Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:1285

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-12-2019
Datum publicatie
10-12-2019
Zaaknummer
18/05533
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:673
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. OM-cassatie. Vrijspraak verdacht t.z.v. belaging. Verdachte is veroordeeld wegens het gedurende lange tijd vanuit zijn woning heimelijk filmen van zijn buurvrouw in haar eigen woning, art. 139f Sr. Levert dit gedrag tevens belaging a.b.i. art. 285b Sr op, gelet op de omstandigheid dat het verdachtes bedoeling was dat het slachtoffer er niets van merkte en zij er daadwerkelijk ook niets van heeft gemerkt? De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/05533

Zitting 10 december 2019

CONCLUSIE

D.J.C. Aben

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

hierna: de verdachte.

1. De verdachte is bij arrest van 18 december 2018 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, vrijgesproken van het hem onder parketnummer 21‑001887‑18 onder 1 tenlastegelegde. Het hof heeft bovendien de straf voor het door de rechtbank onder 2 bewezenverklaarde feit bepaald.1

2. De advocaat-generaal bij het hof heeft beroep in cassatie ingesteld. Mr. H.H.J. Knol, advocaat-generaal bij het ressortsparket te Den Haag, heeft bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het gaat in deze zaak om het volgende. De verdachte heeft zijn achterbuurvrouw, [aangeefster] , gedurende bijna twee jaar heimelijk gefilmd. Hij wilde niet dat dit “uitkwam” en wenste geen contact met haar. De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken ter zake van de onder 1 tenlastegelegde belaging, wegens het ontbreken van het oogmerk om [aangeefster] te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden of vrees aan te jagen. Ook heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van het onder 3 tenlastegelegde feit, te weten het gebruik van een verborgen camera jegens verscheidene (onbekend gebleven) minderjarige personen, aanwezig op een voor het publiek toegankelijke plaats. Het onder 2 tenlastegelegde, het (meermalen) vervaardigen van een afbeelding van [aangeefster] in haar woning door middel van een technisch hulpmiddel waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar is gemaakt, achtte de rechtbank wel bewezen. De verdachte is daarvoor veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand, waaraan verscheidene bijzondere voorwaarden waren verbonden.

4. De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen de vrijspraak ten aanzien van feit 1 en de opgelegde straf. Ook het hof heeft de verdachte vrijgesproken van feit 1.

5. Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

“1.

hij in of omstreeks de periode 2 september 2015 tot en met 7 juni 2017 te Veenendaal, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangeefster] (geboren op [geboortedatum] 1995), door in die periode wederrechtelijk stelselmatig, althans meerdere keren, opzettelijk vanuit/vanaf zijn, verdachtes, woning de/een (slaap)kamer in/van de woning gelegen aan de [a-straat 1] , in welke woning die [aangeefster] in die periode woonachtig was en in welke (slaap)kamer [aangeefster] in die periode (veelvuldig, althans regelmatig) verbleef, met een technisch hulpmiddel, te weten een (video)camera, te filmen en/of (vervolgens) een of meerdere afbeelding(en) te vervaardigen, op welk(e) (opgenomen en/of bewaard(e)) (beeld)materiaal en/of afbeeldingen die [aangeefster] veelvuldig, althans regelmatig, al dan niet (deels) ontbloot, herkenbaar en zichtbaar in beeld, althans te zien, is, met het oogmerk die [aangeefster] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.”

6. Het hof heeft de verdachte vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde en daartoe het volgende overwogen (met weglating van de voetnoten):

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van de onder 1 tenlastegelegde belaging en daartoe het volgende overwogen:

Verdachte heeft zijn achterbuurvrouw [aangeefster] vanuit zijn woning lange tijd heimelijk gefilmd. Hij heeft verklaard geen contact met [aangeefster] te hebben gewild noch te hebben gezocht. Hij wilde juist dat het niet “uitkwam” dat hij haar filmde. Verdachtes verklaring wordt bevestigd door de wijze waarop de videocamera was geplaatst: verstopt onder een dekbed en karton. [aangeefster] heeft verklaard nooit iets van het filmen te hebben gemerkt. Onder deze omstandigheden, die zowel wat betreft voorgeschiedenis als handelingen wezenlijk anders zijn dan in het door de officier van justitie aangehaalde arrest, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van belaging. Bij het strafbare feit belaging wil een dader juist iets bewerkstelligen bij het slachtoffer. Inde onderhavige zaak ontbreekt bij verdachte het oogmerk om [aangeefster] te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden of vrees aan te jagen. Nu dit vereiste oogmerk ontbreekt, volgt vrijspraak.

