Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:1255

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-12-2019
Datum publicatie
03-12-2019
Zaaknummer
18/02548
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:449
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Terrorismeproces ‘Context’. Organisatie van personen die zich vanaf 2012 heeft geschaard achter de in Syrië te voeren gewapende jihadstrijd voor de stichting van een ‘kalifaat’. Oogmerk op onder meer opruien tot deelnemen aan de gewapende strijd, ronselen van Syriëgangers, financieren van terrorisme en de voorbereiding en/of de bevordering van in Syrië te plegen levensdelicten. De verdachte is veroordeeld wegens zijn deelneming aan de organisatie en wegens zijn deelneming aan een terroristisch trainingskamp in Syrië en het voorbereiden of bevorderen van terroristische levensdelicten in Syrië door gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het begaan van die misdrijven te verschaffen. Conclusie bespreekt onder meer (1) het bestaan van rechtsmacht ter zake van de deelneming aan een terroristisch trainingskamp, (2) het verwerven van “kennis of vaardigheden tot” het plegen van (kort gezegd) terroristische misdrijven in de zin van art. 134a Sr en (3) het ondervragingsrecht van art. 6, derde lid onder d, EVRM. De AG geeft de Hoge Raad in overweging het cassatieberoep te verwerpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/02548

Zitting 3 december 2019

CONCLUSIE

E.J. Hofstee

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

hierna: de verdachte.

I. Inleiding

1. De verdachte is bij arrest van 25 mei 2018 door het gerechtshof Den Haag (i) vrijgesproken van het onder 1A tenlastegelegde – kort gezegd – samenspanning tot terroristische misdrijven, (ii) ontslagen van alle rechtsvervolging ten aanzien van feit 1C voor zover het ziet op andere gedragingen dan het deelnemen aan een trainingskamp en (iii) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren en zes maanden, met aftrek van voorarrest, wegens
•feit 1B “met het oogmerk om
- een in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf, te begaan met een terroristisch oogmerk,
- een in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf,
- een in artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf, te begaan met een terroristisch oogmerk,
voor te bereiden en/of te bevorderen, door gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf aan zich of anderen trachten te verschaffen”,
• feit 1C “zich kennis en/of vaardigheden bijbrengen tot het plegen van een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf”,
• feit 2A “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven”, en
• feit 2B “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”. Voorts heeft het hof zowel het verzoek tot schorsing als het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis afgewezen.1

2. Er bestaat samenhang met de zaken 18/02493, 18/02560 en 18/02561.2 Ook in die zaken zal ik vandaag concluderen.

3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte3 en mr. D.N. de Jonge, advocaat te Rotterdam, heeft bij schriftuur vijf middelen van cassatie voorgesteld.

4. Deze zaak en de ermee samenhangende zaken zijn het resultaat van het strafrechtelijk onderzoek “Context”. Centraal in deze zaken staat een samenwerkingsverband tussen personen die zich vanaf 2012 schaarden achter de door aan Al Qaida gelieerde strijdgroepen, zoals ISIL en Jabhat al-Nusra, in Syrië te voeren gewapende jihadstrijd voor de stichting van een ‘kalifaat’. Naar het hof heeft vastgesteld zijn de activiteiten van deze groep, die reeds onder de namen “ [A] ” en “ [B] ” werden ontplooid, vanaf 2012 ondergebracht in de “ [C] ”. Het hof heeft vastgesteld dat deze organisatie het oogmerk had op diverse misdrijven, te weten opruien tot deelname aan de gewapende jihadstrijd in Syrië, het verspreiden van geschriften die daartoe opruien, het werven voor de gewapende jihadstrijd en het financieren van die strijd. Voorts heeft het hof vastgesteld dat het oogmerk van deze organisatie was gericht op terroristische misdrijven, namelijk de voorbereiding en/of de bevordering van in Syrië te plegen moord, doodslag en het teweegbrengen van een ontploffing, telkens met terroristisch oogmerk. Sommige van de binnen de groep actieve personen zouden ook zelf zijn afgereisd naar Syrië om deel te nemen aan een terroristisch trainingskamp en/of de gewapende strijd aldaar.

