Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:1362

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
20-12-2019
Datum publicatie
13-01-2020
Zaaknummer
19/01273
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige publicaties. Echtpaar stelt in buitenland verblijvende journalist aansprakelijk ogv onrechtmatige daad. Klachten echtpaar over oordeel dat zij in NL geen schade hebben geleden en oordeel dat zij de journalist via hen bekend e-mailadres hadden moeten informeren over verstekvonnis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0057
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/01273

Zitting 20 december 2019

CONCLUSIE

M.L.C.C. Lückers

In de zaak

1. [eiser 1]

2. [eiseres 2]

eisers tot cassatie,

advocaat: mr. K. Aantjes

tegen

[verweerder] ,

verweerder in cassatie,

niet verschenen

Deze zaak draait om online publicaties over een echtpaar dat betrokken is geweest bij een commercieel herbebossingsproject in Panama. Het echtpaar is in 2015 overgegaan tot dagvaarding van de auteur van de publicaties. Omdat de auteur op dat moment geen bekende woon- of verblijfplaats had, heeft het echtpaar de dagvaarding openbaar laten betekenen, waarna een verstekvonnis is gewezen. Met gebruikmaking van dit verstekvonnis heeft het echtpaar de publicaties laten verwijderen. Het verstekvonnis is later door de rechtbank vernietigd en het hof heeft dat vonnis bekrachtigd. In cassatie draait het om de volgende twee vragen:

I. heeft het echtpaar voldoende toegelicht en onderbouwd dat het in Nederland schade heeft geleden als gevolg van de publicaties?; en

II. heeft het echtpaar onrechtmatig jegens de auteur gehandeld door – zonder de auteur van het verstekvonnis op de hoogte te stellen – met gebruikmaking van het verstekvonnis publicaties te laten verwijderen, terwijl het echtpaar wel over e‑mailadressen van de auteur beschikte en zijn contactgegevens ook op websites stonden vermeld?

De rechtbank en het hof hebben de eerste vraag ontkennend beantwoord en de tweede bevestigend.

1 Feiten en procesverloop1

1.1

[eiser 1] (hierna: [eiser 1]) heeft de Nederlandse nationaliteit. [eiseres 2] heeft de Engelse en de Israëlische nationaliteit ( [eiser 1] en [eiseres 2] worden hierna tezamen aangeduid als: [eisers]). Ten tijde van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding woonden [eisers] in Israël. Zij wonen thans in Spanje. [verweerder] (hierna: [verweerder]) woont thans in Nederland.

1.2

[verweerder] publiceert onder meer verhalen over corruptie en fraude op door hem beheerde websites. Hij heeft vanaf 2010 op zijn website [internetsite] in totaal 27 publicaties geplaatst over [eisers] en/of het project [A]2 in Panama waarbij [eisers] waren betrokken. Dit project was erop gericht om met geld van investeerders hardhout aan te planten op gronden in Panama waar in het verleden regenwoud was gekapt en die in gebruik waren voor landbouw en veeteelt. Het doel was het oogsten van hardhout en het (her)planten van regenwoud (ook wel commerciële herbebossing genoemd). De resultaten van het project vielen tegen, waarna het project in 2014 is beëindigd.

1.3

Op aangifte van [eisers] is [verweerder] in Panama veroordeeld wegens ‘misdrijven tegen de persoonlijke eer’.

1.4

[eisers] hebben [verweerder] op 23 december 2015 gedagvaard voor de rechtbank te Amsterdam (hierna: de rechtbank). Volgens de dagvaarding, die openbaar is betekend, had [verweerder] geen bekende woon- of verblijfplaats.

1.5

Bij verstekvonnis van 11 mei 2016 heeft de rechtbank de vorderingen van [eisers] toegewezen en onder meer voor recht verklaard dat [verweerder] jegens [eisers] onrechtmatig heeft gehandeld en gehouden is alle daaruit voortvloeiende schade, op te maken bij staat, aan hen te vergoeden. Daarnaast is [verweerder] bevolen iedere openbaarmaking en verspreiding van de publicaties te staken en gestaakt te houden.

1.6

[eisers] hebben het verstekvonnis openbaar doen betekenen. Zij hebben zich tevens gewend tot de IJslandse host van de website [internetsite] , die [verweerder] een Engelse samenvatting van het verstekvonnis heeft gezonden en hem heeft bericht dat de website met publicaties offline zal worden gehaald.

