Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:134

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
19-02-2019
Datum publicatie
26-02-2019
Zaaknummer
17/02796
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:484, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie A-G. Verschillende opiumwetdelicten. De A-G geeft de Hoge Raad in overweging het arrest van het hof t.a.v. de veroordeling wegens het aanwezig hebben van hennep en hasjiesj te vernietigen en de zaak terug te wijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2019/129
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/02796

Zitting: 19 februari 2019

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft de verdachte bij arrest van 6 april 2017 wegens 1 “om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van het feit”, 2 “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” en 3 “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.

  2. De zaak hangt samen met de zaak tegen de medeverdachte [betrokkene 1] (17/02913), waarin ik vandaag eveneens concludeer.

  3. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. B.G.J. de Rooij, advocaat te Eindhoven, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

  4. Uit de bewijsvoering blijkt dat de verdachte en de medeverdachte [betrokkene 1] beiden bewoners van een woonwagenkamp aan de [a-straat] in Geldrop zijn, dat de verdachte een woonwagen op het perceel met nummer [a-straat 1] bewoont en dat de medeverdachte op het perceel met nummer [a-straat 2] woont. Tevens bevindt zich op het perceel van de verdachte een opslagruimte/schuur. Hetzelfde geldt voor een caravan en een chalet, die worden bewoond door een ander dan de verdachte. De verdachte is door het hof onder meer veroordeeld voor het voorhanden hebben van verschillende voorwerpen en stoffen die zijn bestemd voor de productie van amfetamine (feit 1) en voor het aanwezig hebben van hennep en hasjiesj (feit 2). Deze voorwerpen, stoffen en verdovende middelen zijn op verschillende plaatsen op het perceel van de verdachte aangetroffen. Het middel keert zich tegen het bewijs van het opzet op het voorhanden hebben en aanwezig hebben hiervan.

  5. Het middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde onbegrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd, aangezien uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat de verdachte opzet had op het voorhanden hebben van de onder 1 ten laste gelegde voorwerpen en stoffen en het aanwezig hebben van de onder 2 ten laste gelegde hoeveelheden hennep en hasjiesj.

  6. Ten laste van de verdachte heeft het hof onder 1 en 2 bewezen verklaard dat:

“1.

hij op 23 april 2013 te Geldrop, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden van amfetamine, zijnde amfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad, te weten:

- een hoeveelheid BMK (BenzylMethylKeton), en

- een glazen koppelstuk voor een destilleeropstelling, en

- een koppelstuk voor een mutaangas-aansluiting en

- meerdere jerrycans, en

- een gasmasker, en

- documentatie met informatie over productie van amfetamine, waarvan verdachte wist dat die bestemd waren tot het plegen van dat feit;

2.

hij op 23 april 2013 te Geldrop, opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid hennep en hasjiesj, zijnde hennep en hasjiesj middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;”

7. Uit de aan het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 maart 2017 gehechte pleitnota blijkt dat de raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat de verdachte geen wetenschap had van de aanwezigheid van de ten laste gelegde voorwerpen en stoffen als bedoeld in art. 10a Opiumwet en de aanwezigheid van hennep en hasjiesj. De raadsman heeft daartoe onder meer betoogd dat zich op het perceel met het nummer [a-straat 1] niet alleen de woning van de verdachte bevond, maar ook een caravan en een klein chalet waarin anderen woonden en dat de medeverdachte [betrokkene 1] had verklaard “dat het eigenlijk allemaal heel open is”, dat de opslagruimte/schuur naast de woning van de verdachte ook via [a-straat 2] toegankelijk was, dat de verdachte heeft verklaard nooit in de opslagruimte te komen en dat er een contra-indicatie bestaat voor het aannemen van wetenschap bij de verdachte. Er waren immers reeds om 13.45 uur verbalisanten aanwezig op het woonwagenkamp, waarna de percelen [a-straat 3] en [a-straat 4] zijn doorzocht, terwijl de verdachte pas om 15.38 uur werd aangehouden. De verdachte had zich in de tussentijd kunnen ontdoen van de ten laste gelegde voorwerpen, stoffen en verdovende middelen maar heeft dat niet gedaan, aldus de raadsman.

