Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:1320

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
12-12-2019
Datum publicatie
10-01-2020
Zaaknummer
19/02347
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

A-G IJzerman heeft conclusie genomen over het standpunt van belanghebbende dat hij in reactie op de afgegeven informatiebeschikking al voldoende informatie heeft verstrekt om de Inspecteur in staat te stellen zijn eventuele belastingplicht in Nederland te beoordelen.

Het gaat om het beroep in cassatie van belanghebbende tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 12 april 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:1439.

Belanghebbende stond tot 1987 ingeschreven in Nederland. In de onderhavige jaren, 2009 tot en met 2012, stond belanghebbende ingeschreven in Curaçao. Belanghebbende beschikte in Curaçao over woon- en kantoorruimte. Belanghebbende huurde verder een woon- en kantoorruimte in België en bezat (middellijk) een woning in Frankrijk. Er waren echter ook aanknopingspunten met Nederland. Dat is voor de Inspecteur reden geweest om nader te onderzoeken of belanghebbende woonde in Nederland en dus was aan te merken als binnenlands belastingplichtige. De Inspecteur heeft belanghebbende verzocht in verband daarmee bepaalde informatie te verschaffen.

De echtgenote van belanghebbende en hun dochter waren in de onderhavige jaren ingeschreven op het adres van een huurwoning in [Q]. Die huurwoning werd gehouden door een NV waarvan belanghebbende enig aandeelhouder en (mede)bestuurder was. Uit door de Inspecteur bij banken opgevraagde gegevens is gebleken van mogelijke banden met Nederland. Verder is gebleken dat belanghebbende beschikte over een VGZ Natura Polis, niet zijnde een buitenlandpolis, met aanvullende dekking. Ook had belanghebbende diverse medische behandelingen in Nederland ondergaan. Voorts is belanghebbende regelmatig van en naar Schiphol gevlogen en was belanghebbende lid van de ANWB. De echtgenote beschikte over een auto, op naam van een stichting waarvan belanghebbende bestuurder was. Voor deze auto was een tweede bewoners(parkeer)vergunning afgegeven. Belanghebbende heeft diverse keren gebruik gemaakt van diensten van een autogarage in Nederland.

Nadat correspondentie niet had geleid tot voor de Inspecteur bevredigende reacties van belanghebbende, heeft de Inspecteur een informatiebeschikking afgegeven, met achttien afzonderlijke vragen.

De Rechtbank heeft beoordeeld of die vragen vallen binnen de reikwijdte van artikel 47 van de AWR en zo ja, of de vragen voldoende zijn beantwoord. Volgens de Rechtbank zijn bepaalde vragen gesteld in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Andere vragen die wel vallen binnen de reikwijdte van artikel 47 van de AWR zijn voldoende of onvoldoende beantwoord. Het voorgaande heeft ertoe geleid dat de Rechtbank de informatiebeschikking heeft herzien in die zin dat bepaalde vragen gehandhaafd blijven, maar andere vervallen. Tegen de uitspraak van de Rechtbank is door beide partijen hoger beroep ingesteld.

Het Hof heeft op 12 april 2019 geoordeeld dat de Inspecteur bij de informatieverzoeken over voldoende aanwijzingen beschikte op grond waarvan hij in redelijkheid het standpunt kon innemen dat belanghebbende binnenlands belastingplichtig zou kunnen zijn. Een schending van het evenredigheidsbeginsel heeft het Hof alleen voor bepaalde vragen vastgesteld. Op de door het Hof genoemde overige vragen dient belanghebbende nog te antwoorden. Dat heeft ertoe geleid dat het Hof de informatiebeschikking deels heeft vernietigd.

Belanghebbende komt thans in cassatie op tegen het oordeel van het Hof. Volgens belanghebbende is het evenredigheidsbeginsel geschonden. De Inspecteur heeft reeds een grote hoeveelheid informatie van belanghebbende ontvangen. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de door hem desgevraagd reeds gegeven informatie voor de Inspecteur voldoende moet zijn om zijn eventuele belastingplicht te beoordelen. Dat de Inspecteur aanspraak kan maken op meer informatie, als ingevolge de Hofuitspraak, acht belanghebbende een schending van het evenredigheidsbeginsel. In zoverre acht belanghebbende de Hofuitspraak onjuist.

Het Hof heeft geoordeeld dat (a) de gevraagde informatie van belang kan zijn voor de belastingheffing van belanghebbende, (b) de gevraagde informatie grotendeels niet in strijd is met het evenredigheidbeginsel en (c) belanghebbende met betrekking tot een groot deel van deze vragen ten onrechte niet heeft voldaan aan het informatieverzoek.

Het Hof heeft, naar de A-G meent, in afzonderlijke rechtsoverwegingen per vraag ordelijk gemotiveerd waarom het tot een bepaalde beoordeling is gekomen. Belanghebbende heeft in cassatie slechts in algemene termen gesteld dat er toch in meerdere mate sprake zou zijn van schending van het evenredigheidsbeginsel.

De A-G acht de door het Hof gemaakte beoordelingen en afwegingen adequaat en voldoende gemotiveerd. Het slechts in algemene termen gestelde middel van belanghebbende kan daaraan niet afdoen, zodat het faalt.

De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 10-01-2020
FutD 2020-0102
V-N Vandaag 2020/95
NTFR 2020/228 met annotatie van mr.drs. F. de Jong
V-N 2020/5.24 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/02347

Datum 12 december 2019

Belastingkamer B

Onderwerp/tijdvak Informatiebeschikking 1 januari 2009-31 december 2012

Nr. Gerechtshof 17/00406 t/m 17/00409

Nr. Rechtbank BRE 15/2992 t/m 15/2998

CONCLUSIE

R.L.H. IJzerman

in de zaak van

[X]

tegen

de Staatssecretaris van Financiën

1 Inleiding

1.1

Heden neem ik conclusie in de zaak met nummer 19/02347 naar aanleiding van het beroep in cassatie van [X] , belanghebbende, tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hierna: het Hof) van 12 april 2019.1

1.2

Belanghebbende stond tot 1987 ingeschreven in Nederland. In de onderhavige jaren, 2009 tot en met 2012, stond belanghebbende ingeschreven in Curaçao. Belanghebbende beschikte in Curaçao over woon- en kantoorruimte. Belanghebbende huurde verder een woon- en kantoorruimte in België en bezat (middellijk) een woning in Frankrijk. Er waren echter ook aanknopingspunten met Nederland. Dat is voor de Inspecteur reden geweest om nader te onderzoeken of belanghebbende woonde in Nederland en dus was aan te merken als binnenlands belastingplichtige. De Inspecteur heeft belanghebbende verzocht in verband daarmee bepaalde informatie te verschaffen.

1.3

De echtgenote van belanghebbende en hun dochter waren in de onderhavige jaren ingeschreven op het adres van een huurwoning in [Q] . Die huurwoning werd, net als een andere woning in hetzelfde pand, gehouden door een rechtspersoon (hierna: de NV) waarvan belanghebbende enig aandeelhouder en (mede)bestuurder was.

1.4

De Inspecteur heeft in juli 2013 derdenonderzoeken ingesteld met betrekking tot (twee) bankrekeningen van belanghebbende. De rekening met nummer [0000] stond aanvankelijk uitsluitend op naam van belanghebbende en met ingang van maart 2012 op naam van belanghebbende en/of zijn echtgenote. Op de aan de Inspecteur verstrekte afschriften is het adres van de echtgenote opgenomen. De andere rekening, met nummer [0001] , stond op naam van belanghebbende en daarop is een adres in Curaçao opgenomen.

1.5

Naar aanleiding van de bevindingen uit de bankafschriften heeft de Inspecteur een boekenonderzoek aangekondigd voor de jaren 2011 en 2012. De reikwijdte van het boekenonderzoek is bij brief van 17 maart 2014 uitgebreid met de jaren 2009 en 2010 en bevat een verzoek om informatie. Belanghebbende heeft verklaard dat hij, zijns inziens, niet verplicht kan worden mee te werken aan het verzoek. Belanghebbende heeft wel enige informatie verstrekt.

1.6

Uit hierna ingestelde derdenonderzoeken is met name de volgende informatie naar voren gekomen over de onderhavige periode. Belanghebbende beschikte over een VGZ Natura Polis, niet zijnde een buitenlandpolis, met aanvullende dekking. Ook had belanghebbende diverse medische behandelingen in Nederland ondergaan. Voorts is belanghebbende regelmatig van en naar Schiphol gevlogen en was belanghebbende lid van de ANWB. De echtgenote beschikte in de periode van 1 mei 2011 tot en met 25 juni 2012 over een auto, op naam van een stichting waarvan belanghebbende bestuurder was. Voor deze auto was een tweede bewoners(parkeer)vergunning afgegeven. Belanghebbende heeft diverse keren gebruik gemaakt van diensten van een autogarage in Nederland.

1.7

De Inspecteur heeft belanghebbende op 2 juli 2014 opnieuw in de gelegenheid gesteld om te voldoen aan de informatieverzoeken. Belanghebbende heeft op 14 augustus 2014 gereageerd en bij brief van 23 oktober 2014 antwoord gegeven. Met dagtekening 2 december 2014 heeft de Inspecteur een informatiebeschikking afgegeven, omdat belanghebbende zijns inziens de vragen onvoldoende had beantwoord.

1.8

De rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank)2 heeft op 19 mei 2017 voor de achttien afzonderlijke vragen beoordeeld of deze vallen binnen de reikwijdte van artikel 47 van de AWR en zo ja, of de vragen voldoende zijn beantwoord. Volgens de Rechtbank zijn bepaalde vragen gesteld in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Andere vragen die wel vallen binnen de reikwijdte van artikel 47 van de AWR zijn voldoende of onvoldoende beantwoord. Het voorgaande heeft ertoe geleid dat de Rechtbank de informatiebeschikking heeft herzien in die zin dat de vragen 1, 2, 6 tot en met 14 en 16 gehandhaafd blijven. Tegen de uitspraak van de Rechtbank is door beide partijen hoger beroep ingesteld.

1.9

Het Hof heeft op 12 april 2019 geoordeeld dat de Inspecteur bij de informatieverzoeken over voldoende aanwijzingen beschikte op grond waarvan hij in redelijkheid het standpunt kon innemen dat belanghebbende binnenlands belastingplichtig zou kunnen zijn. Een schending van het evenredigheidsbeginsel heeft het Hof alleen vastgesteld voor vraag 5. Het Hof heeft vervolgens beoordeeld of belanghebbende de vragen 2, 3, 4, 8, 11, 12, onderdeel b, 13, 14, 16 en 17 voldoende heeft beantwoord. Het Hof heeft ten aanzien van vraag 4 en vraag 13, onderdelen a en b, geoordeeld dat belanghebbende heeft voldaan aan de informatieverzoeken. Het voorgaande heeft ertoe geleid dat het Hof de informatiebeschikking heeft vernietigd, voor zover daarin wordt verzocht de vragen 4, 5, 13, onderdelen a en b, en 18 te beantwoorden en die overigens in stand heeft gelaten.

1.10

Belanghebbende komt thans in cassatie op tegen het oordeel van het Hof. Volgens belanghebbende is het evenredigheidsbeginsel geschonden. De Inspecteur heeft reeds een grote hoeveelheid informatie van belanghebbende ontvangen. Verdere beantwoording acht belanghebbende niet nodig.

1.11

De opbouw van deze conclusie is verder als volgt. In onderdeel 2 zijn de feiten en het geding in feitelijke instanties weergegeven. Onderdeel 3 bevat een uiteenzetting van het geding in cassatie. Onderdeel 4 omvat een overzicht van de relevante wetgeving, parlementaire geschiedenis, literatuur en jurisprudentie. In onderdeel 5 wordt het middel van belanghebbende beoordeeld; gevolgd door de conclusie in onderdeel 6.3

2 De feiten en het geding in feitelijke instanties

2.1

Op 19 mei 2017 heeft de Rechtbank voor achttien afzonderlijke vragen beoordeeld of deze vallen binnen de reikwijdte van artikel 47 van de AWR en zo ja, of de vragen voldoende zijn beantwoord. De Rechtbank is van oordeel dat de vragen 3 tot en met 5, 7, 17 en een gedeelte van vraag 2 in strijd zijn met het evenredigheidsbeginsel. Andere vragen die vallen binnen de reikwijdte van artikel 47 van de AWR zijn voldoende of onvoldoende beantwoord. Het voorgaande heeft ertoe geleid dat de Rechtbank de informatiebeschikking heeft herzien in die zin dat de vragen 1, 2, 6 tot en met 14 en 16 gehandhaafd blijven.

1. Ontstaan en loop van het geding

(…)

2. Feiten

(…)

3. Geschil

3.1

Tussen partijen is in geschil of de informatiebeschikkingen terecht zijn genomen.

(…)

4. Beoordeling van het geschil

4.1.

Artikel 47, eerste lid, sub a, van de AWR bepaalt:

(…)

4.2.

Belanghebbendes betoog komt er in de kern op neer dat de gevraagde gegevens geen belang kunnen hebben voor de Nederlandse belastingheffing en aldus, naar de rechtbank begrijpt, buiten de reikwijdte van artikel 47 van de AWR vallen. Gelet op zowel nationale als internationale bepalingen kan van enige belastingplicht in Nederland geen sprake zijn, aldus belanghebbende. Hij wijst daarbij in het bijzonder op de regelgeving van de Nederlandse Antillen en de werking van de BRK.

4.3.

De inspecteur stelt dat de informatie is opgevraagd om te kunnen beoordelen of belanghebbende in de onderhavige jaren in Nederland belastingplichtig is. Er zijn volgens hem aanwijzingen dat mogelijk sprake is van binnenlandse dan wel buitenlandse belastingplicht. Hij wijst hiertoe op de volgende punten. De echtgenote van belanghebbende woont in [Q] . Ook staat belanghebbende in Nederland duurzaam een woning ter beschikking en speelt een (belangrijk) deel van het sociale leven van belanghebbende zich in Nederland af (onder andere betrokkenheid bij het […orkest] ). Belanghebbende heeft een zorgverzekering bij VGZ en maakt gebruik van Nederlandse zorgverleners. Hij beschikt over een parkeervergunning in [Q] en heeft een ANWB-lidmaatschap. De afschriften van de privébankrekening van belanghebbende zijn geadresseerd aan een adres in Nederland en hij doet met deze bankrekening diverse betalingen in Nederland. Verder is belanghebbende bestuurder van een Nederlandse stichting en blijkt uit de gegevens van KLM dat belanghebbende niet langdurig op Curaçao verblijft, aldus de inspecteur.

4.4.

Voor de beantwoording van de vraag of voor belanghebbende op grond van artikel 47 van de AWR een verplichting bestaat om aan de inspecteur desgevraagd gegevens en inlichtingen te verstrekken en bescheiden en andere gegevensdragers beschikbaar te stellen, is voldoende dat de inspecteur zich, gelet op de hem ter beschikking staande gegevens, in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de door hem gevraagde gegevens, inlichtingen, bescheiden en/of andere gegevensdragers van belang kunnen zijn om opheldering te krijgen over de fiscale woonplaats van belanghebbende en het al dan niet in Nederland belastingplichtig zijn (vgl. HR 18 december, nr. 15/00040, ECLI:NL:HR:2015:3603 en HR 18 april 2003, nr. 38 122, ECLI:NL:HR:2003:AF7498). Het ligt op de weg van de inspecteur om de feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken die de conclusie rechtvaardigen dat hij zich in redelijkheid op bedoeld standpunt kan stellen.

