Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:1294

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
29-10-2019
Datum publicatie
10-12-2019
Zaaknummer
18/05206
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1924
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Diefstal met geweld van geldbedrag uit winkel, art. 312.1 Sr. Vordering b.p. en oplegging schadevergoedingsmaatregel. Bestaat er tussen bewezenverklaard handelen van verdachte en schade die b.p. (winkel) heeft geleden (omzetderving en loonkosten t.g.v. winkelsluiting) voldoende verband, zodat er sprake is van rechtstreekse schade a.b.i. art. 51f.1 Sv? HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/05206

Zitting 29 oktober 2019 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

B.F. Keulen

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

hierna: de verdachte

1. De verdachte is bij arrest van 19 december 2017 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden als omschreven in het arrest en met een proeftijd van 2 jaren onder aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 Sr, wegens

- in de zaak met parketnummer 16-660364-16 onder 1. ‘diefstal’ en 2. ‘diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heter daad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren’;

- in de zaak met parketnummer 16-223830-16 ‘diefstal’ en

- in de zaak met parketnummer 16-652791-16 onder 1. ‘diefstal, gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren’ en onder 2, 3 en 4 telkens ‘diefstal’.

Het hof heeft voorts de vordering van een benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard en de vorderingen van vier andere benadeelde partijen (in één geval gedeeltelijk) toegewezen alsmede schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, een en ander zoals in de uitspraak vermeld. Ten slotte heeft het hof de tenuitvoerlegging gelast van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 2 weken.

2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. R.J. Baumgardt en mr. P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt over het toewijzen van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] en het opleggen van een daarmee corresponderende schadevergoedingsmaatregel. De vaststelling van het schadebedrag en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel door het hof zouden, gelet op het door de verdediging gevoerde verweer dat sprake is van een te ver verwijderd verband tussen de schade en het delict en het verweer dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, onbegrijpelijk en/of onvoldoende met redenen omkleed zijn.

4. Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 16-652791-16 onder 1 bewezenverklaard dat:

5. ‘hij op 13 oktober 2016 te Almere, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag van 152,10 euro toebehorende aan [benadeelde partij] welke diefstal werd gevolgd van bedreiging met geweld tegen [medewerker 2] , medewerker van die [benadeelde partij] , gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte - voornoemde [medewerker 2] dreigend de woorden heeft toegevoegd: “Kom dan, ik ga je slaan, ik ga je schieten, ik steek je” en daarbij - dreigend zijn hand in zijn jaszak heeft gestopt.’

6. Deze bewezenverklaring steunt op onder meer de volgende bewijsmiddelen (met weglating van de nummers van de processen-verbaal):

7. ‘Het proces-verbaal van aangifte van [medewerker 1], opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , agent, opgenomen in het door hem op 13 oktober 2016 op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal (…), voor zover van belang inhoudende:

‘Ik doe aangifte van diefstal bij een winkel genaamd [benadeelde partij] , gelegen aan de [a-straat 1] te Almere. Op donderdag 13 oktober omstreeks 15.30 uur was ik aan het werk in de winkel aan de [a-straat] . Op genoemde dag, datum en tijd kwam er een man de winkel binnenlopen. (...) Ik zag dat de man het briefje van twintig euro op de balie legde. Hierop heb ik de kassalade geopend om het geld te wisselen. Ik zag dat de kassalade opensprong en ik zag dat de man voor mij langs kwam en met zijn beide handen in de kassalade begon te graaien. Ik probeerde de kassalade met mijn beide handen af te dekken. (...)

Ik zag dat de man de winkel uit rende. (...) Ik ben vervolgens samen met [medewerker 2] achter de man aangerend. (...) Ik zag dat mijn collega [medewerker 2] een stuk voor mij uit rende. Bij de ondergrondse containers zag ik dat de man stopte en zich omdraaide naar mijn collega [medewerker 2] . Ik hoorde de man het volgende tegen [medewerker 2] zeggen: ‘kom dan, ik schiet je, ik steek je.’ Terwijl hij dit zei, zag ik dat de man zijn rechterhand in zijn jas stopte. Ik schrok van de tekst die de man zei en de beweging die hij maakte (...). Ik heb net nog gebeld naar de winkel en het bedrag dat is weggenomen is € 152,10.’