8. Het hof heeft het volgende overwogen over het bewijs van het onder 1 en 2 ten laste gelegde:1

A.

Op 23 april 2013 heeft de politie een onderzoek ingesteld op het woonwagenkamp aan de [a-straat] te Geldrop. Op het adres [a-straat 1] is de verdachte woonachtig. Naast de woning van de verdachte bevindt zich op dit perceel een opslagruimte alsmede een caravan en een klein chalet, welke twee laatste ruimten worden bewoond door een ander dan de verdachte.

Op het adres [a-straat 1] zijn de navolgende voorwerpen en stoffen aan getroffen.

In de opslag(zij)ruimte van de woning aan de [a-straat 1] :

- Een kunststofjerrycan, inhoudsmaat 5 liter, ½ gevuld met een vloeistof (11-01-1). Het goed met ibn-code 11-01-1 is bemonsterd en voorzien van een kenmerk en een uniek monsternummer. Het SIN-nummer/monsternummer is AAFG1020NL/11-01- 1A. Uit onderzoek van het NFI is naar voren gekomen dat het monster

AAFG1020NF/11 -01 -1A BMK bevat.

- In de meterkast 2 stuks van 20 liter-jerrycans met vloeistof. Eén geheel gevuld en één voor 2/3e deel (11-01-B-l). Het goed met ibn-code 11-01-B-l is bemonsterd en voorzien van een kenmerk en een uniek monsternummer. Het SIN- nummer/monsternummer is AAFG1022NF/11-01-B-l A.7 Uit onderzoek van het NFI is naar voren gekomen dat het monster AAFG1022NL/11-01 -B-l A BMK bevat.

In de woonwagen op het perceel aan de [a-straat 1] :

- In een keukenkast een routebeschrijving naar een particulier chemisch bedrijf gevestigd in Duitsland;

- In een keukenkast briefjes met daarop vermeld: ‘ketels + Bebum ketel, banden, for + mieren + zout’;

- In de keukenkast één aankoopbon van Makro betrekking hebbende op latex- handschoenen voor een bedrag van € 400,00;

- In de keukenkast een glazen koppelstuk voor een destilleeropstelling (B-5);

- In de keukenlade een koppelstuk voor een mutaangas-aansluiting (B-07);

- In de keukenkast onder de wasbak, twee kannen met substantie en één kan met, volgens het etiket, ammonium formiaat (B-03).

Onder de op het perceel aan de [a-straat 1] staande caravan:

- Een plastic draagtas met volgelaatmasker van het merk Dräger, welk masker is gewaarmerkt met de code AAFY7395NL. De filterbus van het volgelaatmasker is gewaarmerkt met de code AADM9782NL. Uit onderzoek van het NFI is naar voren gekomen dat het monster AADM9782NF een kleine hoeveelheid apaan bevat.

B.

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van het onder 1 ten laste gelegde (mede)plegen van voorbereidingshandelingen met betrekking tot amfetamine en het onder 2 ten laste gelegde opzettelijk voorhanden hebben van softdrugs.

Daartoe is - kort gezegd - het volgende aangevoerd. In de woning van de verdachte op het perceel [a-straat 1] zijn geen stoffen of chemicaliën aangetroffen die bestemd waren voor de productie van amfetamine. Van de in de woning aangetroffen schriftelijke bescheiden en koppelstukken is de verdachte niet op de hoogte geweest. Wel zijn er diverse chemicaliën en stoffen aangetroffen in de opslagruimte naast de woning van de verdachte, alsmede op het perceel [a-straat 2] . De verdediging stelt dat de verdachte geen wetenschap had van de aanwezigheid van die chemicaliën en stoffen. In dat verband is van belang dat de plekken waar de chemicaliën en stoffen zijn aangetroffen, voor derden vrij toegankelijk waren. De verdachte stelt dat hij geen gebruiker is geweest van de opslagruimte en dat de meterkast in die ruimte alleen via [a-straat 2] bereikbaar was. Bovendien waren de aangetroffen voorwerpen deels aan het zicht onttrokken. De verdediging heeft als contra-indicatie voor de aanwezigheid van wetenschap aangevoerd dat de verdachte pas bijna twee uren nadat de politie op het woonwagenkamp ter plaatse was, is aangehouden. In die tijd had hij gelegenheid om zich van de op zijn perceel aan getroffen goederen te ontdoen, hetwelk hij niet heeft gedaan.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

C.

