Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:1342

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-12-2019
Datum publicatie
19-12-2019
Zaaknummer
18/05230
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:218
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Poging tot moord, door met een pistoolmitrailleur op cafébezoekers te schieten (art. 289 jo. 45.1 Sr); voorhanden hebben van (vuur)wapens en munitie (art.26.1 WWM), aanwezig hebben van verdovende middelen (art. 2.C en 3.C Opiumwet) en witwassen geldbedrag (art. 420bis Sr). Middelen over 1. verwerping uos; 2. bewezenverklaring poging moord o.a. t.a.v. voorbedachte raad; 3. bewijs van voorhanden hebben munitie; 4. kwalificatie van het bewezenverklaarde als witwassen. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 18/05156 en 18/05536 (niet gepubliceerd, art. 81.1 RO).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer18/05230

Zitting 17 december 2019

CONCLUSIE

P.C. Vegter

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,

hierna: de verdachte.

1. De verdachte is bij arrest van 29 november 2018 door het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens 1 primair “poging tot moord, meermalen gepleegd” 2 “ten aanzien van het wapen (Scorpion): handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II. en ten aanzien van de 36 scherpe patronen: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” 4 “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod”, 5 “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod”, 6 “ten aanzien van het stroomstootwapen (Phazzer Enforcer): handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II. en ten aanzien van de pistolen (CZ, PS en tweemaal Ekol, model Volga): handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd. ten aanzien van de munitie: en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” en 7 “witwassen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr. Het hof heeft voorts beslist over in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, één en ander zoals in het arrest is bepaald.

2. Er bestaat samenhang met de zaken met de nummers 18/05156 en 18/05536. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. L.E.G. van der Hut, advocaat te 's-Gravenhage, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel klaagt over de motivering van de verwerping van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt.

5. Het arrest van het hof houdt – voor zover van belang – in:1

“De raadsman heeft op de terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van het onder 1 ten laste gelegde op nader in de pleitnota uiteengezette gronden. Het verweer komt

- zakelijk weergegeven - neer op het volgende: (…)

- de meervoudige fotoconfrontatie waarbij [betrokkene 1] verdachte heeft herkend als de schutter is onbetrouwbaar verlopen omdat tussen het daaromtrent opgemaakte proces-verbaal door de confrontatieleider en de aan het dossier toegevoegde en aan de raadsman verstrekte fotoselectie verschil zit. De herkenning door [betrokkene 1] kan om die reden niet voor het bewijs worden gebruikt; (…)

De fotoconfrontatie van [betrokkene 1]

Het hof neemt de navolgende bewijsoverweging uit het vonnis over, voor zover - met betrekking tot dit in eerste aanleg eveneens gevoerde verweer - inhoudende:

“De rechtbank is van oordeel dat uit voorgaande bewijsmiddelen volgt dat verdachte de persoon is geweest die op 5 september 2015 met een pistoolmitrailleur heeft geschoten op [B] in Hilversum . Aangever [betrokkene 1] heeft verdachte herkend als schutter en deze herkenning wordt ondersteund door andere getuigen. Ten aanzien van het door de raadsman gevoerde verweer dat de FOSLO herkenning door [betrokkene 1] niet als belastend bewijsmiddel gebruikt kan worden gelet op de plaats van de foto van verdachte op het bijgevoegde overzicht met foto’s, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank heeft geconstateerd dat op 9 december 2015 een testobservatie heeft plaats gevonden, waarbij de foto van verdachte op plaats 2 stond. Op 10 december 2015 heeft er wederom een testobservatie plaatsgevonden waarbij de foto van verdachte op plaats 4 stond. Vervolgens is op 15 december 2015 de fotobewijsconfrontatie met [betrokkene 1] geweest. In het proces-verbaal is gerelateerd dat de foto van verdachte op plaats 6 stond. Tijdens de zitting op 12 juni 2017 heeft de officier van justitie meegedeeld dat het FCM systeem de foto van verdachte iedere keer voor een testobservatie dan wel een fotobewijsconfrontatie op een willekeurige plaats zet. Gelet op deze mededeling en de constatering dat de foto van verdachte tijdens de voorbereiding voor de fotobewijsconfrontatie op verschillende plaatsen staat, ziet de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de bevindingen gerelateerd in het ambtsedig opgemaakte proces- verbaal van fotobewijsconfrontatie, inhoudende dat de foto van verdachte op plaats 6 stond ten tijde van de aan [betrokkene 1] getoonde foto ’s en [betrokkene 1] dus verdachte als schutter heeft aangewezen. De rechtbank verwerpt het verweer en gebruikt deze herkenning dan ook als belastend bewijsmiddel.”

De omstandigheid dat bij de aan de officier van justitie en de raadsman verzonden fotoselectie is vermeld dat die selectie ‘in de volgorde van tonen’ is verstrekt en waarbij de foto van verdachte zich op plaats 2 bevindt maakt dit niet anders, nu op grond van het proces-verbaal ‘Tonen selectie bij meervoudige fotobewijsconfrontatie’ en het voornoemde proces-verbaal van meervoudige fotobewijsconfrontatie met één getuige’ vaststaat dat in de aan de getuige [betrokkene 1] getoonde fotoselectie de foto van verdachte op plaats 6 (zes) stond. Het hof betrekt hierbij dat de plaats waar de foto zich bevindt telkens in het systeem wordt gewijzigd voor een nieuwe testobservatie of fotobewijsconfrontatie. Bij het voegen van de foto’s bij het proces-verbaal is in de tekst van het proces-verbaal kennelijk een vergissing gemaakt.”

6. Het hof heeft hetgeen in hoger beroep is aangevoerd (kennelijk) aangemerkt als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt en dit gemotiveerd verworpen. Daarmee resteert in cassatie de klacht over de motivering van die verwerping.

7. Voor zover het middel berust op de opvatting dat de verwerping van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt moet rusten op wettige bewijsmiddelen, althans dat moet worden aangegeven aan welke wettige bewijsmiddelen de feiten en omstandigheden zijn ontleend berust dit op een verkeerde rechtsopvatting.2 Dat de herkenning van verdachte wordt ondersteund door andere getuigen is niet onbegrijpelijk. Het hof doelt daarmee ook volgens de steller van het middel (onder meer) op [getuige 1] . Dat [getuige 1] geen volledige zekerheid over de herkenning van verdachte kan geven, doet daaraan anders dan de steller van het middel betoogt niet af.

8. De verdediging heeft in feitelijke aanleg een punt gemaakt van een onduidelijkheid inzake de fotoconfrontatie en de reactie daarop wordt nu in cassatie (opnieuw) betwist.

9. Het hof heeft in het bestreden arrest, zoals onder randnummer 5 al naar voren kwam, op dat (stand)punt van de verdediging gereageerd. Voor het bewijs heeft het hof de volgende overweging van de rechtbank overgenomen:

“Op 15 december 2015 is aangever [betrokkene 1] geconfronteerd met een fotoselectie van 8 personen. Aan de getuige werden foto’s van personen getoond, doorlopend genummerd van 1 tot en met 8. Terwijl de getuige naar de selectie keek, zei hij uit eigen beweging: ”ja zes, nummer zes. Na afloop van de confrontatie deelde de confrontatieleider aan de getuigenbegeleider mee dat in de getoonde selectie de foto van verdachte op plaats 6 stond.3

10. Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een proces-verbaal van bevindingen van 13 oktober 2016. Dat proces-verbaal vermeldt dat een kopie van de foto’s van de fotoconfrontatie met [betrokkene 1] op 15 december 2015 is gevoegd in de bijlage van het proces-verbaal van 13 oktober 2016. De bedoelde bijlage bestaat uit een zogenaamd werkverslag waarin die die foto’s zijn opgenomen. Het werkverslag dient kennelijk ter voorbereiding van de fotoconfrontatie van de getuige op 15 december 2015. Dat werkverslag begrijp ik zo4dat er ter voorbereiding van en voorafgaand aan de fotoconfrontatie met de getuige op 15 december 2015 al op 9 en 10 december 2015 zogenaamde testobservaties hebben plaatsgevonden. Het werkverslag van die testobservaties vermeldt: “fotogegevens van de foto’s in de bewijsconfrontatiesessie (in volgorde van tonen)” en voorts “Observatoren: (Deze hebben mogelijk een andere volgorde gezien dan de getuige)”. Dat laatste valt goed te begrijpen in het licht van de tevens in het werkverslag vermelde afdrukdatum 10-12-15. Ten tijde van de totstandkoming van deze afdruk was nog niet bekend in welke volgorde de foto’s op 15 december 2015 aan de getuige zouden worden getoond. Dat er verschil in volgorde van de foto’s enerzijds gebruikt bij testconfrontatie en anderzijds bij de fotoconfrontatie met de getuige is, staat niet ter discussie en vindt rechtstreeks een volgens mij begrijpelijke verklaring in het werkverslag.

