Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:1370

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
20-12-2019
Datum publicatie
10-01-2020
Zaaknummer
19/03395
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:961, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Familierecht. Ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. Verzoek om deskundigenonderzoek (art. 810a lid 2 Rv). Kan zodanig verzoek alleen worden gedaan met het oog op contra-expertise tegen onderzoeksrapport Raad voor de Kinderbescherming of gecertificeerde instelling?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2020/99
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/03395

Zitting 20 december 2019

CONCLUSIE

M.L.C.C. Lückers

In de zaak

[de moeder]

(hierna: de moeder),

verzoekster tot cassatie,

advocaat: mr. A.H.M. van den Steenhoven

tegen

1. Stichting Jeugdbescherming Brabant

(hierna: de Gecertificeerde Instelling (GI)),

2. [de vader]

(hierna: de vader),

verweerders in cassatie,

niet verschenen.

Deze zaak betreft de verlenging van een ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing. Daarbij is in hoger beroep door de moeder een verzoek om contra-expertise op grond van art. 810a lid 2 BW gedaan, dat door het hof is afgewezen omdat er nog geen deskundigenonderzoek tot stand is gekomen waartegen de moeder dit verzoek zou kunnen indienen. Daartegen wordt in cassatie opgekomen, met als argument dat ook bij het ontbreken van een door de Raad voor de Kinderbescherming of de gezinsvoogdij-instelling (GI) verricht onderzoek een verzoek tot (contra-)expertise door de ouder kan worden gedaan. Bijzonderheid in dit geval is dat de moeder het door de GI noodzakelijk geachte onderzoek langdurig heeft gefrustreerd, waardoor dit (nog) niet tot stand heeft kunnen komen. Ook gaat het uitdrukkelijk om een verzoek van de moeder tot het horen van door haar genoemde ‘deskundigen’, en niet om een verzoek tot het gelasten van nader onderzoek en het uitbrengen van een deskundige rapportage. In de literatuur en jurisprudentie wordt verschillend gedacht over de afwijzing van een verzoek om contra-expertise als er aan het standpunt van Raad voor de Kinderbescherming of de GI geen onderzoek ten grondslag ligt. De praktijk lijkt behoefte te hebben aan een oordeel van Uw Raad op dit specifieke punt.

1 Feiten en procesverloop

1.1

In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten1:

(i) Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder en de vader zijn, voor zover hier van belang, geboren:

- [kind 1] (hierna: [kind 1] ), op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] ;

- [kind 2] (hierna: [kind 2] ), op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] ;

hierna ook gezamenlijk te noemen: de kinderen of de minderjarigen.

(ii) Het ouderlijk gezag over [kind 1] en [kind 2] wordt uitgeoefend door de ouders.

(iii) De kinderen hebben formeel hun hoofdverblijfplaats bij de moeder, maar verblijven feitelijk sinds 12 juni 2018 bij de vader op grond van daartoe strekkende (spoed)machtigingen uithuisplaatsing. Op 12 juni 2018 heeft er een incident plaatsgevonden waarbij de moeder is ingestort en met de ambulance is afgevoerd.

(iv) Er geldt – althans er gold ten tijde van de uitspraak van 28 september 2018 in eerste aanleg in de onderhavige procedure – een contactregeling tussen de moeder en [kind 1] en [kind 2] , waarbij [kind 1] en [kind 2] om de week een heel weekend bij de moeder verblijven.

(v) De kinderen staan sinds 23 november 2015 onder toezicht van de GI. Voorafgaand aan de onderhavige procedure is de ondertoezichtstelling van de kinderen voor het laatst bij beschikking van 7 februari 2018 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant verlengd, namelijk tot 23 augustus 2018.

1.2

Bij mondelinge verzoeken van 12 juni 2018 (bevestigd in inleidende verzoekschriften van 13 juni 2018) heeft de GI de rechtbank Zeeland-West-Brabant verzocht om (spoed)machtigingen te verlenen tot uithuisplaatsing van [kind 1] en [kind 2] bij de vader voor de duur van de ondertoezichtstelling (tot 23 augustus 2018).

1.3

Bij op schrift gestelde beschikkingen van mondelinge beslissingen van 12 juni 2018 heeft de rechtbank spoedmachtigingen afgegeven tot uithuisplaatsing van [kind 1] en [kind 2] bij de vader voor de duur van twee weken met ingang van 12 juni 2018 (dus tot 26 juni 2018), deze uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de beslissing voor het overige aangehouden.2

1.4

Bij inleidende verzoekschriften van 20 juni 2018 heeft de GI de rechtbank Zeeland-West-Brabant verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling van [kind 1] en [kind 2] voor de duur van een jaar met ingang van 23 augustus 2018.

1.5

De moeder heeft verweer gevoerd tegen het verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen.

1.6

Deze zaken zijn door de rechtbank verder gevoegd behandeld en beslist.

1.7

Op 26 juni 2018 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Op de zitting heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van [kind 1] en [kind 2] – ambtshalve en mondeling – met ingang van 23 augustus 2018 tot uiterlijk 1 oktober 2018 verlengd, zodat het overige deel van het verzoek om verlenging van de ondertoezichtstelling nog op een latere zittingsdatum kon worden behandeld. Partijen hebben op de zitting aangegeven zich te kunnen vinden in deze ambtshalve verlenging van de ondertoezichtstelling. Verder heeft de rechtbank op de zitting mondeling een machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 1] en [kind 2] bij de vader verleend voor de duur van twee weken (tot 12 juli 2018).

1.8

Bij beschikking van 3 juli 2018 zijn deze mondelinge uitspraken schriftelijk bevestigd. Bij diezelfde beschikking heeft de rechtbank een machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 1] en [kind 2] bij de vader verleend met ingang van 12 juli 2018 tot uiterlijk 1 oktober 2018. De rechtbank heeft al deze beslissingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Zij heeft iedere verdere beslissing (met betrekking tot het verzoek tot ondertoezichtstelling voor de overige termijn) aangehouden.

1.9

Bij inleidende verzoekschriften van 10 september 2018 heeft de GI de rechtbank Zeeland-West-Brabant verzocht om verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 1] en [kind 2] bij de vader met ingang van 1 oktober 2018 voor de duur van de ondertoezichtstelling.

1.10

Ook deze zaak is in de verdere procedure samen met de overige zaken behandeld en beslist.

1.11

Op 17 september 2018 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De moeder heeft op de zitting verweer gevoerd tegen het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing en tegen het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling. Ze heeft verzocht beide verzoeken af te wijzen, dan wel alleen het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling toe te wijzen, maar dan slechts voor een periode van drie maanden.

1.12

Bij beschikking van 28 september 2018 heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van [kind 1] en [kind 2] met ingang van 1 oktober 2018 verlengd tot 23 augustus 2019 en de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 1] en [kind 2] bij de vader met ingang van 1 oktober 2018 verlengd tot 1 april 2019. De rechtbank heeft de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard en iedere verdere beslissing (met betrekking tot het verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing voor de overige termijn) aangehouden.

