Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:1297

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
29-10-2019
Datum publicatie
10-12-2019
Zaaknummer
18/05252
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1933
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Handelen in strijd met art. 3.B Opiumwet, terwijl feit betrekking heeft op grote hoeveelheid, en diefstal (art. 310 Sr). Hof heeft verdachte n-o verklaard in zijn h.b., omdat het te laat is ingesteld. Omstandigheid waaruit voortvloeit dat einduitspraak verdachte bekend is, art. 408.2 Sv. Kan uit akte van uitreiking waarnaar Hof verwijst worden afgeleid welk stuk c.q. welke stukken aan verdachte zijn uitgereikt, nu slechts parketnummer wordt vermeld? HR: Op gronden vermeld in CAG is middel terecht voorgesteld. CAG: In het midden kan blijven op welk van op 2-8-2017 uitgesproken vonnissen akte van uitreiking d.d. 23-11-2017 betrekking heeft. Of die akte van uitreiking mededeling vonnis betreft, is immers niet gebleken. Dat Hof o.b.v. datum van uitreiking van die akte heeft aangenomen dat verdachte op 23-11-2017 bekend is geworden met vonnis en heeft geoordeeld dat h.b. op 12-1-2018 te laat is ingesteld, is dan ook niet begrijpelijk. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 18/05542 P.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/05252

Zitting 29 oktober 2019

CONCLUSIE

D.J.C. Aben

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

hierna: de verdachte.

1. De verdachte is bij arrest van 5 december 2018 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost‑Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, van 2 augustus 2017. De verdachte is bij dat vonnis wegens het onder 1 bewezenverklaarde “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel” en het onder 2 bewezenverklaarde “diefstal”, bij verstek veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, alsmede een gevangenisstraf voor de duur van één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast is de vordering van de benadeelde partij toegewezen en is aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals in de aantekening mondeling vonnis van de rechtbank vermeld.

2. Er bestaat samenhang met de zaak 18/05542. Ook in die zaak zal ik vandaag concluderen.

3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. I.A.C. Cools, advocaat te Tilburg, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel klaagt dat het hof de verdachte ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, niet-ontvankelijk heeft verklaard in het namens hem ingestelde hoger beroep.

5. Het hof heeft de verdachte op de volgende gronden niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep:

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Bij vonnis van 2 augustus 2017 is verdachte ter zake van het ten laste gelegde onder 1 en 2 bij verstek veroordeeld.

Uit de akte van uitreiking van 23 november 2017 blijkt dat op die datum de beslissing van de politierechter van 2 augustus 2017 met parketnummer 01-067899-17 aan verdachte in persoon is uitgereikt. Het hof heeft geconstateerd dat in eerste aanleg bij de rechtbank de strafzaak en de ontnemingszaak (gezamenlijk) onder het parketnummer 01-067889-17 1 zijn aangebracht. Verdachte heeft zich gelegitimeerd met zijn Nederlandse rijbewijs en heeft voormelde akte ondertekend. Verdachte kon volgens de wet gedurende veertien dagen daarna tegen het vonnis hoger beroep instellen.

Nu het hoger beroep op 12 januari 2018, aldus na het verstrijken van die termijn, is ingesteld, dient verdachte daarin niet-ontvankelijk te worden verklaard.”

6. Artikel 408 Sv luidt, voor zover van belang:

“1. Het hoger beroep moet binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld indien:

a.de dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte in persoon is gedaan of betekend;

b.de verdachte op de terechtzitting of nadere terechtzitting is verschenen;

c. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was;

d.de dagvaarding of oproeping binnen zes weken nadat door de verdachte op de voet van artikel 257e verzet is gedaan, rechtsgeldig aan de verdachte is betekend met inachtneming van artikel 588a en in eerste aanleg geen onvoorwaardelijke straf of maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming van langere duur meebrengt dan zes maanden.

2. In andere gevallen dan de in het eerste lid genoemde moet het hoger beroep worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is.”

In het oordeel van het hof ligt besloten dat zich een omstandigheid heeft voorgedaan als bedoeld in artikel 408 lid 2 Sv, te weten dat de verdachte op 23 november 2017 met beide onder parketnummer 01‑067899-17 op 2 augustus 2017 uitgesproken vonnissen bekend is geworden. Van een ‘omstandigheid waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is’, is naar het oordeel van de Hoge Raad sprake als de verdachte op de hoogte wordt gesteld van datgene wat voor hem van belang is voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep.2

8. Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een aantal aan elkaar gehechte kopieën (scans) van aktes, brieven en informatiestaten uit de SKDB (strafrechtketendatabank). Dat pakket en de overige stukken houden voor zover relevant en (goeddeels) geordend op chronologische volgorde het volgende in:

