2.7).

2.7

Het hof heeft vervolgens de vorderingen uit hoofde van bestuurders- en concernaansprakelijkheid beoordeeld en geoordeeld dat deze gronden de vorderingen niet kunnen dragen. Daartoe heeft het hof als volgt overwogen:

“5.3.1 Voor zover [naam maatschap] c.s. hun vorderingen baseren op bestuurdersaansprakelijkheid en concernaansprakelijkheid betreffen de feiten die daaraan ten grondslag worden gelegd vrijwel geheel de periode voorafgaand aan 10 september 2009 (de datum waarop [naam maatschap] c.s. verhuurders werden). [naam maatschap] c.s. verwijten [verweerders] immers dat Xando Nijmegen met Jobatrust een huurovereenkomst is aangegaan wetende dat Xando Nijmegen (financieel) afhankelijk was van Xando. Dit terwijl de continuïteit van de onderneming van Xando (aldus [naam maatschap] c.s.) bedreigd werd door het grote risico dat Apple de APR-licentie zou beëindigen. Het onder die omstandigheden Jobatrust laten contracteren met Xando Nijmegen was volgens [naam maatschap] c.s. onrechtmatig. Daarbij is echter niet onrechtmatig gehandeld jegens [naam maatschap] c.s. zelf, terwijl [naam maatschap] c.s. een vordering die Jobatrust mogelijkerwijs uit onrechtmatige daad jegens [verweerders] heeft verkregen niet door cessie heeft verkregen. Op grond daarvan falen de grieven 3 tot en met 17 nu zij niet kunnen leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis.

5.3.2

Voor zover in de grieven (zie grief 16 onder B) het verwijt besloten ligt dat [verweerders] [naam maatschap] c.s. hadden moeten waarschuwen in verband met het staken van de verkoop van Apple producten en dat zij door het nalaten daarvan onrechtmatig jegens [naam maatschap] hebben gehandeld, geldt het volgende.

5.3.3

Van een algemene waarschuwingsplicht van Xando Nijmegen op basis van de contractuele verhouding tussen partijen is geen sprake. Voor de vraag of op Xando Nijmegen anderszins een waarschuwingsverplichting rustte in de hier bedoelde zin is van belang dat de exploitatie van de winkel als zodanig niet is gestaakt, terwijl aanvankelijk ook de huurbetalingen zijn voortgezet. Vanuit het verhuurde pand konden echter geen Apple-producten meer worden verkocht omdat Apple haar contractuele band met Xando Nijmegen beëindigde. Die laatste omstandigheid vormde ook voor Xando Nijmegen een voldongen feit en betrof niet een door haar genomen besluit met als gevolg dat Apple de samenwerking beëindigde. Niet valt daarom in te zien waarvoor Xando Nijmegen [naam maatschap] c.s. had dienen te waarschuwen. Wellicht had het in de rede gelegen dat zij [naam maatschap] c.s. over de genoemde ontwikkeling had geïnformeerd. De enkele schending van een dergelijke informatieverplichting is echter onvoldoende om onrechtmatig handelen door Xando Nijmegen en daarmee van RIS en diens bestuurder c.q. aandeelhouder [verweerder 1] aan te nemen.

5.3.4

Daar komt bij dat door [naam maatschap] c.s. niet is betoogd dat het vertrek van Apple als zodanig een ontbinding van de huur zou hebben gerechtvaardigd. [eisers 2 en 3] wisten bovendien, zo blijkt uit de overgelegde correspondentie, al op 20 juli 2012 dat de verhuizing uit het verhuurde pand zou plaatsvinden. Van schending door Xando Nijmegen van een zorgvuldigheidsnorm en in het verlengde daarvan van [verweerders] is naar het oordeel van het hof geen sprake.”

2.8

Ten aanzien van de grondslag dat [verweerders] aansprakelijk zijn wegens misbruik van faillissementsrecht – in het bijzonder vanwege het aanvragen van het eigen faillissement door Xando Nijmegen met als enig doel het doen eindigen van de huurovereenkomst met [naam maatschap] c.s. – heeft het hof geoordeeld dat hetgeen [naam maatschap] c.s. in hoger beroep hebben aangevoerd, neerkomt op het (soms in iets andere woorden) herhalen van de stellingen en standpunten die reeds zijn aangevoerd in eerste aanleg en dat derhalve geoordeeld moet worden dat [naam maatschap] c.s. ter zake onvoldoende hebben gesteld (rov. 5.5.2-5.5.3).

2.9

Het hof heeft het beroep van [naam maatschap] c.s. op de door Xando verstrekte concerngarantie verworpen, oordelend dat deze op 1 januari 2012 haar geldigheid heeft verloren en dat [naam maatschap] c.s. hun vorderingen in deze procedure niet op deze garantie kunnen baseren (rov. 5.6.9). Het hof heeft hiertoe, kort gezegd, geoordeeld dat voor de vraag of Xando Nijmegen gedurende drie jaren ‘onberispelijk betalingsgedrag’ heeft vertoond, hetgeen voorwaarde was voor het vervallen van de garantie, in het midden kan blijven of sprake was van ongeoorloofde onderhuur op grond waarvan een direct opeisbare boete zou zijn ontstaan. Nu [naam maatschap] c.s. pas bij brief van 12 februari 2013 voor het eerst aanspraak hebben gemaakt op de boete, kan in redelijkheid niet worden geoordeeld dat Xando Nijmegen tot die tijd geen onberispelijk betalingsgedrag vertoonde (rov. 5.6.8).