1.13

Bij op 2 augustus 2018 ingekomen beroepschrift is de moeder in hoger beroep gekomen van de beschikking van 26 juni 2018 (mondeling gedeelte) en 3 juli 2018 (schriftelijk gedeelte) bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Zij heeft daarbij verzocht de beschikking, voor zover het betreft de verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader van de kinderen, te vernietigen en de GI te gelasten de kinderen terug te geleiden naar de moeder aan wie zij voorlopig zijn toevertrouwd.

1.14

De GI heeft verweer gevoerd en verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de beschikking van 26 juni 2018 en 3 juli 2018 in stand te laten. Ook de vader heeft verweer gevoerd en verzocht het beroep van de moeder af te wijzen.

1.15

Bij op 28 december 2018 ingekomen beroepschrift is de moeder in hoger beroep gekomen van de beschikking van 28 september 2018 bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Zij heeft daarbij verzocht de beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing per direct te beëindigen, althans (subsidiair) alleen de uithuisplaatsing per direct te beëindigen.

Ook heeft zij een verzoek gedaan om enkele door haar genoemde personen aan te merken als deskundigen als bedoeld in art. 810a Rv. en hen op te roepen om op zitting te worden gehoord (en hen niet te gelasten tot het doen van nader onderzoek en het uitbrengen van een deskundige rapportage). Het betreft [betrokkene 1] (Gz-psycholoog en psychotherapeut, werkzaam bij [A] ), [betrokkene 2] (huisarts) en [betrokkene 3] (huisvriend en medicus).

1.16

De vader heeft verweer gevoerd en verzocht het beroep van de moeder af te wijzen en de beschikking van 28 september 2018 te bevestigen.3

1.17

Het hof heeft de zaken gevoegd behandeld en beslist.

1.18

Nadat op de zitting van 28 maart 2019 een mondelinge behandeling had plaatsgevonden, heeft het hof bij beschikking van 18 april 20194 de bestreden beschikkingen bekrachtigd voor zover die aan het oordeel van het hof waren onderworpen (dus wat betreft de verlenging van de ondertoezichtstelling en de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen bij de vader). Het hof heeft het verzoek van de moeder met betrekking tot art. 810a Rv. afgewezen (rov. 3.8.10).

1.19

De moeder heeft tegen deze beschikking – tijdig5 – beroep in cassatie ingesteld. De GI en de vader hebben geen verweer gevoerd.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

Het middel – onderdeel 1

2.1

De moeder heeft één middel van cassatie voorgesteld, dat bestaat uit twee onderdelen.

2.2

Onderdeel 1 is gericht tegen rov. 3.8.10 van de bestreden beschikking, waarin het hof het verzoek van de moeder om de door haar genoemde personen als deskundigen als bedoeld in art. 810a Rv. te horen, afwijst op grond van de volgende argumentatie:

“ - Verzoek onderzoek 810a Rv

3.8.10.

Artikel 810a lid 2 Rv voorziet expliciet in de mogelijkheid om in zaken betreffende kinderbeschermingsmaatregelen aan de rechter een deskundigenonderzoek (contra-expertise) te verzoeken. In de onderhavige zaak is er nog geen deskundigenonderzoek tot stand gekomen waartegen de moeder dit verzoek zou kúnnen indienen. Het hof wijst dit verzoek dan ook af.”

Het onderdeel is mede gericht tegen de rov. 3.8.6, 3.8.7 en 3.8.8 voor zover daarin vervatte beslissingen verband houden met het door het hof aangenomen gebrek aan inzicht in de opvoedsituatie bij de moeder thuis. Deze overwegingen – uitmondend in de slotsom van rov. 3.8.9 – luiden als volgt (ik heb hierin reeds enkele passages onderstreept, waarnaar ik later terug zal verwijzen):

“ - Ondertoezichtstelling

3.8.6.

[kind 1] en [kind 2] zijn in november 2015 onder toezicht gesteld omdat zij ernstig in hun ontwikkeling werden bedreigd. De ondertoezichtstelling is sindsdien onafgebroken verlengd. Door de jaren heen is de bedreiging niet afgenomen. Integendeel, het hof is van oordeel dat de dreiging juist is toegenomen en sturing vanuit de GI nog steeds hard nodig is. Tussen de ouders is sprake van een langdurige forse strijd, een verstoorde communicatie en duidelijk is dat de kinderen hier steeds meer last van krijgen. Met name [kind 1] kampt met heftige loyaliteitsproblemen en hij lijkt zich steeds meer af te sluiten voor de hulpverlening. Volgens de GI is [kind 1] ‘hulpverleningsmoe’. Door de jaren heen zijn de kinderen steeds meer onderdeel gaan uitmaken van de strijd tussen hun ouders en dit vormt een ernstige bedreiging voor hun ontwikkeling. Een zorg die het hof hierbij heeft is dat de moeder de kinderen moedwillig lijkt te betrekken in haar strijd. De GI heeft ter zitting onbetwist verklaard dat de moeder geluidsopnames heeft gemaakt waarin de kinderen zeggen dat ze vaker bij haar willen zijn en dat de moeder een fragment heeft waarin [kind 2] verklaart dat [kind 1] alleen thuis is. Het hof acht dit een zorgelijke gang van zaken. Dat de kinderen hebben te lijden van dit soort gedragingen van de moeder en dat zij bekneld raken omdat zij in dit soort conflicten worden betrokken, staat voor het hof zonder meer vast.

De moeder stelt dat zij het gedwongen kader van de ondertoezichtstelling niet nodig heeft om te waarborgen dat de kinderen de hulpverlening krijgen die zij nodig hebben. Het hof overweegt dat de moeder weliswaar een beroep heeft gedaan op veel hulpverleners, maar dat deze vooral dienend lijken te zijn aan de moeder en haar opvattingen, en niet primair voor de kinderen worden ingeschakeld. Het gedwongen kader van de ondertoezichtstelling kan de ouders – en daarmee: de kinderen – juist helpen om in een rustiger vaarwater te komen met elkaar. De ouders willen graag verandering en zijn moe van de strijd, maar slagen er niet in om de geboden hulpverlening daadwerkelijk om te zetten in een gedragsverandering. Sturing vanuit het gedwongen kader is noodzakelijk, ook om de hulpverlening op gang te krijgen. Ter zitting van het hof is gesproken over ‘parallel ouderschap’, waarbij de communicatie tussen de ouders beperkt blijft. Dit houdt in dat de ouders ieder voor zich het ouderschap vorm geven en zich daarbij zo min als mogelijk met het ouderschap van de andere ouder bemoeien. In de gegeven situatie is parallel ouderschap goed denkbaar. Het hof begrijpt dat beide ouders hieraan zouden willen meewerken. Indien de ouders daadwerkelijk een start willen maken met ‘parallel ouderschap’ – iets wat hof toejuicht – is interventie van de GI noodzakelijk om dit traject van de grond te krijgen en te doen slagen.

3.8.7.