5. Het hof acht bewezen dat de verdachte, ook wel (bij zijn islamitische bijnaam) [verdachte] genoemd, één van deze personen is die, nadat hij daartoe was beïnvloed door een andere deelnemer aan de organisatie (te weten [betrokkene 1] ), is afgereisd naar Syrië. Naar het hof heeft vastgesteld is de verdachte op 21 januari 2013 naar Turkije vertrokken en is hij enkele dagen daarna de grens met Syrië overgestoken. In Syrië aangekomen heeft de verdachte volgens het hof deelgenomen aan een trainingskamp, waaraan iedere nieuw bij de strijdgroep aangesloten persoon diende deel te nemen. Vervolgens, aldus het hof, heeft de verdachte ook daadwerkelijk deelgenomen aan de gewapende strijd en heeft hij de eveneens uit Nederland afgereisde [betrokkene 7] opgevangen in Syrië. Gedurende zijn verblijf in Syrië onderhield de verdachte contact met [betrokkene 1] als voornoemd, onder meer over de strijd en het verdelen van geld onder de strijders. Het hof acht verder bewezen dat de verdachte aldus heeft deelgenomen aan de in deze zaak en de ermee samenhangende zaken centraal staande organisatie.

6. Namens de verdachte wordt (als eerder opgemerkt) met vijf cassatiemiddelen tegen de uitspraak van het hof opgekomen. Het eerste en het tweede middel hebben betrekking op het onder 1C tenlastegelegde en bewezenverklaarde deelnemen aan een trainingskamp voor terrorisme. Het eerste middel bestrijdt het oordeel van het hof dat ter zake van dit feit rechtsmacht bestaat. Het tweede middel klaagt over het bewijs dat de verdachte in het trainingskamp “kennis of vaardigheden tot” kort gezegd het plegen van terroristische misdrijven heeft verworven. Het derde middel keert zich tegen de veroordeling van de verdachte voor het deelnemen aan een organisatie met het oogmerk op het plegen van terroristische misdrijven met de klacht dat de organisatie niet op het plegen van terroristische misdrijven het oogmerk had. Het vierde middel behelst de klacht dat het door art. 6, derde lid onder d, EVRM beschermde ondervragingsrecht van de verdachte is geschonden, doordat het bewijs dat de verdachte heeft deelgenomen aan een trainingskamp in beslissende mate is gebaseerd op de verklaring van een getuige die de verdediging niet heeft kunnen ondervragen. Het vijfde middel ten slotte klaagt dat de stukken van het geding niet binnen een redelijke termijn door het hof aan de Hoge Raad zijn toegezonden. Ten behoeve van de leesbaarheid heb ik mijn conclusie onderverdeeld in de volgende, van tussenkopjes voorziene paragrafen (met daarachter een vermelding van de betreffende randnummers):

Inleiding (1 – 6)

De voor de beoordeling van de eerste twee middelen relevante stukken van het geding (7 – 11)

Het eerste middel: rechtsmacht ter zake van deelnemen aan een terroristisch trainingskamp (12 – 28)

III.1 Het middel en het procesverloop (12 – 13)

III.2 Klacht over rechtsmacht voor het eerst in cassatie (14 – 16)

III.3 Territoriale rechtsmacht (17 – 22)

III.4 Extraterritoriale rechtsmacht (23 – 28)

Het tweede middel: verwerven van “kennis of vaardigheden tot” als bedoeld in art. 134a Sr (29 – 48)

IV.1 Het middel en het juridisch kader (29 – 43)

IV.2 Beoordeling van het tweede middel (44 – 48)

Het derde middel: oogmerk op het plegen van terroristische misdrijven van de organisatie als bedoeld in art. 140a Sr (49 – 62)

Het vierde middel: het ondervragingsrecht (63 – 78)

Het vijfde middel: redelijke inzendtermijn (79 – 81)