4.5.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur in beginsel de informatie in redelijkheid van belanghebbende kunnen vragen. Gelet op de hem ter beschikking staande gegevens kan de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat de door hem gevraagde gegevens van belang kunnen zijn voor het vaststellen van de fiscale woonplaats en mogelijke belastingplicht van belanghebbende. Uit de hem ter beschikking staande gegevens, met name over de woning, zorgverzekering en bankrekening, kan twijfel rijzen over de vraag waar het middelpunt van het leven van belanghebbende zich afspeelt. De inspecteur heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de door hem gevraagde informatie van belang kan zijn voor de belastingheffing van belanghebbende.

De stelling van belanghebbende dat hij niet in Nederland belastingplichtig kan zijn en dat hij om die reden niet verplicht is om de gevraagde informatie te overleggen, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. In deze procedure is aan de orde of de informatiebeschikkingen terecht zijn genomen. De inspecteur heeft de informatiebeschikkingen genomen om te beoordelen of er sprake is van belastingplicht in Nederland. Anders dan belanghebbende kennelijk meent zal dat eerst moeten worden vastgesteld voordat kan worden toegekomen aan toepassing van de BRK.

De jaren 2009 en 2010

Opgewekt vertrouwen

Artikel 6 EVRM

Mochten de vragen gesteld worden en zo ja, zijn zij voldoende beantwoord?

4.13.

Nu vaststaat dat de inspecteur de informatiebeschikkingen in redelijkheid heeft kunnen nemen dient de rechtbank te beoordelen:

(i) of de vraag betrekking heeft op het vaststellen van de (binnenlandse of buitenlandse) belastingplicht van belanghebbende in Nederland?

(ii) zo ja, zijn de vragen voldoende beantwoord?

De rechtbank zal dit per gestelde vraag beoordelen.

4.14.

Voor de beoordeling als bedoeld in 4.13 stelt de rechtbank voorop dat het volgende nog van belang is. In artikel 2.1 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 is bepaald dat belastingplichtigen voor de inkomstenbelasting natuurlijke personen zijn die:

a. in Nederland wonen (binnenlandse belastingplichtigen) of,

b. niet in Nederland wonen maar wel Nederlands inkomen genieten (buitenlandse belastingplichtigen).

Wat de woonplaats van iemand is wordt bepaald naar de omstandigheden (artikel 4, eerste lid, van de AWR).

De inspecteur dient bij het gebruikmaken van de bevoegdheid informatie op te vragen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het evenredigheidsbeginsel, in acht te nemen.

4.15.1.

Vraag 1. De inspecteur heeft het volgende verzocht: “Overzicht van al uw bezittingen en schulden per kalenderjaar.” Belanghebbende heeft geantwoord dat zijn enige bezit de aandelen in [A] N.V. zijn en dat hij wat schulden heeft bij deze N.V. en bij enkele, niet in Nederland woonachtige, cliënten. De hoogte van deze schulden gaat de inspecteur derhalve niet aan, aldus belanghebbende.

4.15.2.

Naar het oordeel van de rechtbank valt deze vraag binnen de reikwijdte van artikel 47 van de AWR. Om te kunnen beoordelen of iemand (binnenlandse of buitenlandse) belastingplichtige is in Nederland en wat zijn woonplaats is, is van belang om vast te stellen welke bezittingen hij waar heeft. Zijn schulden kunnen eveneens licht werpen op de woonplaats.

4.15.3.

De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende deze vraag niet voldoende heeft beantwoord. Uit de diverse stukken blijkt dat belanghebbende in ieder geval beschikt over bankrekeningen in Nederland, Frankrijk en op Curaçao. Ook beschikt belanghebbende over een (of meerdere) auto(‘s). In zoverre is het in 4.15.1 vermelde gegeven antwoord onjuist. Voorts heeft belanghebbende aangegeven dat hem een woning in Frankrijk en een woning op Curaçao ter beschikking staan. Niet is duidelijk geworden of belanghebbende de eigendom van deze onroerende zaken heeft of op grond waarvan hij die kan gebruiken. Belanghebbende heeft onvoldoende inzicht gegeven in zijn bezittingen en schulden.

4.16.1.

Vraag 2. De inspecteur heeft belanghebbende verzocht om “Een overzicht van al uw inkomsten per kalenderjaar inclusief de onderliggende bescheiden/contracten die aan de inkomsten ten grondslag liggen.” Belanghebbende heeft geantwoord dat de inspecteur vraagt naar de bekende weg wat betreft de AOW. De AOV inkomsten uit Curaçao gaan de inspecteur niet aan. Belanghebbende is directeur van [B] . Hiervoor heeft hij naar eigen zeggen geen vergoeding ontvangen. Met betrekking tot [A] N.V. heeft belanghebbende aangegeven dat hij directeur is, maar niet op de loonlijst staat. Er is geen schriftelijke overeenkomst. Deze inkomsten gaan de inspecteur niet aan.

4.16.2.

De rechtbank is van oordeel dat het eerste deel van deze vraag, een overzicht van alle inkomsten per kalenderjaar, valt binnen de reikwijdte van artikel 47 van de AWR. Om de (binnenlandse of buitenlandse) belastingplicht te kunnen beoordelen is het inkomen (grootte en herkomst) van wezenlijk belang. De onderliggende bescheiden en contracten die de inspecteur verzoekt zijn in het kader van de beoordeling van de belastingplicht, naar het oordeel van de rechtbank, echter in dit stadium van het onderzoek niet van belang. Deze stukken kunnen van belang worden ingeval de hoogte, herkomst of samenstelling van het inkomen ter discussie staat. Die discussie wordt echter, volgens de inspecteur, (nog) niet gevoerd. Aan het niet overleggen van deze stukken kan naar het oordeel van de rechtbank niet de gevolgtrekking worden verbonden dat deze vraag onvoldoende is beantwoord.

4.16.3.

De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende deze vraag niet voldoende heeft beantwoord. De inkomsten uit [A] N.V. zijn immers niet vermeld. Belanghebbende heeft slechts zeer summier informatie verstrekt over de herkomst van zijn inkomen en heeft in het geheel geen informatie verstrekt over de hoogte van zijn inkomen.

4.17.1.

Vraag 3. De inspecteur heeft verzocht om “Alle (binnenlandse en buitenlandse) privé bankafschriften en afschriften van de creditcard(s).” Belanghebbende heeft in reactie hierop het volgende geantwoord “Buitenlandse afschriften gaan u niet aan. Binnenlandse hebt u al bij elkaar gesnuffeld. Andermaal hypocriete vraag. Overigens bewaar ik geen afschriften van privé rekeningen, ik ben daartoe niet verplicht.”

4.17.2.

De rechtbank is van oordeel dat deze vraag binnen de reikwijdte van artikel 47 van de AWR valt maar dat de inspecteur met deze vraag het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden. Om vast te kunnen stellen wat de fiscale woonplaats is en of belanghebbende in Nederland belastingplichtig is zijn de mutaties op zijn (binnenlandse en buitenlandse) bankrekeningen niet direct van belang nu daaruit hooguit kan blijken waar opnames zijn gedaan. De rechtbank is van oordeel dat het niet evenredig is om van een particulier alle afschriften van dergelijke rekeningen in het kader van het onderzoek op te vragen. De rechtbank is derhalve van oordeel dat belanghebbende deze vraag in beginsel niet onvoldoende heeft beantwoord.

4.18.1.

Vraag 4. De inspecteur heeft belanghebbende verzocht om “De privé-agenda dan wel overige vastleggingen van uw afspraken.” Belanghebbende heeft de inspecteur geantwoord dat hij niet beschikt over een privé-agenda zodat hij deze ook niet ter inzage kan geven.

4.18.2.

De rechtbank is van oordeel dat deze vraag binnen de reikwijdte van artikel 47 van de AWR valt maar dat de vraag de privé-agenda dan wel overige vastlegging van afspraken over te leggen een schending van het evenredigheidsbeginsel inhoudt. In verband met het vaststellen van woonplaats en de mogelijke belastingplicht van belanghebbende gaat inzicht in de privé-agenda in beginsel veel verder dan voor het doel noodzakelijk is. De rechtbank is derhalve van oordeel dat belanghebbende deze vraag niet onvoldoende heeft beantwoord.

4.19.1.

Vraag 5. De inspecteur heeft belanghebbende verzocht om “Een afschrift van de eigendomsbewijzen van al uw bezittingen”.” Belanghebbende heeft deze eigendomsbewijzen niet verstrekt.

4.19.2.

De rechtbank is van oordeel dat voor het vaststellen van de woonplaats en de mogelijke belastingplicht van belanghebbende het opvragen van de eigendomsbewijzen van alle bezittingen binnen de reikwijdte van artikel 47 van de AWR valt maar dat deze vraag een schending van het evenredigheidsbeginsel inhoudt. Slechts indien discussie zal ontstaan over de juistheid van de door belanghebbende verstrekte informatie en de relevantie van die informatie in het kader van dit onderzoek bepaalbaar is, kunnen de achterliggende stukken van belang zijn. Nu deze discussie er volgens de inspecteur (nog) niet is, is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende deze vraag niet onvoldoende heeft beantwoord.

4.20.1.

Vraag 6. De inspecteur heeft verzocht om een “afschrift van de (hypothecaire en onderhandse) schulden en eventuele overige onderliggende stukken van al uw vorderingen en/of schulden”. Belanghebbende heeft de inspecteur geantwoord dat hij geen hypothecaire schulden (meer) heeft en ook geen vorderingen.

4.20.2.

De rechtbank is van oordeel dat deze vraag binnen de reikwijdte van artikel 47 van de AWR valt. In belanghebbendes antwoord ligt besloten dat hij wel nog schulden heeft niet zijnde hypothecaire schulden. Door daarover geen enkele informatie te verstrekken heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, deze vraag onvoldoende beantwoord.

4.21.1.

Vraag 7. De inspecteur heeft de volgende vraag gesteld. “Taxatierapporten van al uw roerende en onroerende zaken.

a. Heeft u (een) vervoermiddel(en) in bezit? Zo ja, graag welke (graag kenteken)?

b. In welke periode heeft u het vervoermiddel in bezit (gehad)”

Belanghebbende heeft hierop geantwoord dat hij niets anders bezit dan hetgeen hij reeds bij vraag 1 heeft geantwoord (aandelen in [A] N.V., wat schulden bij die N.V. en wat schulden bij enkele, niet in Nederland woonachtige, cliënten, zie 4.15.1).

4.21.2.

De rechtbank is van oordeel dat vragen naar de roerende en onroerende zaken, onder andere welke vervoermiddelen belanghebbende in bezit heeft (gehad) en in welke perioden dat is geweest, binnen de reikwijdte van artikel 47 van de AWR valt. Nu op belanghebbende niet de plicht rust tot het voorhanden hebben van of het laten opstellen van taxatierapporten van al de roerende en onroerende zaken die belanghebbende mogelijk in zijn bezit heeft, acht de rechtbank het opvragen daarvan in het kader van de beoordeling van de woonplaats en de mogelijke belastingplicht van belanghebbende in strijd met het evenredigheidsbeginsel.

4.21.3.

De rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende de beschikking heeft over, in ieder geval, een auto op Curaçao en een in Frankrijk. Uit het dossier blijkt voorts dat hij een parkeervergunning heeft in [Q] en lid is van de ANWB. Hieruit zou kunnen worden afgeleid dat belanghebbende ook in Nederland een auto ter beschikking heeft. Niet duidelijk is geworden welke auto’s het betreft en of belanghebbende deze auto’s in eigendom heeft of op grond van welke relatie hij die auto’s mag gebruiken. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende deze vraag niet voldoende heeft beantwoord door over de hem ter beschikking staande vervoermiddelen geen informatie te verstrekken.

4.22.1.

Vraag 8. De inspecteur heeft aan belanghebbende de volgende vraag gesteld. "Een overzicht van uw reizen van en naar Nederland (inclusief onderliggende stukken: vliegtickets of overige bescheiden die uw reizen onderbouwen).” Belanghebbende heeft de inspecteur de volgende antwoorden gegeven. "En beste heren, als ik op Schiphol arriveer, zou het best zo kunnen zijn, dat ik naar België, Frankrijk, Duitsland of elders doorreis. Rest nog de vraag: kan je alleen per KLM naar Curaçao of Europa vliegen? ” en , "Dat overzicht kan ik u niet geven. Ik passeer honderden malen per jaar diverse internationale grenzen en ik ben voorts ter zake niet administratieplichtig. Vliegtickets bewaar ik niet. Weer hypocriete vraag: u stelt te weten hoe vaak ik vlieg.”

4.22.2.

De rechtbank is van oordeel dat de vraag om een overzicht van zijn reizen naar Nederland binnen de reikwijdte van artikel 47 van de AWR valt. Om te kunnen beoordelen of iemand wellicht in Nederland woont is het van belang om te kunnen nagaan wanneer, hoe vaak en hoe, lang iemand in Nederland is verbleven. In dit kader vragen haar tickets en onderliggende bescheiden acht de rechtbank eveneens toegestaan gezien het feit dat belanghebbende veel reisbewegingen maakt. Het opvragen van deze gegevens is daarom naar het oordeel van de rechtbank niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel.

4.22.3.

Nu niet duidelijk is geworden wanneer, hoe vaak en hoe lang belanghebbende in de onderzochte periode in Nederland is verbleven heeft hij deze vraag onvoldoende beantwoord.

4.23.1.

Vraag 9. De inspecteur heeft aan belanghebbende een afschrift verzocht van de ingediende aangiften inkomstenbelasting en een afschrift van de aanslagen zoals deze op Curaçao aan hem zijn opgelegd. Belanghebbende heeft een kopie van de eerste pagina van zijn aangiften inkomstenbelasting gestuurd en de inspecteur verder geantwoord dat de bedragen hem niet aangaan.

4.23.2.

De rechtbank is van oordeel dat het voor het vaststellen van eventuele belastingplicht in Nederland van belang kan zijn of er sprake is van belastingplicht in een ander land. De inspecteur kan derhalve afschriften opvragen van opgelegde aanslagen. Nu de aan die aanslagen ten grondslag liggende aangiften eveneens van belang kunnen zijn voor de beoordeling waar iemand woont, kan de inspecteur die eveneens opvragen. Door die gevraagde gegevens niet te verstrekken heeft belanghebbende deze vraag onvoldoende beantwoord.

4.24.1.

Vraag 10. De inspecteur heeft belanghebbende verzocht om een afschrift van eventueel aangegane huurovereenkomsten. Belanghebbende heeft aangegeven dat hem op Curaçao en in Frankrijk een woning ter beschikking staat. Ook heeft hij aangegeven dat hij in België appartementen huurt of heeft gehuurd. Van deze beide appartementen heeft hij de huurovereenkomsten overgelegd.

4.24.2.

Naar het oordeel van de rechtbank is voor het beoordelen van de woonplaats en de mogelijke belastingplicht van belanghebbende van belang om te weten waar hij verblijft. Deze vraag valt derhalve onder de reikwijdte van artikel 47 van de AWR. Met betrekking tot de appartementen in België heeft belanghebbende de huurovereenkomsten verstrekt en derhalve voldaan aan het informatieverzoek. Met betrekking tot de woningen op Curaçao en in Frankrijk heeft belanghebbende slechts verklaard dat deze hem ter beschikking staan. Niet duidelijk is geworden in welke hoedanigheid deze woningen hem ter beschikking staan. Belanghebbende heeft dan ook niet voldoende geantwoord op deze vraag van de inspecteur.

4.25.1.

Vraag 11. De inspecteur heeft belanghebbende verzocht om een overzicht van zijn lidmaatschappen en/of abonnementen. Belanghebbende heeft een overzicht gegeven van zijn lidmaatschappen en abonnementen op Curaçao, in Frankrijk, België en in Nederland. Naar aanleiding van die antwoorden heeft de inspecteur nadere vragen gesteld en belanghebbende verzocht om aan te geven in welke perioden het lidmaatschap of abonnement gold en verzocht om de stukken die aan die gegevens ten grondslag liggen. Deze aanvullende vragen zijn door belanghebbende niet beantwoord.