Het proces-verbaal van verhoor van getuige [medewerker 2], opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] , hoofdagent, opgenomen in het door hem op 13 oktober 2016 op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal (…), voor zover van belang inhoudende:

‘Ik ben vandaag, 13 oktober 2016, omstreeks 15.30 uur, getuige geweest van een greep die gedaan is uit de kassa bij de [benadeelde partij] gelegen aan de [a-straat 1] te Almere. (...) Ik ben samen met [medewerker 1] achter de man aangerend in de richting van de Bart Smit. Bij de in/-en uitrit van de parkeergarage stopte de man met rennen en draaide zich om in onze richting. Ik hoorde de man roepen: ‘Kom dan’, hij mompelde hier iets als ik ga je slaan en/of schieten. Ik zag dat de man hierop met zijn hand in zijn jaszak zat.’’

6. Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een voegingsformulier ten name van de benadeelde partij [benadeelde partij] in Almere (hierna: [benadeelde partij] ).1 Het desbetreffende formulier houdt onder meer het volgende in:

8. Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toegewezen tot het gevorderde bedrag van € 5.414,90 en een schadevergoedingsmaatregel tot datzelfde bedrag opgelegd. Het arrest van het hof houdt daarover het volgende in:

‘Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.414,90. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 4.775,30. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.


Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 16-652791-16 onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De opgevoerde posten zijn voldoende onderbouwd en de gemaakte kosten waren noodzakelijk. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.


Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.’

9. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 december 2017 heeft de raadsvrouw aldaar het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig een pleitnota. Die pleitnota houdt voor zover relevant het volgende in:

‘Feit 1: Diefstal met bedreiging, 13 oktober 2016, [benadeelde partij]

18. Ten aanzien van dit feit verzoek ik u cliënt vrij te spreken van de bedreiging jegens [medewerker 2] . Cliënt erkent te hebben gestolen, weg te zijn gerend, maar betwist te hebben gedreigd.

(…)

25. Het is goed mogelijk dat het wegstoppen van het geld een dreigende indruk gewekt heeft, maar gezien het feit dat cliënt met klem betwist te hebben gedreigd, terwijl de getuige welke het meeste in de buurt van cliënt was aangeeft dat cliënt zou hebben gemompeld, meen ik dat cliënt ten aanzien van de tenlastegelegde bedreiging met geweld dient te worden vrijgesproken.

26. Gezien het voorgaande verzoek ik u de vordering benadeelde partij van [medewerker 2] (BFK: ik begrijp de vordering van [benadeelde partij]) niet-ontvankelijk te verklaren. Opmerking verdient tevens dat de verdediging de benadeelde partij niet ontvankelijk in zijn vordering acht, omdat de vordering te complex is om in een strafzaak af te kunnen doen en daarnaast onvoldoende is onderbouwd.’

10. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 december 2017 houdt vervolgens nog het volgende in:

‘De raadsvrouw merkt daarbij nog op - zakelijk weergegeven -:
(…)
De vordering van de [benadeelde partij] is groter dan in alle andere zaken. Normaal is de vordering beperkt tot een geldbedrag, soms met enige immateriële schade. In deze zaak is de gevorderde schadevergoeding buiten proportie. Het contante geldbedrag kan worden toegewezen. Er is een duidelijk delictpatroon. Er is geen andere winkel die besluit de winkel te sluiten. De beslissing om de winkel te sluiten en de gemiste omzet van de winkel en de loonschade is veel te ver verwijderd van het delict. Er is geen causaal verband. Daar hoeft cliënt niet voor op te draaien. Dat gebeurt in andere zaken ook niet. Daarnaast is het een onevenredige belasting van de strafzaak. Hoe kan de omzet en de loonschade goed worden berekend? De trajectkosten van de behandeling van de medewerkers is gigantisch. Ik kan me voorstellen dat het veel impact heeft, maar het gaat te ver om de kosten op cliënt te verhalen. Het contante geldbedrag dient te worden toegewezen, de rest dient niet-ontvankelijk te worden verklaard.

(…)
De advocaat-generaal voert het woord tot repliek - zakelijk weergegeven -:

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het causaal verband te ver verwijderd is bij de vordering van [benadeelde partij] . Het gaat om een winkel waarbij de kwaliteit van het personeel bepalend is. In een supermarkt is dat anders, daar gaat het om handelswaren met een beperkte waarde. Bij een winkel waar brillen en gehoorapparaten worden verkocht, is dit anders. Het personeel is niet inwisselbaar en niet gemakkelijk vervangbaar. Dat de winkel dichtgaat, is niet vreemd.’

11. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt niet dat de benadeelde partij [benadeelde partij]2 overeenkomstig art. 334, derde lid, Sv (in hoger beroep van overeenkomstige toepassing ingevolge art. 415, eerste lid, Sv) in de gelegenheid is gesteld haar vordering toe te lichten.

12. Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg van 3 mei 2017 blijkt dat de vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij] daar wel is toegelicht. Het desbetreffende proces-verbaal houdt voor zover relevant het volgende in:

[medewerker 1] en [medewerker 2] lichten namens [benadeelde partij] de vordering toe die is omschreven in het formulier ex artikel 51g, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, dat zich al in het dossier bevindt.

(…)

[medewerker 1] verklaart namens benadeelde partij [benadeelde partij] -zakelijk weergegeven- als volgt.

Het was die dag koopavond. Na het incident rond half vier ’s middag is de winkel de rest van de dag gesloten. Tot op de dag van vandaag hebben mijn collega en ik begeleiding. Ik neem aan dat het bedrag van € 3.873,20 volledig in rekening is gebracht. De behandeling bestond uit acht uren crisisinterventie en daarnaast hebben mijn collega en ik een EMDR-behandeling gehad. Op het kantoor is de loonschade vastgesteld. Ik weet ook niet wat daarmee precies wordt bedoeld.

[medewerker 2] verklaart namens benadeelde partij [benadeelde partij]

-zakelijk weergegeven- als volgt.

Na het incident is op de computer een PTSS-test bij mij en mijn collega afgenomen. Hieruit bleek dat wij hoog scoorden op de herbeleving van het incident. Hierdoor zijn later meerdere gesprekken met een EMDR-therapeut en psycholoog geweest. Door de herbeleving is het namelijk lastig om in de winkel te werken.’

13. In de toelichting op het middel staat dat door de verdediging het verweer is gevoerd dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard en dat daartoe is aangevoerd ‘dat geen sprake is van een causaal verband tussen de diefstal en de gevorderde schade; geen enkele andere winkel zo’n geval de winkel sluit; de schade te ver verwijderd is van het delict en verdachte niet voor die kosten hoeft op te draaien’. En dat ook is aangevoerd ‘dat de vaststelling van de schade een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert’. De vaststelling door het hof dat sprake is van rechtstreekse schade zou niet, althans niet zonder meer begrijpelijk zijn. De betreffende gevolgen (winkelsluiting/omzetderving/loonkosten) zouden ‘naar algemene ervaringsregels niet waarschijnlijk, eerder onwaarschijnlijk’ zijn. En de gevolgen zouden ‘voorts verder verwijderd van de onrechtmatige daad’ zijn. ‘Ook gelet op de aard van de geschonden norm, de mate van schuld en de aard van de activiteit waarbij de schade is toegebracht’ zou toerekening niet in de rede liggen, ‘mede gelet ook op de aard van de schade (zaakschade)’. Het hof heeft ‘slechts overwogen dat de kosten ‘noodzakelijk’ waren’. De vaststelling van het schadebedrag en/of de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel zouden daarom onbegrijpelijk en/of onvoldoende met redenen omkleed zijn.

14. In HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt. Vellinga heeft Uw Raad uiteengezet op welke wijze de rechter de vordering van de benadeelde partij dient te beoordelen. Uw Raad overwoog onder meer (met weglating van voetnoten):

‘2.8.1 Voor de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij gelden niet de bewijs(minimum)regels van het Wetboek van Strafvordering maar de regels van stelplicht en bewijslastverdeling in civiele zaken. Overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv rust op de benadeelde partij die een vordering instelt in beginsel de last de feiten en omstandigheden te stellen – en in geval van betwisting daarvan bewijs bij te brengen – die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden. In de context van het strafproces heeft die stelplicht in het bijzonder betrekking op de feiten en omstandigheden die niet kunnen worden vastgesteld aan de hand van uit het strafdossier af te leiden gegevens met betrekking tot het aan de verdachte tenlastegelegde strafbare feit, hetgeen in het bijzonder geldt voor feiten en omstandigheden die bepalend zijn voor de aard en omvang van de gevorderde schade.

2.8.2 In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij betwist zal de rechter aan de hand van de onderbouwing van de stellingen over en weer moeten beoordelen of de feiten en omstandigheden die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden in voldoende mate zijn komen vast te staan.

