Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:1272

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
06-12-2019
Datum publicatie
03-01-2020
Zaaknummer
19/03528
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:320, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Jeugdrecht. Ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing. Mondelinge uitspraak. Wat zijn de gevolgen van overschrijding van de tweewekentermijn voor schriftelijke uitwerking (HR 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:650) voor de geldigheid van de mondelinge uitspraak?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2020/54 met annotatie van Vlaardingerbroek, P.
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/03528

Zitting 6 december 2019

CONCLUSIE

F.F. Langemeijer

In de zaak

[de moeder]

tegen

1. Stichting Jeugdbescherming Brabant

2. [de vader]

Het cassatiemiddel in deze jeugdbeschermingszaak gaat over de termijn en de wijze waarop de mondelinge uitspraak door de rechtbank schriftelijk is vastgelegd.

1 Feiten en procesverloop

1.1

In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten:1

(i) Uit de inmiddels verbroken relatie van verzoekster tot cassatie (hierna: de moeder) en de tweede gerekestreerde in cassatie (hierna: de vader) is in augustus 2009 een dochter, genaamd [de dochter] , geboren.

(ii) Bij beschikking van de (kinderrechter in de) rechtbank Zeeland-West-Brabant van 30 augustus 2017 is de dochter onder toezicht gesteld voor het tijdvak tot 30 augustus 2018. Het toezicht is opgedragen aan de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant (hierna kortweg: de GI). Verder heeft de kinderrechter machtiging verleend tot uithuisplaatsing van de dochter, in de vorm van een plaatsing bij de vader, voor het tijdvak tot 28 februari 2018.2

(iii) Bij beschikking van 27 februari 2018 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd voor het tijdvak van 28 februari 2018 tot 30 augustus 2018.

1.2

De GI heeft op 9 juli 2018 aan de rechtbank Zeeland-West-Brabant verzocht de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen. De moeder heeft verweer gevoerd en met name bezwaar gemaakt tegen het voortduren van de uithuisplaatsing van de dochter. De kinderrechter heeft het verzoek kort behandeld ter zitting van 17 augustus 2018 en de zaak verwezen naar een meervoudige kamer van de rechtbank.

1.3

De meervoudige kamer van de rechtbank heeft het verzoek behandeld ter zitting van 27 augustus 2018, waar ook de vader is verschenen. Tijdens deze zitting heeft de rechtbank mondeling een zogenaamde ‘deelbeschikking’ gegeven.3 De uitspraak hield in dat zowel de ondertoezichtstelling als de machtiging tot uithuisplaatsing (met plaatsing van de dochter bij de vader) werd verlengd voor het tijdvak van 30 augustus 2018 tot 13 september 2018, onder aanhouding van iedere verdere beslissing.

1.4

Vervolgens heeft de meervoudige kamer op 12 september 2018 een schriftelijke beschikking gegeven. Daarin heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling verlengd voor het tijdvak van 13 september 2018 tot 30 augustus 2019 en de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd voor het tijdvak van 13 september 2018 tot 30 december 2018.4 De beschikking van 12 september 2018 bevatte tevens de schriftelijke weergave van de op 27 augustus 2018 mondeling uitgesproken beslissingen.

1.5

De moeder heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van 27 augustus 2018 en die van 12 september 2018. In hoger beroep heeft de moeder als eerste grief aangevoerd dat de wijze waarop de meervoudige kamer op 27 augustus 2018 mondeling uitspraak heeft gedaan niet aan de wettelijke eisen voldoet en daarom niet heeft geleid tot een geldige ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. Verder hield deze grief in dat voor de moeder niet duidelijk was welk gedeelte van de schriftelijke uitspraak van 12 september 2018 betrekking heeft op de uitspraak van 27 augustus 2018. De overige grieven (II – IV) hadden betrekking op de inhoudelijke bezwaren van de moeder tegen het voortduren van de uithuisplaatsing van de dochter.