Slotsom (82 – 84)

II. De voor de beoordeling van de eerste twee middelen relevante stukken van het geding

7. Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg respectievelijk in hoger beroep, ter zake van feit 1C tenlastegelegd dat:

1C (derde cumulatief/alternatief) trainen voor terrorisme

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 30 september 2013 te Den Haag en/of elders in Nederland en/of te Syrië, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of heeft trachten te verschaffen en/of kennis en/of vaardigheden heeft verworven en/of (een) ander(en) heeft bijgebracht tot het plegen van een terroristisch misdrijf en/of een misdrijf ter voorbereiding en/of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf, te weten:
- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft, (te) begaan met een terroristisch oogmerk; en/of
- doodslag (te) plegen met een terroristisch oogmerk; en/of
- moord ( te) begaan met een terroristisch oogmerk; en/of
- voorbereiding en/of bevordering van de misdrijven genoemd in artikel 176a Sr jo 157 Sr en/of 288a Sr jo 287 Sr en/of 289 Sr te begaan met een terroristisch oogmerk; en/of
- het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven,
immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen,
A. zich laten informeren over het afreizen naar het strijdgebied in Syrië en/of is afgereisd naar Syrië;
B. deelgenomen aan een trainingskamp ten behoeve van de gewapende Jihadstrijd in Syrië onder meer door zich te bekwamen in het omgaan en/of schieten met vuurwapens en/of zich (verder) bekwaamd in het deelnemen aan dan wel (verder), ingebed raken in een organisatie/groep die de gewapende Jihadistische strijd voert; en/of
C. vanuit Syrië (een) ander(en) in het strijdgebied in Syrië gebracht en/of begeleid en/of in het strijdgebied in Syrië opgevangen, dan wel hiervoor zorg gedragen.
Artikel 134a Wetboek van Strafrecht”

8. Het hof heeft dit feit ten laste van de verdachte bewezenverklaard, in zoverre dat:

(1C derde cumulatief/alternatief) trainen voor terrorisme

hij in de periode van 1 januari 2013 tot en met 30 augustus 2013, in Nederland en/of in Syrië opzettelijk zich en/of een ander gelegenheid en/of inlichtingen heeft verschaft en kennis en/of vaardigheden heeft verworven tot het plegen van een terroristisch misdrijf en/of een misdrijf ter voorbereiding en/of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf, te weten:
- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft, (te) begaan met een terroristisch oogmerk; en
- doodslag (te) plegen met een terroristisch oogmerk; en
- moord ( te) begaan met een terroristisch oogmerk; en
- voorbereiding en/of bevordering van de misdrijven genoemd in artikel 176a Sr jo 157 Sr en/of 288a Sr jo 287 Sr en 289 Sr te begaan met een terroristisch oogmerk;
immers heeft verdachte
A. zich laten informeren over het afreizen naar het strijdgebied in Syrië en is afgereisd naar Syrië;
B. deelgenomen aan een trainingskamp ten behoeve van de gewapende Jihadstrijd in Syrië; en
C. een ander in het strijdgebied in Syrië begeleid en opgevangen.”

9. Deze bewezenverklaring heeft het hof doen steunen op de inhoud van de in de bijlage bij het bestreden arrest opgenomen bewijsmiddelen. Gezien de omvang van die bijlage geef ik hieronder alleen de bewijsmiddelen weer, die in de bijlage zijn opgenomen onder het cursiefje “Deelnemen aan een trainingskamp” en volsta ik voor het overige met verwijzing naar de bijlage. Het gaat om de volgende bewijsmiddelen:

“11. een proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 juni 2014 van de politie, Landelijke eenheid, Dienst Landelijke Informatie Organisatie. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (ZD Zilt, p. 250-251):
Nadat hij in oktober 2013 uit Syrië was teruggekeerd is [betrokkene 8] op 10 april 2014 gehoord als getuige in het kader van een rechtshulpverzoek. Daarbij zijn hem 121 foto's van vermeende Syriëgangers getoond. In deze fotomap herkende hij fotonummer 108 als een persoon genaamd [verdachte] . Deze persoon was altijd samen met een Nederlander die hij kende als [betrokkene 10] . Hij had hem in het paleis in Kafr Hamra, Syrië, gezien en af en toe in het trainingskamp.
werd door [betrokkene 8] aangewezen op foto nummer 10. Deze [betrokkene 10] kende hij van vroeger uit België waar deze naar lezingen kwam. [betrokkene 8] had hem in het paleis, in de villa en op straat in Kafr Hamra gezien. Foto nummer 10 betreft [betrokkene 10] .

12. De verklaring van de verdachte
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 17 september 2015 verklaard -zakelijk weergegeven-:
Het klopt dat ik degene ben op de foto op pagina 255 (hof: fotoblad 108) van het dossier.

13. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 juni 2014 van de politie, Landelijke Eenheid, Dienst Landelijke Informatie Organisatie. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (ZD Vanille, p. 112-113):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Uit de verhoren van [betrokkene 8] blijkt dat hij op 22 februari 2013 in Syrië is aangekomen. Een dag later, op 23 februari 2013, is hij naar een trainingskamp gebracht in Sheikh Suleyman in Syrië. Hij zat daar in het trainingskamp van de organisatie Maghlis Shura Mujahideen. Deze rebellengroep staat in Aleppo onder leiding van een persoon met de bijnaam [betrokkene 11] . In dit trainingskamp heeft hij een tiental Nederlanders ontmoet.
Het trainingskamp werd volgens hem ook gebruikt door de organisaties van de Jabhat al Nusra en de rebellengroep onder leiding van [betrokkene 12] .
Tussentijds is hij van 28 februari tot 1 maart 2013 nog terug geweest in de villa in Kafr Hamra in Syrië. Uiteindelijk heeft men hem, omdat hij kennelijk niet vertrouwd werd door de organisatie waar hij zich bij had aangesloten, weer gevangen gezet in een cel in het trainingskamp.
Op 16 april 2013 is hij tijdelijk vrijgelaten en heeft hij enkele dagen actief deelgenomen aan het trainingskamp in Sheik Suleyman in Syrië. Dit trainingskamp lag volgens hem op een afstand van ongeveer 30 minuten rijden van de villa in Kafr Hamra. In het trainingskamp Sheikh Suleyman kreeg men volgens de verklaring van [betrokkene 8] zowel militaire, fysieke als religieuze trainingen. Tijdens de trainingen werd geleerd om tijdens de gevechten geen gevangenen te nemen maar die gelijk te doden. Dit trainingskamp was volgens hem verplicht voor iedereen die nieuw binnenkwam in de organisatie Maghlis Shura Mujahideen en duurde 20 dagen tot een maand.

14. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 juni 2014 van de politie, Landelijke Eenheid, Dienst Landelijke Informatie Organisatie. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (ZD Vanille, p. 121-122):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Op 10 april 2014 is [betrokkene 8] gehoord als getuige in het kader van dit rechtshulpverzoek. Daarbij zijn hem 121 foto's van vermeende Syriëgangers getoond. In deze fotomap herkende hij fotonummer 93 als een persoon die [betrokkene 4] werd genoemd. [betrokkene 8] verklaarde in algemene zin dat alle personen die hij van de foto's herkende alle soorten militaire trainingen hadden gevolgd in het kamp. Foto nummer 93 betreft [betrokkene 4] .