1.7

Bij dagvaarding van 9 september 2016 is [verweerder] in verzet gekomen tegen het verstekvonnis en heeft hij reconventionele vorderingen ingesteld.

1.8

Bij eindvonnis van 11 oktober 2017 heeft de rechtbank in conventie het verstekvonnis vernietigd, zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van de vorderingen van [eisers] voor zover deze zien op ge- en verboden alsmede op vergoeding van schade geleden buiten het Nederlands grondgebied en de vorderingen van [eisers] voor het overige afgewezen. Volgens de rechtbank heeft [eisers] onvoldoende gesteld en onderbouwd dat zij in Nederland schade heeft geleden:

“4.10. Dat [internetsite] vooral werd gelezen in (Latijns-)Amerika is door [eisers] niet betwist. [eisers] heeft niet gemotiveerd gesteld dat hij reputatie- of vermogensschade in Nederland heeft geleden. De enkele in algemene bewoordingen gestelde omstandigheid dat [eisers] , die al vijfentwintig jaar in het buitenland woont, werkzaamheden verricht voor verschillende ondernemingen in verschillende landen waaronder Nederland en dat hij in Nederland familie heeft wonen en hier (een) onroerende zaak/zaken heeft is daartoe onvoldoende. Eventuele reputatieschade van de door [eisers] gedreven onderneming - wat daar verder ook van zij - kan hieraan door [eisers] in het kader van de onderhavige vordering niet ten grondslag worden gelegd nu dat niet zijn eigen schade betreft. Dit betekent dat onvoldoende gesteld en onderbouwd is dat sprake is van in Nederland door [eisers] geleden schade, zodat de rechtbank niet toekomt aan een (verdere) inhoudelijke beoordeling van de vordering van [eisers] tot schadevergoeding.”

1.9

In reconventie heeft de rechtbank onder meer voor recht verklaard dat [eisers] onrechtmatig jegens [verweerder] hebben gehandeld door, onder verwijzing naar het verstekvonnis, publicaties van [verweerder] van internet te laten verwijderen. De rechtbank heeft het volgende overwogen:

“4.14. (…) de rechtbank [zal] als vaststaand feit (…) aannemen dat [eisers] ten tijde van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding de beschikking had over contactgegevens van [verweerder] . Het had dan ook tevens op de weg gelegen van [eisers] om [verweerder] op enigerlei wijze op de hoogte te stellen van de door [eisers] tegen [verweerder] uitgebrachte dagvaarding. Voor [eisers] was voorzienbaar dat [verweerder] zich wilde verweren tegen zijn vorderingen, dat [verweerder] bij een openbare betekening niet op de hoogte zou zijn van de dagvaarding en dat dan bij verstek de vorderingen van [eisers] toegewezen zouden worden. Het nalaten van [eisers] acht de rechtbank in de gegeven omstandigheden in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid en daarmee onrechtmatig. Dit betekent dat [eisers] op onrechtmatige wijze een verstekvonnis heeft uitgelokt.”

1.10

[eisers] zijn bij het gerechtshof Amsterdam (hierna: het hof) in hoger beroep gekomen van het eindvonnis van de rechtbank. [verweerder] heeft verweer gevoerd en incidenteel appel ingesteld, welk incidenteel appel in deze cassatieprocedure buiten beschouwing kan blijven. Bij arrest van 11 december 2018 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

1.11

Het hof heeft, in lijn met het vonnis van de rechtbank, geoordeeld dat [eisers] onvoldoende hebben toegelicht en onderbouwd dat zij in Nederland schade hebben geleden. Het hof heeft hiertoe het volgende overwogen:

“3.9 Met grief VII in principaal appel (…) voeren [eisers] aan dat het evident is dat zij door de publicaties schade hebben geleden en lijden en hebben geleden in hun zakelijke carrière en als privépersonen ook in Nederland en met name [eiser 1] omdat hij een Nederlandse achtergrond heeft. [verweerder] heeft daartegen reeds in eerste aanleg (verzetdagvaarding onder 191) aangevoerd dat het aantal malen dat op zijn website vanuit Nederland wordt ingelogd verwaarloosbaar is. Hij voert thans verder aan dat zijn website alleen vindbaar is als men de naam van de voormalige websitehost kent en stelt ter illustratie van de (on)vindbaarheid dat alleen al Linkedin negentig profielen met de naam ' [eiser 1] ’ kent.

