Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:1298

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
29-10-2019
Datum publicatie
10-12-2019
Zaaknummer
18/04154
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1931
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 416.2 Sv na veroordeling t.z.v. 3 verkeersovertredingen (art. 8.2.a WVW 1994, art. 9.2 WVW 1994 en art. 5 WVW 1994). Dubbel verstek. Aanwezigheidsrecht. Had afschrift van oproeping voor nadere tz. in h.b. naar kantooradres van raadsman, zoals vermeld in in schriftelijke bijzondere volmacht tot instellen h.b., moeten worden verzonden? Volmacht tot instellen h.b. vermeldt als adressen voor toezending van oproeping in h.b. naast kantooradres van raadsman (“uiteraard ontvang ik als raadsman van cliënt, ook in hoger beroep, graag afschriften van de in deze zaak relevante processtukken waaronder de dagvaarding in hoger beroep”; adres A) ook ander adres (“u kunt deze (een afschrift daarvan) sturen aan”; adres B). Oproeping voor nadere tz. in h.b. is uitgereikt aan griffier Rb, omdat van verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is, en voorts uitgereikt aan huisgenoot op adres B. Nu zich bij aan HR gezonden stukken mededeling van AG van Ressortparket bevindt, gericht aan raadsman van verdachte en inhoudende dat op datum van nadere tz. in h.b. strafzaak wordt behandeld tegen verdachte, mist middel feitelijke grondslag en faalt het reeds daarom. Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/04154

Zitting 29 oktober 2019

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 11 april 2016 door het gerechtshof Den Haag, gelet op het bepaalde in art. 416, tweede lid, Sv, niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.

  2. Namens de verdachte hebben mr. D.N. de Jonge en mr. M.E. Olthof, beiden advocaat te Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel klaagt dat het hof op de terechtzitting van 11 april 2016 de zaak tegen de verdachte ten onrechte, dan wel onvoldoende gemotiveerd in behandeling heeft genomen en niet het onderzoek ter terechtzitting heeft geschorst, nu een afschrift van de oproeping voor die terechtzitting had moeten worden gezonden aan het kantooradres van de raadsman mr. S. Arts, terwijl dit achterwege is gebleven, althans niet kan worden vastgesteld dat dit is gebeurd. Daarbij wordt een beroep gedaan op HR 19 december 2017.1

4. Voor de beoordeling van het middel is de volgende gang van zaken met betrekking tot het instellen van hoger beroep van belang, zoals die blijkt uit de stukken die op grond van art. 435, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad zijn gezonden.

5. De “Akte instellen hoger beroep” houdt in dat op 10 april 2015 ter griffie van de rechtbank Rotterdam, B. Kats ambtenaar ter griffie van deze rechtbank kwam “die – daartoe gemachtigd blijkens de aan deze akte gehechte brief welke dient te worden beschouwd als een bijzondere volmacht – verklaarde namens [de verdachte] hoger beroep in te stellen”.

6. De brief die aan de akte rechtsmiddel is gehecht, geeft als adres voor de ontvangst van een afschrift van de dagvaarding op: “[a-straat 1], [plaats]”. Deze brief is ondertekend door mr. S. Arts, die verklaart betreffende het instellen van hoger beroep op te treden als “uitdrukkelijk bepaaldelijk gevolmachtigd raadsman”.

7. Het briefpapier vermeldt als kantooradres van de raadsman: “Postbus [...], [plaats]” en “[b-straat 1], [plaats]”.

8. De appelakte vermeldt met betrekking tot het adres van de verdachte: “Vertrokken, onbekend waarheen”.

9. Art. 450, derde lid, Sv luidt:

“Aan een schriftelijke bijzondere volmacht, verleend aan een medewerker ter griffie, tot het voor de verdachte aanwenden van het rechtsmiddel wordt slechts gevolg gegeven indien de verdachte daarbij instemt met het door deze medewerker ter griffie van het gerecht waar het rechtsmiddel wordt ingesteld voor de verdachte aanstonds in ontvangst nemen van de oproeping. De verdachte geeft een adres op voor de ontvangst van een afschrift van de dagvaarding.