Het standpunt van het openhaar ministerie

In de appelschriftuur van 17 april 2018 heeft de officier van justitie betoogd dat verdachte met zijn handelen het oogmerk gehad om aangeefster [aangeefster] te dwingen te dulden dat hij haar stelselmatig bekeek en opnames van haar (ontblote) lichaam maakte. Volgens de officier van justitie doet daaraan niet af dat [aangeefster] ten tijde van die gedragingen niet bekend was met die gedragingen. Uit het arrest van de Hoge Raad van 4 november 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3095) en een arrest van Hof Amsterdam van 25 januari 2017 dat vervolgens in die strafzaak is gewezen, volgt dat de omstandigheid dat aangeefster pas op de einddatum van de (ten laste gelegde) belagingsperiode op de hoogte is geraakt van de belagingshandelingen, geen beletsel is om belaging aan te nemen. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van de onder 1 tenlastegelegde belaging.

De conclusie van de officier van justitie is overgenomen door de advocaat-generaal. Ter terechtzitting heeft de advocaat-generaal ook verwezen naar voormeld arrest van de Hoge Raad. In dit arrest laat de Hoge Raad zich weliswaar niet uit over het al dan niet ontbreken van het oogmerk, maar de overweging van de Hoge Raad zou volgens de advocaat-generaal zonder betekenis zijn als het óógmérk altijd zou ontbreken bij een heimelijke opname. Wat betreft de betekenis van het "oogmerk" in artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht verwijst de advocaat-generaal naar de volgende overweging in de conclusie van zijn ambtsgenoot mr. Knigge bij voormeld arrest:

De belangrijkste functie die de indieners aan het bijkomend oogmerk toekenden, is dat daardoor het psychische leed van het slachtoffer wordt geobjectiveerd. (...) Waar het bij die beoogde objectivering om gaat, is als ik het goed zie dat de stelselmatige inbreuk op de privacy een zekere, objectief te bepalen, ernst moet hebben. Bij die geobjectiveerde ernst gaat het dan om de gevolgen voor het slachtoffer die van de stelselmatige inbreuk in redelijkheid te verwachten zijn. Door het oogmerkvereiste op die manier uit te leggen, wordt denk ik aan de wetsgeschiedenis het meeste recht gedaan. Ik teken daarbij aan dat uiteindelijk consensus lijkt te hebben bestaan over de gedachte dat de kern van het onrecht in het stelselmatige van de inbreuk zit. Dat maakt dat .er geen goede grond is om het heimelijk volgen, filmen en begluren buiten het bereik van de strafbepaling te plaatsen.

Dergelijk gedrag kan even stelselmatig zijn als gedrag waarmee het slachtoffer direct wordt geconfronteerd, terwijl de impact op het slachtoffer in potentie groot is.

Verder verwijst de advocaat-generaal naar het arrest van het gerechtshof Arnhem van 21 januari 2008 (ECLI:NL:GHARN:BD1241) waarin het begrip "oogmerk" op de volgende wijze is ingevuld:

Uit de stelling van verdachte, dat hij zich juist verborgen hield omdat hij niet wilde dat zij van het begluren op de hoogte zou komen, kan het hof niet anders afleiden dat verdachte wist dat als noodzakelijk gevolg aan het heimelijk begluren van mevrouw de A. in haar woonkamer verbonden was dat voor. haar ook geen gelegenheid bestond er iets tegen te ondernemen en zij aldus gedwongen werd het begluren te dulden, doordat hij haar geen keuze liet zijn gedrag dl dan niet ie aanvaarden, maar haar zonder haar toestemming (indringend) observeerde.