3.10

Het hof is van oordeel dat [eisers] mede gelet op de gemotiveerde betwisting van de zijde van [verweerder] , onvoldoende hebben toegelicht en onderbouwd dat zij in Nederland schade hebben geleden en thans nog lijden. Het enkel hebben van een Nederlandse achtergrond, een vriendenkring en familie in Nederland, en het bezitten van een woning is daartoe niet redengevend. [eisers] hebben evenmin toegelicht en onderbouwd op welke wijze hun zakelijke belangen in Nederland zijn geschaad. Ook deze grief faalt.”

1.12

Het hof heeft voorts, eveneens in lijn met het vonnis van de rechtbank, geoordeeld dat [eisers] onrechtmatig hebben gehandeld door zonder [verweerder] van het verstekvonnis op de hoogte te stellen met gebruikmaking daarvan publicaties te laten verwijderen. Het hof heeft dit oordeel als volgt gemotiveerd:

“3.12 Het hof overweegt als volgt. [eisers] hebben niet betwist dat zij beschikten over de e-mailadressen van [verweerder] die zij in het verleden hadden gebruikt om met hem te communiceren en dat [verweerder] zijn contactgegevens vermeldde op zijn websites, waaronder de website met de gewraakte artikelen. [eisers] hebben evenmin betwist dat hun advocaat in juni 2015 nog een sommatie heeft verzonden naar diverse hen bekende emailadressen van [verweerder] . Onder deze omstandigheden had van hen gevergd kunnen worden om, naast een openbare betekening wegens het ontbreken van een bekende woon- of verblijfplaats, [verweerder] ook middels de hen bekende contactgegevens op de hoogte te stellen van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding. Daaraan doet niet af dat [verweerder] niet op genoemde sommatie heeft gereageerd en evenmin dat [verweerder] een postadres in Schotland zou hebben gehad. Dit brengt mee dat het hof met de rechtbank van oordeel is dat [eisers] onrechtmatig hebben gehandeld door zonder [verweerder] van het verstekvonnis op de hoogte te stellen met gebruikmaking daarvan publicaties te laten verwijderen. Dat [verweerder] vervolgens in verzet is gekomen tegen het verstekvonnis heft de onrechtmatigheid van het gebruikmaken van dat vonnis niet op. Het verzet maakte evenmin ongedaan dat de belangen van [verweerder] door het onrechtmatig handelen van [eisers] zijn geschaad. De grief faalt.”

1.13

[eisers] hebben op 11 maart 2019 (tijdig) beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof. [verweerder] is in cassatie niet verschenen.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel van [eisers] bestaat uit drie onderdelen. Onderdeel I bestaat uit vier subonderdelen en bestrijdt het oordeel van het hof in rov. 3.10 met betrekking tot de in Nederland geleden schade. Onderdeel II valt uiteen in twee subonderdelen en komt op tegen het oordeel van het hof in rov. 3.12 met betrekking tot het op de hoogte brengen van de dagvaarding. Onderdeel III bevat een voortbouwklacht gericht tegen rov. 3.16, rov. 3.17 en het dictum van het bestreden arrest.

Onderdeel I: schade in Nederland

2.2

De klachten in onderdeel I richten zich tegen rov. 3.10, waarin het hof heeft geoordeeld dat [eisers] onvoldoende hebben toegelicht en onderbouwd dat zij in Nederland schade hebben geleden en thans nog lijden.

2.3

Subonderdeel A betoogt dat het oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omdat het hof heeft miskend dat, indien een verklaring voor recht is gevorderd dat aansprakelijkheid bestaat voor schade, de rechter ervan dient uit te gaan dat eiser daarbij belang heeft als de mogelijkheid van schade aannemelijk is.3

2.4

De klacht gaat uit van een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Het hof heeft niet geoordeeld dat [eisers] onvoldoende belang hebben bij de gevorderde verklaring voor recht. Het hof heeft dus evenmin voornoemde rechtsregel miskend.

2.5

Subonderdeel B klaagt dat rov. 3.10 onjuist dan wel onbegrijpelijk is, omdat het hof heeft miskend dat bij een onrechtmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer in een perspublicatie de aanspraak op vergoeding van immateriële schade wegens aantasting in de persoon is gegeven.4 Volgens [eisers] heeft het hof op deze (essentiële) stelling niet (genoegzaam) gerespondeerd, terwijl de stelling het hof tot een ander oordeel had moeten nopen, zeker in combinatie met het betoog van [eisers] dat het centrum van hun belangen, althans de belangen van [eiser 1] , in Nederland is gelegen.

