Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:132

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
12-02-2019
Datum publicatie
13-02-2019
Zaaknummer
17/00331
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:474
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. 1. Herhaald verzoek tot als getuige horen van in Kaapverdië gedetineerde medeverdachte. 2. Voorhanden hebben vuurwapen en munitie in door verdachte gehuurde woning, art. 26.1 WWM. Meer of mindere mate van bewustheid? Denaturering verklaring verdachte? 3. Medeplegen gewoontewitwassen van geldbedragen. Verbergen of verhullen van de rechthebbende a.b.i. art. 420bis.1.a Sr? Samenhang met 16/05038, 16/05216 en 16/05428.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/00331

Zitting: 12 februari 2019 (bij vervroeging)

Mr. B.F. Keulen

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 7 oktober 2016 door het gerechtshof Den Haag wegens 1. primair ‘medeplegen van: van het plegen van witwassen een gewoonte maken’ en 2. ‘handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot munitie van categorie III’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden, met aftrek als omschreven in art. 27 Sr. Daarnaast heeft het hof een geldbedrag en twee geldtelmachines verbeurd verklaard en de onttrekking aan het verkeer bevolen van een automatisch vuurwapen en munitie. Het hof heeft voorts de teruggave aan de verdachte gelast van een weegschaal.

  2. Er bestaat samenhang met de zaken 16/05038, 16/05216 en 16/05428. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. F. Visser, advocaat te Utrecht, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

  4. Het eerste middel klaagt dat het gerechtshof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, het herhaald verzoek tot het horen van getuige [betrokkene 15] heeft afgewezen en heeft afgezien van verwijzing naar de raadsheer-commissaris voor het verhoren van [betrokkene 15] .

  5. Zoals uit de toelichting op het middel kan worden afgeleid, heeft het gerechtshof aanvankelijk bepaald dat getuige [betrokkene 15] diende te worden verhoord. Voor een goed begrip geef ik in het navolgende eerst de chronologische gang van zaken voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting van 12 september 2016 (de zitting waarop het herhaald verzoek werd gedaan) weer.

  6. Uit de zich tussen de stukken bevindende appelschriftuur van 11 maart 2011 volgt dat de raadsvrouw voorafgaand aan de eerste regiezitting op 5 april 2012 aan het hof heeft verzocht vijf getuigen te horen.1 Daaronder bevond zich niet de getuige [betrokkene 15] . Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 5 april 2012 blijkt dat tijdens deze regiezitting de zaken tegen zes medeverdachten gelijktijdig, doch niet gevoegd werden behandeld.2 Het voornoemde proces-verbaal houdt met betrekking tot de door de verdediging ingediende onderzoekswensen het volgende in:

“Voorts doet de voorzitter mededeling van een binnengekomen appelschriftuur d.d. 11 maart 2011 waarin de raadsvrouw verzoekt de navolgende personen als getuigen te horen:

1. [betrokkene 17]

2. [betrokkene 18]

3. [betrokkene 19]

4. [betrokkene 20]

5. [betrokkene 21]

(…)

Daartoe door de voorzitter in de gelegenheid gesteld deelt de raadsvrouw ter nadere onderbouwing van voornoemde verzoeken het volgende mede:

Ik sluit mij aan bij hetgeen door mijn confrères reeds is betoogd voor zover dit van belang is voor mijn cliënt. Voor het overige persisteer ik bij mijn in de appelschriftuur gedane verzoeken en verwijs ik naar de inhoud daarvan.

(…)

Ik sluit mij aan bij alle door mijn confrères heden gedane verzoeken, voor zover dit in het belang is van mijn cliënt.”

7. Uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken, waaronder het proces-verbaal van de terechtzitting van 5 april 2012 in de zaak van medeverdachte [betrokkene 9] , blijkt dat in ieder geval in die zaak ter terechtzitting in aanvulling op de bij appelschriftuur ingediende getuigenverzoeken nog het verzoek tot het horen van de getuige [betrokkene 15] is gedaan. Zo bezien heeft de raadsvrouw van de verdachte in de onderhavige zaak ter terechtzitting van 5 april 2012 haar bij appelschriftuur ingediende getuigenverzoeken aangevuld met een verzoek tot het horen van onder meer de getuige [betrokkene 15] (als wordt aangenomen dat dit in het belang van haar cliënt was). Dit laatste verzoek betreft een verzoek als bedoeld in art. 328 Sv, in verbinding met art. 331, eerste lid, Sv en art. 415, eerste lid, Sv, om gebruik te maken van een in (art. 315 dan wel) art. 316 Sv omschreven bevoegdheid. Maatstaf voor de beoordeling van een dergelijk verzoek is het noodzakelijkheidscriterium.

8. Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 19 april 2012 volgt dat het hof zowel de bij appelschriftuur gedane verzoeken als het ter terechtzitting gedane aanvullende verzoek met betrekking tot de getuige [betrokkene 15] toewijst:

‘Gelet op het feit dat de onderhavige zaak deel uitmaakt van de mega zaak Scorpius/Kompera met meerdere medeverdachten en om proceseconomische redenen zal het gerechtshof - overeenkomstig het standpunt van het openbaar ministerie — gelasten dat alle onderzoekswensen die door het hof in de strafzaken van de medeverdachten zijn toegewezen eveneens in de onderhavige zaak zullen worden toegewezen. Dit betreft de navolgende onderzoekswensen.

- - Het hof gelast het horen van de navolgende personen als getuigen: (…)

[betrokkene 15] ; (…)

Waarbij door het gerechtshof wordt overwogen, voor zover de voornoemde personen zich niet in Nederland bevinden, dat telehoren in beginsel uitgangspunt is. (…)

Verwijst de zaak naar de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Rotterdam teneinde de volgende personen als getuige te horen (…)

[betrokkene 15] ;’

9. Dat bevel heeft er niet toe geleid dat [betrokkene 15] daadwerkelijk is verhoord. Op de terechtzitting van 15 april 2014 is vervolgens opnieuw gesproken over het horen van de getuige [betrokkene 15] . De raadsvrouw van de verdachte heeft daar aangevoerd:

‘(…) Ik persisteer bij de toegewezen getuigen, met name wat betreft de getuige [betrokkene 15] . Ik heb in januari jl. uitgebreid de zaak kunnen bespreken met mijn cliënt. De vrouw van mijn cliënt is vorig jaar afgereisd naar Kaapverdië en heeft daar [betrokkene 15] in de gevangenis bezocht. Zij heeft hem bezocht namens mijn cliënt, nu hij niet in staat was om te reizen. [betrokkene 15] heeft tegen de vrouw van mijn cliënt gezegd dat hij niet had gesproken met een liaison officer. Dit komt niet overeen met de informatie die aan ons was verstrekt door de rechter-commissaris.

Er dient hiernaar nader onderzoek te worden gedaan, temeer nu hij nog geen verklaring heeft afgelegd in dit onderzoek. Mijn cliënt wordt omschreven als de man van [betrokkene 15] , als de persoon die allemaal dingen met en voor [betrokkene 15] verricht. Tot op heden is dit allemaal gebaseerd op aannames en ik wens hierover [betrokkene 15] te bevragen. Ik doe derhalve geen afstand van het horen van [betrokkene 15] als getuige.’

10. De advocaat-generaal heeft daarop volgens hetzelfde proces-verbaal medegedeeld:

‘ [betrokkene 15] zit thans een gevangenisstraf uit van 22 jaar op Kaapverdië. Het is derhalve niet mogelijk dat hij als getuige ter terechtzitting kan verschijnen. Ik heb in september 2013 bij de rechter-commissaris navraag gedaan omtrent de gang van zaken van het trachten te horen van [betrokkene 15] als getuige. [betrokkene 15] wenste pas mee te werken met het onderzoek, indien hij inzicht kreeg in het onderzoek en de vraagstelling. Hierop is dit aan hem kenbaar gemaakt. Op 20 december 2012 heeft de rechter-commissaris het bericht ontvangen dat hij niet wenste mee te werken aan het onderzoek in zijn eigen zaak en evenmin in die van anderen. Ik stel mij op het standpunt dat er niet nogmaals een poging behoeft te worden gedaan om hem te horen als getuige.’

11. Na een onderbreking voor beraad deelt de voorzitter mede dat het hof de navolgende beslissingen heeft genomen:

‘Het hof beveelt de oproeping van de navolgende getuigen:

- (…);

- [betrokkene 15] .

(…)

verwijst de zaak naar de raadsheer-commissaris bij dit gerechtshof teneinde de volgende getuige te horen (zo mogelijk via een videoconferentie):

- [betrokkene 15] ’.

12. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 september 2016 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, vervolgens het volgende in:

‘De raadsvrouw voert, daartoe in de gelegenheid gesteld door de voorzitter, het woord:

Ik verzoek u alsnog te bepalen dat de eerder toegewezen getuige [betrokkene 15] opnieuw wordt gehoord.

Ik was aanwezig tijdens beide pogingen om [betrokkene 15] te horen. (…)

De raadsheer-commissaris Van Os Van den Abeelen heeft op de tweede dag, nadat wij al een tijd hadden zitten wachten, gebeld met raadsheer-commissaris De Bruijn, om te vragen wat er stond te gebeuren en of het nog ging lukken om een videoverbinding tot stand te brengen met Kaapverdië. Toen dat niet het geval leek, heeft meneer Van Os Van Abeelen besloten de sessie te stoppen.

Toen heeft hij gezegd dat we schriftelijke vragen konden indienen die de raadsheer-commissaris De Bruin dan kon gebruiken, maar dat wilde ik op dat moment niet. Mijn cliënt had mij een aantal dingen verteld die de raadsheer-commissaris niet wist en daarom was de mogelijkheid om door te kunnen vragen voor mij heel belangrijk. Dat kan niet met schriftelijke vragen.

Al in april 2014 is besloten dat de heer [betrokkene 15] als getuige moest worden gehoord, maar pas op 1 april 2015 is er een rechtshulpverzoek uitgegaan.

Ik snap niet waarom het opstellen van een rechtshulpverzoek een jaar moest duren.

Vervolgens hoorden we lang niets. Op 26 oktober 2015 heb ik nog contact opgenomen over de voortgang, maar daar is geen reactie op gekomen. Daarna is er gewacht tot januari 2016 en toen was er ineens wel een juist e-mailadres en was het allemaal heel snel geregeld. Er is dus kennelijk wel het een en ander mogelijk met de Kaapverdische autoriteiten op het moment dat er een rechtstreekse lijn is. Door de raadsheer-commissaris is vervolgens besloten dat het een videoverhoor zou worden.

Het is in de zaak van mijn cliënt van belang dat [betrokkene 15] opnieuw wordt gehoord. [betrokkene 15] kan bij uitstek verklaren over de tas die op de camerabeelden te zien is en wat daar in heeft gezeten; hij is ook bereid om te antwoorden.

We bevinden ons nu in hoger beroep en [betrokkene 15] is nog niet eerder gehoord.

(…)

Als we nu doorgaan, blijft mijn cliënt zitten met alle vragen die niet gesteld kunnen worden, terwijl [betrokkene 15] duidelijkheid zou kunnen verschaffen. Dat vind ik wrang.

Als u beslist dat [betrokkene 15] hierheen moet komen voor het verhoor, dan is het een simpele situatie en is er niet opnieuw een rogatoire commissie nodig.

(…)

De raadsvrouw voert opnieuw het woord:

(…)

Wij zijn niet in de gelegenheid gesteld om vragen te stellen. Ik was daar, maar ik heb de advocaat-generaal mr. Paulus niet gezien, noch de advocaat- generaal mr. d'Anjou. Wij waren bepaald niet ongeduldig. Toen mr. Van Os van den Abeelen belde met mr. de Bruijn in Kaapverdië bleek al snel dat er geen videoverbinding tot stand kon komen. Toen is gevraagd of men schriftelijke vragen wilde stellen. Alleen mr. Crombach wilde dat en hij heeft daar ook rechtstreeks met mr. De Bruijn telefonisch over gesproken . Mr. Van Os van den Abeelen heeft vervolgens de sessie gesloten en gezegd dat wij nog vragen konden indienen als wij dat wilden. Dat wilde ik niet en daarom ben ik weggegaan. Als ik had geweten dat er later nog een verbinding tot stand was gekomen, was ik gewoon omgedraaid en teruggekomen. Er is gekeken naar de kosten en er is geprobeerd [betrokkene 15] nog snel even te horen. Het heeft allemaal lang geduurd en nu hoor ik de advocaat- generaal zeggen dat rekening moet worden gehouden met tijdsoverschrijding. De tijdsoverschrijding is niet aan de verdediging te wijten.

Het overleggen van vragen aan de raadsheer- commissaris is iets anders dan in de gelegenheid gesteld worden vragen te stellen aan een getuige. Bij schriftelijke vragen kan er niet worden doorgevraagd en daarnaast is het anders als een getuige vragen krijgt van een rechter dan van een advocaat. Ook kan je niet kijken hoe een getuige reageert op vragen.

(..).