10. In de zaak die ten grondslag lag aan het arrest van de HR van 19 december 2017 was, net als in de onderhavige zaak, namens de verdachte hoger beroep ingesteld door middel van een schriftelijke bijzondere volmacht aan een medewerker ter griffie, die was verstrekt door een daartoe bepaaldelijk gevolmachtigd advocaat. De Hoge Raad overwoog in dit arrest het volgende:

“2.6. Opmerking verdient nog dat de opgave van een adres voor de toezending van het afschrift van de appeldagvaarding als bedoeld in art. 450, derde lid, Sv zich onderscheidt van de opgave van een adres in de zin van art. 588a, eerste lid onder c, Sv. Eerstgenoemde opgave is verplicht indien het instellen van het hoger beroep geschiedt door middel van een schriftelijke bijzondere volmacht aan een medewerker ter griffie. Deze verplichting houdt verband met de in art. 450, derde lid, Sv voorziene mogelijkheid dat aanstonds na het instellen van het hoger beroep een oproeping aan de verdachte om tegen een bepaalde datum ter terechtzitting te verschijnen wordt uitgereikt aan een medewerker ter griffie. Die uitreiking geldt als uitreiking in persoon aan de verdachte, waarbij een afschrift van de oproeping aan het namens de verdachte opgegeven adres als bedoeld in art. 450, derde lid, Sv wordt verzonden (art. 450, vijfde lid, Sv). Dat mag ook het kantooradres van de advocaat betreffen die namens de verdachte een schriftelijke volmacht heeft verleend aan een griffiemedewerker om hoger beroep in te stellen.

Indien de betekening van de dagvaarding of de oproeping niet aanstonds na het instellen van het hoger beroep geschiedt, doch op een nadien gelegen moment, vindt de regeling van art. 450, vijfde lid, Sv geen toepassing maar bestaat op grond van art. 588a, eerste lid aanhef en onder c, Sv wel de verplichting - behoudens in de gevallen genoemd in art. 588a, derde lid, Sv - om een afschrift van de dagvaarding of oproeping toe te zenden aan een door of namens de verdachte bij het instellen van het hoger beroep opgegeven adres in Nederland waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. In HR 17 november 2015, ECLI:NL: HR:2015:3320, NJ 2016/18, is overwogen dat aangenomen moet worden dat art. 588a, eerste lid onder c, Sv niet het oog heeft op het kantooradres van een advocaat dat is vermeld in de akte rechtsmiddel of de door hem verstrekte schriftelijke bijzondere volmacht tot het instellen van het rechtsmiddel, waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. Met betrekking tot de ontvangst van (afschriften van) dergelijke mededelingen geldt immers de regeling van art. 48 Sv. Dat laat overigens onverlet, naar in voornoemd arrest is overwogen, dat - gelet op het grote belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht - in het specifieke geval dat de appeldagvaarding op de voet van art. 588, eerste lid sub b onder 3°, Sv ter griffie is uitgereikt om reden dat de verdachte niet is ingeschreven in een BRP en niet is gedetineerd in Nederland, noch een feitelijke woon- of verblijfplaats van hem in Nederland of een adres in het buitenland bekend is, de appelrechter bij afwezigheid van de verdachte of een door hem op de voet van art. 279 Sv gemachtigde raadsman de zaak niet in behandeling mag nemen dan nadat een afschrift van de appeldagvaarding is verzonden naar het in de akte rechtsmiddel dan wel in de schriftelijke volmacht vermelde kantooradres van de advocaat opdat de verdachte mogelijk langs die weg op de hoogte komt van het tijdstip van de behandeling van zijn zaak.”

11. Voor de beoordeling van het middel is met name de laatste overweging van de Hoge Raad van belang, te weten “dat - gelet op het grote belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht - in het specifieke geval dat de appeldagvaarding op de voet van art. 588, eerste lid sub b onder 3°, Sv ter griffie is uitgereikt om reden dat de verdachte niet is ingeschreven in een BRP en niet is gedetineerd in Nederland, noch een feitelijke woon- of verblijfplaats van hem in Nederland of een adres in het buitenland bekend is, de appelrechter bij afwezigheid van de verdachte of een door hem op de voet van art. 279 Sv gemachtigde raadsman de zaak niet in behandeling mag nemen dan nadat een afschrift van de appeldagvaarding is verzonden naar het in de akte rechtsmiddel dan wel in de schriftelijke volmacht vermelde kantooradres van de advocaat opdat de verdachte mogelijk langs die weg op de hoogte komt van het tijdstip van de behandeling van zijn zaak.”