11. Het komt mij in het licht van de uitvoerige motivering niet onbegrijpelijk voor dat het hof kennelijk van oordeel is dat de volgorde bij de voor het bewijs gebruikte fotoconfrontatie een andere is geweest dan de volgorde waarin de foto’s op 13 oktober 2016 als onderdeel van de bijlage bij het proces-verbaal van bevindingen zijn verstrekt. Dat bij de verstrekking van de foto’s aan officier van justitie en de advocaat in die bijlage (het werkverslag) een zin is opgenomen dat de foto’s zijn verstrekt in de volgorde van tonen doet daaraan niet af. In de bewijsoverweging van het hof ligt besloten dat uit het proces-verbaal van 15 december 2015 blijkt dat (de confrontatieleider heeft meegedeeld dat) de foto van verdachte [verdachte] op plaats 6 stond en dat verdachte die foto heeft herkend en dat dit niet in strijd is met het werkverslag.5

12. Het eerste middel faalt.

13. Het tweede middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring van feit 1 primair en feit 2.

14. Ten laste van de verdachte is – voor zover van belang – bewezen verklaard dat:

“1 primair:

hij op 5 september 2015 te Hilversum, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [betrokkene 1] en/of een of meer andere zich in [B] bevindende perso(o)n(en) van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

- met een auto naar/langs [B] is gereden en

- vervolgens (deels) uit de auto is gestapt en

- vervolgens meermalen met een met scherpe munitie geladen pistoolmitrailleur op/in de richting van die [betrokkene 1] en/of een of meer andere zich in [B] bevindende perso(o)n(en) meerdere kogels heeft geschoten,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid; 2:

hij op 5 september 2015 te Hilversum, een wapen van categorie II onder 2, te weten een pistoolmitrailleur, van het merk CZ, model 61, type Scorpion, kaliber 7,65mm en

bijbehorende munitie, te weten 56 scherpe patronen, van categorie III voorhanden heeft gehad;”

15. Het arrest van het hof houdt - voor zover van belang - in:6

Bewijs 7

Het hof neemt voor het bewijs van de feiten 1 primair en 2 de navolgende bewijsmiddelen uit het vonnis over, voor zover - met betrekking tot deze feiten - inhoudende:

Ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde

Bewijsmiddelen

Op 5 september 2015 heeft [betrokkene 1] , uitbater van [B] , aangifte gedaan. Hij heeft onder meer het navolgende verklaard:

“Ik schat dat er ongeveer 30 à 40 mensen aanwezig waren in het café. Onder de gasten was ook een Poolse man.

… Na ongeveer 10 minuten zag ik een Mercedes stil staan voor het café. Ik zag dat de Poolse man die ik net had weggestuurd als passagier in deze Mercedes zat.

... Ik zag dat de Poolse man probeerde uit te stappen. Omdat de bestuurder op dat moment weer begon te rijden, zat die Poolse man half op straat/half in de auto.

…Ik zag dat het een grijze Mercedes was. Het was een nieuwe E-klasse met een Nederlands kenteken met de begin combinatie “ [001] ”.

... Ik heb hier toen meteen via 112 een melding van gemaakt bij de politie. Ik zie op mijn mobiele telefoon dat het 02.06 uur was toen ik die melding deed.

...Na ongeveer 5 minuten zag ik 4 of 5 gasten voor de deur staan.

... Ik opende de voordeur en op dat moment zag ik de Mercedes weer aan komen rijden.

...Ik zag dat de Poolse man half uitstapte en een machinegeweer vast hield. Ik riep dat de gasten naar binnen moesten komen en riep tegen iedereen in het café dat ze op de grond moesten gaan liggen.

...Ik had nog wel gezien dat de Poolse man met zijn machinegeweer over zijn halfopen staande autoportier heen hing en begon te schieten. Ik hoorde twee keer “pang, pang”

…Ik heb meteen weer 112 gebeld en door gegeven dat er nu met een machinegeweer werd geschoten. Dit was om 02.25.8

Op 31 mei 2016 heeft [betrokkene 1] bij de rechter-commissaris verklaard:

Ik zag de auto aan komen. Ik zag de man uitstappen met een wapen omhoog en ik zag dat hij het wapen met beide handen vasthield en op ons richtte. Hij zat met één been in de auto en één been op de straat. De auto bleef rustig stapvoets rijden. Omdat de container daar stond ging de deur van de auto weer dicht en sloeg tegen hem aan. Dat gaf mij de tijd om ondertussen binnen tegen mensen te zeggen: ‘liggen ’. En mensen veilig te stellen. En ondertussen hoorde ik twee knallen. (...) Ik draaide mij niet meteen om. Ik had de gelegenheid om mijn mensen te beschermen, omdat de deur tegen hem dichtsloeg. De auto reed stapvoets verder. Hij richtte opnieuw (...) Ik zag dat hij het wapen op mij en de zaak richtte. Daarna werd er geschoten.9

Op 9 september 2015 heeft getuige [getuige 5] verklaard dat hij op 5 september 2015 tussen

02.15

en 03.00 uur ziet dat er mensen uit [B] werden geduwd. Tien minuten daarna ziet de getuige een Mercedes met een man met een wit poloshirt met zijn bovenlichaam uit het achterportier. De getuige hoort heel hard brullen en hoort die man in het Pools schreeuwen: “Ik maak jullie allemaal kapot.” Kort daarna, na ongeveer 5 à 10 minuten, zag hij de Mercedes weer uit dezelfde richting komen. Hij zag de Pool met het witte Polo shirt die eerder uit de auto hing. Hij zag de man op de toegangsdeur van [B] sloeg en daarbij een soort vleesmes vast had. Hij zag dat aan de binnenkant een paar Turken stonden. Hij zag dat de Mercedes wegreed. Enige tijd later zag hij de Mercedes weer de straat inrijden. Diezelfde Pool met de witte polo hing weer uit het raam. Hij zag dat die Pool een pistool in zijn rechterhand had. Hij hoorde drie schoten.10

Op 24 september 2015 heeft getuige [getuige 6] verklaard dat hij hoorde dat op het moment dat de jongen uit [B] gezet werd, hij zei: “l am coming back”.11

Op 31 mei 2016 heeft getuige [getuige 3] bij de rechter-commissaris verklaard dat de man die door zijn broer op 5 september 2015 uit het café was gezet, kwam aanrijden met een grote zilverkleurige Mercedes E-klasse, uitstapte met een hakmes en met het mes tegen het raam en kozijn aansloeg. Vervolgens zei hij: “I’ll come back’’.12

Op 20 december 2016 heeft [getuige 2] bij de rechter-commissaris verklaard dat het raam van de Mercedes omlaag ging en dat hij toen een wapen uit het raam zag komen. Het wapen kwam volgens de getuige tegen een gele container aan. De auto reed een stukje verder en toen ging de autodeur open. Toen de getuige “paf paf’ hoorde, is hij gaan rennen en heeft hij verder niets gezien 13.