Ik had 94 vragen voor meneer [betrokkene 15] , onder meer over hoe het met zijn Kaapverdische veroordelingen zit en of de Nederlandse politie daarbij aanwezig is geweest. Ook wilde ik hem vragen naar zijn werkzaamheden op Kaapverdië en verder onder meer naar zijn relatie, de huurwoning aan het [A-straat 1] en de geldtransporten. Dat is slechts een kleine selectie. Het is van belang in de zaak van mijn cliënt om hem die vragen te kunnen stellen, aangezien hij is veroordeeld tot een aanzienlijke gevangenisstraf.

Het is voor mijn cliënt heel belangrijk dat over een aantal zaken meer duidelijkheid komt.

De advocaat-generaal mr. Paulus voert opnieuw het woord:

Ondanks dat er nu een rechtstreekse lijn is met de autoriteiten in Kaapverdië kan ik uit ervaring vertellen dat het verleden geen garantie biedt voor de toekomst. In augustus hadden we nog een contactpersoon, maar het kan in een land als Kaapverdië ook zijn dat er wisselingen plaatsvinden op dat soort posities, waardoor de contacten weer helemaal opnieuw moeten worden opgebouwd.’

13. Blijkens het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 12 september 2016 heeft het hof het verzoek van de raadsvrouw om getuige [betrokkene 15] nogmaals te horen, afgewezen. Deze afwijzing is als volgt gemotiveerd:

‘Het hof hecht er aan allereerst het kader voor de beslissing te schetsen.

Artikel 6 van het EVRM eist een effectieve en adequate ondervragingsmogelijkheid van een getuige, waarbij het EHRM de nodige eisen stelt aan de inspanningen die moeten worden geleverd om een getuige te horen, ook als het gaat om een getuige die zich in het buitenland bevindt.

Deze inspanning wordt echter gerelateerd aan het belang van de verzochte getuigenverklaring voor de te nemen bewijsbeslissing. Er moet aldus een belangenafweging worden gemaakt, waarbij de aanvaardbaarheid van langdurig uitstel moet worden afgewogen tegen het concrete verdedigingsbelang.

Het verzoek om de getuige [betrokkene 15] opnieuw te doen horen wordt afgewezen.

Een nieuwe poging daartoe is naar het oordeel van het hof nutteloos, omdat het onder de gegeven omstandigheden niet alleen onaannemelijk is dat de getuige - gelet op zijn langdurige detentie op Kaapverdië - binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen maar ook dat onaannemelijk is dat de getuige - gelet op de. eerdere rechtshulpervaringen met Kaapverdië - binnen een aanvaardbare termijn na een nieuw rogatoir verzoek - al dan niet via een videoverbinding - zal worden gehoord door de raadsheer-commissaris. Er zal daarom van hernieuwde oproep worden afgezien nu het strafproces binnen een redelijke termijn dient te worden afgerond.

In de zaak van de verdachte is op 15 april 2014 het verzoek toewezen om de getuige [betrokkene 15] die in Kaapverdië gedetineerd is, te doen horen.

De raadsheer-commissaris heeft zich - zo blijkt uit zijn proces-verbaal van bevindingen opgemaakt op 11 augustus 2016 - grote inspanningen getroost om het verhoor mogelijk te maken.

Zo heeft hij - zakelijk weergegeven - op 1 april 2015 een rechtshulpverzoek ingediend, waarop via de officiële weg geen reactie is gekomen. Vervolgens heeft de advocaat-generaal contact gezocht met de Kaapverdische autoriteiten.

Op 18 februari 2016 kwam naar aanleiding daarvan het bericht dat een videoconferentie werd aangeboden en op 26 juli 2016 kon die uiteindelijk plaatsvinden.

Op 26 juli 2016 is een begin gemaakt met het verhoor van de getuige onder verantwoordelijkheid van de rechter te Praia in aanwezigheid van de raadsheer-commissaris in Kaapverdië.

De raadsheer-commissaris is voor dat verhoor zelf met de griffier en de raadsvrouw van de getuige afgereisd naar Kaapverdië en de raadsvrouw van de verdachte is in de gelegenheid gesteld het videoverhoor in het kabinet van de raadsheer-commissaris in Den Haag bij te wonen.

De videoverbinding.is wel tot stand gekomen, maar viel uit op het moment waarop het verhoor begon. Afgesproken werd het opnieuw te proberen op 27 juli 2016.

Op 27 juli 2016 zijn in de zaak van een medeverdachte een aantal vragen gesteld aan en beantwoord door de getuige waarna de stroom uitviel. De raadsheer-commissaris heeft afgezien van een nieuwe poging omdat hij geen zicht had op wanneer er weer een verbinding tot stand zou komen. Rond 14.00 uur Kaapverdische tijd bleken de systemen weer te functioneren. Er is toen toch nog een poging gedaan om de verbinding met het kabinet tot stand te brengen en die verbinding is ook tot stand gekomen. De raadsvrouw van de verdachte bleek toen niet meer aanwezig.

De getuige, die niet eerder (ook niet in het vooronderzoek) een verklaring heeft afgelegd, heeft bij gelegenheid van zijn korte verhoor op 27 juli 2016 - kort samengevat en voor zover thans van belang - verklaard de verdachte al vele jaren te kennen, nooit geld te hebben ontvangen van de verdachte, met de verdachte wel eens in het huis aan het [A-straat 1] in Rotterdam te zijn geweest, bij de verdachte de sleutel te hebben gehaald wanneer hij het huis nodig had en niet geweten te hebben dat daar een grote som geld aanwezig is geweest.

Het ongetekende proces-verbaal van zijn verhoor is ook verstrekt aan de verdediging.

Het is het hof, gelet op die verklaring en gegeven de motivering van de verdediging van het verzoek tot het opnieuw doen horen van de getuige die niet belastend heeft verklaard over de verdachte, onvoldoende duidelijk geworden welke betekenis een nieuw verhoor van de getuige kan hebben voor enig door het hof in de zaak van de verdachte te nemen beslissing.

De verdachte wordt dan ook naar het oordeel van het hof onder de gegeven omstandigheden niet in zijn verdediging geschaad door het afwijzen van dit verzoek.’

14. Blijkens de toelichting op het middel wordt in cassatie in de eerste plaats geklaagd over de door het hof gehanteerde maatstaf (verdedigingsbelang). Ter onderbouwing van deze deelklacht wijst de steller van het middel op de omstandigheid dat het hof het verzoek om de getuige [betrokkene 15] nogmaals te horen ‘kennelijk (heeft) beoordeeld langs de maatstaf van art. 418 lid 1 jo. art. 288 lid 1 Sv’, terwijl door de verdediging in het herhaalde verzoek is verzocht om te bepalen dat [betrokkene 15] in het kader van een rogatoire commissie zal worden gehoord. Nu volgens vaste rechtspraak van Uw Raad een dergelijk verzoek dient te worden beoordeeld aan de hand van het noodzakelijkheidscriterium, zou het hof een onjuiste maatstaf hebben aangelegd en daarmee zou ’s hofs oordeel getuigen van een onjuiste rechtsopvatting.

15. Met betrekking tot deze klacht heb ik mij om te beginnen afgevraagd hoe het ter terechtzitting van 12 september 2016 gedane verzoek tot het opnieuw horen van de getuige [betrokkene 15] moet worden verstaan. Enerzijds lijkt het verzoek, in het licht van de daaraan voorafgegane poging om [betrokkene 15] middels een rogatoire commissie in Kaapverdië op 26 en 27 juli 2016 per videoverbinding te horen, te moeten worden opgevat als een verzoek om met toepassing van art. 420 juncto art. 316 Sv de stukken van de zaak in handen te stellen van de raadsheer-commissaris met de opdracht [betrokkene 15] bij wege van een rogatoire commissie wederom te doen horen. Anderzijds besluit de raadsvrouw blijkens het proces-verbaal van de ter terechtzitting haar betoog met de volgende constatering: ‘Als u beslist dat [betrokkene 15] hierheen moet komen voor het verhoor, dan is het een simpele situatie en is er niet opnieuw een rogatoire commissie nodig.’ Hoe dat ook zij, in beide gevallen is de toepasselijke maatstaf inderdaad het noodzakelijkheidscriterium, zo kan de steller van het middel worden toegegeven.

16. Naar het mij voorkomt heeft de verdachte evenwel geen belang bij de opgeworpen klacht. Dat het hof op de terechtzitting van 12 september 2016 aan de afwijzing van het verzoek om de getuige [betrokkene 15] te horen ten grondslag heeft gelegd dat de verdachte door het afwijzen van het verzoek niet in zijn verdediging is geschaad, kan er niet toe hebben geleid dat aan belangen van de verdachte tekort is gedaan. De verhouding tussen de in artikel 288, eerste lid, Sv opgenomen criteria (waaronder het verdedigingsbelang) enerzijds en het noodzakelijkheidscriterium anderzijds is immers aldus, dat het laatste criterium strenger is. Indien het gerechtshof het minder restrictieve criterium heeft toegepast, kan dat niet in het nadeel van de verdachte hebben gewerkt.

17. De steller van het middel betrekt vervolgens het standpunt dat de beoordeling van een terugwijzingsverzoek afhankelijk gesteld moet worden van het oordeel over het verzoek om de betreffende getuige te horen. Het zou vreemd zijn als een getuige ‘waarvan het horen evident in het belang van de verdediging is, niet zou worden gehoord als gevolg van de toepassing van het noodzaakscriterium wanneer deze getuige op geen enkele andere wijze dan middels een rogatoire commissie kan worden gehoord’. Daarmee ziet de steller van het middel er naar het mij voorkomt reeds aan voorbij dat ook voor zover het hier ging om een verzoek als bedoeld in artikel 328 in verbinding met artikel 331, eerste lid, en artikel 415, eerste lid, Sv om gebruik te maken van een in artikel 315 Sv omschreven bevoegdheid het noodzakelijkheidscriterium van toepassing was. Het is derhalve niet zo dat dit verzoek, indien het om het horen van de getuige ter terechtzitting zou gaan, aan de hand van een ander criterium zou moeten worden beoordeeld dan indien het om een verzoek om een rogatoire commissie zou gaan. Overigens ontbreekt het de verdachte ook op dit punt aan enig belang als er – met de steller van het middel – van uit wordt gegaan dat het gerechtshof de afwijzing om de getuige [betrokkene 15] (nogmaals) te horen aan de hand van de in artikel 288, eerste lid, Sv vermelde criteria heeft beoordeeld.

18. Vervolgens komt het middel op tegen de begrijpelijkheid van ‘s hofs oordeel dat de getuige [betrokkene 15] niet binnen een aanvaardbare termijn door een rogatoire commissie kan worden gehoord. Ter onderbouwing betoogt de steller van het middel dat de redelijke termijn op het moment van afwijzing van het verzoek op 12 september 2016 al met 3,5 jaar was overschreden, terwijl het reëel zou zijn om in te schatten dat een nieuw verhoor van de getuige [betrokkene 15] binnen ongeveer een half jaar zou kunnen worden gerealiseerd. Een termijn van een half jaar zou de overschrijding van de redelijke termijn niet bijzonder beïnvloeden en de algehele duur van het hoger beroep niet wezenlijk verlengen.

19. Uit ’s hofs formuleringen kan worden afgeleid dat het hof zich bij de afwijzing van het getuigenverzoek mede heeft laten leiden door artikel 288, eerste lid, aanhef en onder a, Sv. Ingevolge dat artikellid kan van de oproeping van een niet verschenen getuige worden afgezien indien ‘het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen’.

20. Uit de onder 13 weergegeven overweging blijkt dat het hof in verband met de afwijzing van het getuigenverzoek heeft overwogen het niet aannemelijk te vinden dat de getuige vanwege zijn langdurige detentie in Kaapverdië ter terechtzitting zal kunnen verschijnen. In dat oordeel ligt besloten dat het naar het oordeel van het hof onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn in het kader van een getuigenverhoor (ter terechtzitting) een verklaring zal afleggen. Voorts overweegt het hof dat het in het licht van de eerdere ervaringen in verband met rechtshulpverzoeken aan Kaapverdië onaannemelijk is dat de getuige [betrokkene 15] binnen een aanvaardbare termijn na een nieuw rogatoir verzoek — al dan niet via een videoverbinding — zal worden gehoord door de raadsheer-commissaris. Het hof geeft vervolgens aan dat het van hernieuwde oproeping afziet ‘nu het strafproces binnen een redelijke termijn dient te worden afgerond.’