Hoewel de moeder betoogt alle hulpverlening te accepteren, blijkt dit niet uit haar handelingen. De moeder koestert een langdurig en diepgeworteld wantrouwen richting de hulpverlening. Gezien de forse zorgen en signalen van onveiligheid, wilde de Gl eind 2017 systeembreed diagnostiek laten verrichten. De casus is aan 9 grote zorgaanbieders voorgelegd. [B] en [C] waren bereid om gezamenlijk het onderzoek te verrichten. De GI heeft de kinderen vervolgens aangemeld bij [B] en [C] voor een volledig diagnostiektraject. Het hof is van oordeel dat het onderzoek dringend nodig was – en nog steeds is – naar de kindeigen problematiek van [kind 1] en [kind 2] en om meer [dient er] zicht te krijgen op de opvoedsituatie van de kinderen bij de moeder. Nadat de moeder meerdere voorwaarden en kanttekeningen had geplaatst bij het af te nemen onderzoek door [C] was zij – aanvankelijk – akkoord gegaan met het diagnostiektraject onder de voorwaarde dat de resultaten niet met de GI zouden worden gedeeld. Dit vormt een wezenlijke belemmering in de in te zetten hulpverlening aan de kinderen door de GI. Het hof is niet bekend of de moeder hier inmiddels anders over denkt. Los daarvan is ter zitting gebleken dat [C] niet langer bereid is om het onderzoek uit te voeren. De Gl heeft ter zitting van het hof verklaard dat [C] al een half jaar bezig is om te proberen de ouders bij elkaar te krijgen en goedkeuring te krijgen voor de start van het onderzoek. Vorige maand waren de ouders weliswaar beiden akkoord gegaan met het onderzoek van [C] en de onderzoekvragen, maar het traject stagneerde omdat de moeder haar persoonlijke goedkeuring weigerde te verlenen. Zij had – wederom – meerdere opmerkingen en wilde van alles uit het verleden meenemen. De Gl heeft onbetwist verklaard dat [C] onder deze omstandigheden heeft afgezien van het onderzoek. Het is nog onduidelijk welk onderzoek er nu nog kan worden ingezet.

Naar het oordeel van het hof is hulpverlening in een gedwongen kader noodzakelijk om de ontwikkelingsbedreigingen af te wenden, omdat niet te verwachten is dat hulpverlening in een vrijwillig kader voldoende van de grond zal komen. Het is van oordeel dat de kinderen nog steeds ernstig worden bedreigd in hun ontwikkeling en dat de ondertoezichtstelling terecht is verlengd met de duur van een jaar.

- Uithuisplaatsing

3.8.8

Het hof stelt voorop dat het incident van 12 juni 2018 niet de enige reden is die ten grondslag ligt aan (het verzoek tot) de uithuisplaatsing. Er waren al langer ernstige zorgen over de kinderen, met name vanwege de impact op hen van de heftige en complexe strijd die de ouders met elkaar voeren. De zorgen betroffen vooral [kind 1] . Uit het verzoek spoedmachtiging van 13 juni 2018 van de Gl blijkt dat zijn schoolprestaties achteruit gingen, zijn schoolverzuim toenam en hij zelfbepalend gedrag vertoonde. Sinds de kinderen bij de vader verblijven, is er sprake van een positieve ontwikkeling. De vader accepteerde meteen de hulpverlening vanuit [B] , werkte mee aan hulpvragen over de oudercommunicatie en heeft volledig inzicht gegeven in zijn opvoedsituatie. Bij de moeder is dit zicht er tot op heden niet. De moeder heeft een gesprek gehad met [B] en heeft daarin te kennen gegeven geen hulpvraag te hebben en zij merkte bovendien op dat zij de betreffende hulpverlener niet geschikt vond.

Gebleken is dat de vader tegemoet komt aan de behoeften van de kinderen. De GI heeft verklaard dat het prettig samenwerken is met de vader: hij is goed aanspreekbaar en de hulpverlening voor de kinderen komt op gang. [kind 1] en [kind 2] ervaren meer rust nu en zitten beter in hun vel. De GI heeft de indruk dat de moeder met name de strijd voorop zet en in mindere mate de kinderen. Als de GI met de moeder in gesprek gaat, haalt zij vaak zaken uit het verleden erbij. Bij de vader ervaart de GI het anders: de kinderen zijn voor hem het belangrijkste en de gesprekken gaan over de kinderen. De vader heeft ter zitting verklaard dat hij heel trots is op [kind 1] . Na een moeilijke start op een nieuwe school, haalt [kind 1] nu mooie cijfers en mag hij volgend schooljaar op een hoger niveau onderwijs volgen. Ook [kind 2] is op school vooruit gegaan. De school signaleert dat [kind 2] rustiger en vrolijker is sinds zij bij de vader verblijft. De GI ziet in [kind 1] en [kind 2] twee vrolijke kinderen die aangeven het fijn te hebben bij hun vader. Het hof is van oordeel dat het in het belang van de kinderen noodzakelijk is dat deze positieve lijn de komende tijd gewaarborgd blijft, zodat de rust behouden wordt en de ingezette hulpverlening gecontinueerd kan worden. Evenals de rechtbank, is het hof er niet van overtuigd dat de moeder de voor de kinderen ingeschakelde hulpverlening zal continueren als de kinderen weer bij haar zouden wonen. De moeder vertoont nog steeds een heftige weerstand richting de hulpverlening en zij stelt allerlei voorwaarden die verhinderen dat de hulpverlening op gang wordt gebracht. Onder al deze omstandigheden is de noodzaak van (continuering van) de uithuisplaatsing zonder meer vast komen te staan. Het is voor het hof duidelijk dat de kinderen bij de moeder thuis niet de hulp krijgen die zij nodig hebben en dat de opvoedomgeving van de vader momenteel beter aansluit bij wat de kinderen nodig hebben: rust en ruimte om zich te ontwikkelen zonder meegezogen te worden in de strijd die hun ouders met elkaar voeren.

3.8.9

Het hof zal de bestreden beschikkingen bekrachtigen voor zover aan zijn oordeel onderworpen, dus wat betreft de verlenging van de ondertoezichtstelling en de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen bij de vader.”

2.3

Het onderdeel vermeldt dat de moeder in het beroepschrift van 28 december 2018 een verzoek heeft gedaan op grond van art. 810a lid 2 Rv. In dat beroepschrift stelt zij het volgende:

Ten aanzien van het verzoek ex artikel 810a Rv:

Onder verwijzing naar onder meer het gestelde in de onderstaande grief 4 met toelichting constateert de moeder dat de rechtbank in eerste aanleg vond dat zij in onvoldoende mate waren geïnformeerd ten aanzien van de opvoedkundige situatie bij de moeder als de kinderen daar waren/zijn. Om hieraan tegemoet te komen en niet de uitkomsten van het naar verwachting nog de nodige tijd in beslag nemende onderzoek van [B] / [C] af te wachten heeft de moeder de navolgende deskundigen die uw gerechtshof kunnen informeren ten aanzien van de gang en stand van zaken voor wat betreft de opvoedkundige situatie van de minderjarigen als zij bij de moeder zijn en tevens van die als de kinderen bij de vader zijn, te weten:

[volgt een opsomming van drie personen die de moeder als deskundige wil laten horen, en een korte beschrijving van die personen, AG]

Door het doen horen van deze deskundigen (en dus niet het hen gelasten van het doen van een nader onderzoek en het doen laten uitbrengen van een deskundige rapportage) die ieder en tezamen een zeer specifieke bijdrage in het komen tot een gedegen beslissing in deze kunnen hebben en wiens observaties en bevindingen ten aanzien van de situatie van de kinderen en hun opvoedkundige situatie bij de vrouw over geruime tijdsperiode uit eigen professionele wetenschap kunnen verklaren, kan de afhandeling van dit beroep niet worden vertraagd en is dit ook nog eens in het belang van de kinderen.