15. Een geschrift, inhoudende een kennisdocument van dr. J. Jolen ‘Van opstand naar Jihad’ d.d. 1 augustus 2014. Dit geschrift houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (ZD Algemeen dossier deel 2 blz. 224-226 en 245):
In juli 2012 komt een jihadistische groep met de naam Mujahedin Shura Council, ook wel de Shura Council of the Islamic State genoemd in het nieuws die actief is in de Syrische provincie Idlib. Lund omschrijft de groep in zijn studie naar salafistische opstandelingen in Syrië van maart 2013 als ‘a small extremist jihadi-salafi network’ voornamelijk actief in de regio Aleppo.
De groep bestaat grotendeels uit buitenlandse strijders en expat Syriers, die met Jabhat al-Nusra samenwerken. Majlis Shura al-Mujahideen, ofwel de Shura Council of the Islamic State, zou de eerste tak van Abu Bakr al-Baghdadi's ISI in Syrië zijn geweest. [betrokkene 13] heeft de leiding over Majlis overgenomen. Met de komst van al Baghdadi naar Syrië, zou [betrokkene 13] de eed van trouw aan hem hebben afgelegd. Inmiddels zou hij door ISIL zijn aangesteld als de wali [gouverneur] van Aleppo.
Over de training in Syrië stelt [betrokkene 14] (= [betrokkene 14] ) in een Volkskrant interview:
“De trainingen die een nieuw gearriveerde broeder in het begin krijgt duren zes weken. Hierna kun je actief participeren op het slagveld, de rest van de training bestaat uit het opdoen van ervaring, en instructies en lessen die je regelmatig krijgt. Maar na minimaal zes weken training krijg je pas het recht om op zoek te gaan naar het martelaarschap.
raakte in november 2013 zwaargewond en overleed 2 weken later.

16. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 april 2014 van de politie, Eenheid Den Haag. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (ZD Zilt, p. 124):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
[betrokkene 14] is geïdentificeerd als [betrokkene 14] , geboren [geboortedatum] 1987, afkomstig uit [plaats] . Hij is in november 2013 tijdens de strijd in Syrië omgekomen.

17. Een geschrift, zijnde een tapgesprek, d.d. 1 juli 2013 om 14:49:45 uur. Het houdt onder meer in - zakelijk weergegeven (ZD Zilt, p. 56):
[betrokkene 1] (hof: [betrokkene 1] ) wgd [verdachte]
[betrokkene 1] zegt: Ik weet niet of jij [betrokkene 14] enzo nog spreekt?
[verdachte] zegt: Ja ik spreek hem nog. Ik ga met hem praten en ga dat proberen te regelen.

18. Het proces-verbaal van de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken bij het gerechtshof Den Haag van 6 juli 2017. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:
als de op 6 juli 2017 tegenover deze raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van [betrokkene 4] :
Ik ben van februari tot april 2013 in Syrië geweest. Ik ben op 27 april 2013 teruggekomen. Ik heb in een trainingskamp in Shaik Suleyman gezeten. Ik heb [betrokkene 8] in dat trainingskamp in Syrië gezien. Hij deed daar alle trainingen. Ik heb [betrokkene 10] op dezelfde plek in Syrië gezien. Hij heeft deelgenomen aan de gewapende strijd.

19. Een geschrift, inhoudende een schriftelijke verklaring van verdachte overgelegd ter terechtzitting van 30 maart 2017. Dit geschrift houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - :

15. Ik had in Syrië contact met [betrokkene 10] .

20. Een geschrift, zijnde een tapgesprek, d.d. 29 juni 2013 om 23:21:39 uur (als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal, [betrokkene 9] gebruiker van [telefoonnummer] , van 3 februari 2014, van Regiopolitie Haaglanden). Het houdt onder meer in - zakelijk weergegeven- (ZD Anijs, p. 49):
[betrokkene 1] wgd [betrokkene 9] (hof: [betrokkene 1] )
[betrokkene 9] zegt dat [betrokkene 10] (hof: [betrokkene 10] ) en [verdachte] (Hof: [verdachte] ) een appartement hebben. [betrokkene 15] en zijn vrouw zijn er ook. [betrokkene 9] vertelt dat hij met [betrokkene 15] in dezelfde kamer zat.

21. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 januari 2015 van de politie, Eenheid Den Haag. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (ZD Caramel, p. 2030):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Uit historische verkeersgegevens bleek tevens dat [betrokkene 9] op 24 maart 2013 vanuit België naar Turkije en uiteindelijk Syrië vertrok. Op 26 maart 2013 gaf hij via een sms bericht aan bij de broeder in de auto te zijn.

22. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 juni 2014 van de politie, Landelijke Eenheid, Dienst Landelijke Informatie Organisatie. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (ZD Anijs, p. 216-277):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Op 10 april 2014 is [betrokkene 8] gehoord als getuige.

Daarbij zijn hem 121 foto's van vermeende Syriëgangers getoond. In deze fotomap herkende hij fotonummer 11 als een lange man van wie hij de naam niet kende. Hij was eind maart 2013 in het trainingskamp aangekomen. [betrokkene 8] verklaarde in algemene zin dat alle personen die hij van de foto's herkende alle soorten militaire trainingen hadden gevolgd in het kamp. Foto nummer 11 betreft een foto van [betrokkene 9] .

23. Een geschrift, zijnde een tapgesprek, d.d. 28 juni 2013 om 20:16:04 uur. Het houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (ZD Anijs, p. 215):
[betrokkene 1] (sh) bn [betrokkene 9] .
zegt dat hij nooit meer Maaskar (militaire kamp) zou gaan doen omdat dat erg pittig was. Hij moest een uur hardlopen, onder de grond kruipen en slingeren van de ene paal naar de andere.”

10. Het hof heeft in de bestreden uitspraak onder het cursiefje “Deelnemen aan een trainingskamp (feit 1B sub b en feit 1C, sub b)” overwogen:

“ [betrokkene 8] (hierna: [betrokkene 8] ) heeft tijdens een politieverhoor op één van vele aan hem voorgehouden foto’s’de verdachte herkend. Hij kende hem als [verdachte] – in Syrië de kunya (islamitische bijnaam) van de verdachte – en had hem in het trainingskamp gezien. [betrokkene 8] heeft zelf vanaf 23 februari 2013 in Sheikh Suleyman (Syrië) in een trainingskamp gezeten dat op 30 minuten rijden van Kafr Hamra ligt. Dit trainingskamp was van Maghlis Shura Mujahideen. Deze rebellengroep stond onder leiding van een persoon met de bijnaam [betrokkene 11] . De training duurde 20 dagen tot een maand.
De verdachte heeft in eerste aanleg verklaard dat [betrokkene 8] erom bekend staat dat hij leugens vertelt. In hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat [betrokkene 8] heeft gelogen. De verdediging heeft aangevoerd dat zijn verklaring niet voor het bewijs mag worden gebruikt.
Het hof acht de verklaring van [betrokkene 8] op de navolgende – in samenhang te lezen – gronden betrouwbaar en daarmee ook bruikbaar om voor het bewijs van het de verdachte ten laste gelegde te gebruiken.

a) De verdachte is eind januari 2013 in Syrië aangekomen. [betrokkene 8] arriveerde op 22 februari 2013. De verdachte is Syrië ingereisd via Bab al Hawa en hij verbleef in (de buurt van) die plaats in de provincie Aleppo, waarin ook Kafr Hamra ligt. De verdachte heeft verklaard meermaals in Kafr Hamra te zijn geweest. [betrokkene 8] stelt de verdachte ook daar gezien te hebben en deze plaats ligt niet ver van het trainingskamp. De verdachte kan dus daar (trainingskamp en Kafr Hamra) geweest zijn waar [betrokkene 8] zegt hem gezien te hebben.

b) [betrokkene 8] heeft in hetzelfde politieverhoor verklaard dat hij [betrokkene 4] (hierna: [betrokkene 4] ) in het trainingskamp [heeft] gezien. [betrokkene 4] op zijn beurt heeft bij de raadsheer-commissaris bevestigd dat hij [betrokkene 8] in het trainingskamp van Sheikh Suleyman heeft zien trainen. Het hof is dan ook van oordeel dat [betrokkene 8] betrouwbaar heeft verklaard over [betrokkene 4] en de verklaring van [betrokkene 4] plaatst [betrokkene 8] in het trainingskamp van Sheikh Suleyman.

c) [betrokkene 8] heeft verder verklaard dat dit trainingskamp verplicht voor iedereen die nieuw binnenkwam in de organisatie Maghlis Shura Mujahideen. De groep stond onder leiding van [betrokkene 11] .