Uit aanvullend onderzoek op de Havenstraat is gebleken dat de afstand vanaf het rechter achterportier, alwaar de schutter heeft gestaan, tot aan de gevel van [B] ongeveer 6 meter bedraagt.14

Op 15 december 2015 is aangever [betrokkene 1] geconfronteerd met een fotoselectie van 8 personen. Aan de getuige werden foto ’s van personen getoond, doorlopend genummerd van 1 tot en met 8. Terwijl de getuige naar de selectie keek, zei hij uit eigen beweging: ”ja zes, nummer zes . Na afloop van de confrontatie deelde de confrontatieleider aan de getuigenbegeleider mee dat in de getoonde selectie de foto van verdachte op plaats 6 stond.15

[...]

Op 5 september 2015 wordt rond 02.30 uur een zilvergrijze Mercedes met het kenteken [kenteken] gezien. Verbalisanten zetten de achtervolging in, waarna het voertuig op de [a-straat ] ter hoogte van nummer [002] tot stilstand komt. Op de achterbank van het voertuig wordt een doosje met daarin munitie en een grote hoeveelheid losse patronen gevonden.

In het grasveld ter hoogte van [a-straat 1] wordt een vuurwapen een Scorpion aangetroffen.16Dit betreft een pistoolmitrailleur van het merk CZ, model 61, type Scorpion, kaliber 7,65mm, zijnde een vuurwapen van categorie II onder 2 van de Wet wapens en munitie. De in de Mercedes aangetroffen 36 patronen zijn van het merk G.F.I. (Fiocchi), kaliber 7.65 mm en het merk PPU, kaliber .32 auto, zijnde munitie van categorie III.17De munitie is geschikt om verschoten te kunnen worden met het aangetroffen automatische vuurwapen.18

Op 5 september 2015 om 03.00 uur is sporenonderzoek verricht voor [B] . Er zijn twee hulzen op het fietspad gevonden en op de rijbaan, ter hoogte van de gele afvalcontainer, is een derde huis op de grond aangetroffen. Ter hoogte van de voordeur van [B] is een fragment van een mantel van een projectiel gevonden en ook werden in het raam van het pand van [A] , dat zich direct rechts naast [B] bevindt, twee gaten waargenomen.19

Het NFI heeft op 24 mei 2016 gerapporteerd dat de hypothese dat de op de plaats delict aangetroffen hulzen zijn verschoten met de op de [a-straat ] aangetroffen pistoolmitrailleur extreem veel waarschijnlijk is dan de hypothese dat de hulzen zijn verschoten met één of meerdere andere vuurwapen(s) van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken als het machinepistool.20

Op 6 september 2015 doet [betrokkene 2] aangifte. Zij heeft verklaard dat er door een schietpartij op 5 september 2015 tussen 02.20 uur en 02.30 uur twee kogelinslagen in de etalageruit van haar bedrijfspand zijn gekomen.21

Het hof vult de bewijsmiddelen aan met de twee volgende:

Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] d.d. 18 november 2015, inhoudende:22

V: De man die geschoten heeft, was die man eerder in het café?

A: Ja, die was ook in het café geweest. Dat was degene die ook heel vervelend was. Hij was de enige die heeft geschoten.

V: In toon u drie foto's van mannen (het hof begrijpt: de foto's op pagina 528-530 van het dossier). Wat denkt u bij de foto's?

A. Ik denk dat ik een (1) man herken als degene die geschoten heeft.

Dat is de man met het zwarte vest aan (het hof begrijpt: de foto van verdachte op pagina 529). De andere mannen herken ik niet.

V: Waarom heeft u bij de man met het zwarte vest aan het idee dat hij degene is geweest die geschoten heeft en de andere mannen niet?

A: Ik ben er niet volledig zeker van, maar zijn gezicht herken ik het meest.

De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het hof op 1 november 2018:

U toont mij een informatiestaat SKDB-persoon d.d. 19 oktober 2018. De persoon op de daarop afgedrukte persoon ben ik zeker. U toont mij de foto op pagina 529 van het dossier en houdt mij voor dat dit dezelfde foto is. De op de foto op pagina 529 afgebeelde persoon ben ik. Na mijn aanhouding zijn er nooit meer foto’s van mij gemaakt.

(…)

De DNA-sporen

(…)

Ten aanzien van het DNA-spoor op het doosje munitie overweegt het hof In de Mercedes met kenteken [kenteken] werd een doosje munitie aangetroffen. Dit doosje kreeg spoornummer PL0900-2105269829-88749 en SIN AAIL1268NL.23 Vanaf dit doosje is een bloedmonster veilig gesteld en voor onderzoek naar het NFI verzonden

Het NFI heeft in een rapport van 14 december 2015 vastgesteld dat het DNA van dit bloed me SIN AAIL1268NU01 matcht met het DNA-profiel van verdachte, met een matchkans van kleiner dan een op één miljard.24 Het hof gebruikt deze vaststelling voor het bewijs in samenhang met de andere wettige en overtuigende bewijsmiddelen en merkt het met de verdachtes DNA-profiel matchende DNA-spoor op het doosje munitie wél aan als een daderspoor. Dat het munitiedoosje een gemakkelijk verplaatsbaar object is, doet aan de ondersteunende bewijskracht daarvan niet af. Het hof verwerpt daarom dit verweer.

Het opzet en de voorbedachte raad

Het hof neemt de navolgende bewijsoverweging uit het vonnis over, voor zover - met betrekking tot het opzet - inhoudende:

Opzet

Uit de verklaring van aangever [betrokkene 1] afgelegd bij de rechter-commissaris, volgt dat verdachte gericht op [B] heeft geschoten met een pistoolmitrailleur, terwijl zich in en nabij het café personen bevonden, hetgeen bekend was bij en zichtbaar was voor verdachte.

Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaringen van de getuigen [getuige 3] , [getuige 2] , [getuige 4] , [getuige 1] en [getuige 5] . Door de raadsman is het verweer gevoerd dat de pistoolmitrailleur mogelijk afgegaan is doordat de container, of het daardoor geraakte portier, tegen het wapen aankwam. Door geen van de getuigen wordt echter verklaard dat het vuurwapen enkel is afgegaan doordat de pistoolmitraillieur tegen de gele container aankwam of doordat het portier er tegenaan sloeg, Het door de verdediging geschetste alternatieve scenario vindt dus geen bevestiging in het dossier en is ook anderszins niet aannemelijk.

Aangever [betrokkene 1] , [getuige 3] en [getuige 4] verklaren dat verdachte eerder in het café is geweest

dat hij terug gekomen is en zoals [getuige 5] heeft verklaard heeft geroepen “Ik maak jullie kapot”. Daar komt bij dat [betrokkene 1] verklaard heeft dat de auto nadat de deur dichtsloeg door de gele container is doorgereden en verdachte vervolgens opnieuw de pistoolmitrailleur op hem en het café richtte en de afstand tussen het café en verdachte 6 meter bedroeg De gedragingen van verdachte zijn gelet op het voorgaande naar hun uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op het doden van in en nabij het café aanwezige personen, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans daarop heeft aanvaard.”

Met betrekking tot de voorbedachte raad overweegt het hof het volgende:

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel "voorbedachte raad" moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra- indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten - anders dan wel uit eerdere rechtspraak van de Hoge Raad wordt afgeleid - aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven (vgl. HR 28 februari 2012, LJN BR2342, NJ 2012/518).