Moeder verzoekt uw gerechtshof dan ook voornoemde deskundigen als deskundige ex artikel 810a Rv aan te merken en aan hen een oproeping te doen laten uitgaan om ter zitting te worden gehoord.”6

Ik voeg hieraan toe dat de moeder haar verzoek in een latere brief aan het hof herhaalt, waarbij zij de eerste volzin van de eerste alinea daarvan heeft vervangen door de volgende twee volzinnen (hier cursief weergegeven):

Ten aanzien van het verzoek ex artikel 810a Rv:

De UHP is afgegeven op grond van het feit dat er acute zorgen zouden zijn ten aanzien van het opvoedklimaat bij cliënte, moeder, hetgeen getriggerd is door de vermeende uitval (waarvan moeder de juistheid van die aanname heeft kunnen weerleggen met verklaringen van huisarts, tandarts en neuroloog) van moeder op 12 juni 2018. Op de opvoedkundige situatie bij de moeder als de kinderen daar waren/zijn, zou te weinig zicht zijn. Om hieraan tegemoet te komen en niet de uitkomsten van het naar verwachting nog de nodige tijd in beslag nemende onderzoek van [B] / [C] af te wachten heeft de moeder de navolgende deskundigen die uw gerechtshof kunnen informeren ten aanzien van de gang en stand van zaken voor wat betreft de opvoedkundige situatie van de minderjarigen als zij bij de moeder zijn en tevens van die als de kinderen bij de vader zijn, te weten:

(…)”

2.4

Het onderdeel klaagt dat het hof in zijn afwijzing van dit verzoek in rov. 3.8.10 is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Een voldoende concreet en ter zake dienend verzoek tot toepassing van art. 810a lid 2 Rv., dat feiten en omstandigheden bevat die zich lenen voor een onderzoek door een deskundige, moet in beginsel worden toegewezen indien de rechter geen feiten en omstandigheden aanwezig oordeelt op grond waarvan moet worden aangenomen dat toewijzing van het verzoek strijdig is met het belang van het kind.7 De bepaling van art. 810a lid 2 Rv. en zijn ratio – het bevorderen dat ouders van een minderjarige een standpunt van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: RvdK) in een zaak over een maatregel van jeugdbescherming die wezenlijk ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer en het familie- en gezinsleven, desgewenst gemotiveerd kunnen weerspreken – gelden ook als het gaat om een standpunt van een gecertificeerde instelling (hierna: GI), terwijl de reikwijdte van de bepaling niet alleen ziet op ondertoezichtstelling, maar ook op uithuisplaatsing.8 Hoewel in de jurisprudentie en literatuur over dit onderwerp doorgaans wordt uitgegaan van een situatie waarin een raadsrapportage reeds voorhanden is (zodat in verband met art. 810a lid 2 Rv. in de wandelgangen steeds wordt gesproken over ‘contra-expertise’) valt uit de parlementaire geschiedenis slechts af te leiden dat de achtergrond van de bepaling moet worden gezocht in het recht doen aan het beginsel van equality of arms.9 Uit de tekst van art. 810a lid 2 Rv. volgt niet dat sprake zou moeten zijn van een deskundigenonderzoek dat reeds tot stand zou moeten zijn gekomen. In het licht van de door de Hoge Raad vastgestelde ratio van de bepaling heeft te gelden dat voldoende is dat de RvdK of de GI een standpunt heeft ingenomen in een zaak op grond waarvan wordt verzocht om een jeugdbeschermingsmaatregel. Een dergelijk standpunt kan ook worden verwoord in processtukken, zoals dat in de onderhavige zaak heeft plaatsgevonden, en is niet beperkt tot bevindingen die zijn neergelegd in een raadsrapport dat voortvloeit uit een deskundigenonderzoek door de RvdK of enige andere instelling.10 Aldus moet het ervoor worden gehouden dat zowel de tekst als de ratio van art. 810a lid 2 Rv. uitgaan van de mogelijkheid om een deskundigenonderzoek te vragen om een ouder zo de mogelijkheid te bieden onderbouwd verweer te kunnen voeren tegen een standpunt van de RvdK of een GI, ook indien niet reeds een ander deskundigenonderzoek tot stand is gekomen waartegen het verzochte onderzoek zich zou kunnen richten. Het hof heeft dit miskend.

Volgens het onderdeel voldoet het verzoek van de moeder ook overigens aan de gestelde eisen dat het voldoende specifiek en ter zake dienend is. Verzocht is om een onderzoek om de opvoedsituatie bij de moeder thuis in kaart te brengen. Uit rov. 3.8.7 (ondertoezichtstelling) en 3.8.8 (uithuisplaatsing) volgt dat de daarin vervatte beslissingen (mede) gebaseerd zijn op een door het hof aangenomen gebrek aan zicht op de opvoedsituatie bij moeder thuis. Bovendien moet (nu het hof niet anderszins heeft vastgesteld) ervan worden uitgegaan dat het verzochte onderzoek niet in strijd is met de belangen van de kinderen. In zoverre heeft de moeder ook belang bij het cassatieberoep.

2.5

Ik stel ten eerste vast dat (het onderdeel vermeldt dat) de moeder het verzoek op grond van art. 810a Rv. heeft gedaan in haar beroepschrift van 28 december 2018, dat is gericht tegen de beschikking van 28 september 2018 van de rechtbank (en dus niet in haar hoger beroep tegen de beschikking van 26 juni 2018 en 3 juli 2018 van diezelfde rechtbank). Het gaat derhalve om de beslissingen van de rechtbank:

- om de ondertoezichtstelling van [kind 1] en [kind 2] met ingang van 1 oktober 2018 tot 23 augustus 2019 te verlengen;

- om de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 1] en [kind 2] bij de vader met ingang van 1 oktober 2018 tot 1 april 2019 te verlengen;

- en om iedere verdere beslissing – met betrekking tot het verzoek om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling (dus tot 23 augustus 2019) – aan te houden.

Schriftelijk onderzoek of horen deskundigen?

2.6

Het volgende punt dat mijns inziens aan de orde moet komen, is de vraag of art. 810a Rv. wel ziet op een verzoek zoals in deze zaak door de moeder is gedaan. Zoals hierboven reeds werd vermeld, heeft de moeder (expliciet) niet verzocht om het gelasten van nader onderzoek en het uitbrengen van een deskundige rapportage. De moeder heeft enkel en alleen verzocht om de drie door haar genoemde personen als deskundigen aan te merken en hen op zitting te horen over de opvoedkundige situatie van de minderjarigen bij de moeder (en de vader). Weliswaar heeft zij toegevoegd dat deze personen als deskundigen “ex artikel 810a Rv” moeten worden aangemerkt, maar als dit geen verzoek kan zijn in de zin van dit artikel, komt aan die toevoeging weinig waarde toe.