Het hof stelt vast, dat deze algemene informatie (deels) steun vindt in de rapportage van dr. J. Jolen. Zij schrijft immers dat deze groep uit buitenlandse strijders bestond en actief was in de regio Aleppo. [betrokkene 13] was de leider. Dit komt naar het oordeel van het hof de betrouwbaarheid van [betrokkene 8] ten goede.
d) Dr. J. Jolen haalt in haar rapport een interview aan met [betrokkene 14] ( [betrokkene 14] ) uit [plaats] die zegt: “De trainingen die een nieuw gearriveerde broeder in het begin krijgt duren zes weken.”

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte zich in een strijdgebied in de directe omgeving van [betrokkene 14] bevond, die in november 2013 tijdens de strijd in Syrië is omgekomen. Nu in dit arrest bewezen wordt verklaard dat de verdachte heeft deelgenomen aan de gewapende strijd en hij in dat kader contact had met [betrokkene 14] , die heeft verklaard dat iedere nieuwe broeder gedurende zes weken trainingen krijgt, kan worden afgeleid dat de verdachte dergelijke trainingen ook heeft gevolgd.

e) [betrokkene 4] heeft bij de raadsheer-commissaris verder verklaard dat hij [betrokkene 10] in het trainingskamp heeft gezien en dat [betrokkene 10] heeft deelgenomen aan de gewapende strijd in Syrië.

Nu in dit arrest bewezen wordt verklaard dat de verdachte heeft deelgenomen aan de gewapende strijd en hij in dat kader veelvuldig contact had met [betrokkene 10] , kan worden afgeleid dat de verdachte net als [betrokkene 10] heeft deelgenomen aan het trainingskamp.

f) Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat [betrokkene 9] op 26 maart 2013 in Syrië is aangekomen. [betrokkene 8] heeft hem op een foto herkend als een man die eind maart 2013 in het trainingskamp was aangekomen en dat hij allerlei soorten militaire trainingen had gevolgd. In een afgetapt telefoongesprek van 28 juni 2013 beklaagt [betrokkene 9] zich erover dat het militaire kamp erg pittig was.

Nu in dit arrest bewezen wordt verklaard dat de verdachte heeft deelgenomen aan de gewapende strijd en hij in dat kader veelvuldig contact had met [betrokkene 9] , kan worden afgeleid dat de verdachte net als [betrokkene 9] heeft deelgenomen aan het trainingskamp.

De verdediging heeft aangevoerd dat er geen gelegenheid heeft bestaan [betrokkene 8] te ondervragen, zodat zijn verklaring niet voor het bewijs mag worden gebruikt.

Het hof overweegt dat de politie [betrokkene 8] als getuige heeft verhoord.
Uit het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris van 18 september 2017 volgt dat zij een rechtshulpverzoek aan België heeft gedaan, maar [betrokkene 8] niet door haar als getuige kan worden gehoord.

Het hof overweegt dat de gevallen waarin een in het opsporingsonderzoek afgelegde getuigenverklaring van het bewijs dient te worden uitgesloten, omdat de verdediging niet in enig stadium van het geding, in de gelegenheid is geweest haar ondervragingsrecht uit te oefenen, zaken betreffen waarin een bewezenverklaring alleen of in beslissende mate ('solely or to a decisive degree') berust op de verklaring van die getuige. Zo'n geval is in het onderhavige geding naar het oordeel van het hof niet aan de orde. De betrokkenheid van de verdachte bij de bewezenverklaarde feiten volgt tevens uit de hiervoor onder a tot en met f genoemde overige omstandigheden ten aanzien van het trainingskamp en uit de bewijsmiddelen die bij feit 1B en C betrekking hebben op de overige feitelijke gedragingen.
Het hof concludeert dat de verdachte heeft deelgenomen aan een trainingskamp ten behoeve van de gewapende jihadstrijd in Syrië. De opmerking van [betrokkene 8] dat de verdachte met vrouw en kinderen in Syrië was houdt het hof voor onjuist maar legt onvoldoende gewicht in de schaal tegenover hetgeen hij overigens heeft verklaard en hetgeen steun vindt in andere bewijsmiddelen.”