2.10

Het hof heeft, ten slotte, ook het beroep op ongerechtvaardigde verrijking verworpen. [naam maatschap] c.s. hebben deze vordering gebaseerd op de stelling dat Xando in de periode van 1 maart 2013 tot en met 25 juni 2013 het genot van het gehuurde heeft gehad zonder dat zij een daar tegenoverstaande vergoeding heeft betaald.8 Dit zou naar het oordeel van het hof, uitgaande van onderhuur door Xando, echter met zich brengen dat Xando wellicht jegens de curator is tekortgeschoten door geen huurpenningen te betalen en als gevolg daarvan is verrijkt. [naam maatschap] c.s. kunnen, aldus nog steeds het hof, echter slechts zijn verarmd als gevolg van het faillissement van Retail OG Nijmegen (Xando Nijmegen) en de daardoor onvoldane huurpenningen uit de hoofdhuurovereenkomst, zodat van causaliteit tussen genoemde verrijking respectievelijk verarming geen sprake is (rov. 5.7.1-5.7.3).

2.11

Het hof is aldus tot de slotsom gekomen dat het vonnis dient te worden bekrachtigd (rov. 6. en dictum).

2.12

[naam maatschap] c.s. zijn bij op 19 maart 2018 ingediende procesinleiding, tijdig, in cassatie gekomen van het arrest van 19 december 2017. [verweerders] hebben geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten. [naam maatschap] c.s. hebben gerepliceerd en [verweerders] op hun beurt gedupliceerd.

3 Bespreking van het cassatiemiddel

3.1

Het middel richt zich met vier onderdelen tegen het bestreden arrest. Er zijn uitsluitend klachten geformuleerd tegen de rov. 5.3.1-5.3.4. Daarmee bestrijdt het middel derhalve enkel het oordeel van het hof inzake de vordering uit hoofde van bestuurders- en concernaansprakelijkheid. [naam maatschap] c.s. verwijten het hof, onder meer, dat het in het midden heeft gelaten of in de aan [verweerders] verweten feiten die (mede) zien op de periode ná 10 september 2009 (het tijdstip waarop [naam maatschap] c.s. de eigendom van het pand verkregen en verhuurder werden), een rechtstreeks onrechtmatig handelen van [verweerders] jegens [naam maatschap] c.s. zélf kan worden gelezen (onderdeel 1), dat het de rechtsregels uit het Osby-arrest (onderdeel 2) en het Comsys-arrest (onderdeel 3) heeft miskend dan wel zijn oordeel ter zake onvoldoende heeft gemotiveerd en dat het ten onrechte niet heeft geoordeeld dat [verweerders] een rechtstreekse (bijzondere) zorgplicht hadden jegens [naam maatschap] c.s. dan wel onvoldoende begrijpelijk heeft geoordeeld dat geen sprake is van onrechtmatig handelen van [verweerders] jegens [naam maatschap] c.s. zélf (onderdeel 4).

3.2

Het middel komt op tegen het oordeel inzake de door [naam maatschap] c.s. gestelde (externe)9 bestuurders- en concernaansprakelijkheid van [verweerders] Ik stel daarom over beide leerstukken, die nauw met elkaar verbonden zijn,10 op hoofdlijnen en kort één en ander voorop. Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat alleen een vennootschap zelf (in casu Xando Nijmegen) kan worden aangesproken voor het niet nakomen van haar verplichtingen, en niet haar bestuurders11 of aandeelhouders.12 Beide leerstukken vormen een uitzondering op dat uitgangspunt, deze leiden immers tot (een vorm van) aansprakelijkheid van een (of meer) ander(en) ter zake van de niet-nakoming van haar verplichtingen door de vennootschap. In de gevallen waarin bestuurders- of concernaansprakelijkheid een rol speelt, bestaat er ten aanzien van de gepretendeerde vordering (in de regel) geen contractuele verbintenis tussen de crediteur en de aangesproken bestuurder/aandeelhouder.13 De crediteur zal zijn op bestuurders- of concernaansprakelijkheid gerichte vordering dan ook moeten baseren op onrechtmatige daad (art. 6:162 BW). 14

3.3

Uit het arrest Ontvanger/ […] volgt dat een bestuurder slechts aansprakelijk kan worden gehouden vanwege het door de vennootschap onbetaald laten van een vordering indien deze bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld wanneer hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt.

3.4

De hiervoor (randnummer 3.3) onder (i) genoemde grond ziet op het moment van het totstandkomen van de verbintenis tussen de crediteur en de vennootschap.15 Toegespitst op het onderhavige geval zou dat het totstandkomen zijn van de huurovereenkomst tussen Xando Nijmegen en oorspronkelijk eigenaar Jobatrust. Bij de onder (ii) genoemde grond kan het echter ook (wellicht zelfs: juist) gaan om handelingen ná het aangaan van de verbintenis. In het onderhavige geval komen dan mogelijk in beeld handelingen die hebben plaatsgevonden na het moment dat de rechten en verplichtingen voor Jobatrust voortvloeiende uit de huurovereenkomst – vanwege het koop-breekt-geen-huur-beginsel – zijn overgegaan op [naam maatschap] c.s.16 Dit is van belang in verband met het oordeel in rov. 5.2.7 dat de vorderingen van [naam maatschap] c.s. slechts voor toewijzing in aanmerking kunnen komen voor zover [verweerders] jegens [naam maatschap] c.s. zélf onrechtmatig hebben gehandeld in de periode vanaf het moment dat [naam maatschap] c.s. op 10 september 2009 eigenaar werden van het pand.