2.7

Artikel 194 Rv. is het algemene artikel dat gaat over het gebruik van deskundigen in het kader van voorlichting en bewijs. Volgens het eerste lid van dit artikel kan de rechter op verzoek van partijen of ambtshalve een bericht óf een verhoor van deskundigen bevelen (een schriftelijk of mondelinge procedure dus). De rechter benoemt hierbij een of meer deskundigen na overleg met partijen (lid 2). Op grond van artikel 200 Rv. kan de rechter een partij op haar verzoek ook toestaan deskundigen te doen horen die niet door de rechter zijn benoemd.11 De rechter heeft een discretionaire bevoegdheid om van deze mogelijkheden gebruik te (laten) maken.12

In artikel 810a Rv. is over dit onderwerp een speciale bepaling opgenomen voor ‘zaken betreffende het personen- en familierecht, anders dan scheidingszaken’13. Deze bepaling ziet blijkens de letterlijke tekst ervan op de overlegging van een rapport van een niet door de rechter benoemde deskundige (lid 1)14 en op de benoeming van een deskundige door de rechter op verzoek van de ouder en na overleg met die ouder (lid 2). Een dergelijk verzoek wordt toegewezen, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet. Volgens de Hoge Raad betekent dit met betrekking tot het tweede lid het volgende:

“Een voldoende concreet en terzake dienend verzoek tot toepassing van art. 810a lid 2 Rv, dat feiten en omstandigheden bevat die zich lenen voor een onderzoek door een deskundige, zal in beginsel moeten worden toegewezen indien de rechter geen feiten of omstandigheden aanwezig oordeelt op grond waarvan moet worden aangenomen dat toewijzing van het verzoek strijdig is met het belang van het kind.”15

2.8

De vraag van de moeder ziet, als gezegd, uitdrukkelijk niet op (het opstellen dan wel overleggen van) een rapport van een deskundige als bedoeld in art. 810a lid 1. Bovendien gaat het om een zaak betreffende de ondertoezichtstelling (en uithuisplaatsing) van minderjarigen als bedoeld in art. 810a lid 2 Rv., zaken die – naar de letter16 – in lid 1 worden uitgezonderd. De vraag is dus, meer specifiek, of het verzoek van de moeder onder art. 810a lid 2 Rv. valt, of – indien dat niet het geval is – onder de algemene regeling van art. 194 en/of 200 Rv., die in art. 284 lid 1 op de verzoekschriftprocedure van overeenkomstige toepassing wordt verklaard, tenzij de aard van de zaak zich daartegen verzet. De verschillende regelingen bieden de rechter niet dezelfde ruimte voor afwijzing van een verzoek: de afwijzingsgronden van art. 810a lid 2 zijn strenger.

2.9

De achtergrond van art. 810a Rv. is gelegen in de wens van de Tweede Kamer om tegemoet te komen aan de veelgehoorde kritiek van ouders met betrekking tot de gebrekkige mogelijkheden die hun ten dienste staan om een rapport van de RvdK te bestrijden met de resultaten van extern deskundigenonderzoek. Volgens hen werden verzoeken om een tegenonderzoek te vaak afgewezen waardoor het beginsel van equality of arms geweld werd aangedaan: de rapportage van de RvdK bepaalt in de praktijk in hoge mate de uitkomst en er is te weinig mogelijkheid voor kritische tegenspraak. Ruimere mogelijkheden voor contra-expertise werden bepleit. Naar aanleiding hiervan is art. 810a Rv. in de wet opgenomen.17Met de bepaling van art. 810a lid 2 Rv. is volgens de Hoge Raad dan ook beoogd te bevorderen dat ouders van minderjarigen een standpunt van de RvdK in een zaak over een maatregel van jeugdbescherming die wezenlijk ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer en het familie- en gezinsleven, desgewenst gemotiveerd kunnen weerspreken.18 Deze ratio geldt ook als het gaat om een standpunt van een gecertificeerde instelling. Art. 810a lid 2 Rv. spreekt voorts weliswaar van “zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen”, maar aangenomen moet worden dat daaronder ook zaken vallen waarin het gaat om de uithuisplaatsing van minderjarigen. In dit verband is van belang dat het wettelijk stelsel inhoudt dat een uithuisplaatsing slechts mogelijk is in het kader van een ondertoezichtstelling (art. 1:265b lid 1 BW). De hiervoor genoemde ratio van art. 810a lid 2 Rv speelt bij uithuisplaatsingen een nog grotere rol dan bij de enkele ondertoezichtstelling, omdat een uithuisplaatsing als maatregel van kinderbescherming dieper ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer en het familie- en gezinsleven dan de enkele ondertoezichtstelling.19

2.10

Volgens Wortmann gaat het in art. 810a Rv. om een recht op schriftelijk tegenonderzoek, en betekent dit dat art. 200 en 194 jo. 284 Rv. onverlet worden gelaten.20 Dat zou betekenen dat het in dat geval aan de discretionaire bevoegdheid van de rechter is overgelaten of het verzoek wordt toegewezen of niet, en dat de striktere afwijzingsgronden van art. 810a Rv. niet van toepassing zijn. Ik zie echter niet in waarom dit het geval zou (moeten) zijn. Ondanks dat bij de parlementaire behandeling met name gedacht lijkt te zijn aan (het benoemen van een deskundige voor het doen van) een schriftelijk tegenonderzoek, is er mijns inziens geen goede reden om een verzoek tot het (benoemen en vervolgens) slechts horen van deskundigen in de zaken waarop art. 810a lid 2 Rv. ziet fundamenteel anders te behandelen.21 Het gaat er immers om dat de ouder voldoende gelegenheid heeft om weerwoord te bieden aan hetgeen de Raad, GI en/of hun deskundigen aanvoeren over de noodzaak van de verzochte jeugdbeschermingsmaatregel.22 Als de ouder van zijn kant met het (lichtere, althans waarschijnlijk minder tijd in beslag nemende) middel van het mondelinge horen van deskundigen wil volstaan, staat hem dat vrij, en moeten hiervoor mijns inziens dezelfde waarborgen gelden als die – in de in lid 2 genoemde zaken – gelden bij een verzoek tot het benoemen van een deskundige voor het doen van een schriftelijk tegenonderzoek.23

2.11

Het voorgaande wil nog niet zeggen dat de rechter ook gehouden is een dergelijk verzoek te honoreren. Als de rechter de door een partij voorgestelde personen niet geschikt acht om als deskundige terzake te adviseren (en daartoe te doen horen), kan het verzoek mijns inziens (gemotiveerd) worden afgedaan als niet terzake dienend, nu het horen van deze personen niet mede tot de beslissing van de zaak kan leiden. De rechter kan dan in overleg met de ouder bezien of er een andere deskundige in aanmerking komt om te horen.24 Ook kan het zijn dat de rechter het enkele horen van een deskundige ontoereikend acht voor een zinvolle voorlichting terzake. In overleg met de ouder kan dan een deskundigen(tegen)onderzoek worden gelast. Mocht de ouder hieraan niet willen meewerken, dan kan er reden zijn om het verzoek geheel af te wijzen.

Net als bij andere verzoeken in de zin van art. 810a Rv. geldt dan het hierboven (in de tweede alinea van 2.7) genoemde beoordelingskader voor de mogelijkheid tot afwijzing van het verzoek, met de daarbij behorende, vrij strenge, afwijzingsgronden.

Eerder onderzoek vereist?