4.25.2.

De woonplaats van een belastingplichtige moet, op basis van artikel 4 van de AWR, worden beoordeeld naar de omstandigheden. Lidmaatschappen en abonnementen kunnen hierbij van belang zijn. Deze vraag valt daarom binnen de reikwijdte van artikel 47 van de AWR. Het antwoord van belanghebbende is voor de inspecteur aanleiding geweest om aanvullende vragen te stellen en te verzoeken om de stukken die daaraan ten grondslag liggen. Belanghebbende heeft een aantal facturen overgelegd. Hiermee heeft belanghebbende de vraag van de inspecteur, naar het oordeel van de rechtbank, niet voldoende beantwoord. Een totaaloverzicht van de lidmaatschappen en abonnementen is door belanghebbende niet verstrekt waardoor een volledig inzicht hierin ontbreekt.

4.26.1.

Vraag 12. Aan belanghebbende heeft de inspecteur verzocht om een overzicht van de afgesloten verzekeringen en een afschrift van de verzekeringsovereenkomsten. De inspecteur stelt in de informatiebeschikkingen dat belanghebbende de vraag niet volledig heeft beantwoord nu hij geen afschrift van de autoverzekering heeft overgelegd. De stukken met betrekking tot de aansprakelijkheidsverzekering zijn niet volledig.

4.26.2.

De rechtbank is van oordeel dat deze vraag, een overzicht van de verzekeringen die belanghebbende heeft afgesloten en een afschrift van die overeenkomsten, valt binnen de reikwijdte van artikel 47 van de AWR. Om de woonplaats te kunnen beoordelen kunnen de afgesloten verzekeringen van belang zijn. De onderliggende overeenkomsten die de inspecteur verzoekt kunnen in het kader van de beoordeling van de woonplaats en de belastingplicht ook van belang zijn. Daarmee wordt immers duidelijker wat nu waar verzekerd is en onder welke voorwaarden. Nu belanghebbende geen overzicht van zijn verzekeringen en geen afschriften van de overeenkomsten heeft verstrekt heeft hij deze vraag onvoldoende beantwoord.

4.27.1.

Vraag 13. De inspecteur heeft belanghebbende de volgende vraag gesteld:

“Doelvermogens (zoals een trust, SPF, Foundation e.d.):

a. Bij welke doelvermogen(s) bent u betrokken?

b. Graag een toelichting in hoeverre u bij de doelvermogen(s) onder a. betrokken bent?

c. Heeft u inkomsten ontvangen uit de doelvermogen(s)? zo ja, graag een overzicht.

d. Graag een afschrift van de oprichtingsakte(s) van het (de) het doelvermogen(s) waarbij u betrokken bent?

e. Graag een afschrift van de jaarstukken en een overzicht van de bezittingen en schulden van (de) het doelvermogen(s) waarbij u betrokken bent?

f. Welke rechten heeft u met betrekking tot (de) het doelvermogen(s) waarbij u betrokken bent?

g. Zijn er met de Belastingdienst afspraken gemaakt over de fiscale behandeling van (de) het doelvermogen(s) waarbij u betrokken bent? Zo ja, graag een afschrift van de afspraak.”

Belanghebbende heeft geantwoord dat hij bij geen enkel doelvermogen is betrokken.

4.27.2.

Voor het vaststellen van de mogelijke belastingplicht van belanghebbende kan betrokkenheid bij in Nederland gevestigde doelvermogens van belang zijn. Deze vraag valt derhalve binnen de reikwijdte van artikel 47 van de AWR. Uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel is gebleken dat belanghebbende in ieder geval is aangesteld als bestuurder bij een naar Antilliaans recht opgerichte Stichting [C] .

4.27.3.

Belanghebbende heeft geantwoord bij geen enkel doelvermogen te zijn betrokken.

Nu uit de feiten blijkt dat hij als bestuurder is aangesteld bij een Stichting [C] , heeft hij reeds om deze reden deze vraag, naar het oordeel van de rechtbank, onjuist beantwoord.

4.28.1.

Vraag 14. De inspecteur heeft belanghebbende verzocht om een overzicht van de stichtingen en vennootschappen waar hij als directeur en/of aandeelhouder of anderszins een functie vervult. De inspecteur heeft verzocht om een overzicht van de betrokkenheid, de periode van betrokkenheid en de omvang van het eventuele aandelenbezit.

Belanghebbende heeft de inspecteur geantwoord dat hij aandeelhouder en directeur is van [A] N.V. en dat hij directeur is van [B] . Voor deze functies ontvangt hij geen vergoeding, aldus belanghebbende.

4.28.2.

Deze vraag valt naar het oordeel van de rechtbank binnen de reikwijdte van artikel 47 van de AWR. Voor het beoordelen van de woonplaats van een mogelijke belastingplichtige is van belang om te kunnen vaststellen waar iemand zijn werkzaamheden uitvoert en waar iemand zijn belangen heeft.

4.28.3.

Uit hetgeen is opgenomen in 4.27.2. blijkt dat belanghebbende tevens bestuurder van Stichting [C] is. Dit heeft belanghebbende niet vermeld. Ook heeft belanghebbende niet de periode van betrokkenheid en de omvang van het eventuele belang in [A] N.V. en [B] aangegeven. Belanghebbende heeft deze vraag derhalve niet voldoende beantwoord.

4.29.

Vraag 15. De inspecteur heeft belanghebbende verzocht om onderliggende bescheiden van aandelentransacties in de periode 2009 tot en met 2013. Belanghebbende heeft de inspecteur geantwoord dat hij zich niet bezig houdt met de koop en verkoop van aandelen. De inspecteur heeft geconcludeerd dat belanghebbende deze vraag voldoende heeft beantwoord. Nu de rechtbank geen aanleiding heeft aan te nemen dat dit anders is volgt de rechtbank partijen hierin.

4.30.1.

Vraag 16. De inspecteur heeft belanghebbende verzocht om aan te tonen dat hij op Curaçao uitgaven voor levensonderhoud, wonen en dergelijke heeft gedaan. Belanghebbende heeft hierop geantwoord dat hij wijst op de reeds door hem overgelegde stukken. Het hoofdstuk Curaçao gaat de inspecteur niet aan. Dergelijke bewijzen levert hij zo nodig alleen aan een rechter, aldus belanghebbende.

4.30.2.

Nu de woonplaats van een belastingplichtige moet worden beoordeeld naar de omstandigheden zijn juist de uitgaven voor levensonderhoud van belang. Deze vraag valt onder de reikwijdte van artikel 47 van de AWR. Belanghebbende heeft deze vraag niet voldoende beantwoord. Hij heeft in het geheel niet inhoudelijk op deze vraag geantwoord.

4.31.1.

Vraag 17. Voorts heeft de inspecteur belanghebbende gevraag om “overzichten van al uw rekening-courantboekingen met uw vennootschappen c.q. stichtingen in de periode 2009 tot en met 2013.” Belanghebbende heeft de inspecteur geantwoord dat die er niet zijn.

4.31.2.

Voor het vaststellen van de woonplaats dan wel de belastingplicht van belanghebbende zijn rekening-courantboekingen met vennootschappen en stichtingen naar het oordeel van de rechtbank niet direct van belang. De inspecteur heeft met het stellen van deze vraag bovendien het evenredigheidsbeginsel geschonden. De gegevens die kunnen worden ontleend aan rekening-courantboekingen kunnen slechts indirect van belang zijn voor de toets waar iemand woont en of er sprake is van belastingplicht. Door niettemin overzichten te vragen van alle boekingen, dus ook van in het buitenland gevestigde lichamen, wordt meer informatie gevraagd dan aan het doel, beoordelingen woonplaats en mogelijke belastingplicht, dienstig kan zijn.

4.31.3.

Nu de inspecteur met deze vraag in ieder geval het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden kan niet worden geoordeeld dat belanghebbende deze vraag onvoldoende heeft beantwoord.

4.32.1.

Vraag 18. De inspecteur heeft belanghebbende gevraagd “Bent u in gemeenschap van goederen gehuwd met [D] . Zo nee, graag een afschrift van de huwelijkse voorwaarden.” Hierop heeft belanghebbende geantwoord “ik ben niet in gemeenschap van goederen gehuwd als goede snuffelaar wist u dat. Dus weer een hypocriete vraag. Ik stuur u de eerste en de laatste bladzijde van de acte van huwelijksevoorwaarden. daar moet u het maar mee doen.” In beroep heeft belanghebbende de huwelijkse voorwaarden geheel overgelegd.

4.32.2.

De rechtbank is van oordeel dat de huwelijkse staat en daarmee samenhangende vermogensrechtelijke regelingen van belang kunnen zijn voor de beoordeling waar iemand woont en of er sprake is van belastingplicht. Met het overleggen van de volledige huwelijkse voorwaarden heeft belanghebbende deze vraag inmiddels voldoende heeft beantwoord.

Conclusie

4.33.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, zijn de vragen 1, 2, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14 en 16 onvoldoende beantwoord.

4.34.

Op grond van artikel 27e, tweede lid, van de AWR stelt de rechtbank een nieuwe termijn voor het voldoen aan de onvoldoende beantwoorde vragen. Artikel 27e, tweede lid, van de AWR knoopt naar de letter weliswaar aan bij een ongegrondverklaring van het beroep, terwijl hier sprake is van een gegrond beroep, maar gelet op de strekking van artikel 27e, tweede lid, van de AWR ligt het in de rede om ook indien de informatiebeschikkingen gedeeltelijk in stand blijven een termijn te geven.

5. Proceskosten (…)

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigd de uitspraken op bezwaar;

- herziet de informatiebeschikkingen 2009 tot en met 2012 in die zin dat gehandhaafd blijven de vragen 1, 2, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14 en 16 en dat de overige vragen komen te vervallen;

- stelt belanghebbende in de gelegenheid om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak aan deze informatieverzoeken te voldoen;

- vernietigd de informatiebeschikking 2013; (…).

2.2

Op 12 april 2019 heeft het Hof geoordeeld dat de Inspecteur bij de informatieverzoeken over voldoende aanwijzingen beschikte op grond waarvan hij in redelijkheid het standpunt kon innemen dat belanghebbende binnenlands belastingplichtig zou kunnen zijn. Een schending van het evenredigheidsbeginsel heeft het Hof alleen vastgesteld voor vraag 5. Het Hof heeft vervolgens beoordeeld of belanghebbende de vragen 2, 3, 4, 8, 11, 12, onderdeel b, 13, 14, 16 en 17 voldoende heeft beantwoord. Het Hof heeft ten aanzien van vraag 4 en vraag 13, onderdelen a en b, geoordeeld dat belanghebbende heeft voldaan aan de informatieverzoeken. Het voorgaande heeft ertoe geleid dat het Hof de informatiebeschikking heeft vernietigd, voor zover daarin wordt verzocht de vragen 4, 5, 13, onderdelen a en b, en 18 te beantwoorden.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende zijn, bij afzonderlijke geschriften, op grond van artikel 52a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) informatiebeschikkingen gegeven met dagtekening 2 december 2014 ter zake van de heffing van inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) met betrekking tot de jaren 2009 tot en met 2012 (hierna samen: de informatiebeschikkingen).

1.2.

Na tegen de informatiebeschikkingen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur deze gehandhaafd bij, in één geschrift vervatte, uitspraken op bezwaar.

1.3.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. (…)

1.4.

De Rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de informatiebeschikkingen herzien in die zin dat uitsluitend de informatieverzoeken die besloten liggen in de vragen 1, 2, 6 tot en met 14 en 16 gehandhaafd blijven en de overige vragen komen te vervallen, belanghebbende een termijn van vier weken geboden om te voldoen aan deze informatieverzoeken en (…).

1.5.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. (…)

1.6.

De Inspecteur heeft, bij afzonderlijk geschrift, incidenteel hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak van de Rechtbank.

2. Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit en stond tot 1 januari 1987 ingeschreven in de Nederlandse basisregistratie personen. In de onderhavige jaren was belanghebbende ingeschreven in het bevolkingsregister van Curaçao.

2.2.

Sinds 28 juni 1991 is belanghebbende enig aandeelhouder in en (mede)bestuurder van [A] N.V., welke statutair in Curaçao is gevestigd. [A] N.V. is bestuurder van de naar Antilliaans recht opgerichte Stichting [C] met statutaire zetel in Curaçao. Belanghebbende in persoon is bestuurder van [B] en de naar Nederlands recht opgerichte Stichting [C] . [B] is statutair gevestigd in Frankrijk en Stichting [C] in Nederland.

2.3.

Belanghebbende beschikt in Curaçao over woon- en kantoorruimte. Vanaf 1995 is deze woon- en kantoorruimte gevestigd op het adres [a-straat 1] . Belanghebbende huurt bovendien een woon- en kantoorruimte in [R] (België) en bezit - middels [B] (zie onder 2.2) - een woning in Frankrijk.

2.4.

Belanghebbende is, onder huwelijkse voorwaarden, gehuwd met [D] (hierna: [D] ). [D] heeft de Duitse nationaliteit en was in de onderhavige jaren ingeschreven op het adres [b-straat 1] te [Q] . Dit betreft een huurwoning. Uit een brief van belanghebbende aan [E] B.V., gedateerd 12 maart 2011, blijkt dat het pand [b-straat 1] uit twee appartementen bestaat en eigendom is van [F] N.V. te Curaçao. Via [A] N.V. is belanghebbende bestuurder van deze vennootschap.

2.5.

Belanghebbende en [D] hebben samen een dochter, [G] . [G] stond, voor zover in de onderhavige procedure relevant, vanaf 27 november 1996 tot 1 september 2013 ingeschreven op het adres [b-straat 1] te [Q] en vanaf 1 september 2013 tot 1 augustus 2014 op het adres [c-straat 1] te [S] .

2.6.

[H] heeft in zijn functie van inspecteur met belanghebbende op 26 februari 2002 een gesprek gehad. Er is blijkens het verslag van dat gesprek oriënterend gesproken over de woonplaats van belanghebbende en de vestigingsplaats van [A] N.V. Daarbij is afgesproken dat beide partijen over het geheel zullen nadenken en dat [H] een voorstel zal doen. Voor zover relevant luidt dit verslag als volgt:

“1. Intro.

De bespreking heeft een tweeledig doel, te weten een mogelijkheid bieden aan [X] om zijn visie naar voren te brengen en voorts een verkenning naar mogelijke oplossingen om de geschillen uit de weg te ruimen. (...)

6. Fiscale duiding.

Oriënterend gesproken over de fiscale duiding van het geheel. Uitgelegd dat op grond van de tie-breaker-bepaling in de BRK woonplaats van [X] in NL is, omdat hier het centrum van zijn persoonlijk en sociaal leven is. (...)

Afgesproken dat beide partijen over het geheel zullen nadenken en dat wij een voorstel zullen doen per brief op het adres in Curaçao. (...).”.

2.7.

Nadien heeft [H] op 14 november 2003 aan belanghebbende een brief geschreven waarin hij opmerkt dat toegezegde informatie door belanghebbende nog niet is verstrekt en dat ter behoud van rechten aanslagen zijn opgelegd.

2.8.

De Inspecteur heeft de ING-bank en de ABN Amro Bank in juli 2013, met verwijzing naar de verplichting als bedoeld in artikel 47 van de AWR juncto artikel 53 van de AWR, verzocht om rekeningafschriften met betrekking tot de bankrekeningen met de nummers ( [0000] (hierna: de bankrekening met het nummer [0000] ) en ( [0001] (hierna: de bankrekening met het nummer [0001] ) over te leggen.

2.9.