De advocaat-generaal concludeert primair dat - gelet op de zeer ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster [aangeefster] die werd gemaakt door haar stelselmatig in de slaapkamer te filmen, bij verdachte het oogmerk heeft bestaan het slachtoffer dit te laten dulden in dé uitleg van het begrip "oogmerk" zoals is verwoord in de conclusie van mr. Knigge. Subsidiair concludeert de advocaat-generaal dat verdachte het slachtoffer heeft gedwongen een en ander te dulden omdat hij wist dat dit het noodzakelijke gevolg was van het heimelijk begluren, conform de redenering van het gerechtshof Arnhem in het arrest uit 2008.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat het arrest van de Hoge Raad van 4 november 2014 en het daarop - na terugwijzing van die zaak gewezen - arrest van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2017 betrekking hebben op een andere casus dan de strafzaak tegen verdachte. In de andere strafzaak bracht de belager een groot deel van het leven van het slachtoffer in kaart door haar zowel fysiek als digitaal via sociale media te volgen, waarbij het slachtoffer kennelijk wel iets van de handelingen van haar belager heeft gemerkt, en speelde een eerdere belaging - van dit slachtoffer door dezelfde belager - ook een rol. De raadsman heeft bepleit de beslissing van de rechtbank ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde te bevestigen en verdachte opnieuw vrij te spreken van belaging.

Het oordeel van het hof

Het hof constateert dat in de strafzaak tegen verdachte niet ter discussie staat dat hij vanuit een raam van zijn woning in de tenlastegelegde periode regelmatig met een verborgen videocamera beelden heeft gemaakt van aangeefster [aangeefster] terwijl zij zich bevond in de slaapkamer van haar woning - verdachte is door de rechtbank veroordeeld voor dit heimelijk filmen van aangeefster en hij heeft tegen de veroordeling voor dit strafbare feit geen hoger beroep ingesteld. Het staat ook vast dat verdachte hierdoor opzettelijk en wederrechtelijk een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster heeft gemaakt. Het hof ziet zich evenwel gesteld voor de vraag of verdachte tevens heeft gehandeld met het oogmerk aangeefster te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.

Uit de aangifte van [aangeefster] volgt dat zij in de namiddag van 7 juni 2017 van haar vader hoorde dat er volgens een buurtbewoner mogelijk een camera aanwezig was tussen de dekens die zij regelmatig had zien hangen uit een raam van een woning achter de woning van aangeefster en haar vader. Hierop belde de vader van aangeefster de politie. Nadat de politie later die middag in de bewuste woning was geweest hoorde aangeefster van de politieagenten dat er inderdaad een camera was aangetroffen tussen de dekens die uit het raam van die woning hingen en dat haar slaapkamer vanuit die positie in beeld was. Het hof stelt op grond van de aangifte vast dat aangeefster zich geen enkele keer bewust is geweest van de aanwezigheid van de videocamera - die werd aangetroffen tussen de dekens die uit het raam van verdachtes woning hingen - op momenten dat zij daarmee werd gefilmd. Het is evenmin gebleken dat aangeefster destijds wist dat verdachte afbeeldingen van haar heeft vervaardigd en bewaard.

Het hof merkt op dat de slachtoffers in de door de advocaat-generaal aangehaalde strafzaken kennelijk wél op een of meerdere momenten hebben gemerkt dat zij werden belaagd. Het arrest van de Hoge Raad van 4 november 2014 en het daarop gewezen arrest van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2017 hebben betrekking op de belaging van een slachtoffer dat zich in de tenlastegelegde periode éénmaal bewust is geweest van een belagingshandeling van de verdachte. In het arrest van 21 januari 2008 overweegt het gerechtshof Arnhem ten aanzien van het oordeel dat er sprake is van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer, dat aan een en ander niet af doet dat zij zich niet bewust was van elke afzonderlijke keer dat verdachte in haar woonkamer gluurde. Het hof is van oordeel dat het oogmerk van verdachte om aangeefster te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, niet uitsluitend kan worden afgeleid uit heimelijke handelingen waarvan het slachtoffer zich pas geheel achteraf bewust is geworden.