21. Voor zover de afwijzende beslissing op het getuigenverzoek mede is gestoeld op de omstandigheid dat het naar het oordeel van het hof niet aannemelijk is dat [betrokkene 15] binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen en/of binnen een aanvaardbare termijn — al dan niet via een videoverbinding — zal kunnen worden gehoord door de raadsheer-commissaris, acht ik dat oordeel niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij neem ik in het bijzonder in aanmerking dat het hof heeft weergegeven welke inspanningen de raadsheer-commissaris zich heeft getroost om op 26 en vervolgens 27 juli 2016 via formele en informele weg een ‘videoconferentie’ tot stand te brengen. Na een onbeantwoord rechtshulpverzoek d.d. 1 april 2015 en het leggen van contact met de Kaapverdische autoriteiten door de advocaat-generaal werd op 18 februari 2016 een videoconferentie aangeboden die uiteindelijk op 26 juli 2016 kon plaatsvinden. Daarvoor zijn de raadsheer-commissaris, de griffier en de advocaat van de getuige afgereisd naar Kaapverdië. Vanwege technische problemen kon in aanwezigheid van de raadsvrouw van de verdachte in het kabinet van de raadsheer-commissaris te Den Haag in haar aanwezigheid op 26 juli geen blijvende verbinding tot stand worden gebracht. Aanvankelijk lukte dat op 27 juli, bij een hernieuwde poging, wel, maar ook deze verbinding werd verbroken voordat de raadsvrouw van de verdachte vragen had kunnen stellen. Na het vertrek van de raadsvrouw is die dag rond 14:00 uur Kaapverdische tijd wel weer een succesvolle verbinding tot stand gekomen en heeft de verdachte een (korte) verklaring afgelegd. Het hof heeft uit de weergegeven gang van zaken kunnen afleiden dat het onaannemelijk was dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn, na een rogatoir verzoek – al dan niet via een videoverbinding — een nieuwe verklaring af zou kunnen leggen. In dat licht bezien is ook ’s hofs oordeel, waarin besloten ligt dat in het onderhavige geval het belang om het strafproces binnen een redelijke termijn af te ronden zwaarder weegt dan de mogelijkheid voor de verdediging om de getuige [betrokkene 15] (nog eens) te horen, geenszins onbegrijpelijk.

22. Ik wijs er daarbij nog op dat het bij de beoordeling van de afwijzing van een verzoek tot het oproepen van getuigen in cassatie uiteindelijk gaat ‘om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van - als waren het communicerende vaten - enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen’.3 Uit het verzoek dat de verdachte op 12 september 2016 op de terechtzitting heeft gedaan blijkt niet van feiten en omstandigheden die aan de juistheid van ’s hofs inschatting doen twijfelen.4 Ten overvloede roep ik ook nog in herinnering dat het gerechtshof het onderhavige verzoek niet aan artikel 288, eerste lid, Sv behoefde te toetsen, maar met een toets aan het noodzakelijkheidscriterium kon volstaan. De door het gerechtshof vastgestelde feiten en omstandigheden, ook inzake de betekenis die een nieuw verhoor voor de verdachte had kunnen hebben, kunnen gemeten aan dat criterium een afwijzing van het verzoek dragen.

23. Het eerste middel faalt in al zijn onderdelen.

24. Het tweede middel klaagt dat het gerechtshof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd bewezen heeft verklaard dat de verdachte een vuurwapen van categorie II en munitie van categorie III voorhanden heeft gehad (feit 2).

25. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

‘hij op 23 april 2009 te Rotterdam een wapen van categorie II, te weten een automatisch vuurwapen van het merk CZ, type VZ 62 Skorpion, en munitie van categorie III, te weten 85, kogelpatronen (te weten 49 stuks 7.65 mm Pvri Partizan en 7 stuks .45 auto Winchester en 6 stuks .38 special GFL en 23 stuks 9x19 mm), voorhanden heeft gehad.’

26. Deze bewezenverklaring steunt op de navolgende in de aanvulling op het arrest opgenomen bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen):

‘Zaaksdossier Vuurwapen [A-straat 1]

14.

Een proces-verbaal van de raadsheer-commissaris belast met strafzaken bij dit gerechtshof, d.d. 30 maart 2016. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - als verklaring van de verdachte :

U houdt mij voor dat er een bedrag is aangetroffen van bijna 4,6 miljoen cash in een pand op de [A-straat 1] te Rotterdam (het hof begrijpt: het [A-straat 1] te Rotterdam). Ik weet waar het over gaat. We kwamen daar samen of alleen als we een vriendinnetje hadden. [betrokkene 5] heeft mij gevraagd om geld aan hem te lenen. Ik sprak met hem af dat ik zijn huis kon huren en een bijdrage kon doen. Ik bood hem 500 tot 600 euro per maand aan, maar ik wilde er dan alleen gebruik van maken, zonder dat er anderen kwamen.

15

Een proces-verbaal van het KLPD, DNR, team forensische opsporing d.d. 7 mei 2009 (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - als het relaas van de betreffende opsporingsambtenaren:

Tijdens een doorzoeking van de woning op donderdag 23 april 2009 is aan de [A-straat 1] te Rotterdam (het hof begrijpt [A-straat 1] ) een plastic koffertje met een aantal voorwerpen aangetroffen. Ik heb ter plaatse deze voorwerpen aan een onderzoek onderworpen waarbij ik zag dat het een automatisch vuurwapen was, tevens zaten er in de plastic koffer kogelpatronen.

Op vrijdag 24 april 2009, heb ik voornoemde voorwerpen forensisch technisch onderzocht, bij dit onderzoek heb ik gezien dat het voorwerp een automatisch vuurwapen is, het vuurwapen was voorzien van een vuur selector met de standen ‘safe’, ‘semiautomatisch’ en ‘automatisch’ vuren. Ook zag ik dat het niet voorzien was van een merkaanduiding.

Ambtshalve is mij bekend dat het voornoemde vuurwapen van het merk CZ, type VZ 62 (Skorpion), kaliber 7.65mm is.

Ik heb voornoemd automatisch vuurwapen alsmede de munitie geregistreerd in het vuurwapendatasysteem, waarna het systeem een uniek nummer genereerde. Het voornoemde vuurwapen alsmede de munitie zijn geregistreerd onder de vds-nummers:

91461 CZ VZ62 automatisch vuurwapen (skorpion)

69023 20 kogelpatronen 7.65mm Pvri Partizan

69024 9 kogelpatronen 7.65mm Pvri Partizan

69025 7 kogelpatronen .45auto Winchester

69026 6 kogelpatronen .38 special GFL

69027 23 kogelpatronen 9x19mm onbekend

69028 20 kogelpatronen 7.65mm Pvri Partizan

Voornoemd automatisch vuurwapen is bestemd en geschikt om projectielen door een loop af te schieten en de werking berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing.

Derhalve is dit een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3°, gelet op artikel 2, lid 1, Categorie II, onder 2° van de Wet wapens en munitie.

Na testen bleek voornoemd vuurwapen naar behoren te functioneren.

De bij het vuurwapen in beslag genomen 85 stuks kogelpatronen zijn munitie in de zin van artikel 1, onder 4° gelet op artikel 2, lid 2, categorie III van de Wet wapens en munitie.

De navolgende munitie is geschikt om te worden afgeschoten met het bij de verdachte in beslag genomen automatisch vuurwapen, te weten

69023 kogelpatronen 7.65mm Pvri Partizan

69024 kogelpatronen 7.65mm Pvri Partizan

69028 kogelpatronen 7.65mm Pvri Partizan.’

27. Uit de aan het hof overgelegde pleitnotities volgt dat de raadsvrouw op de terechtzitting in hoger beroep van 20 september 2016 het volgende heeft aangevoerd (met weglating van verwijzingen):

‘Cliënt is in eerste aanleg veroordeeld voor het voorhanden hebben van een vuurwapen.

Uit het dossier volgt dat het vuurwapen is aangetroffen tijdens de doorzoeking van de woning aan het [A-straat 1] in een kamer die niet werd gebruikt. De woning werd op dat moment door cliënt gehuurd.

Cliënt was echter niet woonachtig op het adres aan het [A-straat 1] , dat blijkt onder andere uit het feit dat er bij de doorzoeking geen kleding of andere persoonlijke goederen van cliënt werden aangetroffen. Voorts heeft cliënt uitgebreid verklaard over waarvoor de woning werd gehuurd tijdens het verhoor als getuige op 30 maart 2016, welk verhoor in het dossier van cliënt is gevoegd. Uit zijn verklaring is duidelijk dat ook anderen toegang tot de woning hadden.

Voorts blijkt uit het dossier dat [betrokkene 5] als eigenaar van de woning toegang had. Hij verklaarde daarover dat hij één keer in de twee/drie weken daar zijn post ophaalde.

Derhalve kan niet zonder meer gesteld worden dat cliënt zich bewust moet zijn geweest van de aanwezigheid van dit vuurwapen. Op basis van de verklaringen van [verdachte] en [betrokkene 5] valt immers niet uit te sluiten dat ook anderen dan cliënt toegang tot de plaats van het vuurwapen hadden.

Ik memoreer in dit verband het u ongetwijfeld bekende arrest Heroïne in de dakgoot, dat ging over het aantreffen van (het zal u niet verbazen) heroïne in de dakgoot van een woning, waartoe ook anderen dan de verdachte toegang hadden. De Hoge Raad vernietigde in die zaak het arrest van het Hof, dat het voorhanden hebben van heroïne bewezen verklaard had.

Een recenter geval is bijvoorbeeld HR 14 juni 2011, NJ 2011/287, waarin het ging over een vuurwapen dat was aangetroffen in een kast in het bedrijf waar de verdachte werkte. De Hoge Raad oordeelde ook hier dat niet zonder meer kon worden vastgesteld dat de verdachte zich bewust moest zijn geweest van de aanwezigheid van het wapen. Overigens is de conclusie van A-G Machielse in deze zaak lezenswaardig nu daarin (in punt 3.8) een korte bloemlezing van diverse vergelijkbare zaken wordt gegeven, waaronder LJN BN4133, waarin het ging om een vuurwapen dat in de afzuigkap van de woning van de verdachte was aangetroffen.

Nu er meerdere personen toegang hadden tot de woning kan van cliënt niet worden verwacht dat hij aangeeft welke personen - anders dan hijzelf - tot de locatie van het vuurwapen toegang hadden. Cliënt kan dus enkel ontkennen dat hij wetenschap had van de aanwezigheid van het bewuste vuurwapen.

Daarom kan niet bewezen geacht worden dat mijn cliënt zich in voldoende mate bewust is geweest van de aanwezigheid van een vuurwapen om te kunnen komen tot bewezenverklaring van het voorhanden hebben.

Ik verzoek uw Hof dan ook om mijn cliënt hiervan vrij te spreken.’

28. Het hof heeft in het bestreden arrest naar aanleiding van dit verweer het volgende overwogen:

‘In de woning aan het [A-straat 1] waar op 23 april 2009 tijdens de doorzoeking het voornoemde geldbedrag is aangetroffen, lag eveneens (in een koffer in de klerenkast in de slaapkamer van het pand) een automatisch vuurwapen CZ Skorpion en tevens munitie. De verdachte was de huurder van de woning en had dus de beschikking over die woning. In zijn - ook in zijn eigen dossier gevoegde - verklaring als getuige van 30 maart 2016 heeft de verdachte verklaard dat hij met de verhuurder had afgesproken om voor een bepaald bedrag de woning te huren onder de voorwaarde dat hij er dan alleen gebruik van kon maken, zonder dat er anderen kwamen. Op grond van algemene ervaringsregels kan worden aangenomen, dat verdachte als huurder van de woning bekend was met de aanwezigheid van het wapen en de munitie. Het is bovendien niet aannemelijk geworden dat derden/de verhuurder het wapen en de munitie daar zou hebben neergelegd.

Bij dit oordeel speelt mee dat gelet op de enorme hoeveelheid opgeslagen contant geld in die woning, waar de verdachte wetenschap van had, er kennelijk vanuit beveiligingsoogpunt voor is gekozen in de woning ook een vuurwapen voorhanden te hebben.’

29. De steller van het middel klaagt blijkens de toelichting dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan indien het de enkele aanwezigheid van een vuurwapen en munitie in een woning op zichzelf al redengevend heeft geacht voor bewezenverklaring van het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie door de huurder van de woning. Uit de door het hof onder de bewijsmiddelen opgenomen verklaring van de verdachte blijkt evenwel dat de verdachte met de verhuurder niet alleen is overeengekomen dat hij het huis zou huren, maar ook dat hij er dan ‘alleen gebruik van (wilde) maken, zonder dat er anderen kwamen’. Het hof wijst daar in de bewijsoverweging ook op, en vermeldt daarin tevens dat ‘niet aannemelijk geworden (is) dat derden/de verhuurder het wapen en de munitie daar zou hebben neergelegd’. Ten slotte wijst het hof op ‘de enorme hoeveelheid opgeslagen contant geld in die woning, waar de verdachte wetenschap van had’. Het stelt in dat licht vast dat er ‘kennelijk vanuit beveiligingsoogpunt voor is gekozen in de woning ook een vuurwapen voorhanden te hebben’. Uit dit samenstel van overwegingen blijkt genoegzaam dat het hof er niet van uit is gegaan dat de enkele vaststelling dat het vuurwapen en de munitie zich bevonden in een door de verdachte gehuurde woning, de bewezenverklaring van het voorhanden hebben door de verdachte kan dragen.