Het hof stelt als regel voorop dat verdachte als bewoner van [a-straat 1] geacht wordt weet te hebben van en verantwoordelijk te zijn voor de aanwezigheid van de aldaar aangetroffen voorwerpen en stoffen. Dat geldt ook voor de in de opslagruimte en de zich daarin bevindende meterkast aangetroffen goederen, nu deze opslagruimte zich bevindt op het perceel van verdachte en blijkens het proces-verbaal van de politie d.d. 24 april 2013 verdachte heeft verklaard dat hij van deze ruimte de gebruiker was en daarbij geen uitzondering heeft gemaakt voor de meterkast. Het hof heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid van dit op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal. Dat de meterkast alleen via [a-straat 2] te bereiken was doet in dit geval daaraan niet af, nu [a-straat 2] via een vrij toegankelijke schuur met [a-straat 1] te bereiken was.

Voormelde regel lijdt uitzondering indien er aanwijzingen zijn dat verdachte van de op zijn perceel aangetroffen voorwerpen en stoffen geen weet heeft gehad. Dergelijke aanwijzingen ontbreken echter. Veel van de aangetroffen voorwerpen bevonden zich in de keukenkast of -lade in de woning van verdachte, waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat bij een normaal gebruik van de woning bewoners daarin met enige regelmaat plegen te kijken. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard te weten dat in zijn keukenkast aankoopbonnen van latex-handschoenen lagen, waarmee hij er ook blijk van heeft gegeven dat hij in de kast kijkt.

Het hof gaat er derhalve van uit dat verdachte wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van de voorwerpen en stoffen op zijn perceel. Datzelfde geldt voor het onder de caravan aangetroffen masker. Dat deze caravan bewoond werd door een ander dan verdachte legt onvoldoende gewicht in de schaal om ten aanzien van dit voorwerp tot een ander oordeel te komen, nu dit masker lag op een plaats onder die caravan welke vanuit die caravan niet of moeilijk bereikbaar was. Dat het, naar van de zijde van de verdediging is betoogd, om een perceel op een woonwagencentrum gaat waar bewoners van elkaars erf gebruik mogen maken is onvoldoende doorslaggevend om op het punt van wetenschap tot een ander oordeel te komen.

Voor het oordeel dat verdachte wetenschap heeft gehad van de op het naastgelegen [a-straat 2] aangetroffen voorwerpen en stoffen schiet het bewijs evenwel tekort. Weliswaar woonden verdachte en medeverdachte [betrokkene 1] naast elkaar (respectievelijk op [a-straat 1] en [a-straat 2] ), zijn beide percelen over en weer toegankelijk via de schuur op [a-straat 1] met een eigen toegangsdeur naar [a-straat 2] en zijn de op beide percelen aangetroffen voorwerpen en stoffen alle benodigd voor de productie van amfetamine, doch al deze omstandigheden zijn voor dat oordeel onvoldoende redengevend.

Het hof stelt voorts vast dat de op [a-straat 1] aangetroffen stof BMK een essentieel chemicalie vormt voor de productie van amfetamine. Daarbij gaat het hof er van uit dat deze stof ook met dat doel op het perceel aanwezig was. Bij dat oordeel heeft het hof meegewogen dat naast deze stof en aangetroffen onderdelen van de ten behoeve van het productieproces vereiste laboratoriumbenodigdheden een papier is aangetroffen waarop afkortingen staan (‘ketels, for+mieren+zout’ e.d.) die ontegenzeggelijk verwijzen naar de voor de synthese van amfetamine benodigde chemicaliën formamide, mierenzuur en zoutzuur. Dat de aangetroffen voorwerpen en stoffen een andere bestemming zouden hebben is niet aannemelijk geworden. Tekenend is in dit verband de hoeveelheid BMK die is aangetroffen, namelijk ruim 15 liter. De verdachte kan deze voor de synthese van amfetamine essentiële en kostbare grondstof in een dergelijke hoeveelheid redelijkerwijs niet anders voorhanden hebben gehad dan met de bedoeling om daarmee (wederom) amfetamine te produceren.