3.5

In het geval de bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt (hiervoor randnummer 3.3 onder (ii)), kan de bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter, zo heeft Uw Raad met zoveel woorden in het arrest Ontvanger/ […] aangegeven, ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen.17

3.6

Onder omstandigheden kan ook een moedervennootschap worden aangesproken voor het door haar dochtervennootschap niet nakomen van haar verplichtingen jegens derden. Dit is voor het eerst aangenomen in het Osby-arrest. Aansprakelijkheid van de moedervennootschap vindt haar grond in het gegeven dat een moedervennootschap veelal alle aandelen in de dochtervennootschap houdt en vaak de enige (indirecte) bestuurder is, zodat zij sterke invloed heeft op de besluitvorming binnen de dochtervennootschap. Dit enkele gegeven is echter, in het licht van het uitgangspunt dat een aandeelhouder niet aansprakelijk is voor de schulden van de vennootschap – niet voldoende om daarop aansprakelijkheid te baseren. Daarvoor zijn aanvullende omstandigheden vereist.18 Deze afhankelijkheid van de omstandigheden van het geval brengt met zich dat geen algemene afbakening kan worden gegeven van de gevallen waarin een moedervennootschap aansprakelijk is voor het door haar dochtervennootschap niet nakomen van haar verplichtingen jegens derden. Uit de rechtspraak kunnen wel omstandigheden en gezichtspunten worden gedestilleerd die een rol spelen bij de beoordeling, zoals de mate van inzicht en zeggenschap in en de betrokkenheid van de moedervennootschap bij het beleid in de dochtervennootschap, het inzicht in de financiële situatie bij de dochtervennootschap, de mate waarin voor de moedervennootschap objectief voorzienbaar is dat crediteuren van de dochter benadeeld zullen worden en de mate waarin de moedervennootschap (of een andere gelieerde vennootschap) ‘bevoordeeld’ wordt ten koste van crediteuren.19

3.7

Aansprakelijkheid van een moedervennootschap kan, afhankelijk van de concrete omstandigheden, zowel zien op gedragingen van de moedervennootschap in verband met het door de dochtervennootschap aangaan van een rechtsverhouding, als op gedragingen die betrekking hebben op de periode daarna.20 Ook dit is van belang in verband met het oordeel van het hof dat de vorderingen van [naam maatschap] c.s. slechts voor toewijzing in aanmerking kunnen komen voor zover [verweerders] jegens [naam maatschap] c.s. zélf onrechtmatig hebben gehandeld in de periode vanaf het moment dat [naam maatschap] c.s. eigenaar werden van het pand (randnummer 3.4 hiervoor). In dit verband ligt de nadruk op het niet waarschuwen van [naam maatschap] c.s. voor de voor hen verbonden nadelen aan de (onderhuur)constructie tussen Xando en Xando Nijmegen en op (het bewerkstelligen van) instemming met het beëindigen van de overeenkomst tussen Xando als onderhuurder en Xando Nijmegen als onderverhuurder, terwijl in de gegeven omstandigheden, exploitatie van de winkel was al gestaakt, Xando Nijmegen haar verplichtingen uit de huurovereenkomst met [naam maatschap] c.s. niet kon (blijven) nakomen.

3.8

Dat brengt mij bij de behandeling van de klachten.

Onderdeel 1

3.9

Onderdeel 1 betoogt dat het hof in rov. 5.3.1, door te overwegen dat de vorderingen van [naam maatschap] c.s. “vrijwel geheel [cursivering door mij, A-G] de periode voorafgaand aan 10 september 2009 (de datum waarop [naam maatschap] c.s. verhuurders werden) [betreffen]” en de grieven 3 tot en met 17 “op grond daarvan” falen, in het midden heeft gelaten of in de door [naam maatschap] c.s. aan [verweerders] verweten gedragingen – voor zover deze (mede) de periode ná 10 september 2009 betreffen – een rechtstreekse onrechtmatige gedraging jegens [naam maatschap] c.s. zélf kan worden gelezen.

3.10

Indien de bestreden rechtsoverweging (5.3.1) strikt wordt gelezen, lijkt deze het oordeel in te houden dat de grieven integraal falen – dus ongeacht of de vorderingen de periode vóór of vanaf 10 september 2009 betreffen – vanwege het feit dat de vorderingen ‘vrijwel geheel’ (maar dus niet geheel) de periode voorafgaand aan 10 september 2009 betreffen. In rov. 5.3.2-5.3.4 behandelt het hof echter de vorderingen alsnog ten aanzien van verwijten die de periode vanaf 10 september 2009 betreffen. Beschouwt men de rov. 5.3.1-5.3.4 in onderling verband, dan dient ’s hofs oordeel kennelijk aldus te worden begrepen dat de vorderingen, waar zij de periode vóór 10 september 2009 betreffen, in rov. 5.3.1 in zoverre worden verworpen (zodat de betreffende grieven in zoverre falen), waarna het hof de vorderingen, voor zover deze niet reeds in rov. 5.3.1 zijn verworpen, in rov. 5.3.2-5.3.4 heeft beoordeeld. De klacht faalt derhalve bij gebrek aan feitelijke grondslag.