2.8.3 In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij niet (gemotiveerd) betwist, zal de rechter uitgaan van de juistheid van de daaraan ten grondslag gelegde feiten (vgl. art. 149 Rv) en zal de vordering in de regel worden toegewezen, tenzij de vordering onrechtmatig of ongegrond voorkomt of zich het (…) geval voordoet waarin de rechter door de beperkingen van het strafproces niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid genoegzaam naar voren te brengen.

(...)

2.8.6 Art. 361, vierde lid, Sv schrijft voor dat de beslissing op de vordering van de benadeelde partij met redenen is omkleed. De begrijpelijkheid van de beslissingen over de vordering van de benadeelde partij is mede afhankelijk van de wijze waarop (en de stukken waarmee) enerzijds de vordering is onderbouwd en anderzijds daartegen verweer is gevoerd. Naarmate de vordering uitvoeriger en specifieker wordt weersproken, zal de motivering van de toewijzing van de vordering dus meer aandacht vragen.’

15. In het hiervoor genoemde overzichtsarrest overwoog Uw Raad met betrekking tot het begrip ‘rechtstreekse schade’ (art. 51f, eerste lid, Sv; art. 361, tweede lid aanhef en onder b, Sv) (met weglating van voetnoten)3:

‘2.3.1 ‘2.3.1 De benadeelde partij kan in het strafproces vergoeding vorderen van de schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden indien tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade voldoende verband bestaat om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden.

‘2.3.1 Voor de beantwoording van de vraag of zodanig verband bestaat zijn de concrete omstandigheden van het geval bepalend. (…) Voorts is niet vereist dat de benadeelde partij is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling rechtstreeks wordt beschermd.

2.3.2 Van zodanige schade die de benadeelde partij rechtstreeks door een strafbaar feit heeft geleden, was bijvoorbeeld sprake in het geval waarin:

(i) de benadeelde partij door de verdachte was mishandeld en haar schade bestond uit de reparatiekosten van de fiets die zij had laten vallen op het moment dat de verdachte op haar afkwam en haar mishandelde;

(ii) de benadeelde partij een vergoeding vorderde van het geld dat door een onbekend gebleven persoon is opgenomen nadat de verdachte de bankpas van de benadeelde partij had gestolen;

(iii) de benadeelde partij vergoeding vorderde van loon, gederfd door het opnemen van een vrije dag vanwege de door de verdachte in haar woning gepleegde inbraak;

(iv) de benadeelde partij vergoeding vorderde van schade die was ontstaan doordat de politie op zoek was naar (mede)daders van de door de verdachte gepleegde inbraak en daarbij schade toebracht aan een deur in de woning van de benadeelde partij.

Schade

2.4.1 Voor vergoeding aan de benadeelde partij komt overeenkomstig de regels van het materiële burgerlijk recht slechts in aanmerking de schade die de benadeelde partij heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van de verdachte, voor zover deze schade op de voet van art. 6:98 BW aan de verdachte kan worden toegerekend. Deze schade kan bestaan uit vermogensschade en, voor zover de wet daarop aanspraak geeft, ander nadeel (art. 6:95, eerste lid, BW).

a) Vermogensschade (art. 6:96 BW)

2.4.2 Vermogensschade kan zowel geleden verlies als gederfde winst omvatten (art. 6:96, eerste lid, BW). Zij bestaat uit de daadwerkelijke verandering die het vermogen van de benadeelde partij door het strafbare feit heeft ondergaan. Uitgangspunt is dus de vergoeding van de concreet geleden schade.

(…)

Indien de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, wordt zij geschat (art. 6:97 BW).’

16. Er is aldus volgens Uw Raad sprake van rechtstreekse schade indien er voldoende verband bestaat tussen enerzijds het bewezenverklaarde feit en anderzijds de door de benadeelde partij geleden schade. Uit de jurisprudentie van Uw Raad kan worden afgeleid dat de voorwaarde van ‘voldoende verband’ niet al te strikt wordt uitgelegd.4 Dat de schade mede het gevolg is van keuzes die de benadeelde partij na het strafbare feit heeft gemaakt, staat op zichzelf niet aan de aansprakelijkheid van de verdachte in de weg.5

17. Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte na te hebben gestolen de medewerker van [benadeelde partij] die achter de verdachte is aangegaan, heeft bedreigd door tegen hem te zeggen: ‘Kom dan, ik ga je slaan, ik ga je schieten, ik steek je’ en daarbij dreigend zijn hand in zijn jaszak heeft gestopt. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat een collega van die medewerker daarbij aanwezig was. Uit de vordering van de benadeelde partij kan worden afgeleid dat een en ander veel impact op de desbetreffende medewerkers heeft gehad en bij hen tot PTSS-klachten heeft geleid. Dat het strafbare feit veel impact op de beide medewerkers heeft gehad, is door de raadsvrouw van de verdachte niet bestreden. Integendeel, zij heeft ter terechtzitting aangegeven dat zij zich kan ‘voorstellen dat het veel impact heeft’.