Verdachte is in eerste instantie door een aantal mensen uit [B] gezet. Verdachte was boos en hij heeft toen geroepen dat hij terug zou komen en hij heeft gedreigd met de woorden “Ik maak jullie allemaal kapot”. Hij wist op dat moment dat zich een flink aantal mensen in het café bevond. Verdachte is vervolgens eerst eenmaal met de Mercedes langs het café gereden, waarbij hij vanuit die auto, half naar buiten hangend, verbaal agressief was. Na enige tijd is hij nogmaals naar het café toegereden. Ditmaal had hij een groot mes of een op een groot mes gelijkend voorwerp in handen. Met dit voorwerp heeft hij op de deur van het café gebonkt, terwijl - naar hij kon zien - zich in het café meerdere mensen bevonden. Ten slotte is hij ongeveer twintig minuten later een derde keer met de Mercedes naar het café gereden. Deze laatste keer had hij een geladen automatisch vuurwapen bij zich en heeft hij met dat wapen enkele schoten afgevuurd.

Uit het bovenstaande volgt dat er minst genomen ongeveer een half uur is verstreken nadat verdachte uit het café was verwijderd en voordat verdachte aanving met de uitvoering van de hem ten laste gelegde feiten. In dat half uur heeft verdachte de tijd gehad om zich te beraden waarna hij over is gegaan tot het gebruik van een automatisch vuurwapen Het hof acht aannemelijk geworden dat verdachte boos was, maar acht niet aannemelijk geworden dat verdachte in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling handelde in die zin dat besluitvorming en uitvoering hebben plaatsgevonden in een plotselinge hevige drift die eraan in de weg heeft gestaan dat verdachte de consequenties van zijn daden kon overdenken en overzien. Ook van andere contra-indicaties voor het aannemen van voorbedachte raad is niet gebleken.”

  1. 16. Uit (de toelichting op) het middel blijkt dat het middel drie deelklachten bevat. Samengevat wordt geklaagd dat niet uit de bewijsconstructie van het hof kan worden afgeleid dat de verdachte i) degene is geweest die op 5 september 2015 heeft geschoten en het wapen en de munitie voorhanden heeft gehad, ii) meermaals meerdere kogels heeft geschoten richting [betrokkene 1] en/of anderen zich in [B] bevindende personen en aldus het opzet heeft gehad deze personen van het leven te beroven en iii) met voorbedachte raad heeft gehandeld.

    17. Eerst de klacht over het daderschap. Dat verdachte de schutter was (feit 1 primair) en de munitie voorhanden had (feit 2) moet steunen op de inhoud van in het arrest opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden (art. 359, derde lid, Sv).25 In het bestreden arrest is de bewijsvoering van de rechtbank overgenomen en aangevuld. Die bewijsvoering (zoals weergegeven onder randnummer 15) bestaat niet uit een aanvulling met bewijsmiddelen, maar uit een bewijsconstructie in het arrest waarin zowel (gedeeltes van) verklaringen en bevindingen letterlijk zijn opgenomen als zijn samengevat (Promisachtige werkwijze), terwijl in noten telkens wordt verwezen naar de vindplaats van de verklaringen en bevindingen in het dossier. Dat is ook het geval bij het bewijs van het daderschap van verdachte dat voor het schieten in het bijzonder naar voren komt uit de fotoconfratie door [betrokkene 1] en [getuige 1] en voor de munitie uit het DNA-spoor op het doosje. Dat zijn redengevende feiten en omstandigheden die zijn ontleend aan zich in het dossier bevindende processen-verbaal waarnaar in het bestreden arrest in noten wordt verwezen. Waarom dat ontoereikend zou zijn, zie ik zonder nadere toelichting niet in. Uit de bewijsvoering blijkt overigens van overvloedig steunbewijs. De eerste klacht faalt.

16. Uit (de toelichting op) het middel blijkt dat het middel drie deelklachten bevat. Samengevat wordt geklaagd dat niet uit de bewijsconstructie van het hof kan worden afgeleid dat de verdachte i) degene is geweest die op 5 september 2015 heeft geschoten en het wapen en de munitie voorhanden heeft gehad, ii) meermaals meerdere kogels heeft geschoten richting [betrokkene 1] en/of anderen zich in [B] bevindende personen en aldus het opzet heeft gehad deze personen van het leven te beroven en iii) met voorbedachte raad heeft gehandeld.

18. De tweede klacht betreft vooral het bewijs van het gericht schieten waaruit opzet zou zijn af te leiden. In dat kader wordt betwist dat het hof uit de bewijsmiddelen kon afleiden zowel dat verdachte meermalen heeft geschoten als dat er meerdere kogels zijn verschoten. De onder randnummer 15 opgenomen bewijsvoering bevat zowel een aangifte als een bij de rechter- commissaris afgelegde verklaring van [betrokkene 1] . Uit aangifte en verklaring in onderling verband en samenhang heeft het hof kennelijk afgeleid en kunnen afleiden dat eerst (tenminste) twee maal is geschoten en daarna nogmaals. Dat er vaker is geschoten heeft het hof ondersteund door het gebruik voor het bewijs van de resultaten van het sporenonderzoek waaronder de drie ter plaatse aangetroffen hulzen en de door het NFI vastgestelde mate van waarschijnlijkheid dat die hulzen zijn verschoten met het later aangetroffen automatische wapen. De bewezenverklaring is daarmee voor zover deze inhoudt dat verdachte meermalen en/of meerdere kogels heeft geschoten toereikend gemotiveerd.

19. Voorts wordt in het kader van deze tweede klacht geklaagd over de onder het kopje ‘Opzet’ door het hof van de rechtbank overgenomen overweging (zie randnummer 15). Voor de leesbaarheid herhaal ik die overweging, voor zover hier van belang:

n.

“Uit de verklaring van aangever [betrokkene 1] afgelegd bij de rechter-commissaris, volgt dat verdachte gericht op [B] heeft geschoten met een pistoolmitrailleur, terwijl zich in en nabij het café personen bevonden, hetgeen bekend was bij en zichtbaar was voor verdachte.

Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaringen van de getuigen [getuige 3] , [getuige 2] , [getuige 4] , [getuige 1] en [getuige 5] .”

20. De inhoud van de verklaringen van de getuigen [getuige 3] , [getuige 2] , [getuige 1] en [getuige 5] is, voor zover deze voor het bewijs is gebruikt, kennelijk in het licht van het derde lid van art. 359 Sv onder verwijzing naar vindplaatsen in het dossier in de onder randnummer 15 geciteerde bewijsvoering opgenomen. Dat wordt overwogen dat deze verklaringen de verklaring van [getuige 3] ondersteunen is niet onbegrijpelijk. Anders dan de steller van het middel mogelijk meent, kan niet uitsluitend van steun worden gesproken indien de verklaring van [betrokkene 1] volledig wordt gedekt door iedere afzonderlijke andere getuigenverklaring. Evenmin betekent de vaststelling dat de verklaring van aangever door verklaringen van andere getuigen wordt ondersteund dat elk onderdeel van de verklaring van aangever moet worden bevestigd door enig steunbewijs. Dat de verklaring van de aangever tevens wordt ondersteund door de verklaring van [getuige 4] berust op een misslag – de inhoud van die verklaring is immers niet in de bewijsvoering onder verwijzing naar een vindplaats opgenomen - die voor de bewijsvoering verder zonder enig belang is.

21. Onder uiteenzetting van het toepasselijke kader26 wordt vervolgens geklaagd over het oordeel van het hof in de bijzondere overweging over opzet dat “de gedragingen van de verdachte […] naar hun uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op het doden van in en nabij het café aanwezige personen [zijn], dat het niet anders kan dan dat verdachte de aanmerkelijke kans daarop heeft aanvaard.” Volgens de steller van het middel zou dit blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dit oordeel onbegrijpelijk. Nu de steller van het middel daar geen punt van maakt, lees ik de overweging zo dat het hof doelt op de bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans. Enige invulling van de klacht dat het oordeel van het hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting lees ik in de toelichting op het middel niet. Het betreft motiveringsklachten.