Onderdeel 2

3.11

Onderdeel 2 valt uiteen in een tweetal subonderdelen die zich met achtereenvolgens een rechts- en een motiveringsklacht richten tegen (eveneens) rov. 5.3.1.

3.12

Subonderdeel 2.1 betoogt dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te miskennen dat (ook) in een geval als het onderhavige sprake kan [cursivering door mij, A-G] zijn van onrechtmatig handelen van een moedermaatschappij langs de lijnen van de in het Osby-arrest geformuleerde rechtsregels. De klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het oordeel houdt immers niet in dat geen sprake kan zijn van onrechtmatig handelen. Het hof onderzoekt wel degelijk of sprake is van onrechtmatig handelen, maar beantwoordt deze vraag uiteindelijk negatief. De klacht faalt derhalve.

3.13

Subonderdeel 2.2 betoogt dat het hof, in het kader van de gestelde aansprakelijkheid van Xando als moedervennootschap, ten onrechte een drietal essentiële stellingen van [naam maatschap] c.s. niet kenbaar in zijn beoordeling heeft betrokken.

3.14

De eerste twee stellingen betreffen de opgezette constructie waarbij Xando Nijmegen de huurovereenkomst is aangegaan terwijl Xando in het pand een onderneming dreef (stelling a.) en de (on)bekendheid van [naam maatschap] c.s. daarmee (stelling b.). Anders dan door het subonderdeel wordt betoogd, heeft het hof deze samenhangende stellingen wel degelijk in zijn beoordeling betrokken, door in rov. 5.3.1 te oordelen dat op die wijze niet onrechtmatig is gehandeld jegens [naam maatschap] c.s. zélf.

3.15

De in het subonderdeel onder c. genoemde stellingen houden in dat is ingestemd met de beëindiging van de onderhuurovereenkomst, waarmee een besluit is genomen dat voorzienbaar nadelig was voor Xando Nijmegen, en daarmee voor [naam maatschap] c.s. Het subonderdeel verwijst ter zake naar de randnummers 132.-136. van de memorie van grieven, waarin (onder meer) het volgende is gesteld:

“133. Naar de mening van [naam maatschap] kan er geen twijfel over bestaan dat het instemmen met het beëindigen van de onderhuurovereenkomst kwalificeert [als] een onverplichte rechtshandeling en/of als onbehoorlijk bestuur van het bestuur van Xando Nijmegen, op grond waarvoor de bestuurders RIS Consultants en [verweerder 1] jegens [naam maatschap] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die [naam maatschap] daardoor heeft geleden.

134. Voor zover moet worden aangenomen dat het bestuur van Xando Nijmegen tot het besluit, wat dus inging tegen haar eigen vennootschappelijke belang, is gekomen op basis van druk vanuit de moedervennootschap Xando B.V. geldt deze druk, naar de mening van [naam maatschap], op basis van de criteria van het eerder genoemde Osby-arrest eveneens aan te merken als een onrechtmatige daad jegens [naam maatschap], temeer nu Xando B.V. kon voorzien dat door het beëindigen van de (onder)huurovereenkomst [naam maatschap] als schuldeiser van Xando Nijmegen zou worden benadeeld. Op die grondslag is Xando B.V. eveneens aansprakelijk voor de

schade die [naam maatschap] daardoor heeft geleden.

135. [naam maatschap] meent voorts dat de bestuurders van Xando Nijmegen een ernstig verwijt van de door hen bewerkstelligde c.q. toegelaten beëindiging van de (onder)huurovereenkomst kan worden gemaakt, nu zij wisten, althans er ernstig rekening mee moesten houden dat Xando Nijmegen daardoor geen verhaal meer zou bieden voor de daaruit voor [naam maatschap] voortvloeiende schade en (slechts) een vordering op de (lege) vennootschap zou resteren. (…)” [onderstrepingen door mij, A-G]

3.16

[naam maatschap] c.s. hebben de zojuist in het citaat weergegeven stellingen ingenomen in het kader van grief 18, die zich richtte tegen de afwijzing van de vordering voor zover gegrond op paulianeus handelen, een grondslag die [naam maatschap] c.s. gedurende het hoger beroep hebben verlaten (voetnoot 5 hiervoor). Een en ander neemt echter niet weg dat in de hiervoor geciteerde passage onmiskenbaar is gesteld dat [verweerders] als bestuurder c.q. aandeelhouder onrechtmatig jegens [naam maatschap] c.s. hebben gehandeld door, samengevat, te bewerkstelligen dat Xando Nijmegen heeft ingestemd met beëindiging van de onderhuurovereenkomst met Xando. Het is echter de vraag of het hof de klachten om die reden buiten behandeling mocht laten. Volgens vaste rechtspraak van Uw Raad hoeven grieven niet aan bepaalde vormvereisten te voldoen en hoeven zij niet als zodanig aangeduid of op bepaalde wijze genummerd te worden.21 Daarbij is het, in beginsel, geoorloofd om grieven op te nemen in een lopend betoog en de grieven kunnen ook ‘verborgen’ zitten in een als toelichting op een (andere) grief aangemerkte tekst. In dat licht bezien kon het hof zojuist genoemde klachten niet buiten beschouwing laten op de enkele grond dat [naam maatschap] c.s. paulianeus handelen als grondslag hebben laten varen.