1.6

Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft in een tussenbeschikking van 14 februari 2019 het geschil uiteengezet en nadere informatie opgevraagd. Nadat het hof deze had ontvangen heeft het hof bij beschikking van 16 mei 2019 de beschikkingen van de rechtbank bekrachtigd. Het hof overwoog onder meer, voor zover in cassatie van belang:

“7.3 Het hof stelt vast dat de rechtbank heeft beoogd één beschikking te geven op het verzoek van de GI, doch dat dit doel niet kon worden bereikt door de korte tijdspanne tussen de mondelinge behandeling ten overstaan van drie rechters op 27 augustus 2018 en het aflopen van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing op 30 augustus 2018. De rechtbank heeft aan het einde van de zitting aan de GI, de moeder (en haar gemachtigde) en de vader kenbaar gemaakt hoe zij dit probleem zou gaan oplossen: door aanstonds ter zitting voor een korte periode mondeling uitspraak te doen met de toezegging dat vóór 13 september 2018 een schriftelijke beschikking zal komen over het resterende deel van de verzoeken. Wat de rechtbank vervolgens gedaan heeft is één schriftelijk stuk vervaardigen dat zowel de vastlegging van het mondeling gegeven deel van 27 augustus 2018 bevat, als de nadere (schriftelijke) beslissing op het resterende deel van de verzoeken.

Het betreft één en dezelfde motivering van zowel de mondeling gegeven beslissing voor de korte verlengingsperiode als de schriftelijke beslissing op de resterende verzoeken. Voor de periode tot 13 september 2018, zoals ook reeds aan de GI, de moeder (en haar gemachtigde) en de vader ter zitting van de rechtbank is medegedeeld, heeft de rechtbank – naar aanleiding van hetgeen over en weer was aangevoerd op de mondelinge behandeling van 27 augustus 2018 – reeds beslist dat het niet in het belang van [de dochter] was de huidige situatie te veranderen. De resterende verzoeken zijn dezelfde verzoeken en de verweren dezelfde verweren met dezelfde daaraan ten grondslag liggende stellingen van de GI, de moeder (en haar gemachtigde) en de vader, en wat nog te beslissen viel na de mondelinge beslissingen betreft enkel de resterende termijnen.

Het hof is van oordeel dat de moeder onder deze omstandigheden niet kan volhouden dat het voor haar niet duidelijk is tegen welke beslissing of welke motivering van welke beslissing zij moet opkomen in het hoger beroep. Duidelijk is dat de rechtbank één motivering ten grondslag legt aan de beslissingen op de verzoeken. De rechtbank heeft de beslissing op de verzoeken in twee stappen genomen. Daarover is ter zitting van 27 augustus 2018 uitleg gegeven aan de GI, de moeder (en haar gemachtigde) en de vader. Het hof is niet gebleken dat daartegen bezwaar is gemaakt, integendeel. De termijn waarbinnen de rechtbank de schriftelijke vastlegging, ook van de op de zitting van 27 augustus 2018 mondeling gegeven beslissingen, zou doen plaatsvinden is nadrukkelijk genoemd, te weten iets langer dan 14 dagen, en daarbinnen heeft de schriftelijke vastlegging door de rechtbank ook plaats gevonden.

Het hof merkt op dat deze wijze van werken aanleiding tot misverstanden kan geven, doch alles overziende is de conclusie dat de moeder in dit geval heeft moeten begrijpen waartegen haar grieven, zowel met betrekking tot de mondelinge uitspraken, als tot de schriftelijke uitspraken, zich dienen te richten. De overschrijding van de termijn van 14 dagen is vooraf door de rechtbank op de mondelinge behandeling aangekondigd, waartegen toen geen bezwaar is aangetekend. De bezwaren van de moeder, ook die als nader aangevoerd in het faxbericht van 5 maart 2019 van de zijde van de advocaat van de moeder, gecorrigeerd bij faxbericht van 6 maart 2019, treffen dan ook geen doel.”

1.7

Tegen de beschikking van het hof heeft de moeder – tijdig − cassatieberoep ingesteld. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

De klachten zijn gericht tegen de zo-even geciteerde overwegingen. Onderdeel 1 heeft betrekking op de overschrijding van de termijn van twee weken voor het schriftelijk uitwerken van de mondelinge uitspraak. Onderdeel 2 keert zich tegen de vaststelling dat de moeder geen bezwaar heeft gemaakt tegen een overschrijding van de termijn van twee weken. Onderdeel 3 betreft het standpunt van de moeder dat voor haar onduidelijk is, welk gedeelte van de op 12 september 2018 gegeven beschikking betrekking had op de eerder mondeling gedane uitspraak. Onderdeel 4 bouwt slechts voort op de daaraan voorafgaande klachten.