De bankrekening met het nummer [0000] stond aanvankelijk uitsluitend op naam van belanghebbende en met ingang van maart 2012 op naam van belanghebbende en/of [D] . Met betrekking tot deze bankrekening heeft de ING-bank afschriften met betrekking tot de periode 1 januari 2007 tot en met 8 juli 2013 aan de Inspecteur verstrekt. Op deze afschriften is het adres [b-straat 1] te [Q] opgenomen.

2.10.

De bankrekening met nummer [0001] staat op naam van belanghebbende. De ABN Amro Bank heeft met betrekking tot deze bankrekening afschriften met betrekking tot de periode 7 oktober 2010 tot en met 8 april 2014 aan de Inspecteur verstrekt. Op deze afschriften is het adres [a-straat 1] te Curaçao opgenomen.

2.11.

Bij brief met dagtekening 8 januari 2014 heeft de Inspecteur, naar aanleiding van de bevindingen uit voomoemde bankafschriften, een boekenonderzoek (hierna: het boekenonderzoek) aangekondigd. Het doel van dit onderzoek is om de aanvaarbaarheid van de door belanghebbende ter zake van de jaren 2011 en 2012 ingediende aangiften IB/PVV te controleren.

2.12.

Belanghebbende heeft in de brief met dagtekening 25 januari 2014 het standpunt ingenomen dat hij niet belastingplichtig is aangezien hij in de jaren 2011 en 2012 geen enkel inkomen uit Nederlandse bron heeft genoten.

2.13.

De Inspecteur heeft bij brief met dagtekening 17 maart 2014 de reikwijdte van het boekenonderzoek uitgebreid met de jaren 2009 en 2010. De inhoud van deze brief luidt, voor zover relevant, voorts als volgt:

“1. Heffingsbelang

(...) Op basis van de navolgende punten vermoeden wij dat u (binnenlands of buitenlands)

belastingplichtig bent in Nederland vanaf 1 januari 2009 tot heden:

• Uw echtgenote/partner, [D] , woont in Nederland op het adres [b-straat 1] , 4611 HD , [Q] .

• Uit ons ter beschikking staande informatie concluderen wij dat een belangrijk deel van uw sociale leven zich afspeelt in Nederland.

• De bankafschriften van uw privé bankrekening [0000] zijn geadresseerd aan het adres [b-straat 1] te [Q] . Vanaf maart 2012 is dit een en/of rekening met uw echtgenote.

• U doet volgens de hiervoor vermelde bankrekening diverse uitgaven in Nederland. U bent dan ook op diverse tijdstippen in Nederland.

Op basis van hiervan stellen wij vast dat u een duurzame band heeft met Nederland. (...)

2. Verzoek om inlichtingen en gegevens (...)

Wij verzoeken u om de navolgende inlichtingen, boeken en bescheiden en overige gegevens voor het onderzoek te verstrekken over de periode 2009 tot en met 2013. De onderstaande vragen hebben betrekking op u als privé persoon.

1. Overzicht van al uw bezittingen en schulden per kalenderjaar.

2. Een overzicht van al uw inkomsten per kalenderjaar inclusief de onderliggende bescheiden/contracten die aan de inkomsten ten grondslag liggen.

3. Alle (binnenlandse en buitenlandse) privé bankafschriften en de afschriften van de creditcard(s).

4. De privé-agenda dan wel overige vastleggingen van uw afspraken.

5. Een afschrift van de eigendomsbewijzen van al uw bezittingen.

6. Afschrift van de (hypothecaire en onderhandse) schulden en eventuele overige onderliggende stukken van al uw vorderingen en/of schulden.

(...)

8. Een overzicht van uw reizen van en naar Nederland (inclusief onderliggende stukken: vliegtickets of overige bescheiden die uw reizen onderbouwen).

9. Afschrift van de ingediende aangiften inkomstenbelasting 2009 en navolgende jaren te Curaçao en een afschrift van de aanslagen.

(...)

11. Overzicht van uw lidmaatschappen en/of abonnementen.

12. Verzekeringen:

a. Welke verzekeringen (wonen, ziektekosten, auto e. d. ) heeft u (of zijn er namens en/of voor u) afgesloten?

b. Graag een afschrift van de verzekeringsovereenkomsten.

13. Doelvermogens (zoals een trust, SPF, Foundation e.d.):

a. Bij welke doelvermogen(s) bent u betrokken?

b. Graag een toelichting in hoeverre u bij de doelvermogen(s) onder a. betrokken bent?

c. Heeft u inkomsten ontvangen uit de doelvermogen(s)? Zo ja, graag een overzicht.

d. Graag een afschrift van de oprichtingsakte(s) van het (de) doelvermogen(s) waarbij u betrokken bent.

e. Graag een afschrift van de jaarstukken en een overzicht van de bezittingen en schulden van (de) het doelvermogen(s) waarbij u betrokken bent.

f. Welke rechten heeft u met betrekking tot (de) het doelvermogen(s) waarbij u betrokken bent?

g. Zijn er met de Belastingdienst afspraken gemaakt over de fiscale behandeling van (de) het doelvermogen(s) waarbij u betrokken bent? Zo ja, graag een afschrift van de afspraak.

14. Een overzicht van de stichtingen en vennootschappen (hier valt ook een Limited e. d. onder) waar u als directeur en/of aandeelhouder of anderszins een functie vervuld. Graag per stichting of vennootschap uw betrokkenheid vermelden en de periode van uw betrokkenheid. Indien u aandeelhouder bent (geweest) graag de omvang van uw aandelenbezit vermelden.

(…)

16. Als u stelt dat u duurzaam gevestigd bent op Curaçao op welke manier kunt u aantonen dat u daar uitgaven voor levensonderhoud, wonen e.d. hebt gemaakt?

17. Overzichten van al uw rekening-courantboekingen met uw vennootschappen c.q. stichtingen in de periode 2009 tot en met 2013.

18. Bent u in gemeenschap van goederen gehuwd met [D] . Zo nee, graag een afschrift van de huwelijkse voorwaarden. ”

(...)".

2.14.

Bij brief met dagtekening 29 april 2014 heeft belanghebbende verklaart dat hij, zijns inziens, niet verplicht kan worden om mee te werken aan voornoemde informatieverzoeken, aangezien artikel 47 van de AWR niet op hem van toepassing is. Desondanks heeft belanghebbende enige informatie verstrekt met betrekking tot zijn sociale leven in Nederland, de woonplaats van [D] en het gebruik van de bankrekeningen als bedoeld onder 2.8 tot en met 2.10.

2.15.

In het kader van voornoemd boekenonderzoek heeft de Inspecteur voorts, met verwijzing naar de verplichting als bedoeld in artikel 47 van de AWR juncto artikel 53, lid 1, onderdeel a, van de AWR, informatie opgevraagd bij Vektis, VGZ, KLM, ANWB, gemeente [Q] , [I] B.V. en [J] B.V.

2.16.

Naar aanleiding van de aan deze derden gerichte informatieverzoeken is de navolgende informatie boven water gekomen. Belanghebbende beschikte in de onderhavige jaren over een VGZ Natura Polis met aanvullende dekking. Dit betreft geen buitenlandpolis. Belanghebbende heeft in de onderhavige jaren diverse medische behandelingen in Nederland ondergaan. Voorts is belanghebbende in deze periode regelmatig van en naar Schiphol gevlogen en was belanghebbende lid van de ANWB. [D] beschikte met betrekking tot de auto met het kenteken [AA-00-AA] (hierna: de auto) in de periode vanaf 1 mei 2011 tot en met 25 juni 2012 over een tweede bewoners(parkeer)vergunning. De auto stond gedurende deze periode op naam van de naar Nederlands recht opgerichte Stichting [C] , waarvan belanghebbende bestuurder is (zie onder 2.2). Voorts heeft belanghebbende in de onderhavige jaren diverse keren gebruik gemaakt van de reparatie- respectievelijk onderhoudsdiensten van [I] B.V.

2.17.

De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief met dagtekening 2 juli 2014 opnieuw in de gelegenheid gesteld om te voldoen aan de informatieverzoeken zoals opgenomen in de brief met dagtekening 17 maart 2014 (zie onder 2.13). Voor zover in de onderhavige procedure relevant, is in deze brief voorts het volgende opgenomen:

“(…) U begrijpt niet waarom de inspecteur schrijft: “een belangrijk deel van uw sociale leven speelt zich af in Nederland. Wij willen ter aanvulling van de brief van 17 maart 2014 en in reactie op vorenstaande nog enkele bevindingen met uw delen, waardoor het vermoeden van uw belastingplicht ons inziens nog wordt versterkt. Dit betreft onder andere de volgende informatie:

• Voor de zorgverzekering bent u bij een Nederlandse zorgverzekeraar (VGZ) aangesloten.

Volgens informatie van de zorgverzekeraar maakt u regelmatig gebruik van zorgverleners in Nederland.

• U heeft in Nederland een ANWB lidmaatschap.

• U heeft een parkeervergunning in [Q] . Deze vergunning is op persoonlijke titel aangevraagd bij de gemeente [Q] .

• Uit vluchtgegevens van KLM blijkt niet dat u jaarlijks langdurig op Curaçao verblijft

(...)”.

2.18.

Belanghebbende heeft bij brief met dagtekening 14 augustus 2014 gereageerd op voornoemde brief.

2.19.

Belanghebbende heeft vervolgens bij brief met dagtekening 23 oktober 2014, voor zover relevant, de volgende antwoorden gegeven op de vragen zoals opgenomen in de brief met dagtekening 17 maart 2014:

“1. Mijn enig bezit is de aandelen [A] N. V. Ik heb wat schulden bij deze N. V. en enkele, niet in Nederland woonachtige, cliënten. Derhalve gaat de hoogte van deze schulden u niet aan.

2. Omdat mijn inkomsten voornamelijk uit [A] N. V. komen, ben ik van mening dat ook deze inkomsten u niet aangaan. Er is geen schriftelijke overeenkomst tussen mij en [A] (...) Ik ben directeur, maar sta niet op de loonlijst. Mijn inkomen ter zake is variabel. Wat de AOW betreft vraagt u naar de bekende weg; u weet dit allemaal al. (...) Mijn AOV inkomsten uit Curaçao gaan u niet aan.

3. Buitenlandse afschriften van privérekeningen gaan u niet aan. Binnenlandse hebt u al bij elkaar gesnuffeld. (...) Overigens bewaar ik geen afschriften van privérekeningen, ik ben daartoe niet verplicht.

4. Een privéagenda heb ik niet dus kan ik u ook niet ter inzage geven.

5. Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 1. Ik bezit niets anders.

6. Ik heb geen hypothecaire schulden (meer) en ook geen vorderingen.

(...)

8. Dat overzicht kan ik u niet geven. Ik passeer honderden malen per jaar diverse internationale grenzen en ik ben voorts ter zake niet administratieplechtig. Vliegtickets bewaar ik niet. (...)

9. Ik stuur u kopie van de bladzijden 1 van mijn aangiften IB Curaçao 2009 tot en met 2013(B). De bedragen gaan u niet aan. (...)

(...)

11. Onbenullig. Kruimelwerk. Ik overleg u, volkomen illustratief: Kopie van mijn abonnement op de Amigoe (krant op Curaçao) rekening overigens ontvangen in Frankrijk.(C)

12. Reeds beantwoord.

13. Ik ben bij geen enkel doelvermogen betrokken.

14. Ik ben uitsluitend directeur van [A] N. V. en van [K] . Ik ontvang voor de laatste geen vergoeding en ik ben daar ook geen aandeelhouder.

(...)

16. Weer vragen naar de bekende weg. Ik verwijs naar alle reeds ter zake overgelegde stukken. Het hoofdstuk Curaçao gaat u niet aan. Dergelijke bewijzen lever ik zo nodig alleen aan een rechter.

17. Die zijn er niet.

18. Ik ben niet in gemeenschap van goederen gehuwd. (...). Ik stuur u de eerste en de laatste bladzijde van de acte van huwelijksvoorwaarden (D.). (...)”.

2.20.

De Inspecteur heeft de onderhavige informatiebeschikkingen op 2 december 2014 aan belanghebbende gegeven, aangezien laatstgenoemde, zijns inziens, de vragen met de nummers 1, 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9, 11a en (eventueel b), 12b, 13, 14, 16, 17 en 18 niet, respectievelijk onvoldoende heeft beantwoord.

2.21.

In de in hoger beroep bestreden uitspraak heeft de Rechtbank de ter zake van de jaren 2009 tot en met 2012 opgelegde informatiebeschikkingen herzien in die zin dat uitsluitend de informatieverzoeken die besloten liggen in de vragen 1, 2, 6 tot en met 14 en 16 gehandhaafd blijven. De Rechtbank heeft belanghebbende een termijn van vier weken geboden om te voldaan aan voornoemde informatieverzoeken.

2.22.

In hoger beroep heeft belanghebbende diverse bewijsstukken ingediend ter onderbouwing van zijn stelling dat hij niet in Nederland woonachtig is en dat Nederland, gelet op de van toepassing zijnde bepalingen uit de Belastingregeling voor het Koninkrijk, niet bevoegd is om hem in de belasting- respectievelijk premieheffing te betrekken.

2.23.

Voor zover relevant met betrekking tot belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel (…).

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord of de volgende vragen:

I. Kan belanghebbende een geslaagd beroep doen op het vertrouwensbeginsel?

II. Kunnen de vragen die volgens de Inspecteur niet of onvoldoende beantwoord zijn relevant zijn voor de IB/PVV-heffing van belanghebbende?

III. Zijn de informatieverzoeken in strijd met het evenredigheidsbeginsel gegeven?

IV. Heeft belanghebbende (volledig) voldaan aan de informatieverzoeken?

3.2.

Belanghebbende is van mening dat de vragen I, III en IV bevestigend en vraag II ontkennend beantwoord dient te worden. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan. (…)

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

Vraag I

Vraag II

4.12.

Naar het oordeel van het Hof beschikte de Inspecteur voorafgaande aan het doen van de onderhavige informatieverzoeken over voldoende aanwijzingen op grond waarvan hij in redelijkheid het standpunt kon innemen dat belanghebbende binnenlands belastingplichtig zou kunnen zijn. Het Hof verwijst in dit kader met name op de omstandigheid dat de Inspecteur voorafgaande aan het doen van de informatieverzoeken bekend was met de omstandigheid dat zowel de echtgenote als de dochter van belanghebbende in de onderhavige jaren op Nederlandse adressen stonden ingeschreven, de omstandigheid dat afschriften van de bankrekening met het nummer [0000] werden verzonden naar een Nederlands adres en de resultaten van de aan enkele derden gerichte informatieverzoeken (zie onder 2.16).

4.14.

Aldus vallen alle vragen die volgens de Inspecteur niet of onvoldoende beantwoord zijn binnen de reikwijdte van artikel 47 van de AWR. Het Hof beantwoordt vraag II derhalve bevestigend.

Vraag III

4.15.

De Inspecteur heeft de onderhavige informatiebeschikkingen aan belanghebbende afgegeven aangezien belanghebbende de vragen 1 tot en met 6, 8, 9, 11a (en eventueel b),

12b tot en met 14 en 16 tot en met 18 zoals opgenomen in de brief met dagtekening 17 maart 2014 onvoldoende respectievelijk niet heeft beantwoord. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de Inspecteur de informatiebeschikkingen ten onrechte heeft gebaseerd op de onvoldoende beantwoording van de vragen 3 tot en met 5, vraag 17 en een gedeelte van vraag 2, aangezien hij met deze vragen het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden.

4.16.

De Inspecteur verzet zich in de door hem ingestelde incidentele hoger beroepen tegen het oordeel van de Rechtbank dat vraag 2 in dit stadium van het onderzoek nog niet van belang is. Voorts verzet de Inspecteur zich tegen het oordeel van de Rechtbank dat de vragen 3 tot en met 5 en 17 onevenredig zijn.