Het hof ziet in het geval van belaging geen aanleiding om "oogmerk" anders uit te leggen dan de gebruikelijke uitleg van dit begrip bij andere strafbare feiten. Het bijkomende oogmerk is - zoals mr. Knigge ook heeft opgemerkt in de door de advocaat-generaal aangehaalde conclusie - een subjectief vereiste aan de zijde van de dader en daarom geen geëigend middel om het psychische leed van de slachtoffers te objectiveren. Uit de ernst en de gevolgen van de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer kan het oogmerk van de belager daarom niet zonder meer worden afgeleid. Het oogmerk om het slachtoffer te dwingen iets te dulden kan wel worden afgeleid uit handelingen die impliceren dat het slachtoffer geen keuze wordt gelaten in het al dan niet aanvaarden van contact met de belager en deze het slachtoffer daarmee feitelijk heeft gedwongen te dulden dat de belager stelselmatig contact met haar zocht (HR 31 januari 2006, NJ 2006/126). Die situatie doet zich echter niet voor in de onderhavige zaak: aangeefster was zich in het geheel niet bewust van het filmen en daardoor was er voor haar ook geen keuze om dit al dan niet te aanvaarden.

Het hof sluit niet uit dat heimelijke handelingen - die een inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer - kunnen bijdragen aan het bewijs van belaging. Het hof komt aldus tot de slotsom dat het oogmerk van de belager niet kan worden afgeleid uit enkel heimelijke handelingen. Wanneer het slachtoffer niet op de hoogte is van dergelijke handelingen kan hij of zij hierdoor op dat moment niet worden gedwongen om iets te doen, iets niet te doen of iets te dulden. Gelet op het heimelijke karakter van zijn handelingen heeft verdachte juist niet beoogd dat aangeefster op enig moment zou merken dat zij werd gefilmd. Er zijn ook overigens geen aanwijzingen dat verdachte heeft gehandeld met het oogmerk dat is vereist voor een bewezenverklaring van belaging.

Gelet op het voorgaande is het hof - anders dan de officier van justitie en de advocaat-generaal - met de raadsman en de rechtbank van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1 tenlastegelegde belaging.”

7. Het middel klaagt dat het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten doordat het een onjuiste uitleg heeft gegeven aan de daarin voorkomende term ‘oogmerk’, althans dat het hof de vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde feit ontoereikend heeft gemotiveerd.

8. Artikel 285b Sr luidt:

“1. Hij, die wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk maakt op eens anders persoonlijke levenssfeer met het oogmerk die ander te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel vrees aan te jagen wordt, als schuldig aan belaging, gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of een geldboete van de vierde categorie.

2. Vervolging vindt niet plaats dan op klacht van hem tegen wie het misdrijf is begaan.”

9. De tenlastelegging is toegesneden op artikel 285b Sr. Daarom moet worden aangenomen dat de termen die in de tenlastelegging zijn opgenomen, waaronder het “oogmerk die ander te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel vrees aan te jagen”, aldaar zijn gebruikt in dezelfde betekenis als de betekenis die toekomt aan gelijkluidende termen in dit wetsartikel.

10. Blijkens de toelichting is de klacht in cassatie toegespitst op de vraag of het feit dat de aangeefster zich pas geheel achteraf bewust is geworden van de handelingen van de verdachte in de weg staat aan het aannemen van het oogmerk van de verdachte om aangeefster te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen. Aan het middel is – onder (herhaalde) verwijzing naar de conclusie2 van mijn ambtgenoot Knigge uit 2014 – ten grondslag gelegd dat het oordeel van het hof dat het oogmerk van de belager niet kan worden afgeleid uit enkel heimelijke handelingen getuigt van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de eigen – delictgebonden – uitleg van het oogmerkvereiste van artikel 285b Sr. Dat de verdachte juist niet heeft beoogd dat de aangeefster op enig moment zou merken dat zij werd gefilmd en – zo wordt door de steller van het middel aangevuld – daarin ook daadwerkelijk is geslaagd doordat het slachtoffer zich pas na die handeling daarvan bewust is geworden, doet daaraan volgens de steller van het middel niet af.