30. De steller van het middel gaat vervolgens in op de mogelijkheid dat het hof met de bewijsoverweging tot uitdrukking heeft willen brengen dat het aan verdachte zou zijn ‘om aannemelijk te maken dat derden/de verhuurder het wapen en de munitie in de woning hebben neergelegd’. Het hof zou in dat geval hebben miskend dat het aan het openbaar ministerie is om bewijs aan te dragen van het verwijt dat de verdachte zich in meer of mindere mate bewust was van de aanwezigheid van het wapen. Uit ‘s hofs bewijsoverweging kan naar het mij voorkomt evenwel niet worden afgeleid dat het hof op de verdachte de last zou hebben gelegd, aannemelijk te maken dat anderen het wapen en de munitie in de woning hebben neergelegd. Het hof stelt vast dat op grond van algemene ervaringsregels ‘kan worden aangenomen, dat verdachte als huurder van de woning bekend was met de aanwezigheid van het wapen en de munitie’ en dat bovendien ‘niet aannemelijk (is) geworden dat derden/de verhuurder het wapen en de munitie daar zou(den) hebben neergelegd’. Door te wijzen op de ‘enorme hoeveelheid opgeslagen contant geld in die woning, waar de verdachte wetenschap van had’, wijst het hof daarbij een extra omstandigheid aan die ondersteunt dat de verdachte (ook) wist van het vuurwapen.

31. De steller van het middel voert met betrekking tot ’s hofs bewijsoverweging ook nog aan dat voor zover het hof daarmee tot uitdrukking heeft willen brengen dat het niet anders kan dan dat de verdachte zich in meerdere of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van het vuurwapen en de munitie, dit oordeel ontoereikend gemotiveerd is.

32. Voor een veroordeling ter zake van het voorhanden hebben van een wapen in de zin van art. 26 WWM ‘is vereist dat de verdachte zich in meerdere of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van dat wapen’.5 Die meerdere of mindere mate van bewustheid is ook vereist voor een veroordeling ter zake van het voorhanden hebben van munitie.6 Uit eerdere rechtspraak kunnen indicaties worden afgeleid van de eisen die aan het bewijs van deze bewustheid worden gesteld.

33. In HR 14 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1194, NJ 2016/286 waren bij een doorzoeking in een woning pepperspray, honderd patronen en een nepvuurwapen aangetroffen.7 Het nepvuurwapen bevond zich in een kluis, aanwezig op een slaapkamer op de eerste etage. De munitie bevond zich op een zolder van de garage. De pepperspray werd in een lade van de keukentafel aangetroffen. De verdachte, die daar met de medeverdachte woonde, beriep zich op zijn zwijgrecht. In cassatie werd geklaagd over de bewezenverklaring van het voorhanden hebben van de genoemde wapens en munitie. Uw Raad overwoog:

‘2.4. Blijkens zijn bewijsvoering heeft het Hof vastgesteld dat:

(i) op 16 februari 2011 een doorzoeking werd verricht in de woning [a-straat 1] te Mariahout;

(ii) bij deze doorzoeking in een kluis in een slaapkamer een nepvuurwapen is aangetroffen;

(iii) bij deze doorzoeking in de lade van de keukentafel een "pepperspray"-wapen is aangetroffen;

(iv) bij deze doorzoeking op een zolder van de garage 100 stuks munitie in een doosje is aangetroffen;

(v) dat de verdachte en de medeverdachte […] in voornoemde woning zijn aangehouden en aldaar wonen.

Voorts heeft het Hof geoordeeld dat onder deze omstandigheden van de verdachte een redelijke verklaring mag worden gevergd voor het aantreffen van de wapens en munitie in zijn woning, en dat de verdachte geen verklaring heeft gegeven. Gelet op dit een en ander is het oordeel van het Hof dat de verdachte voornoemde wapens en munitie voorhanden heeft gehad en zich derhalve in meerdere of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van die wapens en munitie in de woning, niet onbegrijpelijk.’

34. In dit arrest verwijst Uw Raad naar HR 17 november 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1403, NJ 1999/152. Daarin overwoog Uw Raad:

‘4.1. Het middel behelst de klacht dat het onder 4 bewezenverklaarde voor wat betreft het bestanddeel ‘voorhanden hebben’ ontoereikend is gemotiveerd gelet op een door en namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep dienaangaande gevoerd verweer.

4.2.

Het middel gaat er terecht van uit dat voor de strafbaarheid van het onder 4 bewezenverklaarde is vereist dat de verdachte zich in meerdere of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van de stroomstootwapens in zijn woning.

4.3.1.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte aldaar, voor zover hier van belang, verklaard: ‘Toen ik in voorarrest zat, is in mijn woning huiszoeking gedaan. Er is toen van alles gevonden, onder meer (...) stroomstootwapens. Die spullen lagen er niet toen ik op 1 oktober 1995 was weggegaan (...)’.

4.3.2.

Blijkens dat proces-verbaal heeft de raadsman ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde feit aangevoerd: ‘Ook geldt dat cliënt betwist dat hij deze wapens voorhanden heeft gehad. Zijns inziens zal waarschijnlijk Brian deze stroomstoten hebben achtergelaten: ze lagen er niet toen cliënt de dag voor de huiszoeking zijn woning verliet. Brian kwam immers wel vaker en de achterdeur was open: een plausibele verklaring voor de vondst van de wapens die onverenigbaar is met de bewezenverklaring en niet door (mogelijke) bewijsmiddelen kan worden uitgesloten’.

4.4.

Het Hof heeft die gestelde toedracht kennelijk hoogst onwaarschijnlijk geacht. Dat oordeel is, nu het aangevoerde niet meer inhoudt dan de enkele, niet nader gespecificeerde bewering dat de stroomstootwapens waarschijnlijk door een zekere Brian in de woning van de verdachte zijn achtergelaten, ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk. Dat brengt mee dat de bewezenverklaring ook in het licht van hetgeen aldus is aangevoerd toereikend is gemotiveerd en dat, anders dan het middel betoogt, het Hof dus niet de met de bewezenverklaring onverenigbare mogelijkheid heeft opengelaten dat de verdachte zich niet in meerdere of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van die stroomstootwapens in diens woning.

4.5.

Het middel is dus tevergeefs voorgesteld.’

35. Een veroordeling wegens het voorhanden hebben van een vuurwapen en patronen hield evenwel geen stand in HR 19 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:680, NJ 2016/229. Het vuurwapen was, voorzien van munitie en doorgeladen, aangetroffen in een dikke opgevouwen jas die achter de bestuurdersstoel werd gevonden waar de verdachte plaats had genomen. In de auto zat ook een passagier. De raadsman van de verdachte had in hoger beroep (in lijn met de aldaar door de verdachte afgelegde verklaring) het verweer gevoerd dat de jas van de passagier was. De verdachte wist niet dat er een vuurwapen in de auto lag; daarom had hij de politie ook toestemming gegeven de auto te doorzoeken. Ook had hij toestemming gegeven DNA af te nemen, zodat vastgesteld kon worden dat hij niet in contact was geweest met het vuurwapen. Uw Raad oordeelde dat in het licht van hetgeen door en namens de verdachte was aangevoerd, ‘s hofs oordeel dat de verdachte zich ‘in meerdere of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van het wapen en de munitie, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk’ was.8

36. In HR 14 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3804, NJ 2011/287 bleef een veroordeling wegens het voorhanden hebben van een nepwapen in cassatie ook niet in stand. De raadsman had in hoger beroep het verweer gevoerd dat het wapen was aangetroffen op een plek waartoe diverse personen toegang hadden (een metalen kast in een kantoorruimte van een rijwielhandel). De verdachte (de eigenaar van het bedrijf) zou geen belang hebben gehad bij de aanwezigheid van een dergelijk wapen en er niets van weten. Uw Raad overwoog dat ’s hofs oordeel dat de verdachte zich in meerdere of mindere mate bewust was geweest van de aanwezigheid van dat wapen, niet zonder meer begrijpelijk was, ‘in aanmerking genomen hetgeen namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd met betrekking tot de vindplaats van het wapen en de vele momenten dat andere personen toegang hadden tot de plek waar het wapen is aangetroffen.’9

37. Uit de bewijsmiddelen in de onderhavige strafzaak blijkt dat het wapen en de munitie zijn aangetroffen in een plastic koffertje dat bij een doorzoeking van de woning aan de [A-straat 1] is gevonden (bewijsmiddel 15). Uit ’s hofs bewijsoverweging volgt dat de koffer met het wapen en de munitie is gevonden in de klerenkast in de slaapkamer van het pand. De verdachte heeft verklaard dat hij dat huis van een zekere [betrokkene 5] huurde. Daarin lijkt deze casus op die van HR 14 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1194. Daarin werden (nep)wapens en munitie aangetroffen in de woning van de verdachte en de medeverdachte. Ook in HR 17 november 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1403 werden stroomstootwapens aangetroffen in de woning van de verdachte. In beide andere arresten was sprake van een wapen dat zich in een auto (HR 19 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:680) respectievelijk een kast in een bedrijfspand (HR 14 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3804) bevond. De vindplaats is in zaken als de onderhavige een eerste factor die van belang is bij het beoordelen van de toereikendheid van de bewijsconstructie. Het hof wijst daar ook op, door te overwegen dat ‘(o)p grond van algemene ervaringsregels kan worden aangenomen, dat verdachte als huurder van de woning bekend was met de aanwezigheid van het wapen en de munitie’.

38. Uit het verweer wordt voorts niet duidelijk van wie het wapen en de munitie is, als beide niet aan de verdachte toebehoren. In hoger beroep is gesteld dat ‘meerdere personen toegang hadden tot de woning’. Dat is door het hof evenwel niet vastgesteld. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte aan de verhuurder, [betrokkene 5] , de voorwaarde had gesteld dat hij er ‘dan alleen gebruik van (wilde) maken, zonder dat er anderen kwamen’.10De raadsman heeft voorts aangevoerd dat [betrokkene 5] heeft verklaard dat hij ‘één keer in de twee/drie weken daar zijn post ophaalde’. Maar ook dat is door het hof niet vastgesteld. In twee van de arresten die ik hiervoor noemde waarin gecasseerd werd, was een ‘alternatieve bezitter’ duidelijker in beeld. In HR 19 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:680 ging het om de passagier in de auto. De jas achter de bestuurdersstoel waarin het wapen verstopt was kon ook van de passagier zijn. In HR 14 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3804 ging het om een kast in een kantoorruimte van een rijwielhandel. Ook daar is duidelijker in beeld wie het wapen daadwerkelijk in die kast zouden kunnen verstoppen en daarom alternatieve bezitters van het wapen zouden kunnen zijn; werknemers van de rijwielhandel bijvoorbeeld. De mate waarin een alternatieve bezitter van het wapen in beeld is, is een tweede factor die een rol speelt bij de beoordeling of de bewijsconstructie toereikend is. Daar heeft het hof ook nog afzonderlijk aandacht aan besteed, door te overwegen dat het ‘niet aannemelijk (is) geworden dat derden/de verhuurder het wapen en de munitie daar zou hebben neergelegd’.

39. Een bijzondere omstandigheid die het hof daarbij heeft laten meewegen is ‘de enorme hoeveelheid contant geld in die woning, waar de verdachte wetenschap van had’. Het hof leidt daaruit af dat er ‘kennelijk uit beveiligingsoogpunt voor is gekozen in de woning ook een vuurwapen voorhanden te hebben’. Die gevolgtrekking vindt steun in de aard van het wapen (een automatisch vuurwapen) en de aangetroffen hoeveelheid munitie.

40. Mij komt het geenszins onbegrijpelijk voor dat het hof uit de vastgestelde feiten en omstandigheden heeft afgeleid dat de verdachte zich in meerdere of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van het wapen en de munitie. Dat oordeel is ook toereikend gemotiveerd.

41. De steller van het middel klaagt voorts dat de verklaring van de verdachte die het hof als bewijsmiddel in de aanvulling heeft opgenomen is gedenatureerd. De verklaring die de verdachte tegenover de raadsheer-commissaris heeft afgelegd behelst veel meer dan de passage die als bewijsmiddel is gebruikt. Uit die verklaring zou volgen dat er tijdens het verhoor een misverstand is geweest over de als bewijsmiddel gebruikte passage. De verdachte zou tijdens het verhoor in een toelichting hebben aangegeven dat ook diverse andere personen buiten hem om toegang hadden tot het appartement.

42. De betreffende passage maakt onderdeel uit van de op 30 maart 2016 te Suriname door de verdachte ten overstaan van de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring. Dit zich tussen de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindende proces-verbaal houdt onder meer het volgende in:

‘Op vragen van de raadsheer-commissaris antwoord ik als volgt:

(…)

5.