Tweede gedeelte vraag 2

4.17.

Naar het oordeel van het Hof slagen de door de Inspecteur ingediende incidentele hoger beroepen voor zover hij zich verzet tegen het oordeel van de Rechtbank dat het onevenredig is om in deze fase te vragen naar bewijsstukken met betrekking tot de door belanghebbende in de onderhavige jaren genoten inkomsten. De Rechtbank is er ten onrechte vanuit gegaan dat de onderliggende bescheiden allereerst relevant worden indien vaststaat dat belanghebbende subjectief belastingplichtig is. Het Hof verwijst hierbij naar hetgeen onder 4.11 en 4.12 is overwogen.

4.18.

Het Hof constateert derhalve geen strijd met het evenredigheidsbeginsel.

Vraag 3

4.19.

Voorts slagen de incidentele hoger beroepen voor zover de Inspecteur zich verzet tegen het oordeel van de Rechtbank dat het niet evenredig is om in deze fase alle afschriften met betrekking tot (binnen- en buitenlandse) bankrekeningen en creditcards op te vragen.

4.20.

Voor zover de Rechtbank aan dit oordeel ten grondslag legt dat dergelijke rekeningafschriften slechts op indirecte wijze van belang kunnen zijn bij het vaststellen van de fiscale woonplaats nu daaruit hooguit kan blijken op welke plaats opnames zijn gedaan, heeft de Rechtbank miskend dat alle feiten en omstandigheden relevant zijn die kunnen duiden of een binding in sociaal respectievelijk economisch opzicht. Vastgesteld dient immers te worden met welke land de sterkste binding bestaat (zie het arrest Hoge Raad 4 maart 2011, nr. 10/04026, ECLI:NL:HR:2011:BP6285). Naar het oordeel van het Hof zijn bankafschriften en afschriften met betrekking tot creditcards onder meer goed geschikt om de sociale binding met een land vast te stellen, aangezien op basis van voornoemde afschriften mogelijkerwijs is vast te stellen waar een belanghebbende inkomensbestedende activiteiten verricht.

4.21.

Aangezien de Inspecteur in het onderhavige geval in alle redelijkheid het standpunt in kon nemen dat belanghebbende in de onderhavige jaren woonachtig was in Nederland (zie onder 4.12), is het opvragen van nadere informatie waaruit de fiscale woonplaats van belanghebbende afgeleid kan worden (waaronder bankafschriften en afschriften met betrekking tot creditcards) niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel.

Vraag 4

4.22.

De Rechtbank heeft erkend dat belanghebbendes (privé)agenda en andersoortige vastleggingen van (privé)afspraken van belang kunnen zijn voor het vaststellen van de fiscale woonplaats van belanghebbende, doch is van oordeel dat het opvragen van deze bescheiden een schending van het evenredigheidsbeginsel oplevert. De Inspecteur verzet zich tegen dit oordeel van de Rechtbank.

4.23.

Naar het oordeel van het Hof slaagt deze stelling van de Inspecteur.

4.24.

De Rechtbank heeft, naar het oordeel van het Hof, terecht overwogen dat zakelijke respectievelijk privéafspraken relevant kunnen zijn bij beantwoording van de vraag in welke mate belanghebbende - in sociaal respectievelijk economisch opzicht - met Nederland is verbonden. Naar het oordeel van het Hof is, in tegenstelling tot hetgeen de Rechtbank heeft geoordeeld, het opvragen van de (privé)agenda en de andersoortige vastlegging van (privé)afspraken echter niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel aangezien daarmee vast te stellen is of en wanneer belanghebbende zakelijke respectievelijke privéafspraken in de onderhavige jaren in Nederland heeft gehad.

Vraag 5

4.25.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat het verzoek van de Inspecteur tot overlegging van een afschrift van de eigendomsbewijzen met betrekking tot alle door belanghebbende gehouden bezittingen valt binnen de reikwijdte van artikel 47 van de AWR, doch in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De Inspecteur verzet zich tegen dit oordeel.

4.26.

Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank terecht overwogen dat dit verzoek onevenredig is. Alhoewel belanghebbende, onder voorwaarden, op grond van artikel 22 van de Belastingregeling voor het Koninkrijk in Nederland belastingplichtig kan zijn met betrekking tot zijn vermogen, worden, naar het oordeel van het Hof, de grenzen van de evenredigheid overschreden door met betrekking tot de bezittingen waarvan belanghebbende stelt eigenaar te zijn te verlangen dat eigendomsbewijzen worden overgelegd. De Rechtbank heeft terecht overwogen dat het opvragen van dergelijke eigendomsbewijzen allereerst aan de orde komt indien discussie zou ontstaan over de vraag of belanghebbende daadwerkelijk eigenaar is van deze vermogensbestanddelen, hetgeen zich overigens niet heeft voorgedaan..

Vraag 17

4.27.

Met betrekking tot het verzoek van de Inspecteur tot overlegging van overzichten van alle rekening-courantboekingen tussen belanghebbende en de vennootschappen en stichtingen waarbij hij betrokken was, heeft de Rechtbank overwogen dat er sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel, aangezien de opgevraagde bescheiden uitsluitend op indirecte wijze van belang kunnen zijn bij beantwoording van de vraag waar belanghebbende woont en of hij belastingplichtig is in Nederland. De Inspecteur verzet zich tegen dit oordeel.

4.28.

Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur, in tegenstelling tot hetgeen de Rechtbank heeft overwogen, de grenzen van de evenredigheid niet overschreden. Ook in gevallen waarin de subjectieve belastingplicht nog niet onherroepelijk vast is komen te staan, staat het evenredigheidsbeginsel niet in de weg aan het opvragen van voornoemde overzichten, aangezien deze aanwijzingen voor objectieve belastingplicht zouden kunnen opleveren die op grond van de Belastingregeling voor het Koninkrijk in Nederland (als woonstaat) zijn te belasten.

Vraag IV

4.29.

Belanghebbende heeft aangevoerd dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij de vragen 7, 8, 11 tot en met 14 en 16 zoals opgenomen in de brief met dagtekening 14 maart 2017 onvoldoende heeft beantwoord. In de procedure bij het Hof is, voor zover relevant, vast komen te staan dat de Inspecteur er bij het geven van de informatiebeschikkingen vanuit is gegaan dat vraag 7 voldoende is beantwoord. Het Hof zal derhalve uitsluitend ingaan op de vraag of belanghebbende de vragen 8, 11 tot en met 14 en 16 voldoende heeft beantwoord.

4.30.

Aangezien de door de Inspecteur ingediende incidentele hoger beroepen slagen voor zover deze zich richten tegen het oordeel van de Rechtbank dat het tweede gedeelte van vraag 2 en de vragen 3, 4 en 17 zoals opgenomen in de brief met dagtekening 14 maart 2017 onevenredig zijn, zal het Hof voorts beoordelen of belanghebbende deze vragen afdoende heeft beantwoord.

Vraag 2

4.31.

Met betrekking tot het van vraag 2 deel uitmakende verzoek om overlegging van een overzicht van de door belanghebbende in de onderhavige jaren genoten inkomsten heeft de Rechtbank, naar het oordeel van het Hof, terecht en op goede gronden overwogen dat belanghebbende niet volledig aan dit informatieverzoek heeft voldaan:

“(...) 4.16.3. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende deze vraag niet voldoende heeft beantwoord. De inkomsten uit [A] N. V. zijn immers niet vermeld. Belanghebbende heeft slechts zeer summier informatie verstrekt over de herkomst van zijn inkomen en heeft in het geheel geen informatie verstrekt over de hoogte van zijn inkomen (…)".

4.32.

Het Hof maakt deze overwegingen tot de zijne en voegt hier aan toe dat belanghebbende ook in hoger beroep heeft volstaan met de mededeling dat hij in de onderhavige jaren zowel looninkomsten heeft ontvangen van [A] N.V. als AOW/AOV-uitkeringen. Belanghebbende heeft (ook in hoger beroep) met betrekking tot de ontvangst van de door hem genoten looninkomsten geen bewijsstukken overgelegd. Belanghebbende heeft ook overigens geen inzage gegeven in de hoogte van deze inkomsten.

4.33.

Belanghebbende heeft derhalve zowel het eerste gedeelte (overzicht overleggen van alle in de onderhavige jaren genoten inkomsten) als het tweede gedeelte (overleggen van bescheiden/contracten die ten grondslag liggen aan deze inkomsten) van vraag 2 onvoldoende beantwoord.

Vraag 3

4.34.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de informatiebeschikkingen vernietigd dienen te worden voor zover hierin wordt verzocht om vraag 3 te beantwoorden, aangezien hij niet (meer) beschikt over afschriften van in privé bankrekeningen en creditcards en hij niet gedwongen kan worden tot overlegging van stukken waarover hij niet (meer) beschikt.

4.35.

Indien juist is dat belanghebbende, niet meer beschikt over deze afschriften - het Hof laat in het midden of zij dit aannemelijk acht - heeft belanghebbende onvoldoende aangevoerd om aannemelijk te maken dat hij voldaan heeft aan de op hem rustende inspanningsverplichting om voornoemde bescheiden op te vragen bij de banken respectievelijk financiële instellingen waarbij hij de bankrekeningen en creditcards aanhoudt (zie onder meer Hoge Raad 25 januari 2002, nr. 36.063, ECLI:NL:HR:2002:AD8475).

4.36.

Aangezien belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij voldaan heeft aan de ter zake op hem rustende inspanningsverplichting, heeft hij, naar het oordeel van het Hof, vraag 3 onvoldoende beantwoord.

Vraag 4

4.37.

Belanghebbende stelt zich voorts op het standpunt dat de informatiebeschikkingen vernietigd dienen te worden voor zover hij hierin verzocht wordt om (privé)agenda’s respectievelijk andere stukken waaruit zijn (privé)afspraken blijken, over te leggen. Hij beschikt immers niet (meer) over dergelijke bescheiden. De Inspecteur heeft dit betwist.

4.38.

Het Hof acht, gelet op de geloofwaardige verklaring van belanghebbende, aannemelijk dat hij met betrekking tot de onderhavige jaren geen bewijsstukken kan overleggen waaruit zijn (privé)afspraken zijn af te leiden. Het Hof overweegt ten overvloede dat zelfs indien het Hof aannemelijk zou achten dat belanghebbende aanvankelijk wel beschikte over dergelijke bewijsstukken doch deze heeft weggegooid - hetgeen het Hof in het midden laat - dit geen strijd met artikel 47 van de AWR oplevert aangezien dit artikel geen bewaarplicht creëert.

4.39.

Gelet op het voorgaande acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende, door aan de Inspecteur mede te delen dat hij niet (meer) beschikt over stukken waaruit zijn (privé)afspraken in de onderhavige jaren zijn af te leiden, voldaan heeft aan de ter zake op hem rustende informatieverplichting.

Vraag 8

4.40.

Naar aanleiding van het verzoek van de Inspecteur tot het verstrekken van informatie met betrekking tot belanghebbendes reizen van en naar Nederland en tot het overleggen van bewijsstukken ter zake van deze reizen heeft belanghebbende verklaard dat hij niet aan dit verzoek kan voldoen aangezien hij ter zake van deze reizen geen administratie bijhoudt.

4.41.

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende bij de beantwoording van deze vraag niet voldaan heeft aan zijn inspanningsverplichting.

4.42.

Bij beantwoording van de vraag of belanghebbende voldaan heeft aan de ter zake op hem rustende inspanningsverplichting stelt het Hof voorop dat de Inspecteur voorafgaande aan het geven van de informatiebeschikkingen door middel van een aan KLM gericht informatieverzoek reeds informatie heeft ontvangen met betrekking tot de door belanghebbende met KLM gemaakte vluchten. De omstandigheid dat belanghebbende verzuimd heeft om deze vluchtgegevens zelf aan de Inspecteur te verstrekken, kan, naar het oordeel van het Hof, gelet op doel en strekking van artikel 47 van de AWR, niet aan handhaving van de informatiebeschikkingen ten grondslag worden gelegd. De Inspecteur heeft deze gegevens immers reeds op andere wijze verkregen.

4.43.

Zelfs indien het Hof aannemelijk zou achten dat belanghebbende geen administratie heeft bijgehouden met betrekking tot de reizen die hij in de jaren 2009 tot en met 2012 van en naar Nederland heeft gemaakt - hetgeen het Hof in het midden laat - heeft belanghebbende onvoldoende aangevoerd om aannemelijk te maken dat hij voldaan heeft aan de ex artikel 47 van de AWR op hem rustende informatieverplichting. Naar het oordeel van het Hof had het na ontvangst van de door de Inspecteur bij KLM opgevraagde vluchtgegevens op de weg van belanghebbende gelegen om zich in ieder geval in te spannen om te controleren of het door KLM verstrekte vluchtoverzicht juist zou kunnen zijn. De gedingstukken leveren onvoldoende aanwijzingen op om tot de conclusie te leiden dat belanghebbende een poging gedaan heeft om deze gegevens te controleren. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende reeds om deze reden niet voldaan aan dit informatieverzoek. Overigens beperkt het onderhavige informatieverzoek zich niet tot het verkrijgen van vluchtgegevens doch, is het in algemene zin, gericht op het verkrijgen van informatie met betrekking tot de reishistorie van belanghebbende. Ook deze informatie heeft belanghebbende niet verstrekt. Voorts heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat hij zich heeft ingespannen om deze informatie te verkrijgen. Ook hierom heeft hij in zoverre niet voldaan aan het informatieverzoek.

4.44.

Het voorgaande leidt het Hof tot de conclusie dat belanghebbende vraag 8 onvoldoende heeft beantwoord.

Vraag 11

4.45.

De Rechtbank heeft in de bestreden uitspraak geoordeeld dat belanghebbende verzuimd heeft om een totaaloverzicht van de door hem afgesloten lidmaatschappen en abonnementen te verstrekken.

4.46.

Belanghebbende heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij niet gehouden is om met betrekking tot de door hem afgesloten abonnementen en lidmaatschappen een administratie bij te houden. Voorts heeft belanghebbende aangevoerd dat in de onderhavige jaren alleen sprake was van abonnementen en lidmaatschappen in het buitenland.

4.47.

Aan belanghebbende dient toegegeven te worden dat hij niet verplicht is om ter zake van voornoemde abonnementen en lidmaatschappen een administratie bij te houden aangezien gesteld noch gebleken is dat belanghebbende ex artikel 52 van de AWR administratieplichtig is. Het ontbreken van een administratieplicht staat, naar het oordeel van het Hof, echter niet in de weg aan het op grond van artikel 47 van de AWR sanctioneren van het doelbewust verstrekken van onjuiste respectievelijk onvolledige informatie.

4.48.

Met betrekking tot de binnenlandse situatie acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende bewust onjuiste respectievelijk onvolledige informatie aan de Inspecteur heeft verstrekt. Het Hof wijst in dit kader, onder meer, op de omstandigheid dat belanghebbende zich ook in hoger beroep op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake was van in Nederland afgesloten abonnementen en lidmaatschappen, terwijl op grond van aan derden gerichte informatieverzoeken is komen vast te staan dat hij gedurende de onderhavige jaren lid was van de ANWB.

4.49.

Met betrekking tot de in het buitenland afgesloten lidmaatschappen en abonnementen acht het Hof - mede gelet op belanghebbendes standpunt dat deze de Inspecteur “niets aangaan” - onaannemelijk dat belanghebbende een volledig overzicht heeft verstrekt. Aangezien gesteld noch gebleken is dat belanghebbende redelijkerwijs niet aan meer bewijsstukken zou kunnen komen, acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende ook met betrekking tot de buitenlandse situatie niet volledig voldaan heeft aan het informatieverzoek van de Inspecteur.