2.12

De vraag in het nu voorliggende geval is dan ook of het hof het verzoek van de moeder – dat ik dus aanmerk als een verzoek in de zin van art. 810a lid 2 Rv. – op de juiste gronden heeft afgewezen. De vraag die het onderdeel hierbij aan de orde stelt, is of voor de toewijzing van een dergelijk verzoek vereist is dat er een eerder onderzoek heeft plaatsgevonden, door of in opdracht van de RvdK en/of de GI, waarop deze zich bij haar verzoek om (verlenging van) een jeugdbeschermingsmaatregel baseert, of dat de (gemotiveerde) standpuntinname van RvdK en/of GI reeds voldoende is om een verzoek om contra-expertise tegen te richten.

2.13

Evenmin als dat het geval is met betrekking tot de vraag of ook het enkele horen van een deskundige onder art. 810a lid 2 Rv. kan vallen, valt mijns inziens in te zien waarom de mogelijkheid van een verzoek als bedoeld in art. 810a lid 2 Rv. zou zijn uitgesloten wanneer geen eerder onderzoek is gedaan door of in opdracht van de verzoeker van de maatregel. Zoals ook het middel vermeldt, lijkt in de parlementaire geschiedenis vooral te zijn gedacht aan de situatie waarin de RvdK een voorafgaand schriftelijk deskundigenrapport had opgesteld of laten opstellen,25 maar er bestaat naar mijn idee geen goede reden om dit geval categorisch anders te behandelen. Ik herhaal nogmaals dat het er immers om gaat dat de ouder voldoende gelegenheid heeft om weerwoord te bieden aan hetgeen de Raad, GI en/of hun deskundigen aanvoeren over de noodzaak van de verzochte jeugdbeschermingsmaatregel.26 Of, in de woorden van de Hoge Raad:

“Met deze bepaling is beoogd te bevorderen dat ouders van minderjarigen een standpunt van de Raad voor de Kinderbescherming in een zaak over een maatregel van jeugdbescherming die wezenlijk ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer en het familie- en gezinsleven, desgewenst gemotiveerd kunnen weerspreken.”27

De Raad spreekt van een standpunt van de verzoeker van de jeugdbeschermingsmaatregel, niet per se van een deskundigenrapport, of een met een dergelijk rapport onderbouwd standpunt. Ik denk ook dat er goede reden kan zijn om aan de ouder óók in het geval alleen een gemotiveerd en onderbouwd standpunt door de verzoeker aan zijn verzoek ten grondslag is gelegd, de mogelijkheid van een tegenonderzoek niet categorisch te onthouden, althans de afwijzing van een verzoek van de ouder daartoe slechts onder de strikte voorwaarden van art. 810a lid 2 Rv. mogelijk te achten. Ook in dat geval is het standpunt van RvdK en/of GI immers gezaghebbend en veelal ook in hoge mate bepalend in de procedure, en heeft de ouder slechts beperkte middelen om zich daartegen gemotiveerd teweer te stellen. Men kan dus stellen dat de vereiste equality of arms in dit geval evenzeer – althans niet veel minder dan in andere gevallen – eist dat er een ruime mogelijkheid tot contra-expertise bestaat voor de ouder.28

Eerder onderzoek gefrustreerd

2.14

Ik schrijf dat er mijns inziens geen goede reden is om dit geval categorisch anders te behandelen, omdat ik denk dat er wel onderscheid moet worden gemaakt in verschillende situaties.

Meer specifiek ben ik van mening dat een verzoek tot (contra-)expertise in beginsel zal moeten worden gehonoreerd als de RvdK en/of de GI zelf reeds een onderzoek hebben verricht, op basis waarvan het verzoek tot (verlenging van) de jeugdbeschermingsmaatregel wordt gedaan, óf wanneer deze niet de intentie hebben (gehad) om een dergelijk onderzoek te verrichten ter onderbouwing van het verzoek. Het verzoek tot (contra-)expertise kan in dat geval mijns inziens alleen op de in art. 810a lid 2 Rv. genoemde strikte afwijzingsgronden worden afgewezen.

Als die intentie echter wél bestond, maar het onderzoek niet succesvol kon worden gestart of voltooid, omdat de pogingen daartoe door de ouders of één van hen werden gefrustreerd, dan is het mijns inziens mogelijk een verzoek om (contra-)expertise niet te honoreren voordat de RvdK en/of de GI eerst zelf de kans heeft gekregen om het door hen noodzakelijk geachte onderzoek te verrichten. Pas daarna kan de ouder in dat geval wat mij betreft onverkort, althans onder de wettelijke voorwaarden, zijn recht doen gelden op (toewijzing van een verzoek om) contra-expertise. Ik kwalificeer een verzoek onder dergelijke omstandigheden als niet ter zake doende, als een verzoek dat nog niet mede tot de beslissing van de zaak kan leiden,29 óók als de vraag waarop het onderzoek zich volgens de ouders zou moeten richten op zichzelf wel ter zake doende is in het kader van de verzochte jeugdbeschermingsmaatregel. In die zin wordt in feite óók op een van de strikte afwijzingsgronden van art. 810a lid 2 Rv. afgewezen, al wordt die hier dan iets anders opgevat. Voorkomen moet immers worden dat ouders een onderzoek door de RvdK en/of de GI eerst zouden kunnen blokkeren of frustreren, om vervolgens in beginsel zelf wél recht te kunnen doen gelden op toewijzing van een verzoek op (contra-)expertise van hun kant, zonder dat eerstgenoemd onderzoek reeds heeft kunnen plaatsvinden. Ouders kunnen op deze manier – zoals in casu ook lijkt te gebeuren – een onderzoek door deskundigen die zij prefereren en op hun manier afdwingen ten koste van een onderzoek door of vanwege de GI of RvdK. In dit geval is van een equality of arms-probleem ook geen sprake, nu de RvdK en/of de GI in dit kader ook (nog) geen “arms” ter beschikking hebben gehad, die aan de ouder(s) vervolgens op gelijke wijze dienen toe te komen. Mijns inziens dient er in de situatie waarin de ouder(s) niet hebben meegewerkt aan onderzoek door of vanwege de RvdK of de GI dus eerst nog, zo nodig in een gedwongen kader, gelegenheid worden geboden aan de RvdK en/of de GI om het noodzakelijk geachte onderzoek te verrichten. Medewerking van de ouders zal daarvoor over het algemeen vereist zijn. Daarna dient dan opnieuw te worden bezien of het verzoek om contra-expertise moet worden toegewezen, waarbij de strikte afwijzingsgronden van art. 810a lid 2 Rv. weer (onverkort) van toepassing zijn.