(…)

Dat huis, we hadden allemaal een relatie, en we kwamen daar soms samen of alleen als we een vriendinnetje hadden. Er werd dus niet echt gewoond maar we kwamen er samen met vrienden en vriendinnen. Ik was niet op zoek naar een huis. [betrokkene 5] heeft buiten [betrokkene 22] om, hij was een goede vriend van hem, mij gevraagd om geld aan hem te lenen. Ik sprak met hem af dat (BFK: ik} zijn huis kon huren en een bijdrage kon doen. Ik bood hem 500 tot 600 euro per maand aan, maar ik wilde er dan alleen gebruik van maken, zonder dat er anderen kwamen. Het was ongeveer 3 of 4 maanden en daarvan heb ik hem twee of drie keer contant geld gegeven, mijn bijdrage. Eerst wilden we het met z’n drieën doen, maar [betrokkene 22] wist er niets vanaf en het ging niet door. De huur was rond de 500-600 euro. Toen hij vroeg om geld te lenen deed ik dit aanbod. (…) Mijn bijdrage was dat hij mij geld vroeg en ik bood hem een bijdrage aan. Ik heb hem ongeveer 3 keer een bedrag van 500 tot 600 euro betaald, contant. Ik had geen contract of zo. U zegt mij dat [betrokkene 5] over een huur van 1400 euro heeft verklaard. Nee, dat is teveel geld voor mij.

(…)

7.

U vraagt mij of ik er met meerdere of andere mensen kwam in de periode dat het geld werd aangetroffen, rond 23 april 2009. In de periode dat ik omging met [betrokkene 22] en [betrokkene 5] was een lange periode, toen waren we vaker daar. U vraagt mij over het appartement van de heer [betrokkene 5] en u vraagt of ik het gebruikte samen met anderen. Nee, ik leg het uit. De heer [betrokkene 5] was erbij toen ik met [betrokkene 22] omging. [betrokkene 5] had een tweede huis gekocht en hij wilde het andere huis verkopen, maar dat lukte niet. Andere mensen, [betrokkene 22] en ik en een andere voetballer, maakten er gebruik van. Ik herinner mij de naam van die voetballer niet meer. [betrokkene 5] vroeg of ik hem geld kon lenen. Toen zei ik dat ik geld kon bieden omdat ik toch gebruik maakte van het huis en wij betaalden er nooit iets voor. Hij betaalde alles en wij maakten er gebruik van dus ik vond het logisch dat hij mij dat vroeg. Wij maakten al ver voordat de lening ter sprake kwam gebruik van de woning. Ik kan het schatten. Langer dan een jaar. Voordat de politie er het geld aantrof maakten er meer mensen gebruik van het appartement. (…)

Op vragen van mr. Van den Berg antwoord ik als volgt:

(…)

28. U vraagt mij of er met de mensen die in de woning waren werd gecommuniceerd over wie er wanneer gebruik van maakte, tussen januari 2008 tot en met april 2009. Ik maakte gebruik van anderen van de woning. Bedoelt u [betrokkene 22] , [betrokkene 5] en mij? Er was er nog 1 die af en toe uit Engeland kwam. (…) U vraagt of ik dus nooit een sleutel aan [betrokkene 3] heb gegeven. Dat klopt. Ik heb hem ook nooit binnen gelaten. Ik heb ook niet van de anderen gehoord dat zij de sleutel aan hem hebben gegeven of binnen hebben gelaten. (…)

Op vragen van de advocaat-generaal antwoord ik als volgt:

(…)

39. U vraagt van wie ik wist wie de sleutel van de genoemde woning hadden. (…) Ik had een sleutel. De heer [betrokkene 5] had een sleutel, dat weet ik zeker omdat hij eigenaar was. Ik weet dat anderen binnen kwamen. [betrokkene 22] kon ook een sleutel vragen of zo. Ik weet van mezelf en anderen dat zij de sleutel hadden: [betrokkene 5] , [betrokkene 22] , ik en die andere voetballer waarvan ik de naam mij niet meer herinner op dit moment. Zijn naam is [betrokkene 23] . (…)

40. U zegt mij dat ik verklaarde dat ik geld ging geven aan [betrokkene 5] voor de woning en u zegt mij dat ik verklaarde dat ik wilde dat de woning vanaf toen alleen voor mij bestemd was en u vraagt of dat juist is. [betrokkene 5] vroeg mij geld te lenen aan hem. Ik wilde wel huren omdat wij al gebruik maakten van de woning. Ik bood hem toen 500-600 euro. Ik heb nooit het gevoel gehad van: hier zit ik, niemand kan bij mij binnen lopen. Er was ook geen contract.

(…)

Het verhoor wordt voor circa 1 uur geschorst voor het opmaken van het proces-verbaal.

43. Bij het doornemen van het dictaat merk ik op dat onder punt 5 staat vermeld ”Zonder dat er anderen kwamen.” Ik heb dat later in het verhoor nog toegelicht.”

43. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld ‘dat het is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt’.11 De vrijheid van de feitenrechter vindt haar grens daar waar het voor het bewijs gebezigde gedeelte door de uitsplitsing een andere betekenis krijgt dan het in het verband van de gehele verklaring had.12

44. Het hof bezigde in verband met feit 2 tot het bewijs onder meer het gedeelte van verdachtes verklaring voor zover inhoudende dat de verdachte met de eigenaar (hierna: [betrokkene 5] ) van het pand aan het [A-straat 1] te Rotterdam overeenkwam die woning te huren onder de voorwaarde dat de verdachte er dan alleen gebruik van wilde maken. Deze tot het bewijs gebezigde passage is overgenomen uit verdachtes verklaring, de laatste beide zinnen letterlijk. Dat is al een belangrijke aanwijzing dat het hof aan dit onderdeel van de verklaring van de verdachte geen andere inhoud heeft gegeven dan deze in het geheel van de verklaring had.13

45. Van belang lijkt mij voorts dat uit de verklaring van de verdachte niet (duidelijk) volgt dat hij de woning met anderen zou hebben gehuurd. Weliswaar beschrijft de verdachte dat zij het ‘met z’n drieën’ zouden doen, maar hij geeft meteen aan dat het met ‘ [betrokkene 22] ’ niet door ging. De verdachte noemt in het deel van zijn verklaring waar de voor het bewijs gebezigde passage aan is ontleend ook niet een andere medehuurder. In het vervolg van zijn verklaring geeft hij wel aan dat er door anderen gebruik is gemaakt van de woning, maar niet dat iemand anders ook huur zou hebben betaald. In zoverre uit het voor het bewijs gebezigde deel van de verklaring van de verdachte kan worden opgemaakt dat de verdachte de enige huurder was van de woning, staat dit derhalve niet op gespannen voet met de rest van zijn verklaring. Waarbij nog kan worden opgemerkt dat de enkele omstandigheid dat wel een dergelijke spanning bestaat nog niet meebrengt dat van het denatureren van een verklaring sprake is. De verdachte kan een aanvankelijke bekentenis bijvoorbeeld intrekken.

46. Dat de verdachte verderop in het betreffende verhoor onder meer heeft verklaard ‘dat diverse andere personen buiten hem om toegang tot het appartement hadden’, brengt naar het mij voorkomt ook niet mee dat het voor het bewijs gebezigde deel van de verklaring van de verdachte is gedenatureerd. De verdachte ontkent niet, dat hij tegenover [betrokkene 5] heeft verklaard zoals in het voor het bewijs gebruikte deel van zijn verklaring staat. Hij stelt alleen dat het (in de periode waarin hij de woning huurde) anders is gegaan: anderen zouden buiten hem om toegang tot de woning hebben gehad.14 Daar geldt, naar het mij voorkomt, dat de feitenrechter de vrijheid heeft om wel geloof te hechten aan het ene deel van de afgelegde verklaring, en niet aan andere delen.

47. Het middel klaagt er ten slotte over dat het hof ‘kennelijk voorbij is gegaan’ aan het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdachte dat hij niet de enige was die toegang had tot de woning.

48. De ter terechtzitting overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota houdt — kort gezegd — in dat de omstandigheid dat meerdere personen toegang tot de woning hadden ertoe leidt dat niet bewezen kan worden geacht dat de verdachte zich in voldoende mate bewust is geweest van de aanwezigheid van een vuurwapen en dat deze omstandigheid derhalve tot vrijspraak zou moeten leiden.

49. Uit de bewijsmiddelen die het hof in de aanvulling op het verkort arrest heeft opgenomen blijkt dat de verdachte tegen de verhuurder heeft gezegd dat hij zijn huis wilde huren maar dat hij er dan ‘alleen gebruik van (wilde) maken, zonder dat er anderen kwamen’. Het hof vestigt in de in het arrest opgenomen bewijsoverweging de aandacht op deze passage. Het hof stelt vervolgens in zijn nadere bewijsoverweging vast dat op grond van algemene ervaringsregels kan worden aangenomen dat de verdachte als huurder van de woning bekend was met de aanwezigheid van het wapen en de munitie. En het hof stelt in de derde plaats vast dat het niet aannemelijk is geworden dat een derde/de verhuurder het wapen en de munitie daar zou hebben neergelegd. Uit deze passage volgt naar het mij voorkomt dat het hof niet ‘voorbij is gegaan’ aan het standpunt van de verdachte.

50. Aan de steller van het middel kan worden toegegeven dat het hof niet expliciet heeft aangegeven of het al dan niet aannemelijk acht dat anderen dan de verdachte toegang hadden tot de woning. Naar het mij voorkomt behoefde het hof evenwel ook niet expliciet aan te geven of het aannemelijk achtte dat anderen dan de verdachte toegang hadden tot de woning. Waar het om gaat is of voldoende is uitgesloten dat de verdachte het wapen en de munitie die in het door hem gehuurde huis zijn aangetroffen daar niet voorhanden had.15 Naar het mij voorkomt volgt uit ’s hofs overwegingen dat dit in toereikende mate is uitgesloten. Daarbij kan ook ’s hofs vaststelling inzake de enorme hoeveelheid opgeslagen contant geld in die woning, waar de verdachte wetenschap van had, worden betrokken. Die vaststelling wijst niet in de richting van een woning waar verschillende mensen een sleutel van hadden en buiten de verdachte om naar believen gebruik van konden maken.

51. Ik begrijp het hof aldus dat het uit de tot het bewijs gebezigde passage van de verklaring van de verdachte heeft afgeleid dat deze, na het afsluiten van de huurovereenkomst, besliste wie er in de woning kwam. Het was na het sluiten van de huurovereenkomst geen huis waar iedereen naar believen naar binnen kon lopen zonder dat de verdachte daar van af wist. Het hof heeft voorts vastgesteld dat op grond van algemene ervaringsregels kan worden aangenomen dat de verdachte als huurder van de woning bekend was met de aanwezigheid van het wapen en de munitie. Daarmee zegt het hof niet dat het ondenkbaar is dat één of meer anderen, te denken valt aan één of meer van de medeverdachten die van de aanwezigheid van het geldbedrag op de hoogte waren, eveneens van het wapen en de munitie afwist(en). Dat een derde daar (buiten de verdachte om) een wapen voorhanden zou hebben waarvan de verdachte niet wist en waar de verdachte niet de voor voorhanden hebben vereiste macht over heeft, acht het hof, zo begrijp ik, tegen deze achtergrond evenwel in toereikende mate uitgesloten. Dat een derde het wapen en de munitie daar zou hebben neergelegd is, zo stelt het hof in aanvulling op het voorgaande nog vast, ook niet aannemelijk geworden. Naar het mij voorkomt heeft het hof daarmee toereikend beargumenteerd waarom hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht niet tot vrijspraak heeft geleid.

52. Het tweede middel faalt.

53. Het derde middel klaagt over de bewezenverklaring van feit 1. Het hof zou ten onrechte althans ontoereikend gemotiveerd bewezen hebben verklaard dat de verdachte van enig geldbedrag heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) was/waren.

54. Het hof heeft onder 1 ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat:

‘hij op tijdstippen in de periode van 14 februari 2009 tot en met 23 april 2009 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben verdachte en zijn mededader toen en daar (telkens) meermalen (van) enige geldbedragen verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) was/waren van bovengenoemd(e) geldbedragen terwijl hij, verdachte en zijn mededader wisten dat de bovengenoemde geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren van enig misdrijf,

en

verworven en voorhanden gehad terwijl hij, verdachte en zijn mededader ten tijde van het verwerven en het voorhanden krijgen van bovengenoemde geldbedragen wisten dat bovengenoemde geldbedragen – onmiddellijk of middellijk- afkomstig waren van enig misdrijf,

immers hebben verdachte en zijn mededader daarvan een gewoonte gemaakt door toen en daar (telkens) geldbedragen te ontvangen (van [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] ) en te vervoeren (naar een woning gelegen aan het [A-straat 1] te Rotterdam) en voornoemde geldbedragen (in voornoemde woning) te bewaren;’

55. Het hof heeft in de aan de bewezenverklaring van feit 1 gewijde bewijsoverwegingen onder meer overwogen:

6.1.2 Vaststaande feiten en omstandigheden

Het hof leidt uit de beschikbare bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden af.

Op 23 april 2009 is bij de doorzoeking van de woning aan het [A-straat 1] in Rotterdam een contant geldbedrag aangetroffen en inbeslaggenomen van € 4.578.360,-. Het geld bevond zich in één van de twee manshoge kluizen in een afgesloten kamer in de woning. De kluis is met geweld geopend. Het geld - in verschillende coupures - was verpakt in zeven oranje tassen en in een grijze papieren tas in deze afgesloten kluis. Er zaten 4241 briefjes van € 500,- bij het aangetroffen geld, een type biIjet dat veelal in het criminele circuit wordt gebruikt. In de woning werden ook twee geldtelmachines aangetroffen.