Onderdeel 1: de termijn van veertien dagen

2.2

Onderdeel 1 houdt in dat de bestreden beslissing blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de rechtsgevolgen van het niet tijdig schriftelijk uitwerken van een mondelinge uitspraak. Het middelonderdeel verwijst naar de beschikking van de Hoge Raad van 20 april 2018.5 De termijn van veertien dagen, binnen welke een mondelinge uitspraak schriftelijk moet zijn uitgewerkt, is volgens de toelichting op de klacht een regel van openbare orde: aan de overschrijding door de rechtbank van deze termijn had het gerechtshof de gevolgtrekking moeten verbinden dat de uitspraak van 27 augustus 2018 nietig, ongeldig en in elk geval zonder rechtsgevolgen is (zie het verzoekschrift tot cassatie onder 12). Deze consequentie vloeit volgens de klacht ook voort uit art. 8 lid 2 EVRM: die bepaling vereist immers dat een inmenging van overheidswege in het family life van de moeder en haar dochter bij wet is voorzien. Nu de nationale wetgeving niet voorziet in een mogelijkheid de schriftelijke uitwerking van een mondelinge uitspraak uit te stellen tot na veertien dagen, ontbreekt volgens de klacht de vereiste wettelijke basis voor deze inmenging (zie het verzoekschrift tot cassatie onder 13).

2.3

In zijn beschikking van 20 april 2018 heeft de Hoge Raad twee mogelijkheden genoemd. De eerste is de mogelijkheid om ter zitting mondeling uitspraak te doen op de voet van het op 1 september 2017 in werking getreden artikel 30p Rv. Indien toepassing wordt gegeven aan art. 30p Rv moeten alle in die bepaling genoemde voorschriften worden nageleefd. Daartoe behoort het vereiste dat alle partijen zijn verschenen tijdens de mondelinge behandeling. Na een mondelinge uitspraak op de voet van art. 30p Rv volgt er geen schriftelijke uitspraak meer.6 Van de zitting wordt proces-verbaal opgemaakt, waarin het mondeling uitgesproken vonnis wordt aangetekend. De rechter stelt binnen twee weken na de mondelinge uitspraak een afschrift van het proces-verbaal ter beschikking van partijen.7

2.4

De Hoge Raad heeft in de tweede plaats gewezen op de vóór 1 september 2017 al bestaande praktijk in die gevallen waarin het belang bij het verkrijgen van een rechterlijke beslissing zodanig dringend is dat de (volledige) schriftelijke uitwerking daarvan niet kan worden afgewacht. In zulke gevallen wordt de uitspraak mondeling in verkorte vorm gedaan en volgt de schriftelijke uitwerking daarvan enkele dagen later (niet in de vorm van een proces-verbaal, maar in de vorm van een gewoon schriftelijk vonnis of schriftelijke beschikking). Deze bestaande praktijk kan naar het oordeel van de Hoge Raad ook na 1 september 2017 worden voortgezet (zie rov. 3.3.3 – 3.3.8 HR). De uitspraakdatum in deze latere schriftelijke uitwerking is in dat geval: de datum waarop mondeling uitspraak is gedaan. Die dag is ook bepalend voor de aanvang van de rechtsmiddeltermijn (zie in het bijzonder: rov. 3.4.3 HR). De Hoge Raad voegde hieraan toe:

“Wordt de bestaande praktijk gevolgd, dan dient de volledige schriftelijke uitwerking van de uitspraak zo spoedig mogelijk na de mondelinge uitspraak beschikbaar te zijn, bij voorkeur binnen enkele dagen. Overeenkomstig het in art. 30p lid 5 Rv bepaalde, valt hierbij uit te gaan van een termijn van uiterlijk twee weken. (…)” (rov. 3.4.4 HR).