4.50.

Aan dit oordeel doet volgens het Hof niet af dat de Inspecteur op basis van de in het buitenland afgesloten lidmaatschappen en abonnementen uitsluitend vast kan stellen of en zo ja, in welke mate belanghebbende in economisch en sociaal opzicht verbonden is aan dit ander land. Teneinde de vraag te beantwoorden of belanghebbende subjectief belastingplichtig is in Nederland dient immers - op basis van alle relevante feiten en omstandigheden - vastgesteld te worden met welk land hij de sterkste band heeft. De in het buitenland afgesloten lidmaatschappen en abonnementen kunnen derhalve van belang zijn voor de belastingheffing in Nederland en kwalificeren derhalve als “relevante omstandigheden” in voornoemde zin.

4.51.

Naar het oordeel van het Hof staat het door artikel 8 van het EVRM gewaarborgde recht op privacy niet in de weg aan het opvragen van deze informatie, aangezien belastingheffing als een rechtvaardigingsgrond heeft te gelden en er geen sprake is van schending van het proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel.

4.52.

Belanghebbende heeft vraag 11 derhalve onvoldoende beantwoord.

Vraag 12 onderdeel b

4.53.

Belanghebbende heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van in Nederland gesloten verzekeringen. Voorts heeft belanghebbende afschriften van een aantal in het buitenland afgesloten verzekeringen overgelegd.

4.54.

Met betrekking tot de binnenlandse situatie is het Hof van oordeel dat belanghebbende bewust onjuiste respectievelijk onvolledige informatie aan de Inspecteur heeft verstrekt. Het Hof wijst in dit kader, onder meer, op de omstandigheid dat belanghebbende zich ook in hoger beroep op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake was van in Nederland afgesloten verzekeringen, terwijl op grond van het bij VGZ uitgevoerde derdenonderzoek vast is komen te staan dat belanghebbende daar in de onderhavige jaren verzekerd was.

4.55.

Met betrekking tot de in het buitenland afgesloten verzekeringen acht het Hof- mede gelet op belanghebbendes standpunt dat deze de Inspecteur “niets aangaan” - onaannemelijk dat belanghebbende afschriften van alle in het buitenland afgesloten verzekeringsovereenkomsten heeft verstrekt. Aangezien gesteld noch gebleken is dat belanghebbende redelijkerwijs niet aan meer bewijsstukken zou kunnen komen, acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende ook met betrekking tot de buitenlandse situatie niet volledig voldaan heeft aan het informatieverzoek van de Inspecteur. Naar het oordeel van het Hof doet aan dit oordeel, gelet op het overwogene onder 4.50, niet af dat de in het buitenland afgesloten verzekeringen uitsluitend relevant kunnen zijn het vaststellen van de mate waarin belanghebbende in economisch en sociaal opzicht verbonden is aan dit ander land.

4.56.

Het beroep van belanghebbende op het door artikel 8 van het EVRM gewaarborgde recht op privacy faalt gelet op de gronden zoals opgenomen onder 4.51.

Vraag 13

4.57.

Met betrekking tot het verzoek tot het verstrekken van informatie over de doelvermogens waar belanghebbende bij betrokken is, heeft belanghebbende in hoger beroep verklaard dat hij in persoon uitsluitend betrokken is bij de naar Nederlands recht opgerichte Stichting [C] , doch dat hij geen enkel economisch belang heeft bij deze Stichting. Volgens belanghebbende valt de naar Antilliaans recht opgerichte Stichting [C] niet onder de reikwijdte van dit informatieverzoek, aangezien niet hij maar [A] N.V. bestuurder is van deze stichting.

4.58.

Het Hof stelt voorop dat het, gelet op de formulering van vraag 13 (met name van onderdeel a), voor belanghebbende redelijkerwijs kenbaar had dienen te zijn dat de Inspecteur ook informatie wenste te ontvangen over doelvermogens waarin niet belanghebbende in persoon doch ondernemingen waarvan hij (mede)bestuurder is bestuursfuncties vervullen. Het informatieverzoek ziet derhalve ook op de naar Antilliaans recht opgerichte Stichting [C] . [A] N.V., waarvan belanghebbende (mede)bestuurder is, is immers de bestuurder van deze stichting.

4.59.

Aangezien belanghebbende in hoger beroep zowel ter zake van de naar Nederlands recht opgerichte Stichting [C] als ter zake van de naar Antilliaans recht opgerichte Stichting [C] uitsluitend een toelichting heeft gegeven en een uittreksel uit het handelsregister heeft overgelegd, is het Hof van oordeel dat belanghebbende enkel heeft voldaan aan de informatieverzoeken zoals opgenomen in de onderdelen a en b van vraag 13 doch niet aan de informatieverzoeken zoals opgenomen in de onderdelen c tot en met g van vraag 13. Voor zover belanghebbende zich op het standpunt stelt dat hij voldaan heeft aan onderdeel f van vraag 13 doordat hij verklaard heeft dat hij geen enkel economisch belang heeft bij deze stichtingen faalt deze stelling. Dit betreft immers alleen een blote stelling welke vooralsnog niet onderbouwd wordt door - door de Inspecteur opgevraagde - bewijsstukken waarbij te denken valt aan de oprichtingsaktes van deze stichtingen (zie onderdeel d van vraag 13).

Vraag 14

4.60.

Belanghebbende heeft in hoger beroep verklaard dat hij als bestuurder betrokken is bij [A] N.V., [B] en de naar Nederlands recht opgerichte Stichting [C] . Belanghebbende heeft echter geen inzage verstrekt in de periode van betrokkenheid.

4.61.

Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende vraag 14 derhalve onvoldoende beantwoord.

4.62.

Voor zover belanghebbende zich op het standpunt stelt dat hij niet verplicht was informatie te verstrekken met betrekking tot de naar Antilliaans recht opgerichte Stichting [C] slaagt dit betoog. In tegenstelling tot de formulering van vraag 13 is de formulering van vraag 14 zodanig dat deze vraag aldus verstaan dient te worden dat belanghebbende uitsluitend informatie diende te verstrekken met betrekking tot vennootschappen en stichtingen waarbij hij in persoon - derhalve niet indirect - een functie vervulde. Gelet op de omstandigheid dat belanghebbende onbestreden heeft gesteld dat hij in persoon geen functie heeft vervuld bij de naar Antilliaans recht opgerichte Stichting [C] kan het ontbreken van nadere informatie met betrekking tot dit punt niet ten grondslag liggen aan de informatiebeschikkingen.

Vraag 16

4.63.

De Inspecteur heeft in vraag 16 gevraagd op welke manier belanghebbende kan aantonen dat hij in Curaçao uitgaven voor levensonderhoud, wonen e.d. heeft gemaakt. Hiermee is ogenschijnlijk bedoeld of belanghebbende bewijs kan leveren met betrekking tot de uitgaven voor levensonderhoud en wonen in Curaçao. Het Hof acht belanghebbendes verklaring dat hij geen bonnetjes inzake het levensonderhoud met betrekking tot de geschiljaren heeft bewaard geloofwaardig. In zoverre heeft hij de vraag voldoende beantwoord. Met betrekking tot de uitgaven voor het wonen acht het Hof het niet geloofwaardig dat daarvan geen bewijs kan worden geleverd, aangezien deze uitgaven normaal gesproken via de bank worden betaald en belanghebbende niet heeft aangegeven dat dat in het onderhavige geval anders is geweest. In zoverre is de vraag onvoldoende beantwoord.

4.64.

Gelet op het vorenoverwogene is het Hof van oordeel dat belanghebbende vraag 16 onvoldoende heeft beantwoord, voor zover de Inspecteur gevraagd heeft op welke manier belanghebbende kan aantonen dat hij in Curaçao uitgaven voor wonen heeft gemaakt.

Vraag 17

4.65.

De Inspecteur heeft tijdens de nadere zitting onbestreden gesteld dat uit de na het geven van de informatiebeschikkingen met belanghebbende gevoerde correspondentie is gebleken dat in de onderhavige jaren sprake was van rekening-courantboekingen tussen hem en een vennootschap respectievelijk stichting waarbij hij betrokken was. Aangezien belanghebbende geen informatie heeft overgelegd met betrekking tot deze rekening-courantboekingen, heeft hij vraag 17 onvoldoende beantwoord.

Slotsom

4.66.

De slotsom is dat zowel de door belanghebbende ingestelde hoger beroepen als het door de Inspecteur ingestelde incidentele hoger beroepen gegrond zijn. De uitspraak van de Rechtbank voor zover deze ziet op de jaren 2009 tot en met 2012 dient te worden vernietigd. Het Hof zal de beroepen gegrond verklaren, de uitspraken op bezwaar en de informatiebeschikkingen vernietigen, doch uitsluitend voor zover daarin wordt verzocht de vragen 4, 5, 13 onderdelen a en b, en 18 te beantwoorden.

Ten aanzien van het griffierecht (…)

Ten aanzien van de proceskosten (…)

5. Beslissing

Het Hof:

verklaart de hoger beroepen gegrond; verklaart de incidentele hoger beroepen gegrond;

vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze ziet op de ter zake van de jaren 2009 tot en met 2012 met betrekking tot de heffing van IB/PVV aan belanghebbende gegeven informatiebeschikkingen; verklaart de beroepen gegrond;

vernietigt de uitspraken van de Inspecteur, doch uitsluitend voor zover deze de vragen 4, 5, 13 onderdelen a en b, en 18 betreft;

vernietigt de informatiebeschikkingen, doch uitsluitend voor zover daarin wordt verzocht de vragen 4, 5, 13 onderdelen a en b en 18 te beantwoorden; handhaaft de informatiebeschikkingen voor het overige;

stelt belanghebbende een termijn van vier weken, te rekenen vanaf de datum waarop deze uitspraak onherroepelijk is geworden, om de Inspecteur alsnog die informatie te verstrekken; (…)

3 Het geding in cassatie

3.1

Belanghebbende heeft tijdig en ook overigens op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft geen conclusie van repliek ingediend.

3.2

Belanghebbende komt in cassatie met het verzoek de uitspraak van het Hof te vernietigen wegens schending van het evenredigheidsbeginsel, als toegelicht:

Op grond van het evenredigheidsbeginsel mogen de voor één of meer belanghebbenden nadelige gevolgen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.

(…)

De inspecteur heeft in onderhavige casus reeds een grote hoeveelheid informatie van belanghebbende ontvangen. Op basis van deze informatie meent belanghebbende dat de inspecteur heel goed in staat is zich een oordeel te vormen over de eventuele belastingplicht in Nederland van belanghebbende. Daar belanghebbende meent niet in Nederland belastingplichtig te zijn en er reeds een grote hoeveelheid relevante informatie aan de inspecteur is gegeven meent belanghebbende dat de informatiebeschikkingen ten onrechte zijn afgegeven. Door nog meer informatie te vragen, die naar de mening van belanghebbende niet relevant is voor het beoordelen van zijn eventuele belastingplicht, houdt de inspecteur onvoldoende rekening met de belangen van belanghebbende. Dit is in strijd met het evenredigheidsbeginsel.

Nu de inspecteur te weinig rekening heeft gehouden met de belangen van belanghebbende door de dient de informatiebeschikking te worden vernietigd wegens schending van het recht.

3.3

Uit de bijlage bij het beroepschrift in cassatie van belanghebbende volgt een opsomming van de gegeven informatie:

Rijbewijs Curacao

Sedula Curacao

Sociale Verzekering (ziektekosten) Curacao

WA verzekering Curacao

Abonnement Dagblad Amigoe Curaçao

Energie en afval Curacao Aqalectra

Televisie Curacao Flow

Internetaansluiting Curacao Flow

Rekening ING NL adres Curaçao

PV aangifte diefstal Curacao

Verblijfsdata 2015

Aangiften IN voorblad 2009 tot en met 2013

Aangifte IB blad 1 2017

Kopie NL nihil aanschak lB 2013

Kopie schatting IB 2014 ontv NL 03.03.15

Kopie ID [D] Curacao

Kopie rijbewijs Curacao [D]

Kopie uittr Basaisadmin [D] Curaçao

Fiscale Positie [D] Curacao

Kopie aandelen [L] NV

Kopie waterrekening Frankrijk

Vermelding [X] telefoonboek Frankrijk

Uittreksel Basisadiminstratie [X] Curacao

Uittrreksel [B] Frakrijk

Huurcontract [X] [T] Belgie

Uittreksel [A] N.V. [X] directeur

Register van aandeelhouers [A] [X] aandeel h

Uittreksel Basisadmn [D] Curacao

Verblijfsvergunning [D] Curacao

Rijbewijs [D] Curacao

Basisadmin NL [D] Begen op zoom

aanslag IB [D] Nl

ANWB Lidmaatschap [X] in NL af 1984

VGZ NL RT2014

Verbijfsverg [G] T Curacao

Werkverg [G] T Curaçao

Basisschool Curacao [G] T

[X] verblijfsoverzicht 2002

Vele foto's Curacao

Bewijs Internet Frankrijk [X] wanadoo

Verezwekering woonhuis Frankrijk SCI

Verzekering [X] [T] Belgie

rekening Electrabel energie Belgie

Waterrekening Frankrijk SCI

Bankrelatie Maduro & Curiel [X] Curacao

Banktelsatie [X] SCI Frankrijk

Auto op SCI Frankrijk

Kwitantie [X] hartspecialist Curacao

Huurovereenkomst [X] [R]

ID [D] Curacao

ID [X] Curacao

4 Wetgeving, parlementaire geschiedenis, jurisprudentie en literatuur

Wetgeving

4.1

Artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) luidt als volgt:

1. Ieder is gehouden desgevraagd aan de inspecteur:

a. de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn. (…)

4.2

Artikel 52a van de AWR luidt als volgt:

1. Indien met betrekking tot een op te leggen aanslag, navorderingsaanslag of naheffingsaanslag of een te nemen beschikking niet of niet volledig wordt voldaan aan de verplichtingen ingevolge artikel 41, 47, 47a, 49, 52, en, voor zover het verplichtingen van administratieplichtigen betreft ten behoeve van de heffing van de belasting waarvan de inhouding aan hen is opgedragen, aan de verplichtingen ingevolge artikel 53, eerste, tweede en derde lid, kan de inspecteur dit vaststellen bij voor bezwaar vatbare beschikking (informatiebeschikking). De inspecteur wijst in de informatiebeschikking op artikel 25, derde lid.

4.3

Artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) luidt als volgt:

2. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.

Parlementaire geschiedenis

4.4

In de memorie van toelichting ter zake van de Algemene wet bestuursrecht, is over het huidige artikel 3:4 van de Awb het volgende geschreven over het willekeurverbod, het materiële zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Uit de toelichting volgt dat deze beginselen niet scherp van elkaar kunnen worden afgegrensd. Waar het bij het evenredigheidsbeginsel blijkens de toelichting om gaat is dat er geen wanverhouding mag bestaan tussen de door de beschikking te dienen belangen enerzijds en de gevolgen voor belanghebbenden anderzijds.4

(…) Het tweede lid van artikel 3.2.3 strekt ertoe om het willekeurverbod, het materiële zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel in hoofdzaak te codificeren. Hierbij doen zich twee moeilijkheden voor: de ene is daarin gelegen dat de drie genoemde beginselen van behoorlijk bestuur niet scherp ten opzichte van elkaar kunnen worden afgegrensd; de andere dat het willekeurverbod is geredigeerd als een maatstaf voor marginale toetsing voor de rechter, die zich niet goed leent voor omzetting in een tot het bestuur gericht verbod of gebod.