(i) een informatiestaat SKDB gedateerd 30 mei 2017, om 10.14 uur, inhoudende dat de verdachte sinds 18 februari 2013 staat ingeschreven op het adres [a-straat 1] te [plaats] en dat datzelfde adres sinds 17 augustus 2016 staat geregistreerd als laatst opgegeven woon- of verblijfplaats;

(ii) een informatiestaat SKDB gedateerd 16 oktober 2017, om 10.57 uur, inhoudende dat de verdachte sinds 27 mei 2017 staat ingeschreven op het adres [b-straat 1] te [plaats] en dat het adres [a-straat 1] te [plaats] sinds 17 augustus 2016 staat geregistreerd als laatst opgegeven woon- of verblijfplaats;

(iii) een ‘akte van uitreiking aan de geadresseerde of een huisgenoot’ met invuldatum 22 mei 2017, 14.42 uur, geadresseerd aan de verdachte, [a-straat 1] te [plaats] , betreffende een dagvaarding inzake parketnummer 01‑067899‑17 voor de zitting van de politierechter van 2 augustus 2017, met de (aangevinkte) mededeling dat de brief niet is kunnen worden uitgereikt omdat de geadresseerde niet meer woont op het vermelde adres;

(iv) een dagvaarding van de verdachte voor de terechtzitting van 2 augustus 2017 van de politierechter op een adres te ‘s-Hertogenbosch, inzake parketnummer 01‑067899‑17, en met als aanmaakdatum 30 mei 2017, en daarop vermeld de tenlasteleggingen die zijn toegesneden op de delictsomschrijvingen van artikel 3 aanhef en onder B van de Opiumwet, respectievelijk diefstal (artikel 310 Sr);

(v) een akte van uitreiking met invuldatum 30 mei 2017, 10.55 uur, geadresseerd aan de verdachte, [a-straat 1] te [plaats] , betreffende een dagvaarding inzake parketnummer 01‑067899‑17 voor de terechtzitting van de politierechter van 2 augustus 2017. Aangekruist is dat de geadresseerde op de dag van de eerste aanbieding en vijf dagen daarna bij de GBA stond ingeschreven op het op de akte vermelde adres ( [a-straat 1] te [plaats] ). Het invulveld aangaande een door de verdachte opgegeven adres is niet ingevuld. Verder stelt de op de akte vermelde medewerker van het OM te zijn overgegaan tot uitreiking van de gerechtelijke brief aan de griffier en tot verzending van een afschrift (van de gerechtelijke brief) naar het op de akte vermelde adres, met als datum van verzending: 30 mei 2017;

(vi) een (gedeelte van een) ‘akte van uitreiking aan de geadresseerde’ van een mededeling uitspraak van de politierechter van 2 augustus 2017, parketnummer 01-067899-17, invuldatum 20 september 2017 om 8.34 uur, geadresseerd aan de verdachte, [b-straat 1] te [plaats] . Datzelfde adres is ingevuld als adres en plaats van handeling. Aangekruist is dat de medewerker IPKD de brief niet heeft uitgereikt omdat er niemand aanwezig of bereid was om die aan te nemen;

(vii) een scan van (een gedeelte van) – naar ik vermoed – de achter- of onderzijde van de onder (vi) genoemde akte van uitreiking. De invuldatum is 28 september 2017, om 08.14 uur. Aangekruist is de optie “Baliemedewerker, de brief is na zeven dagen nog niet afgehaald. U kunt de brief dus niet uitreiken.”;

(viii) een akte van uitreiking van een mededeling uitspraak van de zitting van de politierechter van 2 augustus 2017, parketnummer 01-067899-17, geadresseerd aan de verdachte, [b-straat 1] te [plaats] , invuldatum 16 oktober 2017 om 11.10 uur, met de (aangekruiste) mededeling dat de geadresseerde op het bovenvermelde adres bij het GBA stond ingeschreven op de dag van de eerste aanbieding en vijf dagen daarna, dat een medewerker van het OM de brief heeft uitgereikt aan de griffier, en dat deze een afschrift heeft verzonden naar het op de akte vermelde adres ( [b-straat 1] te [plaats] ), en met als datum van verzending 16 oktober 2017;

(ix) een ‘akte van uitreiking’ aan de verdachte (in persoon), gedateerd 23 november 2017, 13.35 uur, met betrekking tot parketnummer 01-067899-17, met de mededeling dat de verdachte zich heeft gelegitimeerd met een rijbewijs met het nummer [0001] , ondertekend door twee personen, mogelijk de inrichtingsmedewerker die de akte heeft opgemaakt en de verdachte;3

(x) een mededeling uitspraak, gedagtekend op 30 november 2017, afkomstig van de officier van justitie te ’s-Hertogenbosch, inhoudend de beslissing van de politierechter te ’s-Hertogenbosch d.d. 2 augustus 2017 tot oplegging aan de verdachte van de verplichting tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter grootte van € 21.292,92, ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel;