2.6

De klachten falen. In het arrest waarop [eisers] zich beroepen heeft de Hoge Raad ten aanzien van een onrechtmatige publicatie in Het Parool en op de website van Het Parool geoordeeld dat de aanspraak op schadevergoeding wegens aantasting in de persoon in de zin van art. 6:106 lid 1, onder b, BW is gegeven. Aan de onderhavige zaak ligt een geheel ander feitencomplex ten grondslag. In dit geval is sprake van publicaties op de (niet-Nederlandse) website [internetsite] en staat als in cassatie onbestreden vast dat die website vooral in (Latijns)Amerika werd gelezen.

2.7

[eisers] hebben zich slechts in de inleidende dagvaarding – en zonder nadere toelichting – op het arrest van 4 oktober 2013 van de Hoge Raad beroepen.5 In hoger beroep is de stelling niet ingenomen.6 [eisers] hebben niet toegelicht waarom, ondanks de hiervoor genoemde verschillen in feitelijke context, het bepaalde in het arrest van 4 oktober 2013 in de onderhavige zaak desalniettemin opgaat. Het hof heeft derhalve aan de stelling van [eisers] mogen voorbijgaan.

2.8

Dit geldt ook als de stelling in samenhang wordt gelezen met het betoog van [eisers] dat het centrum van de belangen van [eisers] (althans [eiser 1] ) in Nederland is gelegen. Dat betoog heeft het hof immers verworpen door in rov. 3.7 te oordelen dat Nederland niet als centrum van de belangen van [eisers] kan worden aangemerkt. Dit oordeel is in cassatie onbestreden en staat dus vast.

2.9

Subonderdeel C betoogt dat rov. 3.10 onbegrijpelijk is voor zover het hof heeft geoordeeld dat [eisers] onvoldoende hebben toegelicht en onderbouwd dat zij in Nederland schade hebben geleden en thans nog lijden. [eisers] hebben in feitelijke instanties aangevoerd dat hun verdere loopbaan op het spel staat en dat zij zich al zeven jaar niet meer onder hun eigen naam in het zakenleven begeven omdat zij verdacht zijn gemaakt. Volgens [eisers] kan dit niet anders worden gelezen dan dat zulks ook voor de situatie in Nederland geldt. Dit betoog – in combinatie met het betoog dat het centrum van de belangen van [eisers] (althans [eiser 1] ) in Nederland is gelegen – laat volgens [eisers] geen andere conclusie toe dan dat de mogelijkheid dat [eisers] in Nederland schade hebben geleden en nog (zullen) lijden aannemelijk is.

2.10

Ook deze klachten falen.

2.11

In het eindvonnis van 11 oktober 2017 heeft de rechtbank in rov. 4.10 geoordeeld dat [eisers] onvoldoende hebben gesteld en onderbouwd dat sprake is van in Nederland door [eisers] geleden reputatie- of vermogensschade (zie hiervoor, 1.8).

2.12

In hoger beroep hebben [eisers] dit oordeel als volgt bestreden:7

“21. Het vonnis van de rechtbank van 11 oktober 2017 scharniert gezien het voorgaande geheel ten onrechte om het oordeel dat [eisers] in Nederland geen schade zouden hebben geleden (rov. 4.10). En in het verlengde daarvan is ook irrelevant of het “centrum van de belangen” van [eiser 1] in Nederland ligt zoals [eiser 1] betoog[t] of dat dit buiten Nederland ligt zoals [verweerder] meent.

22. Voor zover nog van belang, het oordeel dat [eisers] in Nederland “geen” schade zou hebben geleden is evident onjuist. Uit de bestreden publicaties volgt dat deze zich niet alleen op het project [A] c.q. de onderneming [B] (“ [B] ”) richten. De publicaties richten zich uitdrukkelijk op [eisers] persoonlijk, met name op [eiser 1] . Hij wordt steeds bij naam genoemd als oplichter, persoonlijk geadresseerd in de publicaties en zijn portret wordt continue gebruikt (…).