3.17

In de kern houden de stellingen in dat [verweerders] als bestuurder/aandeelhouder van Xando Nijmegen hebben bewerkstelligd dat laatstgenoemde onverplicht heeft ingestemd met (naar ik begrijp: vroegtijdige) beëindiging van de onderhuurovereenkomst. Uit de door het hof vastgestelde feiten volgt dat deze beëindiging ruim na 10 september 2009 heeft plaatsgevonden, namelijk in de periode eind 2012-begin 2013. Dat het verweten bewerkstelligen van instemming met die beëindiging dan vóór 10 september 2009 heeft plaatsgevonden, is niet aannemelijk, zodat het er niet voor kan worden gehouden dat het hof de stellingen in rov. 5.3.1 heeft verworpen, omdat [verweerders] op die wijze (hooguit) jegens voormalig eigenaar Jobatrust onrechtmatig zouden hebben gehandeld en de daaruit voor Jobatrust voortvloeiende vordering niet is overgedragen aan [naam maatschap] c.s. (randnummer 2.6 hiervoor). Het hof heeft de stellingen evenmin verworpen in rov. 5.3.2-5.3.4, in rov. 5.4 (paulianeus handelen) of – hetgeen gezien de door het hof gehanteerde tussenkopjes ook minder voor de hand zou liggen – in één van de daaropvolgende rechtsoverwegingen. Dit leidt tot de conclusie dat het hof de stellingen niet heeft besproken.22

3.18

Dit betekent dat de klacht van subonderdeel 2.2, voor zover deze ziet op de onder c. genoemde stellingen, slaagt indien de betreffende stellingen ‘essentiële stellingen’ zijn, die als zodanig niet onbesproken mogen blijven.23 Dat is naar mijn mening inderdaad het geval. Uitgaande van de juistheid van de stellingen van [naam maatschap] c.s., dat sprake was van een onderhuurovereenkomst tussen Xando Nijmegen en Xando en dat Xando Nijmegen onverplicht heeft ingestemd met de beëindiging daarvan, is niet bij voorbaat onaannemelijk het betoog van [naam maatschap] c.s. dat bij dat handelen eerder de belangen van [verweerders] dan die van Xando Nijmegen gebaat zijn. Zonder vooruit te willen lopen op de concrete beoordeling van de stellingen, een beoordeling die immers mede afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, meen ik dat het hof de stellingen in ieder geval niet onbesproken had mogen laten. Subonderdeel 2.2 slaagt derhalve ten aanzien van de in het subonderdeel onder c. genoemde stellingen.

Onderdeel 3

3.19

Onderdeel 3 bestaat uit twee subonderdelen die zich richten tegen rov. 5.3.1-5.3.4. Volgens subonderdeel 3.1 geven de oordelen in die rechtsoverwegingen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het hof heeft miskend dat (ook) in het onderhavige geval sprake kan zijn van het bestaan van een bijzondere zorgplicht (dan wel waarschuwingsplicht) aan de zijde van [verweerders] , langs de lijnen van het Comsys-arrest. Subonderdeel 3.2 betoogt dat het hof zijn oordeel ter zake niet voldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd door niet de in het subonderdeel als a. tot en met e. genummerde omstandigheden kenbaar in zijn beoordeling te betrekken.

3.20

Uit het bestreden arrest volgt, anders dan in subonderdeel 3.1 wordt betoogd, niet dat het hof heeft geoordeeld dat in een geval als het onderhavige geen sprake kan zijn van een (bijzondere) zorgplicht c.q. waarschuwingsplicht. Het hof heeft in rov. 5.3.2-5.3.4 immers onderzocht of op [verweerders] een waarschuwingsplicht rustte, doch deze vraag ontkennend beantwoord. Het subonderdeel faalt eveneens voor zover daarmee betoogd wordt dat de feiten en omstandigheden in deze zaak in zo’n sterke mate overeenstemmen met de feiten en omstandigheden die ten grondslag lagen aan het Comsys-arrest, dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door niet tot eenzelfde oordeel te komen als in het Comsys-arrest, hetgeen kort gezegd zou neerkomen op het aannemen van een zorgplicht jegens (in dit geval) [naam maatschap] c.s. Het subonderdeel miskent dat in de casus die ten grondslag lag aan het Comsys-arrest, de vennootschap waarin alle kosten vielen deze kosten niet volledig doorbelastte aan de vennootschap waarin de baten vielen, en aldus sprake was van een structureel verlieslatende vennootschap. Dat hetzelfde in deze zaak zou gelden voor Xando Nijmegen, is niet vastgesteld. Uit de in rov. 3.5.7 vastgestelde feiten lijkt immers te volgen dat Xando in ieder geval tot en met december 2012 de huur van het pand volledig – naar ik begrijp rechtstreeks aan de hoofdverhuurder (Jobatrust en later [naam maatschap] c.s.) – heeft betaald. Van een onvolledige doorbelasting en daaraan inherente structureel verlieslatende situatie voor Xando Nijmegen behoefde om die reden geen sprake te zijn.