Gelet op het voorgaande acht het hof bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de onder 1 ten laste gelegde voorbereidingshandelingen. Dat daarbij sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen is niet gebleken zodat verdachte van dat onderdeel zal worden vrijgesproken.

D.

Op 23 april 2013 is onder in de kledingkast in de schuur aan de [a-straat 1] te Geldrop een plastic tas aangetroffen met inhoud (1135 gram), die qua hoeveelheid, kleur en samenstelling op hennep duidde. Voorts bevond zich in die kast een tas met inhoud (475 gram) die qua hoeveelheid, kleur en samenstelling op hasjiesj leek. Beide stoffen zijn middels een MMC-kleur-reactietest getest. De uitslag was dat de stoffen positief reageerden op de aanwezigheid van respectievelijk hennep en hasjiesj. De verdachte is, zoals hiervoor overwogen, gebruiker van deze schuur. De gebruiker van deze schuur moet geacht worden weet te hebben van hetgeen zich daarin bevindt, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel. Van dergelijke aanwijzingen is niet gebleken. Het hof verwijst hier naar hetgeen hiervoor onder C op dit punt is overwogen. Het hof acht derhalve het opzettelijk aanwezig hebben van hennep en hasjiesj wettig en overtuigend bewezen.”

9. Onder 2 is bewezen verklaard het opzettelijk aanwezig hebben van hennep en hasjiesj. Voor het bewijs hiervan is niet noodzakelijk dat de verdovende middelen aan de verdachte toebehoren, noch dat hij enige beschikkings- en/of beheersbevoegdheid ten aanzien van de verdovende middelen heeft.2 Voldoende is dat de hennep en hasjiesj zich in de machtssfeer van de verdachte bevinden en dat de verdachte wetenschap heeft van de aanwezigheid van de verdovende middelen, waaronder tevens is te begrijpen de situatie waarin de verdachte de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard.3

10. Onder 1 is bewezen verklaard het voorhanden hebben van bepaalde voorwerpen in de wetenschap dat deze bestemd zijn tot het voorbereiden en/of bevorderen van een feit bedoeld in het vierde lid van art. 10 Opiumwet. Voor “voorhanden hebben” als bedoeld in art. 10a Opiumwet zal eveneens een bepaalde machtsrelatie dienen te bestaan tussen de verdachte en het desbetreffende voorwerp, evenals wetenschap van het bestaan van het voorwerp.4

11. Uit de toelichting op het middel leid ik af dat in het bijzonder wordt geklaagd over het bewijs van de wetenschap bij de verdachte van het voorhanden hebben van de in de bewezenverklaring onder 1 genoemde voorwerpen en van het aanwezig hebben van de onder 2 bewezen verklaarde hennep en hasjiesj. Er wordt niet geklaagd over de bewezen verklaarde wetenschap van de bestemming van de in bewezenverklaring onder 1 genoemde voorwerpen en stoffen.