(…)

24. (…) Waar het vonnis van de rechtbank lijkt te veronderstellen dat “eventuele reputatieschade” van de onderneming van [eisers] de zaak anders zou hebben gemaakt, blijkens de tekst van r.o. 4.10, is het uitgangspunt dat [eisers] zelf schade lijden en persoonlijk belang hebben bij toewijzing van de vorderingen. Nadat [eisers] in 2014 zijn teruggetreden uit [A] is [verweerder] ook doorgegaan met het plaatsen van nieuwe lasterlijke publicaties op zijn weblog. Deze latere publicaties hebben ook betrekking op andere zaken dan [A] . De rechtbank heeft de zaak in een onbegrijpelijk smal kader geplaatst om vervolgens tot het oordeel te komen dat [eiser 1] en [eiseres 2] helemaal geen schade zouden hebben geleden. Dit oordeel van de rechtbank raakt kant noch wal.”

2.13

Met grief VII komen [eisers] tegen het oordeel van de rechtbank op:8

“103. Het oordeel dat [eisers] geen schade zouden hebben geleden is onjuist gezien de inhoud van de processtukken waarin [eisers] hebben betoogd hoe ernstig[e] de gevolgen van de publicaties zijn, tot aan het onmogelijk worden van een zakelijke carrière aan toe. Ook als privépersoon lijden [eisers] evident schade gezien de ernst van de beschuldigingen, die hun persoonlijk[e] integriteit tot op het bot aantast. (...)

104. Bovendien legt de rechtbank in deze rechtsoverweging een onjuiste koppeling met het begrip “centrum van de belangen”, waarop het oordeel gebaseerd lijkt te zijn dat [eisers] in Nederland geen schade zouden lijden. Dit is voor [eisers] onbegrijpelijk. Er lijkt sprake te zijn van een verhaspeling van het “centrum van de belangen” begrip uit de rechtspraak van het HvJEU, en de vraag of er überhaupt schade kan zijn geleden in een bepaalde lidstaat.

105. Dat [eisers] , met name [eiser 1] gezien zijn Nederlandse achtergrond, óók schade geleden kunnen hebben in Nederland is evident.”

2.14

Uit dit betoog van [eisers] volgt niet concreet welke schade [eisers] in Nederland menen te hebben geleden. Dat [eisers] niet concreet hebben aangevoerd welke schade zij in Nederland hebben geleden, volgt ook reeds uit de formulering van de onderhavige klacht, namelijk dat het betoog van [eisers] met betrekking tot zijn schade “niet anders kan worden gelezen, dan dat zulks ook voor de situatie in Nederland geldt.”9 Het is dan ook niet onbegrijpelijk dat het hof in rov. 3.10 heeft geoordeeld dat [eisers] – gelet op de gemotiveerde betwisting van de zijde van [verweerder] – onvoldoende hebben toegelicht en onderbouwd dat zij in Nederland schade hebben geleden en thans nog lijden en dat het enkel hebben van een Nederlandse achtergrond, een vriendenkring en familie in Nederland, en het bezitten van een woning daartoe niet redengevend is.

2.15

Het betoog van [eisers] met betrekking tot het centrum van zijn belangen maakt het voorgaande niet anders (zie hiervoor, 2.8).

2.16

Subonderdeel D klaagt dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is, omdat het hof daarbij niet (kenbaar) heeft betrokken de (essentiële) stelling van [eisers] dat [verweerder] de bevoegdheid van de Nederlandse rechter slechts ten aanzien van de buiten Nederland geleden schade heeft betwist, waardoor sprake is van een stilzwijgende forumkeuze voor de Nederlandse rechter ten aanzien van de overige vorderingen van [eisers]

2.17

De klacht mist feitelijke grondslag. Het hof heeft in rov. 3.4, in cassatie onbestreden, het betoog van [eisers] dat sprake is van een stilzwijgende forumkeuze voor de Nederlandse rechter verworpen.

2.18

Overigens valt – zonder nadere toelichting, die ontbreekt – ook niet in te zien waarom het betoog van [eisers] met betrekking tot de stilzwijgende forumkeuze (mede)bepalend zou zijn voor het oordeel van het hof dat [eisers] onvoldoende hebben toegelicht en onderbouwd dat zij in Nederland schade hebben geleden.