2.5

In art. 30p lid 5 Rv noch elders in de wet is op het niet in acht nemen van de termijn van veertien dagen de sanctie van nietigheid van de desbetreffende uitspraak gesteld. Indien de hogere rechter ten tijde van zijn beslissing niet beschikt over de tekst van het proces-verbaal, is dat gemis – niet de overschrijding van de termijn van veertien dagen op zichzelf – een reden tot vernietiging van de beroepen (mondelinge) uitspraak: omdat de gronden waarop de mondelinge uitspraak berustte niet door de hogere rechter kunnen worden vastgesteld. Jurisprudentie waarin is aangenomen – in de bewoordingen van art. 79 lid 1 RO − dat bij niet inachtneming van dit termijnvoorschrift de nietigheid van de uitspraak voortvloeit “uit de aard van de niet in acht genomen vorm”, heb ik niet aangetroffen.8

2.6

Ten aanzien van een overschrijding van de termijn van veertien dagen als bedoeld in rov. 3.4.4 van de beschikking van de Hoge Raad van 20 april 2018, kan mijns inziens hetzelfde worden aangenomen. Niet alleen maakt de Hoge Raad in die beschikking zelf geen melding van de sanctie van nietigheid; dat dit geen grond tot vernietiging is kan ook worden afgeleid uit de vergelijking die de Hoge Raad maakt met art. 30p lid 5 Rv. Indien hoger beroep of beroep in cassatie is ingesteld tegen een uitspraak die niet naar de eisen der wet met redenen is omkleed, leidt dát vormgebrek tot vernietiging van die uitspraak. Het te laat (d.w.z. later dan veertien dagen na de mondelinge uitspraak9) toezenden van een afschrift van het proces-verbaal (art. 30p), respectievelijk van de schriftelijk uitgewerkte uitspraak, aan de procespartijen kan wel nadelige gevolgen hebben voor de procespartij die tijdig gronden moet aanvoeren voor haar hoger beroep of beroep in cassatie. Daarvoor heeft de Hoge Raad uitdrukkelijk een voorziening getroffen in rov. 3.4.5 van meergenoemde beschikking van 20 april 2018.

2.7

In zijn beschikking van 20 april 2018 heeft de Hoge Raad geen onderscheid gemaakt tussen uitspraken waarmee in de desbetreffende instantie aan het geding een eind wordt gemaakt en uitspraken die in het dictum gedeeltelijk een eindbeslissing omvatten en voor het overige iedere verdere beslissing wordt aangehouden (‘deelvonnis’ of ‘deelbeschikking’).10

2.8

De uitgewerkte tekst van de mondelinge uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank d.d. 27 augustus 2018 is voor de betrokken procespartijen beschikbaar gekomen door de toezending van het afschrift van de beschikking van 12 september 2018, waarin (ook) de gronden van de beslissing van 27 augustus 2018 zijn opgenomen. De moeder heeft in hoger beroep tijdig grieven kunnen richten tegen die beslissing en heeft deze ook daadwerkelijk aangevoerd. Met hof ben ik van mening dat de door de rechtbank gehanteerde werkwijze (waarbij de schriftelijke vastlegging van de op 27 augustus 2018 mondeling gedane uitspraak niet afzonderlijk heeft plaatsgevonden, maar is opgenomen in de schriftelijke uitspraak van 12 september 2018) weliswaar ongebruikelijk is en daardoor aanleiding tot misverstanden kan geven, maar in dit geval geen reden geeft tot vernietiging van die uitspraak. Om deze redenen faalt de rechtsklacht. De kwestie of de moeder uit de schriftelijke vastlegging heeft begrepen, althans had behoren te begrijpen, waartegen zij in hoger beroep haar grieven diende te richten, wordt afzonderlijk aan de orde gesteld in middelonderdeel 3.

2.9

Ter zijde merk ik op dat in het bestuursprocesrecht de mondelinge uitspraak is geregeld in art. 8:67 Algemene wet bestuursrecht (Awb). Van de mondelinge uitspraak wordt door de griffier een proces-verbaal opgemaakt. Binnen twee weken na de dagtekening van de uitspraak stelt de griffier een afschrift van de uitspraak of van het proces-verbaal ter beschikking van partijen (art. 8:79 lid 1 Awb). Deze termijn van veertien dagen wordt slechts opgevat als een termijn van orde. Een overschrijding van deze termijn leidt op zichzelf niet tot vernietiging van de desbetreffende uitspraak.11 Bijzondere voorzieningen zoals in rov. 3.4.5 van meergenoemde beschikking van de Hoge Raad van 20 april 2018, ontbreken. Dit hangt samen, dunkt me, met het feit dat in het bestuursprocesrecht de datum van bekendmaking van de uitspraak, niet de dagtekening, bepalend wordt geacht voor de aanvang van de beroepstermijn. 12