Deze woning werd gehuurd door de verdachte [verdachte] , maar volgens het GBA stonden er anderen ingeschreven op dat adres.

Na de inbeslagname heeft niemand zich als rechthebbende op dat geld gemeld bij de justitiële autoriteiten.

Op basis van telefoontaps, observaties en voorwerpen aangetroffen bij de verschillende doorzoekingen is naar voren gekomen dat in de ten laste gelegde periode door de medeverdachten [betrokkene 3] en [betrokkene 2] op verschillende data grote contante geldbedragen op verschillende locaties in Amsterdam Zuid-Oost zijn opgehaald en vervolgens naar Rotterdam zijn gebracht.

Uit getapte gesprekken vlak voorafgaand aan de ten laste gelegde periode tussen met name [betrokkene 3] en [betrokkene 9] komt naar voren dat er kennelijk ‘papieren’ (het hof begrijpt: geld) van [betrokkene 10] in Afrika via [betrokkene 3] naar [betrokkene 15] (het hof begrijpt: de medeverdachte [betrokkene 15] ) in Nederland moeten komen zodat er dan door [betrokkene 15] iets aan [betrokkene 10] kan worden gegeven.

Ook is vast komen te staan dat de contante geldbedragen vrijwel steeds werden gebracht naar het adres [B-straat 1] te Rotterdam. Dit appartement (dat gehuurd werd door verdachte [betrokkene 3] ) was de vaste verblijfplaats van verdachte [betrokkene 1] . Ook bij de doorzoeking in dat pand is een geldtelmachine aangetroffen.

Voorts is gebleken dat [betrokkene 1] het geld daar op verschillende momenten al dan niet samen met [betrokkene 2] heeft geteld, het geld bewaarde in de woning aan het [B-straat 1] , en ook een rol had bij het overdragen van contante bedragen aan de verdachte [verdachte] en/of [betrokkene 15] ( [betrokkene 15] ). Ook noteerde zij de in- en uitgaande bedragen op notitieblaadjes en onderhield zij daarover telefonisch contact met [betrokkene 3] en Wright.

In dat appartement zijn een aantal van deze notitieblaadjes - gestoken in het boek 'Menselijke anatomie voor kunstenaars' - aangetroffen met daarop verschillende berekeningen, telkens beginnend met een vermenigvuldiging (p x q) met een totaalbedrag waarvan vervolgens daaronder bedragen worden afgetrokken. Daarbij wordt in bijna alle gevallen een datum vermeld.

Dat de vermelde bedragen met 1000 vermenigvuldigd moeten worden, blijkt bij vergelijking van deze notitieblaadjes met andere op het [B-straat 1] aangetroffen notitieblaadjes (waar voor een deel dezelfde data staan vermeld maar waar de bedragen wel voluit zijn geschreven) in combinatie met informatie uit telefoontaps.

De afgetrokken bedragen op de notities komen overeen met bedragen genoemd in de getapte telefoongesprekken over de hoogte van de in Amsterdam opgehaalde bedragen (beslagcode [WI028.F.3.1.014], dit betreft de zogenaamde 'balans van [betrokkene 10] ') en die over de bedragen die zijn doorbetaald (al dan niet via [verdachte] ) aan [betrokkene 15] / [betrokkene 15] (beslagcode [WI028.F.3.1.012], in eerder genoemd gesprek wordt gesproken over 'wat ik [betrokkene 15] heb gegeven'). Ook is er een e-mail d.d. 4 mei 2009 die blijkens de getapte gesprekken door [betrokkene 1] in de mailbox van [e-mailadres 2] is gezet en waar de opgehaalde bedragen ook op staan vermeld.

De combinatie van informatie uit telefoontaps, genoemde notities en emailbericht kunnen naar het oordeel van het hof als volgt schematisch worden vertaald:

Datum

Genoteerde opgehaalde geldbedragen in Amsterdam [WI028.F.3.1.014]

Door wie

Genoteerde datum

Genoteerde geldbedragen overgedragen in Rotterdam [WI028.F.3.1.012]

Aan wie

14/2/09

€ 350.000

M

15/2/09

€ 300.000

Z

17/2/09

€ 300.000

M

17/2/09

€ 280.000

P+Z

19/2/09

€ 200.000

M

19/2/09

€ 140.000

P+Z

24/2/09

€ 400.000

M

24/2/09

€ 380.000

24/2/09

€ 85.000

Aan M overhandigd in Rotterdam door NN

€ 85.000

Z+?

27/2/09

€ 345.000

M

€ 340.000

Z

03/3/09

€ 653.000

M

03/3/09

€ 627.000

Z+P ?

07/3/09

€ 609.000

C

07/3/09

€ 580.000

Z

17/3/09

€ 496.000

M

17/3/09

€ 475.000

Z

20/3/09

€ 432.570

C

20/3/09

€ 386.500

Z

31/3/09

€ 342.430

C

31/3/09

€ 330.000

Z

02/4/09

€ 232.000

C

02/4/09

€ 210.000

Z

06/4/09

€ 198.000

C

06/4/09

€ 150.000

Z

15/4/09

€ 225.800

C

€ 200.000

Z

20/4/09

€ 139.000

C

21/4/09

€ 85.000

?

22/4/09

€ 334.980

C

22/4/09

€ 305.000

Z+P

M= [betrokkene 3] , C- [betrokkene 2] , Z= [verdachte] , P= [betrokkene 15]

Het hof gaat er van uit dat enerzijds is witgewassen door het trio [betrokkene 3] , [betrokkene 2] en [betrokkene 1] en anderzijds door het duo [betrokkene 15] en verdachte [verdachte] , zodat er binnen het geschetste feitencomplex sprake is van twee groepen medeplegers.

Naar het oordeel van het hof zijn de volgende typologieën van witwassen op de onderhavige zaak van toepassing op basis waarvan een vermoeden van witwassen jegens de verdachte en zijn medeverdachte is gerechtvaardigd:

• het fysiek vervoeren (en het in huis bewaren) van grote bedragen in contanten brengt een aanzienlijk veiligheidsrisico met zich;

• het voorhanden hebben van grote hoeveelheden contant geld zonder noodzaak daartoe op grond van bedrijf of beroep;

• de geldbedragen van zeer grote omvang, in contante coupures, die niet terug zijn te vinden in (officiële) boeken van en evenmin kunnen worden verantwoord met stukken van reguliere handelsactiviteiten;

• er is geen of slechts summiere administratie waarin namen ontbreken;

Dit vermoeden van witwassen wordt versterkt door de telefoongesprekken met de verdachte als deelnemer waarbij versluierd taalgebruik wordt gehanteerd. De inhoud van een aantal voor het bewijs gebezigde telefoontaps gaat blijkens de context kennelijk over geld en de hoogte van de geldbedragen. Er wordt dan in termen gesproken als 'papieren', 'dingen oppakken, hier opgooien', 'dat: ding te hebben' en 'documenten voorschieten'.

6.1.3

Wetenschap ten aanzien van de criminele herkomst

Het hof is van oordeel dat, gelet op dit vermoeden van witwassen en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden, van de verdachte mag worden verlangd dat hij/zij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.

Verdachte [betrokkene 15] heeft op 27 juli 2016 verklaard geen wetenschap te hebben gehad omtrent de aanwezigheid van het aangetroffen geldbedrag op het [A-straat 1] .

Het hof acht deze verklaring, gezien de bewijsmiddelen, echter ongeloofwaardig. Verdachte [verdachte] zelf heeft zich hieromtrent in zijn meest recente verklaring - die als getuige op 30 maart 2016 beroepen op zijn verschoningsrecht. De raadsvrouw van de verdachte heeft betoogd dat de verdachte is afgegaan op de verklaringen van [betrokkene 3] over de legale herkomst van het geld. Wat daar verder ook van zij, daarmee is nog niets gezegd over de legaliteit van de titel op grond waarvan het geld vervolgens door of namens [betrokkene 3] aan de verdachte werd overgedragen.

Aldus is door [verdachte] en [betrokkene 15] geen enkele - laat staan een aannemelijke - verklaring gegeven voor de (legale) herkomst van de gelden die werden bewaard in de kluis op het [A-straat 1] .

Het hof is daarom van oordeel dat er redelijkerwijze geen andere conclusie mogelijk is dan dat de ten laste gelegde geldbedragen onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat de verdachte daarvan op de hoogte was.

6.1.4

Medeplegen

Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is.

Naar het oordeel van het hof waren [verdachte] en [betrokkene 15] telkens als medeplegers betrokken bij het gewoontewitwassen in de tenlastegelegde periode van geldbedragen die van enig misdrijf afkomstig waren met een totaalbedrag van ruim 4,5 miljoen euro. Zoals hierboven omschreven had ieder van hen een eigen specifieke rol en werd nauw en bewust met elkaar samengewerkt teneinde de bedragen te verwerven, voorhanden te hebben en te verhullen wie de rechthebbende was van genoemd geldbedrag door telkens contante geldbedragen te ontvangen van de groep [betrokkene 3] / [betrokkene 2] / [betrokkene 1] en deze bedragen vervolgens te vervoeren en te bewaren in de kluis in de woning aan het [A-straat 1] . Zulks terwijl deze door [verdachte] onderhands gehuurde woning - waar in de gemeentelijke administratie een ander gezin op stond ingeschreven - door derden niet direct in verband kon worden gebracht met [betrokkene 15] .

6.1.5

Gewoontewitwassen

De bewezenverklaarde gedragingen moeten niet ieder voor zich worden bezien, maar worden beschouwd in hun onderlinge verband en samenhang. De duur van de periode waarin deze gedragingen gepleegd zijn, alsmede de stelselmatigheid waarmee deze witwasfeiten gepleegd zijn, brengt mee dat sprake is geweest van een gewoonte.’

56. Het middel klaagt blijkens de toelichting in het bijzonder over het onderdeel van de bewijsmotivering dat onder het kopje ‘6.1.4. Medeplegen’ is opgenomen. Voor zover het hof zou hebben geoordeeld dat de verdachte door het van misdrijf afkomstige geld van [betrokkene 15] enkel in een door hem gehuurde woning te bewaren, heeft verborgen en/of verhuld dat [betrokkene 15] de rechthebbende was van dat geld, zou dit oordeel op een onjuiste rechtsopvatting berusten en/of ontoereikend gemotiveerd zijn. Het enkele bewaren van geld voor een derde op een plaats die niet direct aan die derde kan worden gelinkt zou bezwaarlijk kunnen worden uitgelegd als een handeling waardoor wordt verborgen of verhuld wie de rechthebbende op dat geld is. In zaken waar de bewezenverklaring het verbergen en verhullen van de rechthebbende van een voorwerp betreft, zou het doorgaans gaan om het verrichten van handelingen die misleidend van aard zijn. De steller noemt ‘het op naam nemen van een auto terwijl een ander de feitelijke eigenaar is of het op de eigen rekening ontvangen van gelden die eigenlijk van een ander zijn’. Het enkele bewaren van goederen voor een ander op een niet openbare locatie, zonder daaraan ruchtbaarheid te geven, zou bezwaarlijk gezien kunnen worden als bedoeld om een vertekend beeld te geven van wie de rechthebbende is.

57. Voor zover het middel ervan uitgaat dat het hof in het enkel bewaren van het geld voor een ander op een niet openbare locatie, zonder daaraan ruchtbaarheid te geven, het verbergen en/of verhullen van de rechthebbende op dat geld zou hebben gezien, gaat het uit van een verkeerde lezing van ’s hofs overwegingen. Uit ’s hofs overwegingen komt naar voren dat het hof belang heeft gehecht aan de omstandigheid dat de door de verdachte ‘onderhands gehuurde woning – waar in de gemeentelijke basisadministratie een ander gezin stond ingeschreven – door derden niet direct in verband kon worden gebracht met [betrokkene 15] ’. Waar het om gaat is of de verdachte en zijn mededader ( [betrokkene 15] ) door geldbedragen te ontvangen van [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] , deze te vervoeren naar bedoelde woning en deze bedragen daar te bewaren de rechthebbende van deze geldbedragen hebben verborgen en/of verhuld.