12. Ik bespreek eerst de klacht over het bewijs van het opzet op het voorhanden hebben van voorwerpen en stoffen, zoals onder 1 bewezen verklaard. Het hof heeft vooropgesteld dat de verdachte als bewoner van [a-straat 1] geacht wordt weet te hebben van en verantwoordelijk te zijn voor de aanwezigheid van de aldaar aangetroffen voorwerpen en stoffen. Daarmee heeft het hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat in beginsel ervan mag worden uitgegaan dat de bewoner van een perceel wetenschap heeft van hetgeen zich aldaar bevindt. In een zaak waarin het hof oordeelde dat ervan mocht worden uitgegaan dat degene die doende is de door hem gehuurde woning op te (laten) knappen en in te richten wetenschap heeft van wat zich in de woning bevindt, oordeelde de Hoge Raad dat het hof die ervaringsregel tot uitgangspunt had kunnen nemen.5 Ik betwijfel echter of een dergelijke ervaringsregel in de onderhavige zaak ten aanzien van het gehele perceel tot uitgangspunt kan worden genomen. Daarbij wijs ik erop dat uit de bewijsvoering blijkt dat de caravan en het kleine chalet werden bewoond door een ander dan de verdachte.6 Niettemin meen ik dat het oordeel van het hof dat de verdachte weet had van de zich op zijn perceel bevindende voorwerpen en stoffen, als bedoeld in de bewezenverklaring van feit 2, niet onbegrijpelijk is. Daartoe wijs ik op het volgende.

13. Het hof heeft overwogen dat er geen aanwijzingen zijn dat de verdachte van de op zijn perceel aangetroffen voorwerpen en stoffen geen weet heeft gehad, omdat veel van de aangetroffen voorwerpen zich bevonden in de keukenkast of keukenlade in de woning van de verdachte, terwijl redelijkerwijs kan worden aangenomen dat bewoners bij een normaal gebruik van de woning daarin met enige regelmaat plegen te kijken. Uit de bewijsvoering blijkt dat het gaat om de routebeschrijving naar een particulier chemisch bedrijf in Duitsland, briefjes met daarop vermeld: ‘ketels + Bebum ketel, banden, for + mieren + zout’, een aankoopbon van Makro die betrekking heeft op latex handschoenen, een glazen koppelstuk voor een destilleeropstelling, een koppelstuk voor een mutaangas-aansluiting en twee kannen met substantie en één kan met, volgens het etiket, ammonium formiaat. Het oordeel van het hof dat de verdachte wist van de aanwezigheid van deze voorwerpen acht ik niet onbegrijpelijk. Daarbij wijs ik erop dat het hof voorts heeft overwogen dat de verdachte heeft verklaard te weten dat in zijn keukenkast aankoopbonnen van latex handschoenen liggen, waarmee hij er blijk van heeft gegeven dat hij in de kast kijkt. Uit de bewijsvoering blijkt voorts niet dat de verdachte niet de enige bewoner was van de woning (woonwagen) op het perceel met nummer [a-straat 1] of dat anderen dan hij toegang hadden tot die woning, terwijl in hoger beroep ook geen verweer met die strekking is gevoerd.

14. Ook het oordeel van het hof dat de verdachte wist dat zich op het perceel met nummer [a-straat 1] de stoffen benzylmethylketon (in de opslagruimte) en het volgelaatmasker (onder de caravan) bevonden, acht ik niet onbegrijpelijk. Ik wijs erop dat het hof heeft vastgesteld dat in de (meterkast van de) opslagruimte van de woning op het perceel met nummer [a-straat 1] een hoeveelheid van ruim 15 liter van de stof BMK (benzylmethylketon) is aangetroffen en dat dit een essentiële stof vormt voor de productie van amfetamine. Naast deze stof en aangetroffen onderdelen van laboratoriumbenodigdheden ten behoeve van het productieproces is, zo vervolgt het hof, een papier aangetroffen waarop afkortingen staan die ontegenzeggelijk verwijzen naar de voor de synthese van amfetamine benodigde chemicaliën formamide, mierenzuur en zoutzuur. Het desbetreffende briefje is – zoals hiervoor reeds bleek – aangetroffen in de woning van de verdachte. Het hof heeft voorts overwogen dat de verdachte heeft verklaard dat hij de gebruiker was van de opslagruimte en dat hij daarbij geen uitzondering heeft gemaakt voor de meterkast. Deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, konden het hof tot het oordeel brengen dat de verdachte wist van de zich op zijn perceel bevindende voorwerpen en stoffen, ook voor zover deze zich niet in zijn woning bevonden. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden. Het middel faalt in zoverre.

