Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:1262

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
15-10-2019
Datum publicatie
03-12-2019
Zaaknummer
18/03175
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1884
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Profijtontneming. 1. Ontbreken bij de stukken van het geding van een deel van de randnrs. in de door de raadsman overgelegde pleitnota in h.b. 2. Ontneming na veroordeling gewoontewitwassen in de periode 2010-2014, w.v.v. uit “strafbare feiten, met name drugshandel”, toepassing art. 36e.2 of 3 (oud en nieuw) Sr. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 18/03172, 18/03535 en 18/03542 P.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/03175 P

Zitting 15 oktober 2019

CONCLUSIE

D.J.C. Aben

In de zaak

[betrokkene] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,

hierna: de betrokkene.

1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 10 juli 2018 het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 147.864,- en aan de betrokkene ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van € 140.000,- aan de staat.

2. Er bestaat samenhang met de zaken 18/03172, 18/03535 en 18/03542. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

3. Namens de betrokkene is tijdig beroep in cassatie ingesteld. Mrs. N. van Schaik en S.D. Groen, beiden advocaat te Utrecht, hebben één middel van cassatie voorgesteld. Tevens hebben genoemde advocaten binnen de daartoe gestelde termijn een aanvullende schriftuur ingediend, waarin een tweede middel van cassatie is voorgesteld.

4. Ik begin met de bespreking van het bij aanvullende cassatieschriftuur voorgestelde middel, dat klaagt dat het onderzoek ter terechtzitting van 26 juni 2018 aan nietigheid lijdt, aangezien een deel van de door de raadsman bij die gelegenheid aan het hof overgelegde pleitnota zich niet (meer) bij de stukken van het geding bevindt.

5. Het middel faalt op dezelfde gronden als waarop het middel in de (samenhangende) strafzaak met nummer 17/003172 behoort te falen.

6. Gelet op het voorgaande zal ik tevens het middel zoals voorgesteld bij schriftuur bespreken.

7. Het middel behelst de klacht dat het oordeel van het hof dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit “strafbare feiten, met name drugshandel” en aldus uit andere feiten dan het bewezenverklaarde witwasfeit, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijk is, althans onvoldoende met redenen is omkleed.

8. Het hof heeft in het bestreden arrest, voor zover hier van belang, het volgende overwogen (onder weglating van voetnoten):

Motivering van de op te leggen maatregel

Uit het verhandelde ter terechtzitting komt naar voren dat de veroordeelde, die in 2012 onherroepelijk is veroordeeld wegens overtreding van de Opiumwet en in 2014 eveneens is veroordeeld wegens overtreding van de Opiumwet, welk vonnis niet onherroepelijk vaststaat, in de in aanmerking genomen periode van 1 januari 2010 tot en met 30 oktober 2014 tezamen, met zijn echtgenote heeft beschikt over ruime geldmiddelen, die niet verklaard kunnen worden uit legale inkomsten of bezittingen.

De veroordeelde is, evenals zijn echtgenote, bij het door het hof in zijn strafzaak gewezen arrest van heden veroordeeld wegens medeplegen van gewoontewitwassen.

Het hof acht aannemelijk dat de veroordeelde, evenals zijn mede veroordeelde echtgenote, voor zover de door hen gedane uitgaven niet uit legale bron verklaard kunnen worden, in zoverre uit strafbare feiten, met name drugshandel, wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

I. Schatting wederrechtelijk verkregen voordeel

De vaststelling van het verkregen wederrechtelijk voordeel heeft plaatsgevonden volgens de methode van de zogenaamde kasopstelling zoals die opgenomen is, in het proces-verbaal "Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling ex art. 36e 3e Sr van 14 november 2014", dat is opgemaakt door K.W. Schakel.

(…)

In het ontnemingsrapport is het door de veroordeelde en haar echtgenoot wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht berekend op basis van het verschil tussen de contante uitgaven en de legale inkomsten van de veroordeelde en haar echtgenoot in de periode van 1 januari 2010 tot en met december 2014.

(…)

Bovengenoemde kasopstelling toont aan dat de veroordeelde [betrokkene] en de medeveroordeelde [betrokkene 1] in de periode van 1 januari 2010 tot en met 30 oktober 2014 in totaal (minimaal) € 295.728,-, meer (contante) uitgaven hebben gedaan dan zij uit legale bronnen konden verantwoorden.

Het hof acht het aannemelijk dat dit voordeel pondspondsgewijs tussen de veroordeelde en zijn medeveroordeelde is verdeeld, zodat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden vastgesteld op:

50% van € 295.728,- = € 147.864,-“

9. In de toelichting betogen de stellers van het middel allereerst dat het hof in het midden heeft gelaten of het toepassing heeft gegeven aan artikel 36e Sr zoals deze bepaling luidt sinds de wetswijziging van 1 juli 2011 dan wel aan artikel 36e Sr zoals deze bepaling luidde vóór deze wetswijziging. In de tweede plaats betogen de stellers van het middel dat voor zover het hof toepassing heeft gegeven aan artikel 36e, derde lid, Sr (oud), niet is voldaan aan de toepassingsvoorwaarde van die bepaling. Immers, niet is gebleken dat er een strafrechtelijk financieel onderzoek tegen de betrokkene is ingesteld. Evenmin is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 36e, tweede lid, Sr (oud dan wel nieuw), aldus de stellers van het middel.