Toepassing in deze zaak – terug naar onderdeel 1

2.15

In die zin moet naar mijn idee ook de redenering van het hof worden gelezen in rov. 3.8.10, dat in de onderhavige zaak nog geen deskundigenonderzoek tot stand is gekomen waartegen de moeder dit verzoek zou kúnnen indienen. In deze overweging ligt mijns inziens besloten dat het verzoek tot contra-expertise (nog) niet kan worden toegewezen, omdat het door de GI noodzakelijk geachte onderzoek nog niet heeft kunnen plaatsvinden. De overweging hangt, wat betreft de verlenging van de ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing, nauw samen met de voorafgaande overwegingen in rov. 3.8.6-3.8.7 en 3.8.8 (zie met name de door mij daarin onderstreepte passages hierboven onder 2.2). Daarin ligt besloten dat het hof een verlenging van ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing mede noodzakelijk acht teneinde het beoogde onderzoek (nu eindelijk) te kunnen doen plaatsvinden. Dat onderzoek – en de daarmee samenhangende, ook gedurende het onderzoek reeds te geven hulpverlening – kan naar het oordeel van het hof immers niet goed van de grond komen als de kinderen bij de moeder verblijven. De voorgaande opvatting blijkt ook uit het feit dat het hof de bestreden beschikking van de rechtbank van 28 september 2018 heeft bekrachtigd waarin de rechtbank (onder meer) de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 1] en [kind 2] bij de vader met ingang van 1 oktober 2018 tot 1 april 2019 (in plaats van de verzochte 23 augustus 2019) heeft verlengd en iedere verdere beslissing – met betrekking tot het verzoek om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling (dus tot 23 augustus 2019) – heeft aangehouden. De rechtbank had daarbij overwogen dat pas na afronding van het onderzoek “gefundeerd [kan] worden besloten over al dan niet terugplaatsing van de minderjarigen bij de moeder” en dat zij aanleiding ziet “om een tussentijds toetsmoment te laten plaatsvinden”. Zij heeft verder overwogen dat het onderzoek “met de nodige zorgvuldigheid gepaard zal gaan en ook de nodige tijd zal duren”, en dat zij van de GI verwacht “dat zij uiterlijk twee weken vóór na te melden zittingsdatum [de in de beschikking genoemde datum voor de behandeling van het resterende deel van het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing] schriftelijk verslag zal uitbrengen over het verloop van deze maatregel en de hulpverlening” en “haar standpunt [dient] te geven ten aanzien van het resterend deel van het verzoek”.30

Ik acht de redenering van het hof een zelfstandig dragende grond voor de bekrachtiging van deze verlenging. In dat kader is het verzoek van de moeder (op dit moment) – om de door het hof genoemde reden – niet terzake doende. Het kan immers (nog) niet mede tot de beslissing van de zaak leiden, nu die beslissing erop is gebaseerd dat (eerst) nader onderzoek van de GI vereist is om een goede beslissing over de gevraagde (verdere) verlenging te nemen. Inzicht in de opvoedsituatie van beide ouders is hiervoor van belang. Het verzochte verhoor van de door de moeder genoemde personen kan dit onderzoek niet vervangen. Met andere woorden, kan het verzoek van de moeder om contra-expertise, in combinatie met haar (feitelijke) weigering om mee te werken aan het onderzoek van de GI, niet leiden tot het dwarsbomen van dit onderzoek terwijl wel reeds door de moeder genoemde personen als deskundigen zouden moeten worden gehoord.

2.16

Het onderdeel vat de overweging van het hof in rov. 3.10.8 mijns inziens dan ook te beperkt op, nu het er enkel tegen is gericht dat voor de toewijzing van een dergelijk verzoek vereist zou zijn dat er een eerder onderzoek, door of vanwege de RvdK en/of de GI, heeft plaatsgevonden, en het geen rekening houdt met het feit dat de GI in kwestie wel degelijk, en langdurig, heeft geprobeerd om het door haar noodzakelijk geachte onderzoek uit te voeren, maar dit keer op keer door de moeder werd gefrustreerd (zoals blijkt uit rov. 3.8.6-3.8.7 en 3.8.8; zie eerder al de beschikking van de rechtbank van 28 september 2018, p. 7-8).

2.17

Ten aanzien van de ondertoezichtstelling sec geldt nog dat het hof kennelijk heeft geoordeeld dat de noodzaak tot verlenging daarvan – ook zonder het nog uit te voeren onderzoek, en dus (mede) op grond van de andere overwegingen die het hof daaraan in rov. 3.8.6-3.8.7 ten grondslag legt – reeds voldoende is komen vast te staan om de door de rechtbank uitgesproken verlenging tot 23 augustus 2019 te bekrachtigen. Zoals het in deze overwegingen aangeeft, is die noodzaak gelegen in de – nu reeds voldoende vaststaande – ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [kind 1] en [kind 2] , die niet in een vrijwillig kader kan worden weggenomen. Het hof noemt hierbij onder meer het feit dat de kinderen steeds meer onderdeel zijn gaan uitmaken van en bekneld raken in de langdurige forse strijd en verstoorde communicatie tussen de ouders, heftige loyaliteitsproblemen van met name [kind 1] en het feit dat de moeder de kinderen moedwillig lijkt te betrekken in haar strijd en de geboden hulpverlening niet accepteert. Voor die verlenging is volgens het hof dus niet reeds een (volledig) inzicht in de opvoedsituatie vereist, hetgeen het onderwerp is waarop de door de moeder verzochte verhoor van deskundigen zich zou moeten richten. Dit oordeel acht ik niet onjuist of onbegrijpelijk. Wat betreft de ondertoezichtstelling – althans de verlenging daarvan in de tijdsperiode 1 april 2019-23 augustus 2019 – is dat verzoek dan dus (ook) om deze reden niet ter zake doende (want kan het niet mede tot de beslissing van de zaak leiden). In zoverre heeft de moeder dan ook geen belang bij haar verzoek.

2.18

Om bovengenoemde redenen moet het onderdeel mijns inziens falen.

Het middel – onderdeel 2

2.19

Onderdeel 2 klaagt dat de overwegingen en beslissingen van het hof tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing in rov. 3.8.7 respectievelijk 3.8.8 zijn gebaseerd op een door het hof verondersteld gebrek aan zicht op de opvoedsituatie bij de moeder en kunnen in het licht van het voorgaande niet in stand blijven. Zij zijn immers onbegrijpelijk nu juist met betrekking tot die opvoedsituatie door de moeder is verzocht om een deskundigenonderzoek en dat verzoek door het hof op onjuiste gronden is afgewezen. De daarop voortbouwende rov. 3.8.9 en het dictum kunnen evenmin in stand blijven.

2.20

Het onderdeel (herhaalt en) bouwt voort op het veronderstelde slagen van onderdeel 1 en/of bevat een aanvullende motiveringsklacht. Nu onderdeel 1 mijns inziens niet slaagt, ook voor zover het de begrijpelijkheid van de bestreden beschikking betreft, kan ook dit onderdeel niet slagen.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Ontleend aan rov. 3.1-3.3 van de bestreden beschikking, aan de onder het kopje ‘De feiten’ vermelde gegevens op p. 2 van de schriftelijke beschikking van 3 juli 2018 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant in eerste aanleg, en aan de onder het kopje ‘De feiten’ vermelde gegevens op p. 2-3 van de beschikking van 28 september 2018 van diezelfde rechtbank in eerste aanleg.

2 In het dossier is alleen de spoedbeschikking m.b.t. [kind 2] opgenomen, maar uit de overige stukken blijkt dat eenzelfde beschikking m.b.t. [kind 1] is gewezen.

3 Het verweerschrift is niet in het door de moeder overgelegde cassatiedossier opgenomen, maar daarvan blijkt in rov. 2.6 van de in cassatie bestreden beschikking.

4 ECLI:NL:GHSHE:2019:1476.

5 Het verzoekschrift tot cassatie is op 17 juli 2019 per fax binnengekomen ter griffie van de Hoge Raad; de bestreden beschikking dateert van 18 april 2019.