11. Blijkens de wetsgeschiedenis is de grond voor de strafbaarstelling van belaging dat het slachtoffer door de berispelijke gedragingen op een ontoelaatbare manier in zijn persoonlijke vrijheid wordt beperkt. Vandaar de plaatsing van het artikel in titel XVIII van het Wetboek van Strafrecht, dat misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid regelt, en niet – zoals in eerste instantie de bedoeling was – als vorm van psychische mishandeling, als specialis van mishandeling met voorbedachten rade (artikel 301 Sr).3

12. Artikel 285b Sr stelt sinds 12 juli 2000 ‘stalking’ strafbaar.4 De memorie van toelichting bij het voorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met de strafbaarstelling van wat we in helder Nederlands ‘belaging’ noemen, verwijst naar de destijds geldende definitie van ‘belager’ in de Van Dale als zijnde “iemand, die een anders leven of vrijheid op arglistige, bedekte wijze bedreigt”. Voor zover relevant wordt belaging in de memorie als volgt toegelicht:

Bij belaging wordt iemand opzettelijk door een ander herhaaldelijk lastig gevallen en wordt daardoor een inbreuk gemaakt op iemands persoonlijke levenssfeer. Dit kan door een en dezelfde activiteit, maar ook door middel van een variëteit aan gedragingen, zoals bijvoorbeeld het op straat achtervolgen, bedreigingen uiten, telefonisch of schriftelijk ongewenst benaderen, voor de woning of werkplek posten, het ongewenst bestellen van goederen en diensten op naam en op rekening van het slachtoffer, het laten bezorgen van grafkransen en het plaatsen van overlijdensadvertenties, het ongevraagd geven van opdrachten op naam van het slachtoffer, het verspreiden van valse geruchten over het slachtoffer, het bekladden van de woning, het beschadigen, vernielen of verplaatsen van goederen, het onder valse voorwendselen informatie inwinnen bij instanties over het slachtoffer, het telkenmale nodeloos aanspannen van gerechtelijke procedures etc. De gedragingen behoeven zich niet louter tot het slachtoffer uit te strekken, ook familieleden, de werkgever, collega’s, vrienden en kennissen kunnen door de belager worden geterroriseerd. Als gevolg van de diepgaande inbreuk op de persoonlijke levenssfeer wordt het slachtoffer vaak bang of onzeker. Een normaal functioneren is in veel gevallen onmogelijk.”5

13. Volgens de Hoge Raad is bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b lid 1 Sr relevant de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.6 Voor wat betreft het doen, niet doen, dulden of ontstaan van vrees waarop het (bijkomend) oogmerk betrekking heeft, is niet vereist dat dit in de tenlastelegging nader wordt gespecificeerd, omdat aan die termen voldoende feitelijke betekenis toekomt.7 Voldoende is dat het oogmerk van de dader gericht is op zo’n doen, niet-doen, dulden of het ontstaan van zo'n emotie.8 Strafrechtelijk irrelevant is of het beoogde slachtoffer daadwerkelijk tot iets is bewogen, al maakt het de bewijsvoering wel eenvoudiger als daarvan gebleken is.9 Strafrechtelijk voldoende is dat in het algemeen de inbreuk geschikt en geëigend zou zijn om een bepaalde opstelling (vrees) teweeg te brengen.10

14. Ter zake van de beoordeling van de stelselmatigheid van de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer blijkt uit de jurisprudentie reeds dat niet vereist is dat het slachtoffer zich steeds bewust is geweest van de belagingshandelingen,11 maar over de implicaties van de (on)bekendheid van de belaagde met de handelingen van de belager als het gaat om diens oogmerk, heeft de Hoge Raad zich bij mijn weten nog niet uitgelaten.

15. Ten aanzien van het bestanddeel van het bijkomende oogmerk heeft de wetgever bepaald dat niet nodig is te bewijzen dat het slachtoffer als gevolg van de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer iets heeft gedaan of nagelaten dat hij of zij zonder die inbreuk niet zou hebben gedaan of nagelaten:

In het voorgestelde belagingsartikel is de oogmerkbepaling opgenomen na het bestanddeel «wederrechtelijk», zodat dat bestanddeel zijn uitstraling naar de oogmerkbepaling heeft. Het oogmerk is een bestanddeel van psychische aard. Het moet bestaan hebben op het moment dat de belager zijn gedragingen verrichtte. Bij oogmerk moet er een opzet op het gevolg zijn, het oogmerk is er op gericht. Het door de belager nagestreefde gevolg hoeft evenwel niet gerealiseerd te zijn. De strafwaardigheid is dan ook niet afhankelijk van het intreden van de gevolgen. Er is geen resultaatsverbintenis. Ontkent de dader dat hij de gevolgen wilde, dan moet gekeken worden naar wat er uit de gedragingen voortvloeide en wat daaruit objectief gezien afgeleid kan worden. De initiatiefnemers verwachten dat de rechter de «oogmerkjurisprudentie» ook op de onderhavige delictsomschrijving zullen toepassen. De initiatiefnemers hebben de bepaling opgenomen om een zekere begrenzing aan het inbreuk maken op eens anders persoonlijke levenssfeer aan te geven. Het hart van de bepaling zit echter, zo beantwoorden de indieners ook een vraag van de PVDA-fractieleden, in het stelselmatig inbreuk maken op die persoonlijke levenssfeer.12