(…)

Als algemene lijn in de jurisprudentie kan worden aangegeven dat vernietiging wegens «willekeur» plaatsvindt indien hetzij het beleid dat voor de desbetreffende beschikking bepalend is geweest, hetzij de beoordeling van het concrete geval onvoldoende betekenis toekent aan de belangen van de betrokken particulieren of deze zelfs geheel buiten beschouwing laat. Welke belangen hierbij in aanmerking komen, hangt uiteraard af van de strekking van de uitgeoefende beschikkingsbevoegdheid.

Reeds in het bekende geval van de Doetinchemse woonruimtevordering ging het om een beoordeling of de gevolgen van de woonruimtevordering voor de geestelijk labiele bewoners in een wanverhouding stonden tot het door de beschikking te dienen belang van een herverdeling van de woningvoorraad in Doetinchem. Het ging hier dus om een beoordeling van de evenredigheid tussen doel - het door de beschikking dienen van de in de Woonruimtewet 1947 bedoelde algemene belangen - en middel - een beschikking met voor belanghebbenden nadelige gevolgen - (HR 25 februari 1949, NJ 1949, 558). Ook in tal van andere arresten, tot en met een vrij recent arrest van de Hoge Raad over de ontruiming van een gekraakt pand in de Amsterdamse Jan Luyckenstraat, vindt men een dergelijke beoordeling van de evenredigheid van doel en middel (HR 21 januari 1983, NJ 1983, 252; AB 1983, 159). Een wanverhouding tussen door de beschikking te dienen belangen (bij voorbeeld de reorganisatie van een gemeentelijke dienst; het bewaken van vestigingseisen; het voorkomen van wanordelijkheden, terwijl het risico niet groter is dan normaal), enerzijds, en de gevolgen voor belanghebbenden (ontslag; onmogelijkheid het desbetreffende bedrijf uit te oefenen bij lichte neurologische handicaps; geen doorgang kunnen vinden van een pop-concert) anderzijds, is ook vele malen in de administratieve rechtspraak geconstateerd (voorbeelden ontleend aan CRvB 23 december 1963, AB 1964, 291 en Afd. rechtspraak 23 juni 1981, AB 1982, 213). (…)

4.5

Uit de hierna verschenen memorie van antwoord volgt, specifiek met betrekking tot het evenredigheidsbeginsel, zoals in de Awb opgenomen in het huidige artikel 3:4, tweede lid, het volgende.5

Artikel 3.2.3

2.72.

In dit artikel wordt in het eerste lid het materiële zorgvuldigheidsbeginsel vastgelegd. In het tweede lid wordt het nieuwe evenredigheidsbeginsel, dat tot nu toe alleen gebruikt werd bij administratieve sancties, vastgelegd.

- Toepassing van het evenredigheidsbeginsel mag er niet toe leiden dat bestuurlijke belangenafweging in verdergaande mate wordt getoetst door de rechter dan thans het geval is. Onderschrijft de regering deze stelling?

Artikel 3.2.3

2.72.

Artikel 3.2.3, tweede lid, beoogt, zoals ook in de toelichting is uiteengezet, mede te omvatten de regel die thans als een negatief geformuleerde marginale toetsingsmaatstaf is neergelegd in artikel 8, eerste lid onder c, van de Wet Arob (en in andere wetgeving betreffende de administratieve rechtspraak). Artikel 3.2.3, tweede lid, schetst weliswaar ook een negatief geformuleerd criterium (de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit de dienen doelen), maar het is ontegenzeggenlijk waar dat deze norm directer is geformuleerd dan de kennelijke onredelijkheidsnorm van artikel 8, eerste lid onder c, van de Wet Arob en andere wetten. De reden daarvoor is dat artikel 3.2.3, tweede lid, niet geformuleerd is als een toetsingsmaatstaf voor de rechter, maar als een norm rechtstreeks gericht tot het bestuur zelf. Reden is dus niet, dat het gewenst zou zijn dat de rechtspraak zou komen tot een meer stringente controle van de bestuurlijke belangenafweging dan thans reeds het geval is.

Bij zijn rechtmatigheidscontrole van besluiten zal de rechter in de toekomst mede hebben te bezien of aan het evenredigheidsvereiste van artikel 3.2.3 tweede lid is voldaan. Daarbij is het echter niet onze bedoeling, dat de rechter gaat beoordelen welke nadelige gevolgen nog juist wel als evenredig en welke dus net niet meer als evenredig kunnen worden beschouwd. De met behulp van een dubbele ontkenning geformuleerde norm «niet onevenredig» brengt met zich mee, dat de rechter alleen mag ingrijpen, wanneer voor hem vaststaat, dat de gevolgen voor een belanghebbende in vergelijking met de te dienen doelen onevenredig zullen zijn. Daarbij zal de rechter aan bestuursorganen in de regel een zekere mate van beoordelingsvrijheid moeten laten. Gelet op de positie van de rechter en de aard van zijn taak enerzijds en de positie en aard van de taak van bestuursorganen anderzijds, behoort de administratieve rechter alleen tot een vernietiging over te gaan, indien het bestuursorgaan redelijkerwijs niet kon menen, dat er sprake was van een evenredigheid tussen doel en de gevolgen van het aangewende middel. Van belang is hierbij ook te constateren dat de werking van het evenredigheidsbeginsel samenhangt met de context waarin het een rol speelt: bij verschillende typen besluiten zal, niet alleen voor het bestuursorgaan maar ook voor de rechter, het evenredigheidsbeginsel een verschillende uitwerking krijgen. Met het standpunt dat de VNG op dit punt inneemt in zijn commentaar aan de beide commissies (commentaar van 14 december 1989, blz. 12), dat de toepassing van het evenredigheidsbeginsel er niet toe mag leiden dat daardoor in het algemeen de mogelijkheid ontstaat voor een volledige rechterlijke naweging van bestuurlijke belangenafwegingen, kan dan ook worden ingestemd.

In bovenstaande zin onderschrijven wij ook de in deze vraag weergegeven stelling.

Literatuur

4.6

Feteris heeft over het evenredigheidsbeginsel het volgende geschreven.6

2.3.2

De invloed van algemene beginselen

a. Beginselen van behoorlijk bestuur

Bij het verzamelen van informatie kent de AWR aan de inspecteur een reeks discretionaire bevoegdheden toe. De inspecteur kan bepalen of hij bij iemand informatie vraagt, en zo ja hoeveel, in welke vorm, op welke plaats en op welke termijn. In par. 2.1 kwam al naar voren dat deze ruime bevoegdheden de inspecteur tot keuzes dwingen, en dat hij daarin beperkt kan worden door beginselen van behoorlijk bestuur. De hoofdlijnen van die beginselen zal ik hier bespreken. (…)

De HR heeft in 1986 in algemene zin overwogen dat de inspecteur bij het uitoefenen van zijn bevoegdheden op grond van de art. 47 e.v. AWR is gebonden aan beginselen van behoorlijk bestuur. (voetnoot origineel: HR 8 januari 1986, BNB 1986/128). Deze beginselen worden door de belastingdienst in het algemeen ook in acht genomen bij het verzamelen van informatie. De fiscus realiseert zich dat de meeste burgers een onderzoek van de belastingdienst niet verwelkomen. (…)

Bij verzoeken om informatie van de belastingdienst speelt het evenredigheidsbeginsel van art. 3:4, tweede lid, Awb een belangrijke rol (…). Op grond van deze bepaling mogen de nadelige gevolgen voor de belastingplichtige van een verzoek om informatie niet onevenredig zijn ten opzichte van het belang dat de inspecteur met dat verzoek nastreeft. Het doel van het verzoek zal steeds zijn om tot een juiste vaststelling van de verschuldigde belasting te komen. Dat is een zwaarwegend maatschappelijk belang. De medewerking die van de belastingplichtige verlangd wordt zal voor hem per definitie tijdsbeslag, moeite vaak ook ongemak en kosten, en soms ook andere nadelen met zich meebrengen. Op zichzelf is dat niet voldoende om strijd met beginselen van behoorlijk bestuur aan te nemen. Het gaat om een afweging van belangen. Volgens de regering mag de inspecteur de belastingplichtige niet uitsluitend met het oog op het eigen gemak van de fiscus op hoge kosten jagen. (voetnoot origineel: Kamerstukken II 1993/94, 23 700, nr. 3, blz. 141). Een inbreuk op het evenredigheidsbeginsel zou zich dan ook voor kunnen doen wanneer de inspecteur een hoeveelheid werk van de belastingplichtige verlangt die niet in een redelijke verhouding staat tot de extra belastingopbrengst die het onderzoek de schatkist zou kunnen opleveren. Hetzelfde geldt wanneer veel inspanningen worden verlangd van de belastingplichtige, terwijl de kans zeer gering is dat daaruit fiscaal relevante informatie naar voren komt.

4.7

In het handboek Bestuursrecht, deel 1, is over het evenredigheidsbeginsel het volgende geschreven.7

9.3

De eis van evenredige belangenafweging

9.3.1

Art. 3:4, tweede lid, Awb

Staat eenmaal vast welke belangen in de belangenafweging betrokken mogen of moeten worden, dan moet vervolgens ook deze belangenafweging zelf aan de eisen van behoorlijkheid voldoen. Dit impliceert dat niet alleen de wijze waarop de belangen worden afgewogen, behoorlijk moet zijn, maar ook dat die afweging tot een behoorlijk materieel resultaat moet leiden. Van een bestuursorgaan mag dus worden verlangd dat het bij afweging van de individuele belangen tegen de algemene belangen tot een redelijke beslissing komt. Bij deze afweging moet acht worden geslagen op het gewicht dat aan die belangen moet worden toegekend.

Zijn er zwaarwegende individuele belangen, dan moet er ook een in concreto zwaarwegend algemeen belang zijn, wil de aantasting van de belangen van de burger in redelijkheid kunnen worden gerechtvaardigd. Het bestuursorgaan mag het algemeen belang niet buiten proporties ‘opwaarderen’. Het mag - in de woorden van Wiarda - bij de afweging van de betrokken belangen niet komen tot een resultaat dat getuigt van ‘verstoord evenwicht, onevenredigheid tussen het door de administratie gediende belang en het belang, dat zij daartoe moet aantasten’.

In art. 3:4, tweede lid, Awb is de evenredigheid van de belangenafweging als richtsnoer neergelegd: ‘De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.’ De bepaling heeft betrekking op de ‘wanverhouding tussen de door de beschikking te dienen belangen […] enerzijds, en de gevolgen voor belanghebbenden […] anderzijds’, aldus de regering.

Praktisch gesproken komt de eis van evenwichtige, evenredige belangenafweging erop neer dat naarmate meer gewicht toekomt aan het belang van de burger dat dreigt te worden geschaad, een bestuursorgaan zwaardere argumenten moet kunnen ontlenen aan het behartigde algemeen belang. (…)

(…)

De eis van evenredige belangenafweging brengt in ieder geval ook mee dat als voor het bestuur verschillende wegen openstaan om het uit een oogpunt van het algemeen belang gewenste doel te bereiken, het voor de burger minst bezwarende middel wordt gekozen. (…)

(...)

9.3.2

De toetsing door de rechter van de evenredigheid

In art. 3:4, tweede lid, Awb is als materiële norm voor de besluitvorming gegeven dat de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. Met ‘niet onevenredig’ is nadrukkelijk iets anders bedoeld dan ‘even redig’: als er geen ‘wanverhouding’ bestaat tussen nadelige gevolgen en gediende doelen, is aan deze norm voldaan. De bepaling laat het bestuur dus de nodige keuzevrijheid, waarbij de niet-onevenredigheid de juridische ondergrens is. Het bestuur behoort intussen natuurlijk naar optimale evenredigheid te streven.

De rechter moet zich bij het toetsen van het resultaat van die belangenafweging terughoudend opstellen. Volgens de regering behoort hij bij toetsing aan dat voorschrift ‘alleen tot vernietiging over te gaan, indien het bestuursorgaan redelijkerwijs niet kon menen, dat er sprake was van een evenredigheid tussen doel en de gevolgen van het aangewende middel’.

(…)

Er is dus sprake van een terughoudende of marginale toetsing van de mogelijke onevenredigheid van een belangenafweging.

Een terughoudende of marginale toetsing van de (uitkomst van een) belangenafweging kan door de rechter worden gecombineerd met het stellen van hoge eisen aan de zorgvuldigheid en de motivering. De rechter mag echter niet via het stellen van te hoge eisen aan de zorgvuldigheid en de motivering van een besluit de grenzen van de marginale toetsing overschrijden en daarmee de beoordelings- en beleidsvrijheid van een bestuursorgaan aantasten. (…)

4.8

In het NDFR Commentaar op artikel 47 AWR is het volgende geschreven over de grenzen aan de informatieplicht op grond van algemene beginselen van behoorlijk bestuur.8

Evenredigheids- of proportionaliteitsbeginsel

Vooropstaat dat de fiscus op een zinvolle en efficiënte wijze zijn controlerend werk moet kunnen doen. Daartoe zijn de wettelijke bevoegdheden toegekend en die moet de fiscus – in beginsel naar eigen inzicht – kunnen uitoefenen. Hetgeen evenwel van de (vermoedelijk) belastingplichtige wordt gevraagd moet in redelijke verhouding staan tot het fiscale belang bij het te verrichten onderzoek (evenredigheids- of proportionaliteitsbeginsel). Wanneer bijvoorbeeld het verzamelen van de gevraagde gegevens onevenredig veel kosten meebrengt voor de (vermoedelijk) belastingplichtige, terwijl het te onderzoeken fiscaal belang gering is, kan het verzoek buitenproportioneel zijn.

Een voorbeeld hiervan is te vinden in NO 6 juni 2008, nr. 2008/080, NTFR 2008/1399. In deze zaak klaagde een belastingplichtige onder meer over de wijze waarop de fiscus een onderzoek had verricht naar diens binnen- en buitenlandse belastingplicht. De belanghebbende was in 1975 uit Nederland vertrokken. In de jaren van 1987 tot maart 2000 werkte hij als (assistent)cruisedirector voor een Duitse werkgever aan boord van diverse cruiseschepen. Aan boord van de schepen, die voeren onder buitenlandse vlag, had hij de beschikking over een eigen hut of een eigen appartement. Gedurende die jaren had hij in Nederland het adres van zijn vader als postadres. In november 2000 vestigde belanghebbende zich metterwoon in Nederland. Hij informeerde in 2004 bij de Belastingdienst naar zijn fiscale positie waarna de Belastingdienst een ingrijpend onderzoek instelde. Hierbij werd een conservatoir beslag gelegd. Over de jaren 1992 t/m 2003 werden onder meer inkomens- en vermogensopstellingen, diverse specificaties, bewijsstukken en eventuele aftrekposten opgevraagd. De ombudsman vond dit gelet op het evenredigheidsbeginsel te ver gaan en overwoog onder meer:

'5. Onder de omstandigheden van het geval stond het de Belastingdienst vrij het standpunt in te nemen dat verzoeker in de betrokken jaren binnenlands belastingplichtige was geweest. De wet kent echter niet de mogelijkheid om de belastingplicht bij voor bezwaar en beroep vatbare beschikking vast te stellen. Met het oog op de belangenafweging die de Belastingdienst op grond van het evenredigheidsvereiste diende te maken, had van de Belastingdienst mogen worden verwacht dat hij met de onzekerheid omtrent de belastingplicht van verzoeker rekening zou houden bij de keuze van de manier waarop hij verzoeker zou benaderen. Met name mocht van de Belastingdienst worden verwacht dat hij een benadering zou toepassen waarbij op de voor betrokkene minst bezwarende wijze zo snel mogelijk zou komen vast te staan of verzoeker over de jaren 1992 tot en met 2000 als binnenlands belastingplichtige kon worden aangemerkt of niet. Zo zou denkbaar zijn geweest dat de Belastingdienst met verzoeker had overlegd en dat met hem was afgesproken de kwestie van de belastingplicht eerst, zonodig uiteindelijk in een procedure voor de rechter, aan de orde te stellen met betrekking tot bijvoorbeeld, met het oog op de verjaring, het oudste of de twee oudste jaren. Voor verzoeker had een dergelijke aanpak betekend, dat hij in eerste instantie alleen over die jaren informatie behoefde te verstrekken omtrent zijn inkomen en vermogen.'