Onderdeel II: op de hoogte stellen van inleidende dagvaarding

2.19

De klachten in onderdeel II bestrijden rov. 3.12, waarin het hof heeft geoordeeld dat van [eisers] had kunnen worden gevergd om – naast openbare betekening wegens het ontbreken van een bekende woon- of verblijfplaats – [verweerder] ook middels de hen bekende contactgegevens op de hoogte te stellen van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding. Nu [eisers] dit hebben nagelaten en zonder [verweerder] van het verstekvonnis op de hoogte te stellen met gebruikmaking daarvan publicaties hebben laten verwijderen, hebben zij onrechtmatig jegens [verweerder] gehandeld.

2.20

Subonderdeel A betoogt dat dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting getuigt omdat geen rechtsregel [eisers] verplicht om, naast openbare betekening, [verweerder] ook middels de hen bekende contactgegevens, waaronder e-mailadressen, op de hoogte te stellen van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding.

2.21

De klacht faalt. Een onrechtmatige handeling kan – naast een inbreuk op een recht of een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht – ook bestaan uit een doen of nalaten in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Op schending van deze ongeschreven zorgvuldigheidsnorm heeft het hof klaarblijkelijk het oog gehad toen het in rov. 3.12 oordeelde dat [eisers] onrechtmatig jegens [verweerder] hebben gehandeld.10 A-G de Bock stelt in rov. 3.44 van haar conclusie voor HR 28 juni 201911 dat ondanks het feit dat de betekeningsvoorschriften zijn nageleefd sprake kan zijn van onrechtmatig handelen of strijd met de goede procesorde als de opdrachtgever (eiser) verzuimd heeft om gedaagde te bereiken op een aan eiser bekend contactadres en in rov. 9.10 dat degene op wiens verzoek een dagvaarding openbaar wordt betekend ertoe gehouden is om, als dat mogelijk is, alsnog te bewerkstelligen dat de dagvaarding de gedaagde daadwerkelijk bereikt.12 Het betrof de beantwoording van vier prejudiciële vragen waarvan dit de vierde vraag was, aan de beantwoording van welke vraag Uw Raad niet is toegekomen.

2.22

[eisers] klagen voorts dat het rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk is dat zij onrechtmatig jegens [verweerder] hebben gehandeld door hem niet van de inleidende dagvaarding op de hoogte te stellen via de hen bekende contactgegevens.

2.23

Ook deze klachten falen. Het hof neemt bij zijn oordeel als uitgangspunt dat (i) [eisers] beschikten over e-mailadressen van [verweerder] waarmee zij in het verleden met hem hadden gecommuniceerd, (ii) de contactgegevens van [verweerder] op zijn websites stonden vermeld en (iii) de advocaat van [eisers] in juni 2015 (een half jaar voor de inleidende dagvaarding) nog een sommatie naar diverse e-mailadressen van [verweerder] heeft verzonden. Gelet op deze omstandigheden, die in cassatie niet zijn bestreden, is het niet onjuist of onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat het van [eisers] had kunnen worden gevergd om [verweerder] middels de hen bekende contactgegevens op de hoogte te stellen van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding en dat – nu [eisers] dit niet hebben gedaan en wel met gebruikmaking van het verstekvonnis publicaties hebben laten verwijderen – [eisers] onrechtmatig jegens [verweerder] hebben gehandeld.

2.24

Subonderdeel B klaagt dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is, omdat het hof meerdere (essentiële) stellingen van [eisers] niet (kenbaar) in zijn oordeel heeft betrokken terwijl die stellingen het hof tot een ander oordeel hadden moeten nopen. Deze stellingen houden kort gezegd in dat [verweerder] al jaren onvindbaar was, zich van valse adressen bediende, verificatie van zijn adresgegevens niet mogelijk was, hij zijn adresgegevens niet bekend maakte, hij niet op e-mails reageerde, niet vast te stellen was of zijn e-mailadres überhaupt functioneel was, e-mailcontact in het verleden mislukte en openbare betekening voor [eisers] de enige reële en wettelijke mogelijkheid was om rechtsgeldig een exploot uit te brengen.

2.25

De klacht mist feitelijke grondslag, omdat het hof de stellingen van [eisers] wel in zijn oordeel heeft meegenomen. Dit blijkt uit rov. 3.11, waarin het hof de stellingen van [eisers] in samengevatte vorm als volgt heeft weergegeven:

“3.11 (…) Zij voeren daartoe aan dat zij op grond van de wet geen andere keuze hadden dan een openbare betekening van de oorspronkelijke dagvaarding, dat [verweerder] niet had gereageerd op sommaties, dat niet duidelijk was of e-mailadressen van [verweerder] nog functioneerden en dat van een verplichting om de dagvaarding op andere wijze aan [verweerder] te sturen dan via de wettelijke betekening geen sprake kan zijn. (…).”