2.10

In het strafprocesrecht wordt, in de gevallen waarin het mondeling wijzen van vonnis is toegestaan, volstaan met een binnen 48 uur aan de dagvaarding te hechten aantekening van het mondelinge vonnis (zie art. 378a Sv voor de politierechter en art. 395a Sv voor de kantonrechter). In bepaalde gevallen, onder meer wanneer binnen drie maanden na de uitspraak om schriftelijke uitwerking wordt verzocht of indien binnen drie maanden een gewoon rechtsmiddel tegen het vonnis wordt aangewend, wordt alsnog een proces-verbaal van de zitting opgemaakt, waarin ook het uitgesproken vonnis op een gestandaardiseerde wijze wordt aangetekend (zie art. 378 lid 2 Sv voor de politierechter en art. 395 lid 2 Sv voor de kantonrechter). Deze nadere schriftelijke uitwerking is niet aan een wettelijke termijn gebonden.13 Wel zijn door de gerechten afspraken hierover gemaakt: een overschrijding van de ‘redelijke termijn’ als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM kan consequenties hebben in hoger beroep of in cassatie.14

2.11

Tegen de achtergrond van het voorgaande faalt ook de klacht dat de termijnoverschrijding fataal is, nu deze niet bij wet is voorzien, in de zin van art. 8 lid 2 EVRM.

Onderdeel 2: afwijking van de 14 dagen-termijn met instemming van partijen?

2.12

Onderdeel 2 haakt aan bij de vaststelling, in rov. 7.3, dat ter zitting van de rechtbank op 27 augustus 2018 door of namens de moeder geen bezwaar is gemaakt tegen de aankondiging dat de schriftelijke vastlegging van de tijdens die zitting mondeling uitgesproken beslissing zou plaatsvinden op een termijn die iets langer is dan 14 dagen. Volgens de klacht heeft het hof miskend dat rechtens niet voldoende is dat een bezwaar is uitgebleven. In ieder geval is het oordeel van het hof volgens de klacht onbegrijpelijk: (i) omdat uit het proces-verbaal niet blijkt dat de overschrijding van de twee weken-termijn ter sprake is gekomen en/of (ii) omdat het hof niet heeft onderzocht of partijen de rechtbank uitdrukkelijk toestemming hebben gegeven voor een overschrijding van de twee weken-termijn.15

2.13

Indien onderdeel 1 ongegrond wordt bevonden en aangenomen wordt dat een overschrijding van de termijn van twee weken voor het schriftelijk uitwerken van de uitspraak niet behoeft te leiden tot vernietiging van de desbetreffende uitspraak, faalt op die grond ook onderdeel 2.

2.14

Indien onderdeel 1 zou slagen, komt de vraag aan de orde of met goedvinden van partijen door de rechter van de veertien dagen-termijn mag worden afgeweken. Er zijn argumenten voor een ontkennende, maar ook voor een bevestigende beantwoording van deze vraag. Een voor de hand liggend argument voor een ontkennend antwoord is dat deze fase van de procedure (tussen de mondelinge uitspraak en de schriftelijke uitwerking daarvan) niet afhankelijk is van proceshandelingen van de betrokken procespartijen: de norm van veertien dagen richt zich uitsluitend tot de rechter. Ook in gevallen waarin geen der partijen een rechtsmiddel tegen de uitspraak wenst aan te wenden, is noodzakelijk dat de inhoud van het reeds uitgesproken vonnis of de reeds uitgesproken beschikking zo spoedig mogelijk wordt vastgesteld: in de meergenoemde beschikking van 20 april 2018 sprak de Hoge Raad van: “zo spoedig mogelijk na de mondelinge uitspraak beschikbaar te zijn, bij voorkeur binnen enkele dagen” (rov. 3.4.4).