16. Dat bijkomend oogmerk is veel besproken geweest tijdens de behandeling van het wetsvoorstel. Geconfronteerd met de schets van een situatie waarin de belager obsessief verliefd is op zijn slachtoffer en enkel in de nabijheid van het slachtoffer wil zijn, gaf de indiener van het wetsvoorstel Dittrich aan dat het bijkomend oogmerk kan worden beoordeeld aan de hand van hetgeen objectief gezien kan worden afgeleid uit de gedragingen. Tegelijkertijd moet er ook enige mate van kenbaarheid zijn bij de verdachte (de belager) dat zijn handelingen door de ander niet worden gewild.13 Vervolgens licht hij toe ervan uit te gaan dat rechters, oordelend over dit soort zaken, de oogmerk-jurisprudentie hier zullen toepassen. In dat opzicht noemt Dittrich de bepaling “een vreemde eend in de bijt”. Geconfronteerd met de vraag of de toevoeging van het oogmerkvereiste bewijsrechtelijk niet eerder een bemoeilijkend effect heeft, dan dat zij materieel iets aan de delictsomschrijving toevoegt, stelde hij dat het idee nu juist was de bepaling een niet al te groot bereik te geven door middel van de toevoeging van het oogmerk om “de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer wat in [te perken]”.14

17. Beperkende werking heeft het oogmerk zeker, nu voorwaardelijk opzet daarvoor niet voldoende is. Anderzijds verschaft het ‘oogmerk iemand te dwingen’ een ruimere strafbaarheid ten opzichte van de gekozen formulering van ‘dwingen’ in de zin van artikel 284 Sr.15 De meeste critici pleiten voor het schrappen van dit bestanddeel omdat het niets zou toevoegen16 of omdat het niet wezenlijk zou zijn voor het gedragspatroon dat als belaging strafbaar dient te zijn,17 dan wel omdat het oogmerk iemand te dwingen iets te dulden in de praktijk al snel gegeven zal zijn zodra de inbreuk stelselmatig van karakter is.18 Mijn ambtgenoot Knigge stelde in zijn door de steller van het middel aangehaalde conclusie dat het de indiener van het wetsvoorstel aan visie heeft ontbroken ten aanzien van het oogmerkvereiste. Hij komt – als ik hem goed begrijp – tot een op het delict toegesneden uitleg van het bijkomende oogmerk. Hij interpreteert de wetsgeschiedenis zo, dat de belangrijkste functie van het bijkomend oogmerk de objectivering van het psychische leed van het slachtoffer omvat, hoewel hij dat geen daartoe geëigend middel vindt. Het moet er in zijn ogen om gaan dat de stelselmatige inbreuk op de privacy een zekere, objectief te bepalen ernst moet hebben. Bij die geobjectiveerde ernst gaat het dan om de gevolgen voor het slachtoffer die van de stelselmatige inbreuk in redelijkheid te verwachten zijn:

“Dat maakt het mogelijk om heimelijke belaging ook strafbaar te doen zijn in het theoretische geval dat het slachtoffer daarvan nooit iets heeft gemerkt. Denkbaar is bijvoorbeeld dat die belaging pas wordt ontdekt nadat het slachtoffer is overleden. In een dergelijk geval zou de potentiële invloed die het stiekeme gedrag had op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer het (vervangende) criterium moeten zijn.19