(xi) een brief van het OM (arrondissementsparket Oost-Brabant) aan de verdachte d.d. 13 december 2017, geadresseerd [b-straat 1] te [plaats] , met als onderwerp “Mededeling Voorwaardelijke Veroordeling”, parketnummer 01-067899-17, waarin de gegevens vermeld staan van het door de politierechter op woensdag 2 augustus 2017 uitgesproken vonnis in de strafzaak. De ontneming wordt niet genoemd;

(xii) een akte instellen hoger beroep d.d. 12 januari 2018 opgemaakt door de griffie van de rechtbank Oost-Brabant, met de mededeling dat deze is opgemaakt naar aanleiding van een op 9 januari 2018 ingekomen, als volmacht te beschouwen brief van de verdachte. Bijgevoegd zijn een grievenformulier, en de in de akte bedoelde ongedateerde brief van de verdachte, die op de strafgriffie is ingekomen op 12 januari 2018 (en volgens een stempel bij het SPOM/KCC op 9 januari 2018);

(xiii) een ‘akte van uitreiking’ d.d. 12 januari 2018, 21.30 uur, met de mededeling dat een uitreiking heeft plaatsgevonden aan de verdachte, met betrekking tot parketnummer 01-067899-17. De “verbalisant/inrichtingsmedewerker: [...]” en de verdachte hebben de akte niet ondertekend. Vermeld staat dat de verdachte zich heeft gelegitimeerd met een document met nummer [0001] ;

(xiv) een volledig handgeschreven ‘akte van uitreiking’ d.d. 12 januari 2018 om 21.30 uur, met ook overigens dezelfde gegevens als vermeld in de hiervoor onder (xiii) genoemde akte, waarbij deze akte echter wél is voorzien van twee handtekeningen, te weten één onder ‘verbalisant/inrichtingsmedewerker’, en een andere, waarin de naam ‘adil’ te herkennen is.4

9. Blijkens de toelichting is aan het middel ten grondslag gelegd dat uit de akte van uitreiking waarnaar het hof verwijst (hierboven opgesomd onder (ix)) niet blijkt welk stuk c.q. welke stukken aan de verdachte zijn uitgereikt, nu slechts het parketnummer wordt vermeld. De steller van het middel verwijst naar de data van de documenten die zijn genoemd onder (x) en (xi) in de voorgaande opsomming, alsmede naar de aantekening mondeling vonnis en een niet bij de stukken in deze zaak gevoegde mededeling uitspraak d.d. 7 augustus 2017, aangaande – kennelijk – de ontnemingsvordering. De steller van het middel wijst erop dat deze afzonderlijke brieven van zeer verschillende momenten dateren. Ten aanzien van de onder (x) bedoelde mededeling uitspraak betoogt de steller van het middel dat die brief omwille van de datum van dagtekening daarvan (30 november 2017) onmogelijk kan zijn uitgereikt bij de akte d.d. 23 november 2017 waarnaar het hof verwijst.

10. Het middel is naar mijn inzicht terecht voorgesteld. In het midden kan blijven op welk van de op 2 augustus 2017 onder parketnummer 01‑067899‑17 uitgesproken vonnissen de akte van uitreiking d.d. 23 november 2017 betrekking heeft. Of die akte van uitreiking een mededeling vonnis betreft, is immers niet gebleken. Dat het hof op basis van de datum van uitreiking van die akte heeft aangenomen dat de verdachte op 23 november 2017 bekend is geworden met het vonnis, en heeft geoordeeld dat het hoger beroep zodoende op 12 januari 2018 te laat is ingesteld, is dan ook niet begrijpelijk.5

11. Ik heb me nog afgevraagd of het slagen van de klacht niettemin niet tot vernietiging van de bestreden uitspraak behoeft te leiden wegens gebrek aan belang. Als eerste is dat in verband met de mededeling voorwaardelijke veroordeling d.d. 13 december 2017, en dat betreft het document dat hierboven onder (xi) is opgesomd. Indien moet worden aangenomen dat de verdachte door die schriftelijke mededeling bekend is geworden met het eindvonnis, zou de verdachte immers alsnog te laat zijn geweest met het instellen van hoger beroep (op 12 januari 2019). Die redenering gaat echter niet op. Op basis van de stukken kan immers niet worden vastgesteld of en – zo ja – wanneer deze mededeling in persoon aan de verdachte is betekend, op de wijze zoals voorgeschreven door artikel 366a Sv.