58. Voor de interpretatie van de bewezenverklaarde delictsgedragingen is de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 6 december 2001 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en enkele andere wetten in verband met de strafbaarstelling van het witwassen van opbrengsten van misdrijven, Stb. 2001, 606 van belang. Deze houdt inzake het verbergen of verhullen van de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing van een voorwerp (art. 420bis, eerste lid, onderdeel a, Sr) het volgende in:

‘Bij de in het eerste lid, onderdeel a, strafbaar gestelde gedraging gaat het om al die handelingen die tot doel hebben èn geschikt zijn om de werkelijke aard, herkomst, vindplaats enzovoort van een voorwerp te verbergen of verhullen. De strafbaarstelling geeft niet nader aan om welke handelingen het allemaal kan gaan; bepalend voor de strafbaarheid is het effect van het handelen. De termen ‘verbergen’ en ‘verhullen’ impliceren dus een zekere doelgerichtheid: het handelen is erop gericht het zicht op de aard, herkomst, vindplaats enz. van voorwerpen te bemoeilijken en is ook geschikt om dat doel te bereiken. Veelal zal bij een enkele handeling ten aanzien van een voorwerp nog niet van een dergelijk doelgerichtheid kunnen worden gesproken. Vaak zal het gaan om een reeks van handelingen, die tezamen een geval van witwassen opleveren. Dit betekent dat voor het bewijs van het verbergen of verhullen vaak naar meer handelingen (transacties) in het witwastraject zal moeten worden gekeken. Uit alle stappen tezamen moet duidelijk worden dat er (zonder redelijke economische grond) met geld is geschoven op een manier die geschikt is het spoor aan de waarneming te onttrekken. Juist die ondoorzichtigheid van de opeenvolgende transacties brengt mee dat werkelijke aard, herkomst, vindplaats, rechten enzovoort buiten beeld blijven. Het voorgaande sluit niet uit dat onder omstandigheden ook een enkele handeling verbergen of verhullen zou kunnen opleveren, hoewel in zo'n geval waarschijnlijk eerder gesproken kan worden van een van de gedragingen genoemd in het eerste lid, onderdeel b, van de artikelen 420bis en 420quater (zie hierna).

Over de termen ‘verbergen of verhullen’ kan nog het volgende worden opgemerkt. In plaats van de in richtlijn 91/308/EEG voorkomende, wat verouderde term ‘verhelen’ is de term ‘verbergen’ gekozen. ‘Verbergen’ en ‘verhullen’ zullen elkaar grotendeels overlappen. Van een volstrekt onzichtbaar maken van de werkelijke aard, herkomst, vindplaats enzovoort behoeft geen sprake te zijn. Als dat zo zou zijn, zou het zelden tot een strafvervolging kunnen komen. Van ‘verhullen’ - volgens Van Dale synoniem voor ‘versluieren’ - zal al sprake kunnen zijn als door bepaalde constructies een mistgordijn wordt opgeworpen dat weliswaar enig zicht op het voorwerp en de daarbij betrokken personen toelaat, maar het niet mogelijk maakt om met enige zekerheid de (legale) herkomst en de rechthebbende vast te stellen. De trits feiten die volgens de richtlijn verhuld kunnen worden (werkelijke aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing, rechten op of eigendom van voorwerpen), is in zijn geheel in artikel 420bis, eerste lid, onder a, overgenomen. Veelal zullen feiten samenvallen, dat wil zeggen tezamen door een en dezelfde witwashandeling worden verhuld. Zo zal het verbergen of verhullen van de vervreemding of de verplaatsing vaak neerkomen op het verbergen van de vindplaats of de rechthebbende. Met het verbergen of verhullen van de ‘werkelijke aard’ van het voorwerp wordt bedoeld het voorwenden van een andere aard dan de werkelijke (bijvoorbeeld gelden worden gepresenteerd als de winst uit een legaal bedrijf, terwijl ze in werkelijkheid uit drugshandel afkomstig zijn). Toegevoegd is het verbergen of verhullen van degene die het voorwerp voorhanden heeft. Hierbij gaat het om degene die het voorwerp feitelijk tot zijn beschikking heeft. Vaak laten witwasconstructies er namelijk geen twijfel over bestaan wie in juridische zin rechthebbende op het voorwerp is, maar zijn ze er juist op gericht te verhullen wie feitelijk de beschikkingsmacht over het voorwerp heeft.’16

59. De Nota naar aanleiding van het verslag houdt inzake het ‘verbergen of verhullen’ het volgende in:

‘De doelgerichtheid waarvan in de memorie van toelichting sprake is, slaat niet op de subjectieve gesteldheid of bedoeling van de verdachte maar op de objectieve strekking van het handelen. Het gaat erom of de handeling(en) - gelet op de aard daarvan en op de omstandigheden van het geval - erop gericht is/zijn om het zicht op de aard, herkomst, vindplaats enz. van voorwerpen te bemoeilijken en of zij ook geschikt is/zijn om dat doel te bereiken.’17

60. Ook in een brief aan de voorzitter van de Tweede Kamer, geschreven naar aanleiding van de plenaire behandeling, gaat de Minister nog in op de interpretatie van deze delictsgedragingen:

‘Onderscheid moet worden gemaakt tussen de handelingen omschreven in onderdeel a van het eerste lid van de artikelen 420bis en 420quater Sr en de handelingen omschreven in onderdeel b. Laatstbedoelde handelingen (‘verwerven, voorhanden hebben, overdragen, omzetten of gebruik maken’) veronderstellen inderdaad feitelijke zeggenschap ten aanzien van het voorwerp, al is niet vereist dat het voorwerp zich in de fysieke nabijheid van de verdachte bevindt (zie ook de memorie van toelichting, Kamerstukken II 1999/2000, 27 159, nr. 3, p. 14/15).

Dit is anders bij het ‘verbergen of verhullen’ als bedoeld in onderdeel a. Dit blijkt reeds hieruit dat hieronder ook valt degene die verbergt of verhult ‘wie de rechthebbende op een voorwerp is of het voorhanden heeft’. Dan heeft niet de verdachte, maar juist een ander het voorwerp – in juridische of feitelijke zin – onder zich. Voor de uitleg van de termen ‘verbergen’ en ‘verhullen’ is van belang dat zij een zekere doelgerichtheid impliceren; de handelingen zijn erop gericht om het zicht op de aard, herkomst enz. van voorwerpen te bemoeilijken en zijn ook geschikt om dat doel te bereiken.’18

61. Aandacht verdient daarbij dat het hier niet gaat om puur nationale begrippen. Art. 1 van richtlijn 91/308/EEG, die door de genoemde wet geïmplementeerd werd19, noemde als één van de (te verbieden) vormen van ‘witwassen van geld’: ‘het verhelen of verhullen van de werkelijke aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing, rechten op of de eigendom van voorwerpen, wetende dat deze verworven zijn uit een criminele activiteit of uit deelneming aan een dergelijke activiteit’. Het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, Wenen, 20 december 1988, Trb. 1989, nr. 97, verplicht in art. 3, eerste lid, onder b, tot strafbaarstelling van ‘het verhelen of verhullen van de werkelijke aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing, rechten op of de eigendom van voorwerpen, wetende dat deze voorwerpen zijn verworven uit één of meer van de in overeenstemming met letter (a) van dit lid strafbaar gestelde feiten, of uit deelneming aan één of meer van deze strafbare feiten’.20 In de latere richtlijn (EU) 2015/849 komt een vergelijkbare formulering voor. Artikel 1, derde lid, bepaalt dat voor de toepassing van deze richtlijn ‘de hierna genoemde handelingen, indien opzettelijk begaan, als witwassen (worden) beschouwd: (…) b) het verhelen of verhullen van de werkelijke aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing, rechten op of de eigendom van voorwerpen, wetende dat deze verworven zijn uit een criminele activiteit of uit deelneming aan een dergelijke activiteit’.21

62. Uw Raad heeft zich bij mijn weten nog niet expliciet uitgelaten over de interpretatie van de witwasvariant ‘verbergen of verhullen wie de rechthebbende op een voorwerp is’. Een element uit de wetsgeschiedenis dat bij de interpretatie van nut kan zijn, is een zinsnede uit de voornoemde brief van de minister (onder 60) die specifiek ziet op het verbergen of verhullen wie de rechthebbende op een voorwerp is. Een belangrijke aanwijzing dat van deze gedraging sprake is, ligt volgens de Minister kennelijk daarin dat niet de verdachte, maar een ander het voorwerp – in juridische of feitelijke zin – onder zich heeft. Daarnaast kan een aanwijzing bij de interpretatie naar het mij voorkomt worden ontleend aan de memorie van toelichting, waar deze stelt dat witwashandelingen veelal zullen samenvallen. Het verbergen of verhullen van de vervreemding of de verplaatsing zou dikwijls neerkomen op het verbergen van de vindplaats of de rechthebbende. Tegen deze achtergrond kan de rechtspraak inzake het verbergen of verhullen van de vindplaats of verplaatsing van een voorwerp wellicht aanknopingspunten bieden bij de interpretatie van het verbergen of verhullen wie de rechthebbende op een voorwerp is.

63. In HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:956, NJ 2014/304 m.nt. Keijzer was bewezen verklaard dat de verdachte ‘van voorwerpen, te weten mobiele telefoons (merk: Apple) de herkomst en de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, terwijl zij wist dat dat voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf’. Bij een doorzoeking van een inbeslaggenomen voertuig waren zeven (gestolen) mobiele telefoons aangetroffen, onder meer in kleding die in tassen in de auto zat. Geklaagd werd dat het hof het bewezenverklaarde ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd had gekwalificeerd als witwassen. Aan het middel lag, in de bewoordingen van Uw Raad, ‘de opvatting ten grondslag dat de recente rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot de nadere motiveringseisen van het oordeel dat sprake is van witwassen in het geval dat de verdachte een uit enig door hemzelf begaan misdrijf afkomstig voorwerp heeft verworven of voorhanden heeft gehad, ook betrekking heeft op het bewezenverklaarde verbergen of verhullen als bedoeld in art. 420bis, eerste lid onder a, Sr’. Die opvatting is volgens Uw Raad onjuist.22

64. In HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:214 was bewezen verklaard dat de verdachte ‘van voorwerpen, te weten motoren, de vindplaats heeft verhuld, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat die voorwerpen – middellijk of onmiddellijk – uit misdrijf afkomstig waren’. Uw Raad leidde uit de bewijsvoering af dat het hof had vastgesteld ‘dat twee aan de verdachte toebehorende motorfietsen zijn aangetroffen in de afgesloten en vanaf de openbare weg niet zichtbare tuin van [getuige]. In aanmerking genomen dat het Hof voorts heeft vastgesteld dat de motorfietsen niet met legale inkomsten zijn gefinancierd en dat [getuige] niet wist door wie die motorfietsen in de tuin zijn geplaatst, is het oordeel van het Hof dat de vindplaats van de motorfietsen aldus door de verdachte is verhuld, niet onbegrijpelijk’.

65. Uit rechtspraak inzake het verbergen of verhullen van de herkomst van een voorwerp volgt dat Uw Raad de vaststelling van gedragingen die op het verbergen van een voorwerp neerkomen in die context veelal niet toereikend acht voor een bewezenverklaring. In HR 11 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2293, NJ 2017/30 m.nt. Reijntjes was ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat hij van bankbiljetten de herkomst had verhuld terwijl hij wist dat die voorwerpen afkomstig waren uit enig misdrijf. Uw Raad was van oordeel dat uit de door het hof vastgestelde omstandigheid ‘dat de verdachte biljetten van 500 euro heeft omgewisseld in kleinere coupures, die waren weggestopt in een tas onder een autostoel en in de broekzak van de verdachte’ niet zonder meer kon worden afgeleid dat sprake was van gedragingen die gericht waren op het ‘verhullen’ van de ‘herkomst’ van die geldbedragen.

66. Een vergelijkbare benadering kan worden afgeleid uit rechtspraak die gewezen is in het kader van de zogenaamde kwalificatie-uitsluitingsgrond. Het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit eigen misdrijf, kan ingevolge deze rechtspraak niet zonder meer als witwassen worden gekwalificeerd. Uit de motivering van de uitspraak moet kunnen worden afgeleid dat de gedragingen van de verdachte ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp.23 In tal van zaken is duidelijk gemaakt dat het enkel verstoppen van een voorwerp niet als het verhullen van de criminele herkomst kan worden aangemerkt.24

67. In het licht van de eerder weergegeven wetsgeschiedenis (bezien tegen de achtergrond van de internationale verplichtingen tot strafbaarstelling van witwassen) alsmede de rechtspraak van Uw Raad, ligt het in de rede dat van het verhullen of verbergen van de rechthebbende op een voorwerp eerst sprake is als een gedraging erop gericht is die rechthebbende aan het zicht te onttrekken en daar ook geschikt toe is. Met de steller van het middel kan worden aangenomen dat het op naam van een ander stellen van een auto als een dergelijke gedraging kan worden gezien. En dat daarvan ook sprake kan zijn als geld wordt gestort op een bankrekening, terwijl een ander dan de rekeninghouder daar feitelijk over kan beschikken.25 Maar anders dan de steller van het middel meen ik dat ook de feiten en omstandigheden die het hof in de onderhavige strafzaak heeft vastgesteld, voldoende grond vormen voor het oordeel dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) waren van de gevonden geldbedragen. Door de geldbedragen vanuit Amsterdam naar Rotterdam te vervoeren, als een volgende schakel in de witwasketen na [betrokkene 3] , [betrokkene 2] en [betrokkene 1] , en in het bijzonder door deze vervolgens onder te brengen in een onderhands gehuurde woning waar in de gemeentelijke administratie een ander stond ingeschreven, is een ‘mistgordijn’ opgeworpen, een ‘vertekend beeld’ gecreëerd dat het zicht op de rechthebbende heeft verhuld.