18. De bezwaren die de raadsvrouw naar voren heeft gebracht betreffen vooral de vordering van schade die voortkomt uit de beslissing om de winkel te sluiten. Daarbij betwist zij niet dat de winkel is gesloten, en op de keper beschouwd betwist zij ook niet dat het strafbare feit de aanleiding is geweest om de winkel te sluiten. De gemiste omzet zou alleen ‘veel te ver verwijderd’ zijn van het delict. Het hof heeft anders geoordeeld en dat oordeel is niet onbegrijpelijk, mede gelet op rechtspraak van de civiele kamer van Uw Raad.6 Gesteld noch gebleken is dat er andere redenen zijn geweest om de winkel te sluiten. Het hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de sluiting het gevolg is van de emoties die het strafbare feit bij beide medewerkers heeft teweeggebracht en daar niet mee in een (te) ver verwijderd verband staat. Het is niet vreemd of overtrokken dat een opticien, waar persoonlijk contact tussen de medewerker en de klant van groot belang is, er in een dergelijke situatie voor kiest zijn deuren ’wegens omstandigheden’ voor de rest van de dag te sluiten. Ik merk hierbij op dat de advocaat-generaal bij het hof in repliek heeft aangevoerd dat het gaat om een winkel waarbij de kwaliteit van het personeel bepalend is en dat het personeel niet inwisselbaar en niet gemakkelijk vervangbaar is. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting volgt niet dat de raadsvrouw dat in dupliek heeft weersproken.

19. Het voortijdig sluiten van een winkel brengt mee dat er omzet wordt gederfd. De schade die door omzetderving ontstaat – gederfde winst – komt ingevolge artikel 6:96, eerste lid, BW voor vergoeding in aanmerking.7De vordering tot vergoeding van de gederfde marge (€ 1.283,-) is onderbouwd met een berekening daarvan (zie bijlage 2 bij het voegingsformulier). Die berekening is in hoger beroep inhoudelijk niet betwist. De raadsvrouw heeft zich beperkt tot de vraag hoe de (gederfde) omzet goed kan worden berekend. Het voegingsformulier geeft een antwoord op die vraag: door de omzet te vergelijken met die van andere winkels van dezelfde keten op de betreffende dag en over een andere, langere periode.

20. De kostenpost ‘loonschade’ (€ 106,60) heeft blijkens de bijlage bij de vordering tot schadevergoeding betrekking op de 4 uren à € 26,65 die de medewerkers van [benadeelde partij] hebben besteed aan de begeleiding en ondersteuning van de betrokken medewerkers. Ook deze post is door de raadsvrouw betwist met de stelling dat deze schade ‘veel te ver verwijderd’ zou zijn van het delict. Het hof heeft anders geoordeeld en ook dit oordeel komt mij niet onbegrijpelijk voor. De tijd die andere medewerkers na het strafbare feit hebben besteed aan de begeleiding en ondersteuning van de betrokken medewerkers staat daarmee in nauw verband (vgl. art. 6:98 BW). Dat daar vier uren mee gemoeid zijn geweest, wordt door de raadsvrouw niet bestreden, evenmin als het gemiddelde uurloon dat in de berekening wordt gehanteerd. De vraag van de raadsvrouw hoe de loonschade goed kan worden berekend, wordt beantwoord door het voegingsformulier.