12. Ten tweede wijs ik op de perikelen rond de betekening van de dagvaarding voor de terechtzitting van de politierechter van 2 augustus 2017, en dit in verband met de door artikel 408 lid 1 onder c Sv opgeroepen vraag “of zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was”. Gelet op hetgeen bekend is over de uitreiking van de dagvaarding uit de onder (iii), (iv) en (v) opgesomde documenten, kan echter niet worden vastgesteld dat de dagvaarding de verdachte heeft bereikt. De dagvaarding heeft immers als aanmaakdatum 30 mei 2017, terwijl de (mislukte) aanbieding van de dagvaarding op het (toenmalige) adres van de verdachte blijkens de daarvan opgemaakte akte op 22 mei 2017 heeft plaatsgevonden. Op 30 mei is de dagvaarding in plaats daarvan ter griffie betekend en een afschrift verzonden naar het op die akte vermelde adres van de verdachte ( [a-straat 1] te [plaats] ).

13. Ik heb daarbij overigens ook mijn twijfels of laatstgenoemd adres – gelet op het bepaalde in artikel 588 lid 1 sub b onder 1° jo. 588 lid 3 sub c Sv – überhaupt het juiste adres betrof, vanwege de inhoud van de informatiestaten van SKDB-gegevens die hierboven zijn opgesomd onder (i) en (ii). Bij het opvragen van die gegevens op 30 mei 2017 was kennelijk niet bekend dat het adres van de verdachte met ingang van 27 mei 2017 was gewijzigd, hetgeen in de informatiestaat d.d. 16 oktober 2017 wel is vermeld. Volgens die latere gegevens is de op 30 mei 2017 ingenomen stelling dat de verdachte op de dag van de eerste aanbieding en vijf dagen daarna bij de GBA stond ingeschreven op het op de akte vermelde adres ( [a-straat 1] te [plaats] ), immers onjuist.

14. In dit geval kan de vraag wat de consequentie van de discrepantie tussen de beide informatiestaten SKDB zou moeten zijn, in het midden blijven. Reeds op de grond dat ook ten aanzien van de hierboven onder (iii) en (v) opgesomde aktes niet duidelijk is van welk van de beide onder parketnummer 01‑067899‑17 bedoelde zaken een dagvaarding is aangeboden, en de dagvaarding in de strafzaak – zie onder (iv) – in ieder geval pas op 30 mei 2017 is aangemaakt, kan niet worden volgehouden dat de verdachte op basis van die stukken met de dag van de terechtzitting bekend was.

15. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

16. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 DA: Het hof zal in plaats van parketnummer ‘01-067889-17’ hebben bedoeld: 01-067899-17. Het parketnummer 01-067889-17 speelt in deze zaak geen enkele rol.

2 Zie HR 3 mei 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC9722, NJ 1994/578, herhaald in HR 22 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:746, rov. 2.4.

3 Een blik in het dossier van de met deze zaak samenhangende ontnemingszaak, nummer 18/05542, leert mij dat dit document identiek is aan het document dat onder 8 sub (viii) is opgesomd in mijn conclusie in die zaak. Dat betekent dat het ene document direct of indirect een kopie (scan) is van het andere, of dat beide (direct of indirect) een kopie (scan) zijn van weer een ander document, mogelijk het origineel.

4 Terzijde merk ik op dat (ook) het hier bedoelde document identiek is aan het gelijkluidende document (ook een kopie), dat in mijn conclusie in de ontnemingszaak met nummer 18/05542 onder 8 sub (ix) is opgesomd.

5 Ik merk andermaal op dat de kopie (scan) van de akte van uitreiking van 23 november 2017 die zich bevindt in de met deze hoofdzaak samenhangende ontnemingszaak identiek is aan de kopie (scan) van de hier besproken akte d.d. 23 november 2017 (zie voetnoot 3). Van belang is dat de jure een hoofdzaak en een ontnemingszaak twee separate procedures betreffen, waaromtrent justitie separaat, d.w.z. voor elke zaak afzonderlijk, oproepingen of (andere) gerechtelijke mededelingen doet uitgaan, en dus niet één dagvaarding/oproeping c.q. gerechtelijke mededelingen voor beide zaken. Het gaat mij dan ook te ver om uit het feit dat de kopieën van de aktes van uitreiking van 23 november 2017 in de hoofdzaak en de ontnemingszaak identiek zijn te herleiden dat beide politierechtervonnissen d.d. 2 augustus 2017, althans gerechtelijke mededelingen daarover, op die dag in persoon aan de verdachte zijn uitgereikt. Als het nu zou gaan om twee verschillende aktes van uitreiking van 23 november 2017, beide met betrekking tot het genoemde parketnummer, zou daaruit wellicht nog kunnen worden afgeleid dat de ene akte betrekking moet hebben op mededelingen over de uitspraak in de hoofdzaak en de andere akte op mededelingen over de uitspraak in de ontnemingszaak, ook al is niet bekend welke akte precies behoort bij de hoofdzaak en welke bij de ontnemingszaak. Deze situatie doet zich echter niet voor.