22. De klacht richt zich niet tegen het uitgangspunt in de bijzondere ‘opzetoverweging’ dat verdachte heeft geschoten en er wordt evenmin geklaagd over de verwerping van het alternatieve scenario in die overweging. Het opzet wordt in de bijzondere overweging met name gestoeld op een uitlating van verdachte (“Ik maak jullie kapot”), de verklaring van [betrokkene 1] dat verdachte opnieuw richtte op hem en het café en de afstand tussen verdachte en het café zes meter bedroeg. De bijzondere bewijsoverweging is gelet op de eerste zin ervan in het bijzonder gebaseerd op de verklaring van [betrokkene 1] bij de rechter-commissaris, zoals deze ook in de bewijsvoering onder randnummer 15 is opgenomen.

23. Aan de klacht is allereerst ten grondslag gelegd dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat – in de woorden van de bijzondere bewijsoverweging inzake opzet - gericht is geschoten omdat – kort gezegd - niet zou blijken dat ten tijde van het schieten nog van richten sprake was. Inderdaad heeft [betrokkene 1] bij de rechter-commissaris niet verklaard dat hij terwijl verdachte op hem schoot hij gelijktijdig zag dat het wapen op hem was gericht. Als dat voor het bewijs van gericht schieten vereist zou zijn, zou dat overigens ook veel te ver gaan.

Ik wijs er op dat de bewezenverklaring niet de woorden gericht schieten bevat, maar de woorden schieten in de richting van (…). Als het hof in de bijzondere overweging inzake opzet spreekt van gericht schieten zie ik niet in dat hiermee iets anders is bedoeld dan schieten in de richting van (…) en anders dan de steller van het middel meent is van denaturering van de verklaring van [betrokkene 1] bij rechter-commissaris in de samenvatting daarvan in de overweging inzake opzet geen sprake. Het hof heeft de verklaring van [betrokkene 1] kennelijk en niet onbegrijpelijk zo gelezen dat hij een schot hoorde kort nadat hij had geconstateerd dat er op hem (en het café) werd gericht. Alleen al gelet daarop kon het hof bewezen verklaren dat verdachte “in de richting van die [betrokkene 1] en/of een of meer andere zich in [B] bevindende perso(o)n(en) meerdere kogels heeft geschoten”. Het in de bewijsvoering gerelateerde sporenonderzoek levert verder nog een duidelijke aanwijzing op dat in de richting van het café (en de zich daarin bevindende personen waaronder [betrokkene 1] ) is geschoten. De motivering van het bewijs van ‘in de richting’ van [betrokkene 1] en andere personen schieten is niet ontoereikend of onbegrijpelijk.

24. Bovendien wordt nog geklaagd dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat er een aanmerkelijk kans was dat de personen in of nabij het café zouden komen te overlijden ten gevolge van het schieten door de verdachte, noch dat de verdachte die kans bewust heeft aanvaard. In dat verband wijst de steller van het middel op de volgende door het hof vastgestelde omstandigheden:

- [betrokkene 1] de gelegenheid heeft gehad om tegen de personen binnen in het café te zeggen dat ze moesten gaan liggen,

- dat hij ze kon veiligstellen en zijn mensen kon beschermen (…),

- dat de kogelinslagen in de ruit van het naastgelegen pand zaten, terwijl vanaf een zeer korte afstand is geschoten.

25. Ik wijs er allereerst op dat het hof niet feitelijk heeft vastgesteld dat de kans dat iemand dodelijk zou worden geraakt was uitgesloten. En dan rijst de vraag of er nu voor het eerst in cassatie en impliciet op wordt gedoeld dat door het wegduiken van de potentiële slachtoffers de mogelijkheid is opengebleven dat verdachte niet het voornemen had om [betrokkene 1] en andere personen van het leven te beroven? Het hof heeft kennelijk aangenomen dat de uitlating van verdachte (“Ik maak jullie kapot”) en het meermalen meerdere kogels verschieten juist in de tegenovergestelde richting van bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans op de dood wijzen. In het oordeel van het hof ligt kennelijk en niet onbegrijpelijk besloten dat mede gelet op het ontbreken van verweer27het wegduiken er niet aan in de weg staat dat verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van [betrokkene 1] en anderen bewust heeft aanvaard.

26. Zonder ontbrekende toelichting zie ik niet in dat de aanwezigheid van kogelinslagen in de ruit van het naastgelegen pand, terwijl vanaf een zeer korte afstand is geschoten het voorgaande anders maakt. Gelet op het in de bewijsvoering opgenomen sporenonderzoek kan daaruit in ieder geval niet worden afgeleid dat de verdachte zich exclusief heeft beperkt tot het gericht schieten op het pand van de buren.

27. In de toelichting op de derde klacht van het tweede middel (p. 22 en 23 van de schriftuur) wordt in het bijzonder geklaagd dat de bewezenverklaring van feit 1 primair, voor zover inhoudend dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, ontoereikend is gemotiveerd.

28. De bewezenverklaring en bewijsvoering van het hof zijn reeds onder de randnummers 14 en 15 weergegeven.

29. Het tenlastegelegde is toegesneden op art. 289 Sr. De daarin voorkomende uitdrukking ‘voorbedachten rade’ moet dus geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan in art. 289 Sr toekomt. In (onder meer)28HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963, NJ 2014/156 m.nt. Keulen heeft de Hoge Raad het toetsingskader van voorbedachte raad aangescherpt:

“3.3.

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra- indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven. (vgl. HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342, NJ 2012/518).

De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat ingeval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven (vgl. het overleg en nadenken dat in de wetsgeschiedenis is geplaatst tegenover de ogenblikkelijke gemoedsopwelling). Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit. Daarbij verdient opmerking dat de enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, niet toereikend is om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad.”

De Hullu vat de hoofdlijn van dit kader samen: “voorbedachte raad veronderstelt materieel gezien eigenlijk daadwerkelijk beraad; een behoorlijk tijdsverloop dat gelegenheid biedt voor beraad is bewijsrechtelijk gezien een belangrijke aanwijzing voor beraad; contra-indicaties kunnen een andere kant op wijzen; gelet op de strafverzwarende werking van voorbedachte raad verdient de bewijsmotivering duidelijk aandacht.”29 Contra-indicaties voor beraad kunnen een heel kort tijdsverloop zijn,30 alsook wel gemoedsbewegingen.31 Dat een contra- indicatie voor voorbedachte raad is dat het niet om een heel kort tijdsverloop mag gaan, betekent niet dat het tijdsverloop steeds lang moet te zijn.32

30. In cassatie wordt niet geklaagd over het door het hof toegepaste toetsingskader. De klacht spitst zich toe op het verstrijken van een (in de woorden van De Hulllu) ‘behoorlijk’ tijdsverloop zodat er gelegenheid is geweest na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven: na de verwijdering van verdachte uit het café verstreek niet om en nabij een half uur en het aanvangstijdstip van dat tijdsverloop heeft het hof kennelijk die verwijdering geacht, terwijl het hof niets heeft vastgesteld over het tijdstip waarop verdachte besloot de pistoolmitrailleur te gebruiken.

31. In de bijzondere overweging omtrent de voorbedachte raad onder randnummer 15 heeft het hof vastgesteld dat tussen de verwijdering uit het café en het schieten met een automatisch wapen om en nabij een half uur ligt. Het hof heeft dit kennelijk afgeleid en niet onbegrijpelijk kunnen afleiden uit de in de bewijsvoering opgenomen verklaringen van [betrokkene 1] en [getuige 5] . Vooral uit de verklaring van [getuige 5] komt duidelijk naar voren dat verdachte tien minuten na verwijdering nog drie keer met een auto langs het café is gereden. De eerste keer schreeuwde hij alleen maar, de tweede keer had hij een vleesmes tot zijn beschikking en de derde maal schoot hij met de pistoolmitrailleur. De bewijsoverweging van het hof begrijp ik zo dat tussen de eerste keer langsrijden en de derde keer twintig minuten verliep. Zo bezien is de vaststelling door het hof van een totaal tijdsverloop van om en nabij een half uur niet onbegrijpelijk: tien minuten van verwijdering tot eerste keer langsrijden en twintig minuten tussen eerste en derde keer langsrijden. Die twintig minuten tussen de eerste en derde keer langsrijden heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk ontleend aan de opgave van de tijdstippen van melding aan de politie door [betrokkene 1] en wel om 2.06 uur (eerste keer langsrijden) en 2.25 uur (schieten met automatisch wapen). Daarmee is de motivering van de vaststelling van het hof dat om en na bij een half uur is verstreken niet ontoereikend of onbegrijpelijk.