21. De grootste kostenpost betreft de ‘trajectkosten behandeling medewerkers’ (€ 3.873,20). Volgens de raadsvrouw van de verdachte zijn die kosten ‘gigantisch’ en hoewel zij zich kan voorstellen ‘dat het veel impact heeft’, gaat het haar te ver om de kosten op de verdachte te verhalen. Waarom het te ver zou gaan om deze kosten op de verdachte te verhalen, heeft de raadsvrouw echter niet uiteengezet.8 Het wettelijk uitgangspunt is dat vermogensschade volledig behoort te worden vergoed. In de toelichting op het middel wordt ook niet nader ingegaan op (het toewijzen van) deze kostenpost. Naar het mij voorkomt getuigt het inschakelen van professionele (psychologische) hulp in een geval als het onderhavige van goed werkgeverschap als bedoeld in art. 7:611 BW en heeft het hof kunnen oordelen dat die kosten noodzakelijk waren en voor vergoeding in aanmerking komen.9 Ik wijs er daarbij nog op dat [medewerker 2] tijdens het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard dat het door de herbeleving ‘lastig’ was om in de winkel te werken.

22. Het kennelijke oordeel van het hof dat er tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade die de benadeelde partij heeft geleden voldoende verband bestaat en er dus sprake is van rechtstreekse schade als bedoeld in art. 51f, eerste lid, Sv en dat de opgevoerde posten voldoende onderbouwd zijn en de gemaakte kosten noodzakelijk waren is – in aanmerking genomen dat de vordering van de benadeelde partij met stukken is onderbouwd en dat de verdachte feitelijk slechts het causale verband bij twee kostenposten in twijfel heeft getrokken – niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Van een voldoende gemotiveerde bestrijding die tot een afzonderlijke reactie noopte is naar het mij voorkomt geen sprake.10 Voor het geval Uw Raad daar anders over zou oordelen ligt in het voorgaande besloten waarom het hof het aangevoerde slechts had kunnen passeren.

23. Uit ’s hofs beslissingen en overwegingen blijkt dat het hof van oordeel is dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Dit oordeel is feitelijk van aard en kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.11 Uit het voorgaande volgt dat ’s hofs oordeel niet onbegrijpelijk is.

24. Met betrekking tot de schadevergoedingsmaatregel (art. 36f Sr) overweegt Uw Raad in het genoemde overzichtsarrest in rov. 2.9.1 dat art. 36f Sr, kort gezegd, bepaalt dat de rechter aan de verdachte de verplichting kan opleggen tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ten behoeve van het slachtoffer of de personen genoemd in art. 51f, tweede lid, Sv, indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Ook voor het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel is daarnaast vereist dat sprake is van ‘rechtstreekse schade’.

25. Uit het voorgaande volgt dat ook het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel niet onbegrijpelijk is en voldoende is gemotiveerd.

26. Het eerste middel faalt.

27. Het tweede middel bevat de klacht dat de redelijke termijn is geschonden doordat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.

28. Namens de verdachte is op 22 december 2017 beroep in cassatie ingesteld. De verdachte bevond zich toen in voorlopige hechtenis.12 De stukken van het geding zijn op 30 november 2018 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dit betekent dat de inzendtermijn van zes maanden met ruim vijf maanden is overschreden. Ambtshalve merk ik op dat indien Uw Raad na 22 december 2019 uitspraak zou doen, ook in zoverre de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden.13 Het tweede middel slaagt. Dit dient te leiden tot strafvermindering aan de hand van de gebruikelijke maatstaf.

29. Het eerste middel faalt en kan worden verworpen met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Het tweede middel slaagt. Ambtshalve heb ik, afgezien van de eventuele overschrijding van de uitspraaktermijn van twee jaren, geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

30. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar alleen wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 In het dossier zit een e-mail van 25 oktober 2016 met het verzoek tot schadevergoeding inclusief de vier bijlagen. Deze e-mail is verstuurd aan Slachtofferloket Midden-Nederland door [betrokkene 1], HR Adviseur bij [benadeelde partij]. De benadeelde partij is algemeen bekend als [benadeelde partij] of [benadeelde partij] .

2 Het proces-verbaal houdt ten aanzien van de ter terechtzitting verschenen personen onder meer in: ‘Daarnaast zijn namens [benadeelde partij] aanwezig: [betrokkene 2], [betrokkene 3], [medewerker 2] en is tevens als benadeelde partij [medewerker 1] aanwezig.’

3 Zie over rechtstreekse schade ook F.F. Langemeijer, Het slachtoffer en het strafproces, 2e druk, Deventer: Kluwer 2010, p. 110-111.