2.15

Daartegenover staat dat art. 30p Rv, zoals dit sinds 1 september 2017 luidt, bezwaarlijk los van art. 30o KEI-Rv kan worden gezien, ook al is laatstgenoemde bepaling nog niet in werking getreden en op dit geding daarom niet van toepassing. Art. 30o KEI-Rv bepaalt − voor zover hier van belang − dat indien dit met het oog op art. 19 Rv16 of met het oog op een goede instructie van de zaak noodzakelijk is, de rechter op verzoek van een partij kan toestaan of ambtshalve kan bepalen dat, in afwijking van hetgeen in deze afdeling is bepaald, termijnen worden verlengd of verkort.

2.16

In deze zaak heeft de rechtbank ter zitting van 27 augustus 2018 aan partijen voorgehouden hoe zij het probleem van de korte tijdspanne tussen de mondelinge behandeling en het verstrijken van de geldigheidsduur van de lopende ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing wilde oplossen. Onderdeel van die oplossing was het doen van een mondelinge uitspraak voor een beperkt gedeelte van hetgeen werd verzocht en op een latere datum een schriftelijke uitspraak omtrent hetgeen overigens werd verzocht. De schriftelijke uitwerking zou met enkele dagen overschrijding van de veertien dagen-termijn beschikbaar worden gesteld. Het hof bedoelt kennelijk dat, indien één van de partijen tegen dit voorstel bezwaar zou hebben gemaakt, de rechtbank zou hebben gekozen voor een andere wijze van afdoening van de zaak. De door het hof aan de opstelling van de moeder gegeven uitleg, dat zij met deze procedurele gang van zaken heeft ingestemd, is niet onbegrijpelijk. De keuze voor een bepaalde wijze van afdoening van de zaak door de rechtbank op zich vereiste uiteraard geen instemming van partijen.17

2.17

Het komt mij voor dat de bestreden beslissing niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de termijn voor het afgeven van de schriftelijke weergave van de beslissing. Integendeel, het hof gaat juist uit van de veertien dagen-termijn als norm. De bestreden overwegingen zijn evenmin onbegrijpelijk voor de lezer. De slotsom is dat onderdeel 2 faalt.

Onderdeel 3: wijkt de schriftelijke weergave af van de mondelinge uitspraak?

2.18

Onderdeel 3 is gericht tegen de verwerping van het standpunt van de moeder dat voor haar niet duidelijk was welk deel van de beschikking van 12 september 2018 de op 27 augustus gedane mondelinge uitspraak draagt en welk deel de schriftelijke uitspraak. Zij stelt dat de mondelinge uitspraak op een andere motivering berustte dan de schriftelijke uitspraak.18 Hierdoor kan volgens de klacht de uitspraak niet in stand blijven.19

2.19

Ter onderbouwing van haar klacht verwijst de moeder naar de volgende passage uit het proces-verbaal van de zitting van 27 augustus 2018:

"Het gaat over serieuze punten waarover de rechtbank een goede afweging wil maken. Hier heeft de rechtbank tijd voor nodig. Het gaat immers over een belangrijke beslissing. De rechtbank wil wel snel met een beslissing komen. Zij zal dan ook vóór 13 september 2018 uitspraak doen.

De rechtbank is van oordeel dal het niet in het belang van [de dochter] is om de huidige situatie voor de komende twee weken (tot 13 september 2018) te veranderen. Vanuit de GI en de belanghebbenden zijn geen bewaren geuit tegen een mondeling en een schriftelijk deel van de uitspraak. Daarom zal de rechtbank thans mondeling, uitvoerbaar bij voorraad, de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing verlengen tot 13 september 2018. Aan de wettelijke gronden voor deze maatregelen is naar het oordeel van de rechtbank voldaan. In de beschikking die vóór 13 september 2018 zal worden uitgesproken, zal de rechtbank een afweging maken over alles wat er door de GI en de belanghebbenden naar voren is gebracht.”

2.20

Deze tekst laat geen andere gevolgtrekking toe dan dat de rechtbank in de mondelinge uitspraak van 27 augustus 2018 heeft getoetst of de verzochte verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing aan de wettelijke vereisten voor elk van die maatregelen voldoet. De toetsing is positief uitgevallen, zij het dat de rechtbank slechts een oordeel gaf over het tijdvak tot 13 september 2018 en wat betreft de periode nadien iedere verdere beslissing aanhield. De nadere onderbouwing van deze uitkomst van de toetsing is op 12 september 2018 schriftelijk door de rechtbank gegeven in de schriftelijke uitwerking van die mondelinge uitspraak. Van innerlijke tegenspraak tussen de motivering in het proces-verbaal en in de schriftelijke beschikking is mijns inziens geen sprake. Ook de verwerping van de grief van de moeder dat voor haar niet duidelijk was tegen welke beslissing of tegen welke motivering zij in hoger beroep moest opkomen is toereikend gemotiveerd. Onderdeel 3 faalt.