18. De indieners van het wetsvoorstel hebben bewust gekozen voor het behoud van het bestanddeel ‘oogmerk’ in de delictsomschrijving, juist omdat daarmee tot uitdrukking komt dat de belager het slachtoffer doelbewust tot iets wil dwingen of vrees wil aanjagen. Zij achtten het onwenselijk om die passage weg te laten, omdat de delictsomschrijving dan te breed zou worden.20 In mijn visie gaat de door Knigge voorgestelde uitleg daarom te ver, hoe vaag de bedoeling van de wetgever met de toevoeging van het oogmerk te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden of vrees aan te jagen ook is. Volgens de indieners moet de inbreuk weliswaar geschikt en geëigend zou zijn om een bepaalde opstelling teweeg te brengen, maar daarbij werd er reeds op gewezen dat het per slachtoffer kan verschillen hoe de (potentiële) belagingshandelingen worden geapprecieerd. Zo kunnen potentiële belagingshandelingen, zo blijkt uit in de memorie van toelichting genoemde voorbeelden, bij de ene persoon enkel leiden tot irritatie, terwijl die bij de ander – bijvoorbeeld, omdat diegene angstiger is aangelegd – wel vrees aanjagen.21 De door mijn ambtgenoot voorgestane beoordeling van de ernst van potentiële invloed die het stiekeme gedrag kan hebben op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer, vergt een ingewikkelde en zeer subjectieve exercitie, waarmee de kern – de bedoeling van de belager – uit het oog dreigt te worden verloren, omdat bekendheid met veel contextuele omstandigheden nodig is om tot een zodanig oordeel te komen.

19. In het voorliggende geval heeft de verdachte uitdrukkelijk niet gewild dat zijn buurvrouw [aangeefster] merkte dat hij haar filmde. Uit zijn handelingen kan niets anders worden opgemaakt dan hetgeen hij over die bedoeling heeft verklaard: de heimelijkheid past daar nu juist bij. Dat het hof daaruit niet heeft kunnen opmaken dat de verdachte het oogmerk heeft gehad op het teweegbrengen van een bepaalde opstelling, gedragingen of emoties, lijkt mij in het licht van de wetsgeschiedenis niet onjuist. Weliswaar stond de wetgever voor dat voldoende geacht moet worden dat de inbreuk geschikt en geëigend is om een bepaalde opstelling teweeg te brengen,22 maar bij de objectivering van de gedragingen van de verdachte teneinde daaruit zijn bedoeling te achterhalen, achtte de wetgever eveneens van belang dat enige mate van kenbaarheid aanwezig moest zijn dat zijn handelingen door de ander niet werden gewild.23 Als het slachtoffer geen weet heeft van de handelingen, kan zij ook niet worden gedwongen iets te doen, niet te doen of te dulden en kan haar evenmin vrees worden aangejaagd. Dat zou wellicht anders zijn wanneer er met de gemaakte beelden vervolghandelingen zouden zijn verricht, zoals bijvoorbeeld het publiceren op internet, maar daarvan is in dit geval niet gebleken.24

20. Overigens merk ik op dat de uitleg van het oogmerk zoals voorgesteld door mijn ambtgenoot Knigge voor het onderhavige geval ook geen soelaas zou kunnen bieden. Zou je uit de heimelijkheid immers opmaken dat de verdachte de aangeefster heeft gedwongen te dulden dat hij beeldmateriaal van haar maakte, omdat haar niet de vrije keuze is gelaten,25 dan is de stap om daaruit op te maken dat daarin ook zijn bedoeling was gelegen, in mijn ogen een te grote. Het in dat verband door het hof overwogene, dat erop neerkomt dat het heimelijke karakter van de gedragingen kan bijdragen aan het bewijs van belaging, maar dat het oogmerk van de belager niet enkel daaruit kan blijken, lijkt mij dan ook niet onbegrijpelijk en evenmin getuigen van een onjuiste rechtsopvatting.

21. Het middel faalt.

22. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

23. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het hof heeft zich op basis van het bepaalde in artikel 423 lid 4 Sv gehouden geacht om "de straffen [te] bepalen ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde feit”. Kennelijk doelt het hof hier op het onder 2 bewezenverklaarde feit. Gelet op het bepaalde in artikel 423 lid 4 Sv had het hof zich echter helemaal niet hoeven uitlaten over de strafoplegging ter zake het onder 2 bewezenverklaarde.

2 Conclusie van 3 juni 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1480, voor: HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3095, NJ 2015/48.