32. Met het hof meen ik dat om en nabij een half uur een zodanig tijdsverloop is dat er gelegenheid is geweest na te denken over de betekenis en de gev voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Ten tijde van de verwijdering was verdachte naar het hof overweegt boos, maar om en nabij een half uur later kan niet meer worden meer aangenomen en behoefde het hof dus ook niet aan te nemen dat het schieten nog steeds uit die boosheid voortvloeide. Na (ongeveer) een half uur was er volgens het hof geen sprake meer van een gedraging ten gevolge van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Op welk moment verdachte nu precies tot de slotsom kwam het automatische wapen te gebruiken is daarbij niet van doorslaggevend gewicht. 33 Daarbij neem ik in aanmerking dat (1) verdachte al bij de eerste keer langsrijden schreeuwde: “Ik maak jullie allemaal kapot.” (2) door of namens verdachte niet is gewezen op factoren die zijn boosheid tot (ongeveer) een half uur na verwijdering verder hebben gevoed en (3) het meermalen (meerdere kogels) (ver)schieten tevens als een contra-indicatie kan worden aangemerkt voor louter tengevolge boosheid vanwege verwijdering schieten met een automatisch wapen.olgen van de

33. Het tweede middel faalt.

34. Het derde middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring van feit 2, in het bijzonder het voorhanden hebben van munitie.

35. De bewezenverklaring en de (nadere) bewijsmotivering zijn reeds hiervoor onder randnummer 14 en 15 weergegeven.

36. Geklaagd wordt dat uit de bewijsmiddelen slechts kan worden afgeleid dat in de Mercedes 36 patronen zijn aangetroffen, terwijl bewezen is verklaard dat de verdachte 56 scherpe patronen voorhanden heeft gehad.

37. De steller van het middel stelt terecht dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat in de Mercedes waarmee het bewezen verklaarde feit 1 is gepleegd 36 patronen zijn aangetroffen en dat de bewezenverklaring van het hof van feit 2 inhoudt dat het om 56 patronen gaat. Mede gelet op de omstandigheid dat onder het kopje “strafbaarheid van het bewezenverklaarde” onder feit 2 wordt gesproken van 36 patronen is sprake van een kennelijke misslag, reden waarom wordt voorgesteld dit verbeterd te lezen. Voor de ernst en de aard van het feit maakt het geen verschil. Bij een verbeterde lezing komt de feitelijke grondslag aan de klacht te ontvallen.

38. Het derde middel faalt.

39. Het vierde middel klaagt dat het hof het onder 7 bewezenverklaarde ten onrechte, althans onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft gekwalificeerd als witwassen.

40. Ten laste van de verdachte is onder 7 bewezen verklaard dat:

“7:

hij op 5 november 2015 te Vinkeveen, een voorwerp, te weten een geldbedrag van ongeveer

74.500 euro, voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk

- onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.”

41. Het arrest van het hof houdt – voor zover van belang – in: 34

“Voor het bewijs van het onder 7 tenlastegelegde neemt het hof de navolgende bewijsmiddelen en de bewijsoverweging uit het vonnis over, voor zover inhoudende:

Ten aanzien van het onder 7 ten laste gelegde

Bewijsmiddelen

Op 5 november 2015 wordt verdachte in de woning aan de Vinkenkade 77-137 in Vinkeveen aangehouden. Tijdens de doorzoeking wordt - naast drugs en vuurwapens - op diverse plaatsen in de woning geld aangetroffen, in totaal € 74.500. 35

Verdachte heeft op 2 december 2015 bij de politie verklaard dat het aangetroffen geld van hem is. Ook heeft hij verklaard dat hij de aangetroffen drugs en (vuur)wapens gekocht heeft voor € 22.000,-. 36

Er is een financieel onderzoek gedaan. Hieruit komt naar voren dat verdachte bruto in 2010

€3.545,-, in 2011 €2.965,-, in 2012 € 1.162,-, in 2013 € 17.400,-, in 2014 € 1.323,- en in 2015 niets

heeft verdiend. Op de Rabobankrekening van verdachte, die op 16 maart 2011 is geopend en op

24 september 2013 is beëindigd wordt in 2011 €868,16 en in 2012 € 67,36 aan inkomen bijgeschreven. Op de ING rekening van verdachte, die op 8 november 2012 is geopend en op 6 september 2014 is beëindigd is in 2012 € 530 - in 2012 €1.962 - en in 2013 €20.500, - aan inkomen bij geschreven. 37

Bewijsoverweging

Bij een doorzoeking in de woning waarin verdachte verbleef is een geldbedrag van ruim € 74.500,- gevonden, terwijl er ook handelshoeveelheden drugs, vier vuurwapens van categorie III, een stroomstootwapen en munitie zijn aangetroffen. Gelet op deze omstandigheden is er een vermoeden dat verdachte dit geldbedrag voorhanden had, terwijl hij wist dat dit afkomstig was uit enig misdrijf. Verdachte heeft over dit geldbedrag verklaard dat dit van hem was en aanvankelijk dat hij dat gespaard heeft over een periode van 11 jaar uit inkomsten verdiend in het buitenland. Uit financieel onderzoek is echter gebleken dat de legale inkomsten van verdachte dusdanig laag zijn die het aangetroffen bedrag niet kunnen verklaren. De aanvullende verklaring van verdachte, afgelegd ter zitting op 13 juni 2017, dat het geld ook afkomstig is van giften onder andere voor zijn eerste communie en meerdere verjaardagen, is onvoldoende concreet en niet verifieerbaar, zodat dit hoogst onwaarschijnlijk is en geconcludeerd moet worden dat het geldbedrag afkomstig is van enig misdrijf. (.....) De rechtbank is van oordeel dat het onder 7 ten laste gelegde witwassen wettig en overtuigend bewezen is.”

Het hof overweegt daarnaast dat verdachte zijn, in hoger beroep herhaalde, stelling dat hij dit geldbedrag bijeen heeft gespaard met werk dat hij heeft verricht in onder meer Duitsland, Engeland en Nederland en voorts dat hij een deel van dat geld nog heeft vanuit de tijd dat hij zijn eerste communie deed, niet nader heeft onderbouwd. Hoewel hij op 2 december 2015 tegenover de politie nog heeft verklaard dat hij deze stelling met schriftelijke stukken kon onderbouwen 38 heeft hij deze stelling niet meer concreet en verifieerbaar gemaakt, terwijl daarvoor voldoende tijd en gelegenheid is geweest. Het hof is, onder deze omstandigheden, met de rechtbank van oordeel dat de door verdachte gestelde herkomst van het geld hoogst onwaarschijnlijk is en dat geconcludeerd moet worden dat het geld afkomstig is van enig misdrijf.

(…)

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

(…)

Ten aanzien van het onder 7 bewezenverklaarde feit heeft de raadsman met een beroep op een uitspraak van de rechtbank Overijssel d.d. 6 februari 2018 39 30 bepleit dat sprake is van een kwalificatie-uitsluitingsgrond, zodat verdachte ten aanzien van dit feit moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof overweegt met betrekking tot dit verweer het volgende. In zijn arrest van 16 juni 2015 overweegt de Hoge Raad:

"2.3.1. Het middel doet een beroep op recente rechtspraak van de Hoge Raad over in het bijzonder het verwerven of voorhanden hebben van onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen. Die rechtspraak komt er - kort gezegd - op neer dat in zulke gevallen bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld-)witwassen in die zin dat dan uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. Deze rechtsregels hebben slechts betrekking op het geval dat de verdachte voorwerpen heeft verworven of voorhanden heeft gehad, terwijl aannemelijk is dat die voorwerpen onmiddellijk afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf.