15. Ten aanzien van het bewijs van de onder in een kledingkast in de schuur7 aangetroffen hennep en hasjiesj, kom ik tot een andere slotsom. Het hof is in dit verband uitgegaan van de ervaringsregel dat de gebruiker van de schuur geacht moet worden weet te hebben van hetgeen zich daarin bevindt, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel. Het probleem is evenwel dat het hof niet heeft vastgesteld dat de verdachte de schuur als enige gebruikte. In het licht van de eveneens uit de bewijsvoering blijkende omstandigheid dat de verdachte niet de enige bewoner van het perceel met nummer [a-straat 1] was, kon het hof voor het bewijs van het ten laste gelegde niet volstaan met de vaststelling dat de verdachte de schuur gebruikte. Bovendien is het hof onder C uitgegaan van de juistheid van de stelling van de verdediging dat de meterkast in de schuur slechts via het perceel met nummer [a-straat 2] toegankelijk was en niet via de woning van de verdachte. Daarbij neem ik voorts in aanmerking dat uit de bewijsvoering volgt dat de hennep en hasjiesj in de schuur aan het zicht waren onttrokken.8 Daaraan doet de omstandigheid dat in de onderhavige zaak in de woning van de verdachte voorwerpen en stoffen zijn aangetroffen die waren bestemd voor het voorbereiden en/ of het bevorderen van het opzettelijk bereiden van amfetamine niet af.9

16. Het middel slaagt.

17. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

18. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 2 ten laste gelegde en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Met weglating van voetnoten.

2 Vgl. HR 28 mei 1985, NJ 1985/822 m.nt. Van Veen, rov. 6.2 en HR 23 september 1980, NJ 1981/15, rov. 5.

3 Vgl. HR 15 september 1986, NJ 1987/359, rov. 6.2 en ten aanzien van het opzet op het aanwezig hebben onder meer HR 13 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX9580, rov. 2.3 en HR 3 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7435, rov. 2.4.

4 Aldus mijn ambtgenoot Knigge in onderdeel 6.5 van zijn conclusie voor HR 30 augustus 2016, ECLI:NL:HR:2016:2008. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot art. 10a Opiumwet wordt in dit verband zelfs van “beschikkingsmacht” gesproken. Vgl. Kamerstukken II 1982/83, 17 975, nrs. 1-3, p. 14.

5 HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3056. Zie voorts ten aanzien van de inhoud van een tas van de verdachte HR 5 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY9993.

6 Vgl. in dit verband onderdeel 6.8 van de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge voor HR 30 augustus 2016, ECLI:NL:HR:2016:2008.

7 Kennelijk doelt het hof met “de schuur” waarin de hennep en hasjiesj is aangetroffen op de hiervoor genoemde opslagruimte. In de aan het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 maart 2017 gehechte pleitnota wordt ook gesproken over de “opslagruimte/schuur”.

8 Zie ten aanzien van het voorhanden hebben van wapens en munitie HR 26 januari 1999, NJ 1999/537. De verdachte in deze zaak woonde samen met zijn zoon en in een kledingkast in de slaapkamer van zijn zoon was een blauw colbert met daarin een gasalarmrevolver aangetroffen. Het oordeel van het hof dat sprake was van een meer of mindere mate van bewustheid bij de verdachte ten aanzien van de aanwezigheid van dat gasrevolver was volgens de Hoge Raad niet zonder meer begrijpelijk. Daarbij nam de Hoge Raad in aanmerking de in hoger beroep door de verdachte afgelegde verklaring, voor zover inhoudende dat het blauwe colbert niet van hem was en dat hij niet wist dat zijn zoon zich met wapens bezighield.

9 Vgl. onderdeel 6.11 van de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge voor HR 30 augustus 2016, ECLI:NL:HR:2016:2008. Zie voorts HR 24 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:951, waarin het ging om in een kelderbox aangetroffen drugs. De verdachte gebruikte deze kelderbox af en toe, maar was hiervan niet de eigenaar. De Hoge Raad vernietigde het oordeel van het hof dat de verdachte opzettelijk cocaïne aanwezig en lidocaïne voorhanden had, omdat uit de bewijsmiddelen niet kon worden afgeleid dat de verdachte van de aanwezigheid van die stoffen op de hoogte was.