10. Tot 1 juli 2011 luidde artikel 36e Sr, eerste, tweede en derde lid, Sr als volgt:

"1. Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

2. De verplichting kan worden opgelegd aan de in het eerste lid bedoelde persoon die voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het daar bedoelde strafbare feit of soortgelijke feiten of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door hem zijn begaan.

3. Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, en tegen wie als verdachte van dat misdrijf een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld, de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien gelet op dat onderzoek aannemelijk is dat ook dat feit of andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen."

11. Met ingang van 1 juli 2011 luidt artikel 36e, eerste, tweede en derde lid, Sr voor zover relevant als volgt:

"1. Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

2. De verplichting kan worden opgelegd aan de in het eerste lid bedoelde persoon die voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het daar bedoelde feit of andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan.

3. Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie, de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien aannemelijk is dat of dat misdrijf of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. (…)" 1

12. Zoals hierboven aangehaald heeft het hof geoordeeld dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit “strafbare feiten, met name drugshandel”. Gelet op de door het hof gebruikte bewoordingen, heeft het hof kennelijk beoogd toepassing te geven aan artikel 36e, derde lid, Sr (oud dan wel nieuw).

13. Tot 1 juli 2011 was slechts ontneming mogelijk op grond van artikel 36e, derde lid, Sr indien tegen de betrokkene een strafrechtelijk financieel onderzoek was ingesteld. Met ingang van 1 juli 2011 is dat vereiste komen te vervallen. Die wijziging houdt een uitbreiding in van de toepasselijke regels van sanctierecht. Bij verandering van regels van sanctierecht na het tijdstip waarop het feit is begaan dient de rechter op grond van artikel 1, tweede lid, Sr, de voor de betrokkene gunstigste bepaling toe te passen.2

14. Het bewezenverklaarde feit is gepleegd in de periode van 1 januari 2010 tot en met 30 oktober 2014, terwijl de kasopstelling diezelfde periode bestrijkt. Voor zover als gevolg daarvan artikel 36e, derde lid (oud) van toepassing is, heeft het hof niet vastgesteld, noch is anderszins gebleken dat een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld. Daardoor heeft het hof opengelaten of aan de randvoorwaarden van artikel 36e, derde lid, Sr (oud) is voldaan. Daarover klaagt het middel terecht.

15. Het voorgaande behoeft mijns inziens echter niet tot cassatie te leiden wegens gebrek aan voldoende belang. Het hof heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat aan de hand van een eenvoudige kasopstelling over de periode van 1 januari 2010 tot en met 30 oktober 2014 en overwogen dat in dit geval het wederrechtelijk verkregen voordeel is verkregen uit (andere) strafbare feiten, te weten drugshandel. De eenvoudige kasopstelling kan ook worden gehanteerd bij toepassing van het tweede lid van artikel 36e Sr (oud dan wel nieuw). In dat geval dient het aan de hand van die berekening vastgestelde bedrag wel in voldoende mate te (kunnen) worden gerelateerd aan het feit of de feiten waarvoor de betrokkene is veroordeeld dan wel aan andere strafbare feiten als bedoeld in artikel 36e, tweede lid, Sr of, voor zover deze zijn begaan voor 1 juli 2011 (zoals in het onderhavige geval), soortgelijke feiten en/of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan.3

16. Het hof heeft geoordeeld dat de uitkomst van de gebezigde kasopstelling het door de betrokkene daadwerkelijk wederrechtelijk verkregen voordeel representeert. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk. Anders dan de stellers van het middel betogen, ligt in de vaststellingen van het hof dat de betrokkene in 2012 en in 2014 voor een tweetal Opiumfeiten is veroordeeld besloten dat het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel is geschat, is gerelateerd aan feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, als bedoeld in artikel 36e, tweede lid, Sr (oud) dan wel aan andere strafbare feiten, als bedoeld in artikel 36e, tweede lid, Sr (nieuw). Bovendien ligt in die overweging besloten dat omtrent die feiten voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan, als bedoeld in artikel 36e, tweede lid, Sr (oud én nieuw). Het hof had het wederrechtelijk verkregen voordeel dus zonder meer kunnen ontnemen op grond van artikel 36e, tweede lid, Sr (oud en nieuw).

17. Beide middelen falen.

18. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

19. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Op 1 juli 2011 is de Wet verruiming mogelijkheden voordeelsontneming van 31 maart 2011 in werking getreden (Stb. 2011, 171)

2 Vgl. HR 29 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2714, NJ 2017/105 m.nt. Wolswijk.

3 Zie HR 17 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3569; HR 14 maart 2017, ECLI NL:HR:2017:414; HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1222; HR 5 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2258; HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:66; HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:543, en HR 18 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1684.