2.3.2. Indien de feitenrechter zijn kwalificatiebeslissing in de hierboven onder 2.3.1 bedoelde zin heeft gemotiveerd, kan die motivering in cassatie worden getoetst. Maar ook indien de feitenrechter de bewezenverklaring zonder hierop gerichte motivering als (schuld)witwassen heeft gekwalificeerd omdat zich (kennelijk) niet een geval voordoet als hiervoor onder 2.3.1 bedoeld, kan dat (kennelijke) oordeel in cassatie op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.

Het oordeel dat niet sprake is van een onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig voorwerp zal vooral niet begrijpelijk kunnen zijn indien:

(i) daarnaast sprake is van een ten laste van de verdachte uitgesproken bewezenverklaring ter zake van het begaan van een ander misdrijf met betrekking tot hetzelfde voorwerp door middel van welk misdrijf de verdachte dat voorwerp kennelijk heeft verworven of

voorhanden heeft (bijvoorbeeld de buit van een door de verdachte zelf begaan vermogensmisdrijf), dan wel

(ii) rechtstreeks uit de bewijsvoering voortvloeit dat sprake is van - kort gezegd- het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf dan wel

(iii) de juistheid in het midden is gelaten van hetgeen door of namens de verdachte met voldoende concretisering is aangevoerd met betrekking tot dit verwerven of voorhanden hebben door eigen misdrijf (Vgl. met verdere verwijzingen HR 7 april 2015 ECLI:NL:HR:2015:888, rov. 3.3.1 en 3.3.2)” 40

Het hof constateert dat er geen sprake is van ten laste van verdachte uitgesproken bewezenverklaringen door middel van welke verdachte de beschikking heeft gekregen over het aangetroffen geld. Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt verder enerzijds dat het onder verdachte in beslag genomen geldbedrag, bij gebreke aan een onderbouwde en verifieerbare verklaring over de herkomst ervan, naar hij wist afkomstig is van enig misdrijf, terwijl anderzijds - in lijn met de hierboven in de bewijsmiddelen en bewijsoverweging genoemde verklaring van verdachte - niet uit de bewijsvoering volgt dat dit geld afkomstig is van (een) misdrijf dat/misdrijven die door verdachte zelf is/zijn gepleegd. Voorts heeft verdachte niet zelf verklaard dat dit geld afkomstig is uit door hem zelf gepleegde misdrijven.

Het verweer wordt daarom verworpen.

Het onder 7 bewezen verklaarde levert op:

witwassen.”

42. De tenlastelegging en bewezenverklaring zijn toegesneden op art. 420bis, eerste lid onder b, Sr, dat luidt: 41

“1. Als schuldig aan witwassen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie:

(…)

b. hij die een voorwerp verwerft, voorhanden heeft, overdraagt of omzet of van een voorwerp gebruik maakt, terwijl hij weet dat het voorwerp — onmiddellijk of middellijk — afkomstig is uit enig misdrijf.”

43. De steller van het middel stelt terecht voorop dat indien bewezen wordt verklaard dat de verdachte voorwerpen voorhanden heeft gehad die onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig zijn, er bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering dat er sprake is van (schuld)witwassen. Uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. 42 Indien de feitenrechter zijn kwalificatiebeslissing heeft gemotiveerd, kan die motivering in cassatie worden getoetst. Maar ook indien de feitenrechter de bewezenverklaring zonder hierop gerichte motivering als (schuld-)witwassen heeft gekwalificeerd omdat er (kennelijk) geen sprake is van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit eigen misdrijf, kan dat (kennelijke) oordeel in cassatie op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. Het oordeel dat niet sprake is van een onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig voorwerp zal vooral niet begrijpelijk kunnen zijn indien:

(i) daarnaast sprake is van een ten laste van de verdachte uitgesproken bewezenverklaring ter zake van het begaan van een ander misdrijf met betrekking tot hetzelfde voorwerp, door middel van welk misdrijf de verdachte dat voorwerp kennelijk heeft verworven of voorhanden heeft (bijvoorbeeld de buit van een door de verdachte zelf begaan vermogensmisdrijf), dan wel

(ii) rechtstreeks uit de bewijsvoering voortvloeit dat sprake is van - kort gezegd - het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, dan wel

(iii) de juistheid in het midden is gelaten van hetgeen door of namens de verdachte met voldoende concretisering is aangevoerd met betrekking tot dit verwerven of voorhanden hebben door eigen misdrijf. 43

44. Uit (de toelichting op) het middel blijkt dat wordt geklaagd over de begrijpelijkheid van het (kennelijke) oordeel van het hof dat niet of onvoldoende aannemelijk is geworden dat het geldbedrag uit eigen misdrijf afkomstig is, gelet op de vaststellingen door het hof “en het ontbreken van het begin van een aanwijzing dat het geld afkomstig was uit enig misdrijf door een ander gepleegd.” In dat verband wordt door de steller van het middel in het bijzonder gewezen op “’s Hofs vaststellingen dat het geldbedrag van verzoeker is en dat in de woning van verzoeker handelshoeveelheden drugs, vier vuurwapens van categorie III, een stroomstootwapen en munitie zijn aangetroffen, terwijl verzoekers legale inkomsten het aangetroffen geldbedrag niet kunnen verklaren.”44

45. Voor zover is beoogd te klagen dat voor een bewezenverklaring van witwassen moet worden vastgesteld (dat het aannemelijk moet worden) dat een voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf door een ander gepleegd, berust de klacht gelet op hetgeen is vooropgesteld onder randnummer 44 op een verkeerde rechtsopvatting.

46. Uit hetgeen hiervoor onder randnummer 42 is weergegeven, blijkt dat het hof ten aanzien van het bedrag van € 74.500,- (kennelijk) heeft geoordeeld dat de verdachte dit geldbedrag voorhanden heeft gehad, maar dat dit niet onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig is. Het hof heeft dat oordeel nader gemotiveerd en in zijn overwegingen de door de Hoge Raad in zijn arrest van (onder meer) 16 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1655, NJ 2015/340, m.nt.

Keijzer genoemde factoren benoemd en getoetst. In dat verband heeft het hof overwogen – kort weergegeven - dat niet uit de bewijsvoering, noch uit de verklaring van verdachte, noch uit hetgeen namens de verdachte is aangevoerd, volgt dat er sprake is van de factoren i) tot en met iii). 45 Het hof heeft daarbij onder meer betrokken dat geen onderbouwde en verifieerbare verklaring over de herkomst van het geld door of namens de verdachte naar voren is gebracht. Dat het hof gelet op het voorgaande (kennelijk) heeft geoordeeld dat het geldbedrag niet onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig was, is niet onbegrijpelijk, noch ontoereikend gemotiveerd.46 De vaststellingen van het hof dat de verdachte – kort gezegd – ook drugs, (vuur)wapens en munitie voorhanden had maken dat niet anders, nu uit – voor zover daarover is beoogd te klagen – de aanwezigheid van die voorwerpen niet rechtstreeks voortvloeit dat het geldbedrag onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig is. Daarbij kan in aanmerking worden genomen dat terechtzitting in hoger beroep niet is aangevoerd dat het geldbedrag uit eigen misdrijf afkomstig was. Hoewel – samengevat – wel is aangevoerd dat van de ‘kwalificatie-uitsluitingsgrond’ sprake is, is dit eveneens niet (nader) onderbouwd.47 Ten overvloede kan in aanmerking worden genomen dat het hof de verdachte in de gelegenheid heeft gesteld de (legale) herkomst van het geld nader te onderbouwen, maar dat deze onderbouwing is uitgebleven.