3.21

Bovendien lijkt het onrechtmatig handelen dat aanleiding heeft gegeven tot het Comsys-arrest te liggen in (i) het niet waarschuwen voor de aan de structuur inherente risico’s en (ii) de keuze om de betreffende activiteiten desondanks voort te zetten. In deze zaak is juist de complicatie dat de structuur (de (onderhuur)constructie) al bestond vóórdat [naam maatschap] c.s. eigenaar werden van het pand. Door de koop/verkoop en eigendomsoverdracht van het pand zijn [naam maatschap] c.s. van rechtswege gebonden geraakt aan de reeds bestaande structuur. Dat [verweerders] op/na dat moment [naam maatschap] c.s. hadden moeten waarschuwen dat zij gebonden waren geraakt aan de risicovolle structuur ligt minder voor de hand, nu dat aan de gebondenheid immers niets meer had kunnen afdoen. Voor zover er derhalve langs de lijnen van het Comsys-arrest een waarschuwingsplicht zou moeten worden aangenomen, ligt het voor de hand dat deze plicht in de periode vóór 10 september 2009 (dus voordat [naam maatschap] c.s. het pand in eigendom hebben verkregen) wordt gesitueerd, zodat mag worden aangenomen dat het hof de (gestelde) schending daarvan om die reden in rov. 5.3.1 heeft verworpen. Dat [verweerders] (dan wel [naam maatschap] c.s.24) na 10 september 2009 op enig moment ondanks de (nadelen van de) constructie de keuze hebben gemaakt de constructie ongewijzigd voort te zetten (hetgeen impliceert dat ten minste één van partijen de mogelijkheid had de huurovereenkomst eenzijdig te beëindigen, maar dat niet heeft gedaan) is mij niet gebleken. Het middel verwijst ook niet naar een vindplaats waar deze stelling zou zijn ingenomen. In het licht van het voorgaande faalt de in subonderdeel 3.1 opgenomen rechtsklacht.

3.22

In het spoor hiervan faalt ook de klacht van subonderdeel 3.2, die inhoudt dat het hof een aantal omstandigheden ten onrechte niet kenbaar in zijn beoordeling zou hebben betrokken. De onder a. tot en met c. genoemde omstandigheden betreffen immers, samengevat, slechts een beschrijving van de, naar de stelling van [naam maatschap] c.s., risicovolle structuur. Nu het ervoor moet worden gehouden dat het hof aansprakelijkheid van [verweerders] op grond van de risicovolle structuur heeft verworpen in rov. 5.3.1 (randnummers 3.14 en 3.21 hiervoor), behoefde het hof deze omstandigheden niet verder in zijn oordeel te betrekken. Het subonderdeel maakt niet duidelijk waarom de omstandigheid dat het pand contractueel de bestemming winkelruimte ten behoeve van Apple-producten had (omstandigheid d.), relevant is in het kader van de gestelde risicovolle structuur.25 Het oordeel van het hof houdt in de kern in dat [verweerders] geen maatregelen behoefden te nemen om de belangen van [naam maatschap] c.s. te beschermen. Dat [verweerders] dergelijke maatregelen, naar de stelling van [naam maatschap] c.s., ook niet hebben genomen (omstandigheid e.) behoeft gezien dat oordeel dan ook niet meer in de beoordeling te worden betrokken. Subonderdeel 3.2 faalt derhalve, zodat onderdeel 3 vergeefs wordt voorgesteld.

Onderdeel 4

3.23

Ook onderdeel 4 richt zich tegen rov. 5.3.1-5.3.4.

3.24

Subonderdeel 4.1 betoogt samengevat dat het hof heeft miskend dat op Xando, als moedervennootschap, gezien de risicovolle structuur een rechtstreekse (bijzondere) zorgplicht rustte jegens [naam maatschap] c.s. De klachten falen in het spoor van hetgeen ik hiervoor (randnummers 3.20 en 3.21) ten aanzien van subonderdeel 3.1 heb overwogen.

3.25

Subonderdeel 4.2 betoogt dat het oordeel dat geen sprake is van onrechtmatig handelen van [verweerders] zonder nadere motivering niet voldoende begrijpelijk is in het licht van een twaalftal, in het subonderdeel onder a. tot en met l. genoemde, omstandigheden. De onder a. tot en met e. genoemde omstandigheden betreffen een omschrijving van de risicovolle structuur. Dat het oordeel van het hof ten aanzien van deze omstandigheden niet onbegrijpelijk is in het licht van deze stellingen volgt uit hetgeen ik hiervoor (randnummers 3.20 en 3.21) ten aanzien van subonderdeel 3.1 heb overwogen. De onder f. genoemde omstandigheid betreft de omstandigheid dat het pand contractueel de bestemming winkelruimte ten behoeve van Apple-producten had. Ook in dit kader laten [naam maatschap] c.s. na de relevantie van deze omstandigheid toe te lichten. Ik volsta met te verwijzen naar randnummer 3.22 hiervoor. Het hof heeft in de rov. 5.3.2-5.3.4 afdoende duidelijk en begrijpelijk gerespondeerd op gestelde omstandigheid dat [verweerders] [naam maatschap] c.s. niet (tijdig) hebben gewaarschuwd over het feit dat de APR-winkel niet meer in het pand kon worden geëxploiteerd en de daaropvolgende verhuizing (omstandigheden g. en h.). In zoverre faalt subonderdeel 4.2.