6 Beroepschrift tevens houdende verzoek benoeming deskundigen ex artikel 810a Rv d.d. 28 december 2018, p. 1-3 (als productie 18 opgenomen in het door de moeder overgelegde cassatiedossier). Zie ook nog de herhaling van het verzoek in de brief van de advocaat van de moeder d.d. 11 januari 2019 aan het hof (“Verzoek herstel eerdere zittingsdatum tevens houdende verzoek benoeming deskundigen ex artikel 810a Rv.”, als productie 19 opgenomen in het cassatiedossier).

7 Het onderdeel verwijst hier naar HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2632, NJ 2014/469 m.nt. S.F.M. Wortmann.

8 Het onderdeel verwijst hier naar HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:575, NJ 2019/185.

9 Het onderdeel verwijst hier naar Kamerstukken II 1993-1994, 22 487, nrs. 15 en 18.

10 Het onderdeel verwijst hier naar enkele bronnen uit de literatuur: B.E.S. Chin-A-Fat, Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, art. 810a Rv, aant. 1 en 4; R.Y. Nauta, Tekst & Commentaar Burgerlijke Rechtsvordering, art. 810a Rv, aant. 5; en J.E. Doek en P. Vlaardingerbroek, Jeugdrecht en jeugdzorg, Amsterdam: Elsevier Juridisch 2009, p. 114.

11 Schriftelijke rapporten van deze deskundigen kunnen gewoon als productie (schriftelijk bewijs) in het geding worden gebracht, vgl. Nota naar aanleiding van het eindverslag, Kamerstukken II 1993-1994, 22 487, nr. 9, p. 4.

12 Vgl. HR 14 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3993, NJ 2002/73; HR 6 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8457, NJ 2003/63.

13 Aldus de opschriften van de titel en de afdeling waarin de bepaling is opgenomen.

14 Ook zonder deze bepaling kan en kon een rapport van een niet door de rechter benoemde worden ingebracht (vgl. voetnoot 11 hierboven); met deze bepaling wordt echter beoogd te bewerkstelligen dat de rechter de zaak in beginsel moet aanhouden om de ouder in de gelegenheid te stellen een dergelijk rapport in te brengen, vgl. Handelingen II 1993-1994, nr. 55, p. 4137.

15 HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2632, NJ 2014/469 m.nt. S.F.M. Wortmann, rov. 3.3.3.

16 De bepaling is oorspronkelijk óók geschreven voor de zaken genoemd in lid 2 (Kamerstukken II 1993-1994, 22 487, nr. 14). De tekst is aangepast nadat een amendement tot invoeging van de specifiek op deze zaken toegespitste leden 2 en 3 (Kamerstukken II 1993-1994, 22 487, nrs. 15 en 18). Hiermee is mijns inziens echter niet beoogd om het indienen van een schriftelijk rapport van een eigen deskundige in deze zaken op enigerlei wijze te beperken ten opzichte van die mogelijkheid voor de zaken genoemd in lid 1. Men heeft alleen een uitgebreidere mogelijkheid willen toevoegen, omdat men art. 810a lid 1 Rv. wel als een stap in de goede richting beschouwden, maar nog ontoereikend, vgl. Handelingen II 1993-1994, nr. 55, p. 4137. Vgl. in dit kader ook E.P. von Brucken Fock, ‘De herziening van het procesrecht in zaken betreffende minderjarigen’, FJR 1995/3-4, p. 70.

17 Ik citeer hier uit en verwijs kortheidshalve naar punt 2.6 (met verdere verwijzingen) van de conclusie van AG Langemeijer vóór HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2632, NJ 2014/469 m.nt. S.F.M. Wortmann. Zie ook uitvoerig B.E.S. Chin-A-Fat, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 810a Rv, aant. 1.

18 HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2632, NJ 2014/469 m.nt. S.F.M. Wortmann, rov. 3.3.2.

19 HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:575, NJ 2019/185, rov. 3.3.3.

20 S.F.M. Wortmann in punt 6 van haar noot in NJ 2014/469 onder HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2632. Vgl. ook E.P. von Brucken Fock, FJR 1995/3-4, p. 69.

21 Men kan zich afvragen of deze deskundigen per se door de rechter moeten worden benoemd of ook als niet door de rechter benoemde deskundigen als bedoeld in art. 200 Rv. kunnen worden gehoord. De gedachte bij art. 810a lid 2 Rv. was dat de benoeming door de rechter (na overleg met de ouder) een zekere kwaliteit van het deskundigenadvies zou kunnen garanderen (en daarnaast zo de financiering het beste was te regelen), vgl. Handelingen II 1993-1994, nr. 55, p. 4137. Ik meen echter dat een verzoek tot het horen van een niet door de rechter benoemde ‘deskundige’ die de rechter niet geschikt acht hierover als deskundige te adviseren, door de rechter kan worden afgedaan als niet terzake dienend (omdat het niet mede tot de beslissing van de zaak kan leiden), en niet op het punt of ze nu wel of niet benoemd (moeten) zijn door de rechter.

22 Aldus AG Langemeijer in punt 2.11 van zijn conclusie vóór HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2632, NJ 2014/469 m.nt. S.F.M. Wortmann. Zie ook punt 2.3 van zijn conclusie vóór HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:575, NJ 2019/185.

23 In die zin ook B.E.S. Chin-A-Fat, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 810a Rv, aant. 3.

24 Vgl. over de vraag wat onder het begrip ‘deskundige’ moet worden verstaan en hoe de rechter in dit kader met een verzoek van een ouder kan omgaan ook E.P. von Brucken Fock, FJR 1995/3-4, p. 68-69.

25 Vgl. hierover uitgebreider punt 2.23 van mijn conclusie vóór HR 29 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:1028, RvdW 2018/791.

26 Aldus AG Langemeijer in punt 2.11 van zijn conclusie vóór HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2632, NJ 2014/469 m.nt. S.F.M. Wortmann. Zie ook punt 2.3 van zijn conclusie vóór HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:575, NJ 2019/185.

27 HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2632, NJ 2014/469 m.nt. S.F.M. Wortmann, rov. 3.3.2.

28 In dezelfde zin liet ik mij al uit in punt 2.24-2.26 van mijn conclusie vóór HR 29 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:1028, RvdW 2018/791, welke zaak eindigde met een 81 RO-beoordeling van de Raad. Zie in deze zin ook de daarin genoemde auteurs Nauta (T&C Rv., art. 810a Rv., aant. 5), Mink (Sdu Commentaar Jeugdrecht, art. 810a Rv., aant. C.2.3) en Chin-a-Fat (GS Rv., art. 810a Rv, aant. 4), en voorts Doek & Vlaardingerbroek (Jeugdrecht en jeugdzorg, 2009, p. 114), Von Brucken Fock, FJR 1995/3-4, p. 69 en plv. P-G Langemeijer in punt 2.3 van zijn conclusie vóór HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:575, NJ 2019/185. In tegenovergestelde zin echter Wortmann & Van Duijvendijk-Brand, Compendium personen- en familierecht, 2018/171h onder 7c.

29 In degelijke zin concludeerde ik ook reeds in punt 2.28 van mijn conclusie vóór HR 29 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:1028, RvdW 2018/791, welke zaak eindigde met een 81 RO-beoordeling van de Raad.

30 Zie de beschikking van de rechtbank van 28 september 2018, p. 8, tweede alinea, laatste volzin, derde alinea