47. Het vierde middel faalt.

48. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, Wet RO ontleende overweging. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

49. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

1 Met weglating voetnoten.

2 Zie HR 23 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5858, NJ 2008/70, m.nt. Borgers, rov. 3.3.

3 Proces-verbaal van tonen selectie bij meervoudige fotobewijsconfrontatie, pagina’s 512, 513 en 514.

4 Aldus wordt ook duidelijk uit het proces-verbaal meervoudige fotobewijsconfrontatie met één getuige van 16 december 2015 pvnr.2015269829 (in het bijzonder dossierpagina 517).

5 Ik betwijfel sterk of er wel sprake is van een (kennelijke) vergissing gelet op de mededeling in het werkverslag dat de observanten de foto’s mogelijk in een andere volgorde hebben gezien dan de getuige. Dat doet er natuurlijk aan af dat de herkenning bruikbaar is voor het bewijs.

6 Met vernummering voetnoten.

7 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in wettelijk vorm opgemaakte proces-verbaal, genummerd PL0900-2015272375 opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 699. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

8 Een proces-verbaal van aangifte, pagina 8.

9 Een proces-verbaal verhoor van getuige [betrokkene 1], RC nummer 15/4465, 15/3960, 15/4467, pagina 4 en 5.

10 Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 5], pagina’s 156 en 157.

11 Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 6], pagina 407.

12 Een proces-verbaal verhoor van getuige [getuige 3], RC-nummers 15/4465, 15/3960 en 15/4467.

13 Een proces-verbaaI verhoor van getuige [getuige 2], RC-nummers 15/4465, 15/3960 15/3963,15/4466, pagina 3.

14 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 619 en 620.

15 Een proces-verbaal tonen selectie bij meervoudige fotobewijsconfrontatie, pagina’s 512, 513 en 514.

16 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 56.

17 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 493 en 494.

18 Een proces-verbaal van bevindingen PL0900-2015269829-153.

19 Een proces-verbaal van sporenonderzoek, pagina 331, 332 en 333.

20 Een NFI-rapport van 24 mei 2016 wapen- en munitieonderzoek naar aanleiding van een schietincident in Hilversum op 5 september 2015.

21 Een proces-verbaal van aangifte van [betrokkene 2], pagina 21.

22 Pagina 523 van het dossier.

23 Een proces-verbaal aanvraag DNA-onderzoek sporen en benoeming DNA-deskundige, pagina 490 e.v..

24 Rapport DNA-onderzoek naar aanleiding van een schietincident in Hilversum op 5 september 2015 in zaaknummer 2015.10.13.094.

25 Het beroep dat de steller van het middel doet op HR 24 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7985, NJ 2004/165 m.nt. Reijntjes en HR 2 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1060 (zogenaamde bronjurisprudentie) kan ik niet volgen. 26 Schriftuur van cassatie p. 15 (onder 2.18) met verwijzing naar HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003/552 en HR 30 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:117. Zie voorts HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718, NJ 2019/103, m.nt. Wolswijk, rov. 5.3.2-5.3.3. 27 Op p. 18/19 van de schriftuur wordt in een tussen haken geplaatst tekstgedeelte door de steller van het middel opgemerkt dat de raadsman er uitdrukkelijk op heeft gewezen dat de mensen op het moment van schieten op de grond lagen. Iets anders is of de raadsman bij wijze van verweer heeft aangevoerd dat die omstandigheid aan het opzet van verdachte in weg stond. Een concrete verwijzing naar een dergelijk verweer in de pleitnotities ontbreekt. 28 De opmaat naar dat arrest werd gevormd door HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342, NJ 2012/518, m.nt. Keulen, waarnaar de Hoge Raad in zijn arrest van 2013 verwijst. 29 J. de Hullu, Materieel Strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 261-264.

30 Vgl. het reeds genoemde HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963, NJ 2014/156 m.nt. Keulen, HR 5 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1111, NJ 2014/159 m.nt. Keulen en HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:16, NJ 2014/161 m.nt. Keulen.

31 Vgl. HR 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:347, NJ 2014/163 m.nt. Keulen, HR 16 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2669 en HR 23 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2761.

32 HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1520. In die zaak bleek uit de bewijsvoering van het hof dat de verdachte uit een café in Maastricht was gezet vanwege ruzie met het (latere) slachtoffer, dat hij een kwartier daarna op korte afstand van de ingang van de straat waaraan het café lag zich met een ander had opgesteld, dat hij gedurende zes minuten diverse keren naar de ingang van die straat is gelopen en toen het slachtoffer het café verliet en richting de straat waar de verdachte zich had opgesteld kwam gelopen, de verdachte het slachtoffer met een mes in zijn buik heeft gestoken. Zie ook HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:647 (81 RO) en de daaraan voorafgaande conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld (ECLI:NL:PHR:2017:243).

33 Anders zou het zijn als het hof in het midden zou hebben gelaten wat het tijdsverloop was of vanaf welk moment de gelegenheid tot beraad ontstond. Zie HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1411, NJ 2016/462.

34 Met vernummering van de voetnoten.

35 Een proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, pagina’s 329, 330, 406, 407, 408 en 409.

36 Een proces-verbaal van verhoor van [verdachte] , pagina’s 361 en 362.

37 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 621.

38 Een proces-verbaal van verhoor van [verdachte] , pagina 362.

39 ECLI:NL:RBOVE:2018:358.

40 Hoge Raad, 16 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1655.

41 Opgemerkt zij dat de aanpassing van de witwaswetgeving die onder meer leidde tot invoering van art. 420bis.1 Sr, oftewel het zogenaamde eenvoudig witwassen, in werking is getreden op 1 januari 2017 (Stb. 2016, 313).

42 Zie (onder meer) HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:150, NJ 2013/515 m.nt. Reijntjes, HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2001, NJ 2014/75 m.nt. Borgers, HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:702, NJ 2014/302, m.nt. Keijzer en HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:888, NJ 2015/339 m.nt. Keijzer en (algemeen over vermogensdelicten) HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:644, NJ 2017/277 m.nt. Kooijmans.

43 Vgl. HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3618, NJ 2015/160 m.nt. Keijzer, rov. 2.3.2, HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:888, NJ 2015/339 m.nt. Keijzer, HR 19 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1256, HR 16 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1655, NJ 2015/340, m.nt. Keijzer en HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2842, NJ

2017/218, m.nt. Mevis (overzichtsarrest witwassen), rov. 2.4.2. In dat laatste arrest is de relevante rechtsoverweging 2.4.2 enigszins geherformuleerd. Nu in die overweging wordt verwezen naar het arrest van 16 december 2014 laat het ernaar aanzien dat de Hoge Raad daarmee geen inhoudelijke wijziging heeft beoogd. Omdat het overzichtsarrest bovendien ziet op de situatie ná 1 januari 2017 kan in het onderhavig geval uitgegaan worden van (de formulering uit) het arrest van 16 december 2014.

44 Met verwijzing naar HR 28 november 2017, ECLI:N:HR:2017:3020, NJ 2017/474.

45 Ook overigens is noch in feitelijke aanleg, noch in hoger beroep betoogd dat er in het onderhavige geval sprake is van een andere factor waardoor het oordeel van het hof niet begrijpelijk zou zijn.

46 Zie over het achterwege blijven van zo een verklaring en (schuld)witwassen HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:644, NJ 2017/277 rov. 2.3.2.

47 Het door de steller van het middel genoemde arrest HR 28 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:3020 betreft een andere situatie, nu in die zaak wel (voldoende onderbouwd) namens de verdachte was aangevoerd dat het geldbedrag uit eigen misdrijf afkomstig was, het hof de juistheid van dat betoog in het middel had gelaten en de verdachte bovendien ter zake van hetzelfde voorwerp voor een ander misdrijf was veroordeeld.