68. De steller van het middel ziet dat anders. Het hof zou ontoereikend hebben gemotiveerd hoe het gegeven dat op het woonadres andere personen dan de verdachte stonden ingeschreven (het gezin [betrokkene 5] ) ‘kan bijdragen aan de bewezenverklaarde opzettelijke handelingen verbergen en/of verhullen’. Ter onderbouwing wordt gesteld dat het hof niet heeft overwogen of vastgesteld dat de verdachte enige invloed heeft gehad op het feit dat het gezin [betrokkene 5] op dat adres ingeschreven stond of dat hij daar woonde en daar dus zelf ingeschreven had moeten staan.

69. In zoverre het middel ervan uitgaat dat het hof het op het adres ingeschreven staan van het gezin [betrokkene 5] ziet als iets wat de verdachte heeft bewerkstelligd, gaat het uit van een verkeerde lezing van de betreffende overweging. Het hof heeft vastgesteld dat het geld in een kluis in die woning bewaard is, terwijl op het adres van die woning een ander gezin ingeschreven stond. Die omstandigheid bracht mee, zo begrijp ik het hof, dat de woning lastiger in verband was te brengen met (verdachte en) medeverdachte [betrokkene 15] . Zo gelezen is deze overweging geenszins onbegrijpelijk. En deze uitleg ligt zozeer voor de hand dat de betreffende zinsnede geen nadere uitleg behoefde.

70. De steller klaagt ten slotte dat het hof niet heeft overwogen of vastgesteld dat de verdachte wist dat het gezin [betrokkene 5] op het genoemde adres stond ingeschreven. Voor zover het hof de inschrijving van het gezin [betrokkene 5] ziet als onderdeel van het verbergen of verhullen van de rechthebbende van het geld zou het oordeel van het hof zonder nadere motivering dan ook niet begrijpelijk zijn.

71. In het voorgaande heb ik toegelicht hoe ‘s hofs overweging in het geheel van de bewijsconstructie dient te worden begrepen. Daarin ligt besloten dat en waarom het hof niet behoefde vast te stellen dat de verdachte wist dat het gezin [betrokkene 5] op het genoemde adres ingeschreven stond om dat gegeven mee te laten wegen in de bewijsconstructie. Uit ’s hofs – door het middel niet bestreden – vaststelling dat de verdachte de woning onderhands had gehuurd vloeit voort dat de verdachte daar niet ingeschreven stond. En dat is – zoals aangegeven – het element waar het hof in de laatste zin, ter verdere versterking van de bewijsconstructie, de aandacht op vestigt.

72. Ten overvloede wijs ik erop dat ook in het geval Uw Raad anders dan ik van oordeel zou zijn dat de bewezenverklaring van feit 1 voor zover zij betrekking heeft op het verbergen of verhullen van de rechthebbende op de gevonden geldbedragen niet toereikend met redenen omkleed zou zijn, het middel niet tot cassatie behoeft te leiden. Het hof heeft ook andere witwasgedragingen met betrekking tot dezelfde geldbedragen bewezen verklaard: het verwerven en voorhanden hebben. Uit de bewijsvoering volgt dat de geldbedragen niet van eigen misdrijf afkomstig zijn.26 Tegen deze onderdelen van de bewezenverklaring richt het middel zich niet. Uit de strafmotivering blijkt voorts dat het hof aan de bewezenverklaring van het verbergen of verhullen van de rechthebbende op de geldbedragen geen bijzonder gewicht in strafverhogende zin heeft toegekend.27 Al met al meen ik dat niet kan worden gezegd dat in het geval het verbergen en verhullen van de rechthebbende(n) uit de bewezenverklaring zou wegvallen, aard en ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd wordt aangetast. Tegen die achtergrond ontbreekt een in cassatie te respecteren belang bij deze klacht.28

73. Het derde middel faalt in al zijn onderdelen.

74. In ieder geval de eerste beide middelen kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

75. Ambtshalve stel ik vast dat namens de verdachte op 18 oktober 2016 beroep in cassatie is ingesteld en dat Uw Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken nadat het beroep is ingesteld. Daarmee is gegeven dat het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn is geschonden.29 De overschrijding van de redelijke termijn dient te leiden tot een verlaging van de opgelegde gevangenisstraf.30

76. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het betrof de leiders van de verschillende onderzoeken: [betrokkene 17] , teamleider in het onderzoek Atilax, [betrokkene 18] , teamleider in het onderzoek Kompera, [betrokkene 19] , teamleider in het onderzoek Puck/Scorpius alsmede [betrokkene 20] , werkzaam bij het KLPD en [betrokkene 21] , werkzaam bij de nationale recherche.

2 Het betrof de medeverdachten [betrokkene 3] , [betrokkene 24] , [betrokkene 2] , [betrokkene 9] , [betrokkene 15] en [betrokkene 1] .

3 HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 m.nt. Borgers, rov. 2.76; HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3355, rov. 2.5; HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1219, NJ 2017/441 m.nt. Kooijmans, rov. 3.8.2.; HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:72, rov. 2.5.2.

4 Het middel beargumenteert ook niet dat dit anders zou zijn. De toelichting noemt wel vragen die de verdediging na cassatie zou willen stellen, en die meebrengen dat de verdachte belang bij (behandeling in) cassatie heeft. Bij het beoordelen van de juistheid van ’s hofs oordeel doet het daar gestelde evenwel niet ter zake.

5 HR 26 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1169, NJ 1999/537 m.nt. Schalken; rov. 4.4; HR 2 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6138, NJ 2010/86, rov. 2.3; HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4507, rov. 3.4.; HR 14 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1194, NJ 2016/286, rov. 2.3; HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3192, rov. 2.4.1.

6 HR 14 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1194, NJ 2016/286, rov. 2.3.

7 Zie HR 14 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1193 voor de zaak tegen de medeverdachte.

8 Ook in HR 26 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1169, NJ 1999/537 m.nt. Schalken en in HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4507 was een alternatieve bezitter van het wapen (in beide gevallen de zoon van de verdachte) duidelijk in beeld.

9 In dezelfde lijn ligt HR 7 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN2370, NJ 2010/682. Bij een doorzoeking van een opslagbox werden een riotgun en munitie aangetroffen. De verdachte verklaarde ter terechtzitting in hoger beroep dat andere mensen ook toegang hadden tot de box. Het hof was van oordeel dat dit er niet aan afdeed dat de verdachte het wapen en de munitie voorhanden had. Volgens Uw Raad was ’s hofs oordeel dat de verdachte het wapen en de munitie voorhanden had ‘in het licht van de niet door de bewijsmiddelen weersproken verklaring van de verdachte dat ook anderen dan hijzelf de sleutel hadden van de opslagbox waar het vuurwapen en de munitie zijn aangetroffen, niet zonder meer begrijpelijk’. Mogelijk kan ook HR 25 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7694 in dit perspectief worden geplaatst. Het pistool is aangetroffen in een huurauto die door de verdachte werd gebruikt maar door zijn vriendin was gehuurd. De ingangsdatum van de huur blijkt bovendien niet uit de bewijsmiddelen. In HR 25 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN4133 ging het om een pistool dat in de afzuigkap was aangetroffen van een huis waarin de verdachte (blijkens de conclusie van A-G Machielse, onder 11.5) samen met zijn vriendin verbleef.

10 Een dergelijke verklaring ontbrak in HR 7 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN2370, NJ 2010/682.

11 HR 22 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU1993, NJ 2006/219 m.nt. Schalken, rov. 3.8; zie eerder HR 4 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1727, NJ 2000/225, rov. 3.5 en HR 23 oktober 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1264, NJ 1991/328, rov. 5.3.

12 B.F. Keulen en G. Knigge, Strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 493. Vgl. HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5377, rov. 3.3, HR 16 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AY9172, NJ 2007/71, rov. 4.2. Zie ook G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 806-807: denaturering van een mededeling van de verdachte ‘doet zich voor als de rechter daaraan in weerwil van de bedoeling van de verdachte, een geheel andere betekenis geeft’. Vgl. ook HR 20 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2143, met conclusie A-G Hofstee onder 17 (art. 81 RO); HR 11 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2280, met conclusie A-G Bleichrodt onder 11 (art. 81 RO).

13 Dat was wel het geval in HR 3 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX7487, NJ 2006/550, rov. 5.5, waarin de verklaring van betrokkene, voor zover luidende ‘Het laatste transport, eind mei 1998, is niet doorgegaan’, door het hof werd weergegeven met de woorden ‘Het laatste transport vond eind mei 1998 plaats’. Daarmee werd naar het oordeel van Uw Raad een andere feitelijke inhoud gegeven aan de verklaring van de betrokkene. En van denaturering was ook sprake in HR 7 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3938, waarin het hof een herkenning met betrekking tot politiefoto PL139905021377 ook van toepassing verklaarde op de getoonde politiefoto PL139905021371 terwijl uit het onderliggende proces-verbaal van bevindingen volgde dat de aangever bij het tonen van de laatste foto als volgt had verklaard: “Deze man herken ik niet. Ik kan mij hem niet herinneren.”

14 De steller van het middel haalt in dit kader in het bijzonder aan hetgeen de verdachte onder 39 en 40 in zijn bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van 30 maart 2016 heeft verklaard.

15 Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma, rov. 3.8.2.

16 Kamerstukken II 1999/2000, 27 159, nr. 3, p. 14 en 15.

17 Kamerstukken II 2000/01, 27 159, nr. 5, p. 17.

18 Kamerstukken II 2000/01, 27 159, nr. 7, p. 1.

19 Kamerstukken II 1999/2000, 27 159, nr. 3, p. 3-4.

20 Zie voor de Nederlandse vertaling Trb. 1990, 94. Ook dit verdrag is bij de vormgeving van de strafbaarstellingen betrokken (Kamerstukken II 1999/2000, 27 159, nr. 3, p. 1). En dat geldt ook voor het Verdrag inzake het witwassen, de opsporing, de inbeslagneming en de confiscatie van opbrengsten van misdrijven, Straatsburg, 8 november 1990, Trb. 1990, 172, waarvan artikel 6 in de Engelse tekst spreekt over ‘the concealment or disguise of the true nature, source, location, disposition, movement, rights with respect to, or ownership of, property, knowing that such property is proceeds’.

21 Voluit: Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie.

22 In dezelfde zin HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3043, NJ 2016/80 m.nt. Keulen.

23 Zie onder meer HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2913, NJ 2014/500 m.nt. Keijzer, rov. 2.3 en 2.4; HR 27 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3169, NJ 2016/83 m.nt. Keulen, rov. 4.4; HR 26 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2499, rov. 3.3; HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:644, NJ 2017/277 m.nt. Kooijmans, rov. 2.3.2 en HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:652, NJ 2017/278 m.nt. Kooijmans, rov. 2.3.2.

24 Vgl. HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:553, NJ 2016/385 m.nt. Keulen, rov. 2.3, en de in die noot onder 3 vermelde rechtspraak.

25 Vgl. HR 5 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:838 en de bijbehorende conclusie van A-G Hofstee onder 43 (81 RO).

26 Het ging om geldbedragen die, zo stelt het gerechtshof vast, werden ontvangen van de groep [betrokkene 3] / [betrokkene 2] / [betrokkene 1] ; het hof gaat ervan uit dat door die groep ook werd witgewassen.

27 Het hof vermeldt in de omschrijving van het bewezenverklaarde in de strafmotivering wel dat de geldbedragen contant in een kluis in de door de verdachte onderhands gehuurde woning werden bewaard; nergens blijkt uit dat het de verdachte dit aspect in het bijzonder aanrekent. Daarbij had dit aspect ook bij de strafbepaling ter zake van het voorhanden hebben kunnen worden betrokken.

28 Vgl. HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2913, NJ 2014/500 m.nt. Keijzer, rov. 2.5.4. Bij de kwalificatie heeft het hof aan de bewezenverklaring van deze witwasgedragingen kennelijk geen zelfstandige betekenis toegekend (vgl. HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3043, NJ 2016/80 m.nt. Keulen, rov. 4.3; HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1069, rov. 2.3) Zie voor toepassingen van een ‘belangredenering’ in vergelijkbare situaties HR 5 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:822 alsook ECLI:NL:HR:2018:838 en de bijbehorende conclusies van A-G Hofstee onder respectievelijk 19 en onder 43; beide middelen werden verworpen met de aan art. 81 RO ontleende formulering.

29 Zie HR 3 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7309, NJ 2000/721 m.nt. De Hullu, alsmede HR 14 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis.

30 Blijkens een op de aanbiedingsbrief van de processtukken geplaatst stempel zijn de stukken van het geding eerst op 24 oktober 2017 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dat brengt mee dat de inzendtermijn van acht maanden, in geval van een niet preventief gehechte verdachte, met ruim vier maanden is overschreden. De vertraging is derhalve niet enkel bij de afhandeling van het cassatieberoep opgetreden.