3 Kamerstukken II 1998/99, 25768, nr. 7, p. 1, en Kamerstukken II 1997/98, 25768, nr. 5 (herdruk), p. 8-9.

4 Stb. 2000, 282.

5 Kamerstukken II 1997/98, 25768, nr. 5 (herdruk), p. 2.

6 HR 3 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3626, NJ 2013/394.

7 HR 14 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP4226, NJ 2004/625, rov. 3.5. Zie eveneens HR 31 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7080, NJ 2006/126.

8 Kamerstukken II 1997/98, 25768, nr. 5 (herdruk), p. 16; Kamerstukken II 1997/98, 25768, nr. 3, p. 14.

9 Kamerstukken II 1997/98, 25768, nr. 5 (herdruk), p. 16; Kamerstukken II 1997/98, 25768, nr. 3, p. 14.

10 Kamerstukken II 1997/98, 25768, nr. 5 (herdruk), p. 16.

11 HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3095, rov. 2.4.3.

12 Kamerstukken I 1999/00, 25768, nr. 67a, p. 5.

13 Handelingen II 1999/00, p. 5698; A.J. Machielse, ‘Commentaar op art. 285b Sr, aant. 8’, in: T.J. Noyon/G.E. Langemeijer & J. Remmelink (voortgezet door J.W. Fokkens, E.J. Hofstee & A.J. Machielse), Wetboek van Strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer (online in Kluwer Navigator, actueel t/m 19 juni 2013).

14 Handelingen II 1999/00, nr. 98 p. 5698; Kamerstukken II 1999/00, 25768, nr. 7, p. 13; A.J. Machielse, ‘Commentaar op art. 285b Sr, aant. 8’, in: T.J. Noyon/G.E. Langemeijer & J. Remmelink (voortgezet door J.W. Fokkens, E.J. Hofstee & A.J. Machielse), Wetboek van Strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer (online in Kluwer Navigator, actueel t/m 19 juni 2013).

15 Zie de noot van D.H. de Jong onder HR 29 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5710, NJ 2004/426.

16 Zie M.S. Groenhuijsen, ‘Stalking. Strafrecht als interventierecht’, DD 1998, afl. 6, p. 524-525; M.J.A. Duker, ‘De reikwijdte van het belagingsartikel’, RM Themis 2007, afl. 4, p. 144-145, en de noot van J.M. Reijntjes onder HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2015:3095, NJ 2015/48.

17 M.S. Groenhuijsen, ‘Stalking. Strafrecht als interventierecht’, DD 1998, afl. 6, p. 525.

18 M.J.A. Duker, ‘De reikwijdte van het belagingsartikel’, RM Themis 2007, afl. 4, p. 144-145, en zie de noot van D.H. de Jong onder HR 29 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5710, NJ 2004/426.

19 Zie de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge van 3 juni 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1480, voorafgaand aan HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3095, NJ 2015/48, onder 4.32.

20 Kamerstukken II 1999/00, 25768, nr. 7, p. 13.

21 Kamerstukken II 1997/98, 25768, nr. 5 (herdruk), p. 15-16.

22 Kamerstukken II 1997/98, 25768, nr. 5 (herdruk), p. 16.

23 Handelingen II 1999/00, p. 5698; A.J. Machielse, ‘Commentaar op art. 285b Sr, aant. 8’, in: T.J. Noyon/G.E. Langemeijer & J. Remmelink (voortgezet door J.W. Fokkens, E.J. Hofstee & A.J. Machielse), Wetboek van Strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer (online in Kluwer Navigator, actueel t/m 19 juni 2013).

24 Vgl. het voorbeeld dat Reijntjes noemt in zijn noot (onder 3) bij het arrest dat volgde op de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge. Hij noemt in het kader van de in die zaak aan de orde zijnde vraag wat onbekendheid van het slachtoffer met de (heimelijke) belagingshandelingen betekent voor de stelselmatigheid dat onder bijzondere omstandigheden van belaging kan worden gesproken in geval van handelingen waarvan het slachtoffer niet op de hoogte was, met als voorbeeld het heimelijk maken van beeldmateriaal, waarna de gemaakte foto’s en filmpjes op internet worden gezet.

25 Vgl. mijn ambtgenoot Knigge in zijn conclusie van 3 juni 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1480, voorafgaand aan HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3095, NJ 2015/48, onder 4.30.