Enigszins opvallend is dat de ombudsman hieraan toevoegt:

'In een dergelijke aanpak zou tevens hebben gepast dat de Belastingdienst alvorens uitgebreide informatie te vragen over verzoekers inkomen en vermogen in de betrokken jaren, eerst uitvoerig gemotiveerd zou hebben bekend gemaakt op welke feiten en omstandigheden zijn stelling dat verzoeker moest worden aangemerkt als binnenlands belastingplichtige was gebaseerd en verzoeker de gelegenheid zou hebben gegeven deze argumenten gemotiveerd te bestrijden. In dit verband verdient opmerking dat, anders dan waar de Belastingdienst tegenover verzoeker van is uitgegaan, de bewijslast inzake de binnenlandse belastingplicht van verzoeker, in eerste instantie rustte op de Belastingdienst en niet op verzoeker. Het was immers de Belastingdienst die stelde dat verzoeker over de jaren 1992 tot en met 2000 als binnenlands belastingplichtige moest worden aangemerkt zodat het ook aan de Belastingdienst was om daarvoor argumenten en bewijsmiddelen aan te dragen.' Deze toevoeging lijkt erop te duiden dat de ombudsman ervan uitgaat dat de informatieplicht pas aan de orde is nadat de Belastingdienst het bewijs levert dat sprake is van (in dit geval) binnenlandse belastingplicht. Dit gaat – gezien de overwegingen dat van de informatiebevoegdheid gebruik kan worden gemaakt indien de gevraagde informatie van belang kan zijn voor de belastingheffing – te ver. De Belastingdienst dient aanwijzingen te hebben voor het vermoeden van belastingplicht. Het aannemelijk kunnen maken van dat vermoeden is dan ook voldoende rechtvaardiging voor het mogen toepassen van de informatieverplichtingen. In dat geval kan de informatie immers van belang zijn voor de belastingheffing. De informatieplicht is vervolgens juist een belangrijk hulpmiddel voor de fiscus om het bewijs te leveren dat iemand binnen- of buitenlands belastingplichtig is. Zie in dit verband ook HR 8 januari 1986, nr. 23.034, BNB 1986/128) en Hof Amsterdam 11 september 2002, nr. 00/01970, NTFR 2002/1786, V-N 2002/10.2.2 waarin werd beslist dat de fiscus voor toepassing van de informatieverplichtingen geen bewijs omtrent de belastingplicht behoefde te leveren (…).

Jurisprudentie

4.9

De Hoge Raad heeft op 8 januari 1986 geoordeeld dat bij de uitoefening van de hem in artikel 47 van de AWR toegekende bevoegdheid de inspecteur gebonden is aan de beginselen van behoorlijk bestuur.9

4. Beoordeling van het middel van cassatie

4.1.

Het middel berust primair op de stelling dat belanghebbende zonder meer verplicht was haar jaarstukken over te leggen. De inspecteur is evenwel bij de uitoefening van de hem in artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen toegekende bevoegdheid gebonden aan de beginselen van behoorlijk bestuur. Voor zover evenvermelde stelling strekt tot ontkenning van de beperkingen, welke met betrekking tot bedoelde bevoegdheden uit die beginselen voortvloeien, is zij derhalve niet juist. In zoverre is het middel mitsdien ongegrond.

4.10

De Hoge Raad heeft op 18 april 2003 geoordeeld dat voor het bestaan de verplichting (om gegevens te verstrekken) voldoende was dat de inspecteur zich op basis van de hem ter beschikking staande informatie in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat de gevraagde gegevens en inlichtingen van belang zouden kunnen zijn voor de belastingheffing.10

3.3.

Het middel faalt ook voorzover daarin wordt betoogd dat belanghebbende niet verplicht was te antwoorden omdat hij nu eenmaal niet beschikte over een vaste inrichting of een vaste vertegenwoordiger hier te lande. Voor het bestaan van die verplichting was voldoende dat de Inspecteur zich - zoals het Hof heeft geoordeeld - op basis van de hem ter beschikking staande informatie in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat de gevraagde gegevens en inlichtingen van belang zouden kunnen zijn, omdat die opheldering zouden kunnen geven over de vraag of belanghebbende een vaste inrichting of een vaste vertegenwoordiger hier te lande had.

4.11

De Hoge Raad heeft op 18 december 2015 geoordeeld dat de door het Hof gestelde eis dat (voor een informatieverzoek) de inspecteur een begin van bewijs moet leveren op grond waarvan een vermoeden van belastingplicht bestaat, niet strookt met het uitgangspunt van het arrest van de Hoge Raad van 18 april 2003, aangezien het Hof een verdergaande eis aan het door de inspecteur te leveren bewijs oplegt.11

2.3.

Het Hof heeft geoordeeld dat heeft te gelden dat de Inspecteur voor een geval als het onderhavige niet aannemelijk behoeft te maken dat belanghebbende in Nederland belastingplichtig is en dat hij ook gegevens en inlichtingen mag vragen die van belang kunnen zijn voor het antwoord op de vraag of belanghebbende in Nederland belastingplichtig is. Voldoende is dat de Inspecteur zich op basis van de hem ter beschikking staande informatie in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de gevraagde gegevens en inlichtingen van belang zouden kunnen zijn, omdat die opheldering zouden kunnen geven over de vraag of belanghebbende in Nederland belastingplichtig is, aldus het Hof, dat daarbij heeft verwezen naar onderdeel 3.3 van het arrest van de Hoge Raad van 18 april 2003, nr. 38122, ECLI:NL:HR:2003:AF7498, BNB 2003/268 (hierna: het arrest BNB 2003/268). Het antwoord op de voormelde vraag is dus, aldus nog steeds het Hof, gekoppeld aan de vraag of belanghebbende mogelijk belastingplichtig is in Nederland, hetzij omdat haar feitelijke leiding mogelijk in Nederland is gevestigd, hetzij dat zij mogelijk een vaste inrichting of een vaste vertegenwoordiger in Nederland heeft. Vastgesteld dient te worden, zo overweegt het Hof vervolgens, of de Inspecteur in redelijkheid het vermoeden kan hebben dat mogelijk sprake is van belastingplicht in Nederland, hetgeen het vragen van inlichtingen zou rechtvaardigen. Daarbij rust naar het oordeel van het Hof de bewijslast op de Inspecteur.

Het Hof heeft ten slotte geoordeeld dat de stukken waarop de Inspecteur zich beroept ter staving van zijn vermoeden, nog geen begin van bewijs leveren dat mogelijk sprake is van het aanwezig zijn van de feitelijke leiding van belanghebbende in Nederland.

2.4.1.

De hiervoor in 2.3 weergegeven oordelen van het Hof worden door het middel bestreden met een rechtsklacht en een motiveringsklacht.

2.4.2

Bij de beoordeling van het middel wordt het volgende vooropgesteld. Voor het antwoord op de vraag of voor belanghebbende op grond van artikel 47 AWR een verplichting bestaat om aan de inspecteur desgevraagd gegevens en inlichtingen te verstrekken en/of boeken, bescheiden en andere gegevensdragers beschikbaar te stellen, is voldoende dat de inspecteur zich, gelet op de hem ter beschikking staande gegevens, in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de door hem gevraagde gegevens, inlichtingen, boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers van belang kunnen zijn om opheldering te krijgen over de vraag of belanghebbende in Nederland belastingplichtig is (vgl. het arrest BNB 2003/268).

2.4.3.

Het Hof heeft bij zijn beoordeling van het geschil in onderdeel 4.2 van zijn uitspraak terecht als uitgangspunt genomen het arrest BNB 2003/268. Evenwel heeft het Hof in onderdeel 4.5, na te hebben geoordeeld dat op zijn minst twijfels bestaan over het antwoord op de vraag of de werkelijke leiding van belanghebbende bij het statutaire bestuur berustte, overwogen dat het erom gaat dat de Inspecteur een begin van bewijs levert op grond waarvan een vermoeden bestaat dat de werkelijke leiding in Nederland ligt. Vervolgens heeft het in onderdeel 4.6 van zijn uitspraak geoordeeld dat het in de stukken van het geding waarop de Inspecteur zich beroept ter staving van zijn vermoeden nog geen begin van bewijs heeft gezien dat de feitelijke leiding mogelijk aanwezig is in Nederland.

Hetgeen het Hof in onderdeel 4.5 van zijn uitspraak heeft overwogen strookt niet met het in onderdeel 4.2 ervan verwoorde uitgangspunt, aangezien het in dat onderdeel 4.5 overwogene een verdergaande eis aan het door de Inspecteur te leveren bewijs behelst dan uit het in onderdeel 4.2 neergelegde uitgangspunt voortvloeit. Doordat onderdeel 4.5 van zijn uitspraak in dit opzicht niet overeenstemt met onderdeel 4.2 ervan kan uit ’s Hofs uitspraak niet worden opgemaakt of het Hof een juiste rechtsopvatting ten grondslag heeft gelegd aan zijn oordeel in onderdeel 4.6 van zijn uitspraak. In het bijzonder kan uit ’s Hofs uitspraak niet worden opgemaakt wat het Hof van de Inspecteur heeft verlangd voor het voeden van de veronderstelling dat belanghebbende belastingplichtig is in Nederland. Derhalve heeft het Hof onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang. Het middel slaagt in zoverre.

5 Beoordeling

5.1

Belanghebbende komt in cassatie met het verzoek de uitspraak van het Hof te vernietigen wegens schending van het evenredigheidsbeginsel door de Inspecteur. In een bijlage bij het beroepschrift in cassatie is door belanghebbende opgesomd welke gevraagde informatie reeds aan de inspecteur is verstrekt.12 In de toelichting op het middel wordt gesteld:

Op grond van het evenredigheidsbeginsel mogen de voor één of meer belanghebbenden nadelige gevolgen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.

(…)

De inspecteur heeft in onderhavige casus reeds een grote hoeveelheid informatie van belanghebbende ontvangen. Op basis van deze informatie meent belanghebbende dat de inspecteur heel goed in staat is zich een oordeel te vormen over de eventuele belastingplicht in Nederland van belanghebbende. Daar belanghebbende meent niet in Nederland belastingplichtig te zijn en er reeds een grote hoeveelheid relevante informatie aan de inspecteur is gegeven meent belanghebbende dat de informatiebeschikkingen ten onrechte zijn afgegeven. Door nog meer informatie te vragen, die naar de mening van belanghebbende niet relevant is voor het beoordelen van zijn eventuele belastingplicht, houdt de inspecteur onvoldoende rekening met de belangen van belanghebbende. Dit is in strijd met het evenredigheidsbeginsel.

Nu de inspecteur te weinig rekening heeft gehouden met de belangen van belanghebbende door de dient de informatiebeschikking te worden vernietigd wegens schending van het recht.

5.2

Kennelijk wordt niet het uitgangspunt bestreden dat de Inspecteur informatie bij belanghebbende mocht opvragen over zijn betrekkingen met Nederland, ter beoordeling van de woonplaats van belanghebbende en de eventuele (binnenlandse) belastingplicht.

5.3

Ik begrijp de huidige positie van belanghebbende aldus dat hij zich op het standpunt stelt dat de door hem desgevraagd reeds gegeven informatie voor de Inspecteur voldoende moet zijn om zijn eventuele belastingplicht te beoordelen. Dat de Inspecteur aanspraak kan maken op meer informatie, als ingevolge de Hofuitspraak, acht belanghebbende een schending van het evenredigheidsbeginsel. In zoverre acht belanghebbende de Hofuitspraak onjuist.

5.4

In de onderhavige procedure is een informatiebeschikking afgegeven met het verzoek om informatie, verdeeld over meerdere vragen. Het Hof heeft geoordeeld dat (a) de gevraagde informatie van belang kan zijn voor de belastingheffing van belanghebbende, (b) de gevraagde informatie grotendeels niet in strijd is met het evenredigheidbeginsel, behalve ten aanzien van de vijfde vraag, en (c) belanghebbende met betrekking tot een groot deel van deze vragen ten onrechte niet heeft voldaan aan het informatieverzoek.13

5.5

Het Hof heeft in afzonderlijke rechtsoverwegingen per vraag naar mijn mening ordelijk gemotiveerd waarom het tot een bepaalde beoordeling is gekomen. Belanghebbende heeft in cassatie slechts in algemene termen gesteld dat er toch in meerdere mate sprake zou zijn van schending van het evenredigheidsbeginsel.

5.6

Het evenredigheidsbeginsel is in artikel 3:4, lid 2, van de Awb als volgt verwoord:

De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.

5.7

Ik merk op dat het evenredigheidsbeginsel behelst dat de rechter een besluit kan vernietigen indien het bestuursorgaan redelijkerwijs niet kon menen, dat er sprake was van evenredigheid tussen het doel en de gevolgen van het bestuursrechtelijk aangewende middel.14 De rechter zal, naar het mij voorkomt, dus een vrij grote marge van beoordelingsvrijheid moeten laten aan het bestuur, in casu aan de Inspecteur die zonder de gevraagde informatie zijn taak niet goed kan uitoefenen.15 De in dit kader te maken afwegingen zijn sterk feitelijk van aard.

5.8

De door het Hof gemaakte beoordelingen en afwegingen, acht ik adequaat en voldoende gemotiveerd. Het slechts in algemene termen gestelde middel van belanghebbende kan daaraan niet afdoen, zodat het faalt.

6 Conclusie

De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

Advocaat-Generaal

1 Hof ’s-Hertogenbosch 12 april 2019, nrs. 17/00406 t/m 17/00409, ECLI:NL:GHSHE:2019:1439.

2 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19 mei 2017, nr. BRE 15/2994 t/m 15/2998, ECLI:NL:RBZWB:2017:2953.

3 De in deze conclusie opgenomen citaten uit jurisprudentie en literatuur zijn meestal zonder daarin voorkomende voetnoten opgenomen. Citaten met een tekstbewerking, zoals onderstrepingen, vet- of cursiefzettingen, zijn veelal als onbewerkt weergegeven. In citaten voorkomende witregels zijn soms weggelaten.

4 Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, p. 66-71.

5 Kamerstukken II 1990/91, 21 221, nr. 5, p. 55.

6 M.W.C. Feteris, Formeel Belastingrecht, Deventer: Kluwer 2007, p. 255.

7 H.E. Bröring (red.), K.J. de Graaf (red.) e.a., Bestuursrecht, Deel 1, Den Haag: Boom juridisch 2019, p. 378-384.

8 NDFR Commentaar artikel 47 AWR, Verplichting tot inlichtingenverstrekking, onderdeel 4.6 ‘Grenzen aan de informatieplicht op grond van algemene beginselen van behoorlijk bestuur’ (online, bijgewerkt tot 18 juni 2019).

9 HR 8 januari 1986, nr. 23 034, BNB 1986/128.

10 HR 18 april 2003, nr. 38122, ECLI:NL:HR:2003:AF7498.

11 HR 18 december 2015, nr. 15/00040, ECLI:NL:HR:2015:3603.

12 Zie onderdeel 3.3 van deze conclusie.

13 Voor welke vragen precies wel of niet en waarom verwijs ik naar de motivering van het Hof, opgenomen in onderdeel 2.2 van deze conclusie.

14 Zie 4.4-4.9.

15 Zie 4.5.