3.26

Het subonderdeel betoogt echter terecht dat het oordeel dat [verweerders] niet onrechtmatig jegens [naam maatschap] c.s. hebben gehandeld, onbegrijpelijk is in het licht van de (gestelde) omstandigheden i. tot en met l., die kort gezegd inhouden dat [verweerders] hebben bewerkstelligd dat de onderhuurovereenkomst tussen Xando Nijmegen en Xando (onverplicht) werd beëindigd, waardoor er een situatie van betalingsonmacht aan de zijde van Xando Nijmegen werd gecreëerd en aldus op onrechtmatige wijze in strijd met de belangen van [naam maatschap] c.s. is gehandeld. [naam maatschap] c.s. hebben zich hierop zowel jegens RIS en [verweerder 1] als (indirect) bestuurder als jegens Xando als aandeelhouder beroepen (randnummer 3.15 hiervoor). In het kader van subonderdeel 2.2, dat alleen op Xando ziet, besprak ik reeds dat het hof ten onrechte niet op deze essentiële stelling(en) heeft gerespondeerd. Een en ander geldt evenzeer voor zover [naam maatschap] c.s. hebben betoogd dat RIS en [verweerder 1] als (indirect) bestuurder van Xando Nijmegen onrechtmatig hebben gehandeld. Ik verwijs kortheidshalve naar de randnummers 3.16-3.18 hiervoor. In het licht van deze ten onrechte onbesproken gelaten essentiële stellingen is het oordeel dat [verweerders] niet onrechtmatig jegens [naam maatschap] c.s. hebben gehandeld onbegrijpelijk, zodat subonderdeel 4.2 in zoverre slaagt.26

3.27

Het voorgaande leidt er toe dat de subonderdelen 2.2 en 4.2 (ten dele slagen) en de overige (sub)onderdelen falen. Het bestreden arrest dient derhalve te worden vernietigd.

4 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 De feitenweergave is – behoudens andere vermelding – gebaseerd op rov. 3.5.1-3.5.10 van het bestreden arrest, hof Arnhem-Leeuwarden 19 december 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:11497, TvHB 2018/11 m.nt. A. Wijnans.

2 De omschrijving van de vorderingen (randnummer 2.2 van deze conclusie) is ontleend aan rov. 4.1 van het bestreden arrest. De omschrijving van de grondslag van de vorderingen (randnummer 2.3 van deze conclusie) is ontleend aan rov. 4.1 en 5.1.1 van het bestreden arrest.

3 HR 25 september 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4232, NJ 1982/443 m.nt. J.M.M. Maeijer (Osby).

4 HR 11 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH4033, NJ 2009/565 m.nt. H.J. Snijders en P. van Schilfgaarde, JOR 2009/309 m.nt. I. Spinath en Ars Aequi 2010, p. 102 e.v. m.nt. S.M. Bartman (Comsys e.a./mr. Van den End q.q.).

5 Het hof heeft in rov. 5.1.2 geoordeeld dat [naam maatschap] c.s. de grondslag van paulianeus handelen (onrechtmatige daad) niet hebben gehandhaafd en derhalve geen belang hebben bij afzonderlijke behandeling van grief 18, die daarop zag. Dit oordeel is in cassatie onbestreden.

6 In dit verband overweegt het hof, onder verwijzing naar HR 12 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3370, NJ 2000/222 m.nt. A.R. Bloembergen ([…] /Staat), dat vorderingen uit onrechtmatige daad geen nevenrechten zijn die van rechtswege mee zijn overgegaan met de contractuele rechten van Jobatrust op [naam maatschap] c.s.

7 Deze formulering (‘onrechtmatig jegens [naam maatschap] c.s. zelf’) wordt zowel door het hof als in de stukken van [naam maatschap] c.s. gehanteerd en beoogt kennelijk uit te drukken dat onrechtmatig jegens hen en niet (enkel) jegens hun voorganger Jobatrust zou (moeten) zijn gehandeld.

8 Daarbij hebben [naam maatschap] c.s. ter onderbouwing verwezen naar HR 24 mei 2013, ECLI:NL:2013:BZ1782, NJ 2013/540 m.nt. J.L.R.A. Huydecoper (Credit Suisse/Subway Rotterdam BV).

9 Het gaat in dit geval om aansprakelijkheid van bestuurder en/of aandeelhouder jegens een derde (externe aansprakelijkheid) en niet jegens de vennootschap zelf (interne aansprakelijkheid).

10 Vgl. HR 23 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1204, NJ 2014/325 m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2014/229 m.nt. J. van Bekkum, JIN 2014/129 m.nt. J. van der Kraan en Ondernemingsrecht 2014/141 m.nt. M.H.C. Sinninghe Damsté (K./mr. Maas q.q.), rov. 3.3.3.