Gevolgd door rov. 3.12, waarin het hof overweegt:

“3.12. (…) [eisers] hebben evenmin betwist dat hun advocaat in juni 2015 nog een sommatie heeft verzonden naar diverse hen bekende emailadressen van [verweerder] . Onder deze omstandigheden had van hen gevergd kunnen worden om, naast een openbare betekening wegens het ontbreken van een bekende woon- of verblijfplaats, [verweerder] ook middels de hen bekende contactgegevens op de hoogte te stellen van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding. Daaraan doet niet af dat [verweerder] niet op genoemde sommatie heeft gereageerd en evenmin dat [verweerder] een postadres in Schotland zou hebben gehad. (…).”

2.26

[eisers] betogen voorts, onder verwijzing naar jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie en een bijna honderd jaar oude uitspraak van de Hoge Raad13, dat het hof heeft miskend dat [eisers] aantoonbaar alle redelijke onderzoeksinspanningen heeft verricht om [verweerder] te achterhalen.

2.27

Ook deze klacht faalt. De arresten waarnaar [eisers] verwijzen zien op de omstandigheden waaronder de rechter een verstekvonnis mag wijzen tegen een verweerder van wie de woonplaats niet kan worden bepaald. Deze vraag speelt in de onderhavige procedure geen rol. Het hof heeft het bepaalde in deze arresten – kort gezegd dat alle stappen die nodig zijn om de verweerder te vinden met spoed en te goeder trouw moeten zijn ondernomen – dan ook niet miskend.

2.28

Daarbij komt dat in het oordeel van het hof, dat [eisers] onrechtmatig jegens [verweerder] hebben gehandeld, het oordeel ligt besloten dat [eisers] juist niet alle redelijke onderzoeksinspanningen hebben verricht. Gelet op de hiervoor onder 2.23 genoemde en in cassatie onbestreden omstandigheden, is dit oordeel niet onjuist of onbegrijpelijk.

Onderdeel III: voortbouwklacht

2.29

De voortbouwklacht houdt in dat gegrondbevinding van (één van) voornoemde middelonderdelen tevens rov. 3.16, rov. 3.17 en het dictum vitiëren.

2.30

Aangezien de in de onderdelen I en II geformuleerde klachten falen, faalt ook deze voortbouwklacht.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Ontleend aan het bestreden arrest, rov. 2.1-3.1.

2 De onderneming waarin het project werd gedreven is later voortgezet onder de naam [B] ( [B] ).

3 Conform HR 27 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:760 (AIG/M), NJ 2016/77, m.nt. J.B.M. Vranken, rov. 4.1.2.

4 Conform HR 4 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:851 (Parool/P), NJ 2013/479, rov. 3.4.2.

5 Inleidende dagvaarding, punt 65.

6 [eisers] verwijzen in de procesinleiding naar de appeldagvaarding, punt 79 e.v., maar daar wordt slechts (in zijn algemeenheid) uiteengezet dat sprake is van ernstige beschuldigingen aan het adres van [eisers] die geschikt zijn om ernstige schade toe te brengen aan de reputatie van [eisers]

7 Appeldagvaarding, punt 21-24.

8 Appeldagvaarding, punt 103-106.

9 Procesinleiding, punt IC.

10 Zie in dit kader ook het eindvonnis van 11 oktober 2017, waarin de rechtbank in rov. 4.13 oordeelt dat het nalaten van [eisers] in de gegeven omstandigheden in strijd is met de maatschappelijke zorgvuldigheid en daarmee onrechtmatig.

11 HR 28 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1052.

12 Conclusie A-G De Bock, ECLI:NL:PHR:2019:484.

13 HvJEU 15 maart 2012, C-292/10, ECLI:EU:C:2012:142 (G/De Visser), NJ 2012/286, m.nt. M.V. Polak, punt 55; HvJEU 17 november 2011, C-327/10, ECLI:EU:C:2011:745 (Hypotecni banka/Lindner), NJ 2012/225, m.nt. M.V. Polak, punt 52 en HR 4 november 1926, ECLI:NL:HR:1926:96 (R/C.M.W.W.), NJ 1927/403.