2.21

Onderdeel 4 bevat slechts een klacht die voortbouwt op de daaraan voorafgaande klachten. Deze behoeft geen afzonderlijke bespreking.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

plv.

1 Ontleend aan rov. 3.1 - 3.3 van de tussenbeschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 14 februari 2019.

2 Tegen de beschikking van 30 augustus 2018 heeft de moeder hoger beroep ingesteld. Het verdere procesverloop in die zaak is te kennen uit HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1797.

3 Een deelbeschikking bevat gedeeltelijk een einduitspraak, gedeeltelijk een tussenuitspraak. Zie over dit begrip: Asser Procesrecht/Korthals Altes en Groen, 7, 2015/68 en 77; Asser Procesrecht/Van Schaick, 2, 2016/104. Een eindvonnis is een vonnis waarin de rechter door een uitdrukkelijk dictum omtrent het gevorderde (of een deel daarvan) een einde aan het geding maakt.

4 Een typefout in het jaartal is bij herstelbeschikking van 18 september 2018 verbeterd.

5 HR 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:650, onder rov. 3.4.4.

6 Vgl. rov. 3.3.2 van HR 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:650.

7 Zie over dit artikel: J.C.E. Ackermans-Wijn, ‘De mondelinge uitspraak volgens artikel 30p Rv in familiezaken’, EB 2017/76; F. Kleefmann, ‘Artikel 30p Rv’, Trema 2017/9; T&C Burgerlijke Rechtsvordering, aantekeningen bij art. 30p (A.I.M. van Mierlo); Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, aantekeningen bij art. 30p (R.H. de Bock, 2016); H.M.M. Steenberghe en J.D.A. den Tonkelaar (red.), Commentaar & Context KEI. Het gewijzigde Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering becommentarieerd vanuit de parlementaire geschiedenis van de KEI-wetgeving, Boom Juridisch 2017, blz. 123 – 126.

8 Twijfel over de rechtsgevolgen van niet inachtneming van de termijn van art. 30p Rv blijkt uit Gerechtshof Den Haag 28 maart 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:577, rov. 5.14.

9 Op deze termijn is de Algemene termijnenwet van toepassing.

10 Zie over de mogelijkheden voor beroep tegen een deelvonnis of deelbeschikking: Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein en Wesseling-van Gent, 4, 2018/33 e.v.; Van der Wiel (red.), Cassatie 2019/145 – 146.

11 Vgl. CRvB 22 april 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT5003, AB 2006/44 m.nt. A.M.L. Janssen; Nader rapport, Parl. Gesch. Awb II, blz. 503.

12 Tekst & Commentaar Algemene wet bestuursrecht, aantek. 2 op art. 8:79 (T. Borman).

13 In het strafprocesrecht kan een rechtsmiddel zoals hoger beroep of beroep in cassatie worden ingesteld zonder (in dat stadium) daarvoor gronden aan te dragen: zie art. 449 e.v. Sv.

14 Zie bijv. HR 19 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5361 en de daaraan voorafgaande conclusie van A-G Vellinga.

15 Zie het verzoekschrift tot cassatie onder 17 en 18.

16 Zie met name art. 19 lid 2: “De rechter neemt ambtshalve of op verlangen van een van de partijen alle beslissingen die nodig zijn voor een goed verloop van de procedure”. Zie ook art. 20 lid 1 Rv, dat bepaalt dat de rechter waakt tegen onredelijke vertraging van de procedure.

17 Vgl. Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2016/101, waarin ten aanzien van art. 30p Rv wordt verwezen naar de totstandkomingsgeschiedenis van die bepaling en de door de wetgever beoogde harmonisatie van de mondelinge uitspraak met het bestuursrecht.

18 Zie het verzoekschrift tot cassatie onder 19.

19 Zie het verzoekschrift tot cassatie onder 20.