12. In de onderhavige zaak is de oproeping voor de nadere terechtzitting van het hof van 11 april 2016 op 18 februari 2016 op de voet van art. 588, eerste lid sub b onder 3°, Sv ter griffie uitgereikt omdat de verdachte niet is ingeschreven in een BRP en niet is gedetineerd in Nederland, noch een feitelijke woon- of verblijfplaats van hem in Nederland of een adres in het buitenland bekend is. De verdachte was ter terechtzitting afwezig, terwijl daar ook geen op de voet van art. 279 Sv gemachtigde raadsman is verschenen. In zoverre doet zich in de onderhavige zaak het “specifieke geval” voor als bedoeld in het arrest van 19 december 2017. Evenwel anders dan in dat “specifieke geval”, is in de onderhavige zaak in de schriftelijke volmacht niet het kantooradres van de advocaat opgegeven, maar het adres [a-straat 1], [plaats]. Vervolgens blijkt uit de stukken die op grond van art. 435, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad zijn gezonden, dat op 24 februari 2016 op dit adres een oproeping voor de terechtzitting van 11 april 2016 is betekend aan [betrokkene 1], die zich op dat adres bevond en die zich bereid verklaarde de brief in ontvangst te nemen en onverwijld aan de verdachte te doen toekomen.2 Ook hierin verschilt de nu voorliggende zaak van de zaak die in het arrest van 19 december 2017 voorlag, omdat toen geen ander adres dan het kantooradres van de advocaat bekend was om de verdachte mogelijk te kunnen bereiken.

13. Anders dan de steller van het middel aanvoert, bestond, gelet op de voormelde verschillen met het “het specifieke geval” als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2017, in de nu voorliggende zaak geen verplichting om een afschrift te sturen aan het kantooradres van de advocaat voordat de appelrechter de zaak in behandeling mocht nemen. Tot een nadere motivering om de zaak in behandeling te nemen, was het hof niet gehouden.

13.1

Zelfs indien er toch van zou moeten worden uitgegaan, dat het kantooradres van de advocaat was vermeld in de bijzondere schriftelijke volmacht, omdat het adres daarvan is vermeld op het briefpapier, dan nog zou in deze zaak naar mijn mening geen verplichting hebben bestaan een afschrift van de oproeping te verzenden naar dat kantooradres. Uit de stukken die op grond van art. 435, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad zijn gezonden, blijkt immers dat mr. Arts zich op 11 december 2015, dus na het door hem laten instellen van hoger beroep, in deze zaak als advocaat heeft onttrokken juist omdat hij geen contact meer heeft met de verdachte. Dat hij – kennelijk als gevolg van een administratieve fout - desalniettemin is opgeroepen voor de nadere terechtzitting op 11 april 2016 doet daaraan niet af. Het is immers niet langer aannemelijk dat de verdachte langs die weg op de hoogte komt van het tijdstip van de behandeling van zijn zaak.

13.2

Het middel faalt.

14. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

15. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv. AG

1 ECLI:NL:HR:2017:3190, NJ 2018/322 m.nt. T. Kooijmans.

2 Op de terechtzitting van het hof van 9 september 2015 heeft de voorzitter van het (destijds anders samengestelde) hof geconstateerd “dat is nagelaten om een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep te verzenden naar het adres dat is vermeld op de mededeling uitspraak die op 9 april 2015 aan de verdachte in persoon is betekend, te weten: “[a-straat 1] [bedoeld zal zijn: [...], DP], [plaats]”. Vervolgens heeft het hof ter terechtzitting van 27 november 2015 geconstateerd – toen het dezelfde samenstelling had als waarin het hof het in cassatie bestreden arrest heeft gewezen – “dat is nagelaten om een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep te zenden naar het adres dat door de raadsman bij het instellen van het hoger beroep is opgegeven: [a-straat 1] te [plaats]” en bevolen dat een afschrift van de oproeping (mede) naar dat adres zal worden gezonden.