4 Zie de conclusie van A-G Hofstee (ECLI:NL:PHR:2018:998, onder 33) voorafgaand aan HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2335, NJ 2019/378 m.nt. Lindenbergh en I.H.L. Felix en A.J.P. Schild, ‘Rechtstreekse schade en causaal verband bij de vordering van de benadeelde partij in het strafproces’, NJB 2019/1317, die slechts op twee punten (die hier niet ter zake doen) een ‘inhoudelijk verschil (zien) tussen de toerekening naar burgerlijk recht en het strafvorderlijke causaliteitsvereiste’. Vgl. daarover ook de noot van Vellinga onder HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379. Zie eerder reeds HR 17 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0945, NJ 1998/449 en de door Uw Raad genoemde voorbeelden in het overzichtsarrest betreffende de vordering benadeelde partij (rov. 2.3.2).

5 Hofstee wijst daarbij op HR 21 september 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1533, NJ 1999/801: door de benadeelde partij gemaakte inschrijvingskosten voor een woning ‘uit de buurt’ van de wegens mishandeling veroordeelde verdachte waren aan de verdachte toe te rekenen. Vgl. daarover ook een recente conclusie van A-G Aben (ECLI:NL:PHR:2019:1045, onder 21) die voorts wijst op HR 3 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9639 en de daaraan voorafgaande conclusie van A-G Machielse (art. 81 RO, niet gepubliceerd).

6 Vgl. de jurisprudentie genoemd in de noot van Lindenbergh (onder 6) bij HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2335, NJ 2019/378. Zie ook HR 20 maart 1970, ECLI:NL:HR:1970:AC5007, NJ 1970/251 m.nt. Scholten (Waterwingebied). Vgl. daarover E.M. Witjens, Strafrechtelijke causaliteit. De redelijke toerekening vergeleken met het privaatrecht (diss. Groningen), Deventer: Kluwer 2011, p. 75-76.

7 Vgl. Langemeijer, a.w., p. 146 die als voorbeeld noemt een tankstation dat in verband met politieonderzoek na een overval de hele avond gesloten moet blijven.

8 Dat het hier niet om een unieke gang van zaken en beslissing gaat, volgt uit Rechtbank Alkmaar 4 januari 2011, ECLI:NL:RBALK:2011:BO9753. De rechtbank is van oordeel dat ‘de niet betwiste schadeposten die zien op de collectieve opvang, de extra opvang en nazorg van het personeel’ voor toewijzing vatbaar zijn. Waar de nazorg in deze zaak uit bestond wordt uit het vonnis niet duidelijk.

9 Vgl. de folder ‘Werknemers ondersteunen na een bedrijfsoverval’ (www.slachtofferhulp.nl). En zie ook M.A. Mouris, ‘De aansprakelijkheid van de werkgever voor de gevolgen van een overval’, TvP 2011, p. 50-54.

10 Vgl. HR 15 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5704. Vgl. ook HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt. Vellinga, rov. 2.8.6.

11 Zie HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7349, NJ 2012/520 m.nt. Keulen; HR 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:476, NJ 2014/281 m.nt. Schalken en HR 2 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:177.

12 De cassatieakte biedt daarover geen duidelijkheid. Aangezien het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 december 2017, het arrest van 19 december 2017 en de aan de cassatieakte gehechte bijzondere volmacht van 22 december 2017 inhouden dat de verdachte ‘thans’ dan wel ‘momenteel’ verblijft in PI Zaanstad te Westzaan en een zich bij de gedingstukken bevindende ‘Controle van detentie’ van 7 januari 2019 inhoudt dat volgens informatie van Justitieel Complex Zaanstad de verdachte op 21 december 2018 uit detentie is ontslagen, ga ik ervan uit dat de verdachte in verband met de onderhavige zaak op 22 december 2017 gedetineerd was. Overigens is de omvang van de in deze zaak toe te passen strafvermindering niet anders indien de inzendtermijn van acht maanden van toepassing is.

13 De aanzegging als bedoeld in art. 435 Sv is blijkens de daarvan opgemaakte akte op 28 januari 2019 (om 12.53 uur) aan de verdachte betekend door middel van uitreiking aan de (waarnemend) griffier van de rechtbank Den Haag. Een zich bij de gedingstukken bevindende Informatiestaat SKDB-persoon vermeldt onder ‘Gegevens uit SKDB op 28-01-2019 08:30’ dat de verdachte niet gedetineerd is. Nu de verdachte ten tijde van de betekening van de aanzegging kennelijk niet meer gedetineerd was, is de termijn van twee jaren van toepassing (vgl. HR 18 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF3301 en HR 29 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3942).