11 Zie onder meer HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2628, NJ 2015/21 m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2014/296 m.nt. M.J. Kroeze, Ars Aequi 2014, p. 933 e.v. m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers en OR-Updates.nl 2014-0415 m.nt. M. Mussche (Tulip Air), rov. 3.5.2, HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2930, RvdW 2014/1133 en OR-Updates.nl 2014-0361 m.nt. J.H.L. Beckers (Kameleon Beheer IV BV), rov. 4.5.2 en recent HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:470, NJ 2018/330 m.nt. P. van Schilfgaarde, Ars Aequi 2018, p. 502 e.v. m.nt. B.F. Assink, Ondernemingsrecht 2018/81 m.nt. M.L. Lennarts en JIN 2018/95 m.nt. R.A. Wolf (X/TMF Netherlands B.V. c.s.), rov. 3.3.2.

12 Vgl. art. 2:81 BW inzake de naamloze vennootschap en art. 2:192 BW inzake de besloten vennootschap.

13 Wat overigens niet uitsluit dat er tussen de crediteur en de aangesproken bestuurder/aandeelhouder wel een andere (contractuele) verbintenis zou kunnen bestaan, bijvoorbeeld een (concern)garantieverbintenis of een hoofdelijkheidsverklaring.

14 Zie bijvoorbeeld W.A. Westenbroek, Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie, diss., Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 313 e.v. en N.J. Polak & M. Pannevis, Insolventierecht, Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 197.

15 Het begrip ‘totstandkomen’ moet daarbij mijns inziens niet te eng worden begrepen. Onder die noemer zou evenzeer verwijtbaar kunnen worden geoordeeld dat een reeds bestaande (duur)overeenkomst is verlengd, uitgebreid of juist – zo de overeenkomst de mogelijkheid van beëindiging zou bieden – niet is beëindigd in de (objectieve) wetenschap dat de vennootschap haar verplichtingen niet zal kunnen nakomen en geen verhaal zal bieden voor de daardoor ontstane schade. Vgl. B.F. Assink/W.J. Slagter, Compendium Ondernemingsrecht, Deventer: Kluwer 2013, p. 1112, onder verwijzing naar onder meer HR 21 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4499, NJ 2005/96 m.nt. S.C.J.J. Kortmann, TvI 2002, p. 180 e.v. m.nt. W.J.M. van Veen, Ondernemingsrecht 2002/9 m.nt. M.L. Lennarts, Ars Aequi 2003, p. 105 e.v. m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers en JOR 2002/38 m.nt. S.M. Bartman ([…] / […] II).

16 Vgl. B.F. Assink/W.J. Slagter, Compendium Ondernemingsrecht, Deventer: Kluwer 2013, p. 1114-1115.

17 HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758, NJ 2006/659 en Ondernemingsrecht 2007/36 m.nt. J.B. Wezeman (Ontvanger/ […]), rov. 3.5.

18 Vgl. A.J.M. Klein Wassink, ‘Gedachten over de invulling van moederlijke zorgplichten in doorbraaksituaties’, Ondernemingsrecht 2016/79, p. 383 e.v. en B.F. Assink/W.J. Slagter, Compendium Ondernemingsrecht, Deventer: Kluwer 2013, p. 2261.

19 Zie B.F. Assink/W.J. Slagter, Compendium Ondernemingsrecht, Deventer: Kluwer 2013, p. 2262-2265, A.J.M. Klein Wassink, ‘Gedachten over de invulling van moederlijke zorgplichten in doorbraaksituaties’, Ondernemingsrecht 2016/79, p. 383 e.v. en P. van Schilfgaarde, J.D.M. Schoonbrood, J.W. Winter & J.B. Wezeman, Van de BV en de NV, Deventer: Wolters Kluwer 2017, nr. 49 onder verwijzing naar enkele illustratieve gevallen uit de rechtspraak.

20 Zie de voorbeelden van concernaansprakelijkheid genoemd door A.J.M. Klein Wassink, ‘Gedachten over de invulling van moederlijke zorgplichten in doorbraaksituaties’, Ondernemingsrecht 2016/79, p. 383 e.v.

21 HR 9 september 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1439, NJ 1995/6 ([…] / […] BV), rov. 3.2.

22 Anders dan [verweerders] in hun schriftelijke toelichting, randnummer 26., lees ik in rov. 5.3.3 niet dat het hof de in het subonderdeel bedoelde stellingen heeft ontzenuwd.

23 Vgl. HR 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR4151, NJ 2005/271 en Ondernemingsrecht 2005/45 m.nt. A. Wiggers ([…] B.V./ […]). Zie ook A.I.M. van Mierlo, in T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 30 Rv, aant. 1 en Asser Procesrecht/I. Giesen, Deel 1. Beginselen van burgerlijk procesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2015, nr. 457.

24 Waarmee ik doel op de mogelijkheid dat [naam maatschap] c.s. op enig moment (vanaf 10 september 2009) de mogelijkheid zouden hebben gehad de huurovereenkomst al dan niet voort te zetten. Een eventuele waarschuwingsplicht voor [verweerders] langs de lijnen van het Comsys-arrest zou, zo zou althans kunnen worden betoogd, ook op dat moment betrokken kunnen worden.

25 [naam maatschap] c.s. herhalen dit standpunt in hun schriftelijke repliek (randnummer 10.), maar ook op die plaats wordt niet duidelijk waarom deze omstandigheid in dit kader relevant is.

26 Anders dan [verweerders] in hun schriftelijke toelichting, randnummer 34., lees ik in rov. 5.3.4 niet dat het hof de in het subonderdeel bedoelde stellingen heeft verdisconteerd.