11. Met betrekking tot de strafbaarheid van het onder 1C bewezenverklaarde feit houdt de bestreden uitspraak het volgende in:

Conclusie ter zake van feit 1C
Artikel 134a Sr ziet op gedragingen die in enig verband staan met een terroristische training. Kwalificatie onder die bepaling is niet mogelijk indien een voldoende verband van die gedragingen met enige vorm van training – waaronder te verstaan: “het opdoen of overbrengen van kennis of zich of een ander bekwamen in vaardigheden of technieken” – voor terrorisme ontbreekt.
Naar het oordeel van het hof kan de onder B bewezenverklaarde handeling worden gekwalificeerd als het deelnemen aan een training in de zin van artikel 134a Sr. De verdachte heeft na zijn aankomst in Syrië deelgenomen aan een militair trainingskamp van de rebellengroep Maghlis Shura Mujahideen die bestond uit buitenlandse strijders.
[...]

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Voor zijn gedragingen die niet zien op trainingen en wel met betrekking tot artikel 134a Sr zijn bewezenverklaard, zal de verdachte worden ontslagen van alle rechtsvervolging.”

III. Het eerste middel: rechtsmacht ter zake van deelnemen aan een terroristisch trainingskamp

III.1 Het middel en het procesverloop

12. Het eerste middel komt op tegen het oordeel van het hof dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de strafvervolging van de verdachte wat betreft het onder 1C tenlastegelegde feit. Niet zonder meer begrijpelijk is dat in Nederland ter zake van dit feit rechtsmacht bestaat, zo luidt de klacht.

13. De bestreden uitspraak bevat geen overwegingen omtrent de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in het algemeen of over het bestaan van rechtsmacht in het bijzonder. Uit de procesgang zoals deze naar voren komt uit de aan de Hoge Raad toegezonden gedingstukken blijkt wat dit betreft het volgende. In eerste aanleg is het verweer gevoerd dat ter zake van sommige van de tenlastegelegde feiten in Nederland geen rechtsmacht bestaat. In het bijzonder heeft de rechtbank aan het Openbaar Ministerie en de verdediging gevraagd zich uit te laten over de rechtsmacht ter zake van feit 1A. Door het Openbaar Ministerie zijn aldaar in dat verband strafbaarstellingen uit de Syrische strafwet overgelegd. In haar (in de onderhavige zaak gewezen) vonnis heeft de rechtbank een paragraaf opgenomen waarin zij uiteenzet waarom naar haar oordeel in de diverse onderling samenhangende zaken rechtsmacht moet worden aangenomen.4 Dit vonnis is in hoger beroep vernietigd. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 en 31 januari 2018 en 1, 6, 7, 8 en 13 februari 20185 heeft het Openbaar Ministerie aldaar op 30 januari 2018 een vertaling van Syrische terrorismewetgeving overgelegd. Bij requisitoir in hoger beroep is namens het Openbaar Ministerie zowel in het algemeen als per tenlastegelegd feit afzonderlijk stilgestaan bij het (al dan niet) bestaan van rechtsmacht. Ter zake van feit 1C heeft het Openbaar Ministerie het standpunt ingenomen dat Nederlandse jurisdictie voortvloeit uit art. 2 Sr, omdat het feit zoals tenlastegelegd (en bewezen te verklaren) mede in Nederland is begaan.6 Noch de processen-verbaal van de terechtzittingen in hoger beroep, noch de aldaar blijkens die processen-verbaal door de verdediging overgelegde schriftelijke stukken houden evenwel in dat in hoger beroep namens de verdachte een rechtsmacht-verweer is gevoerd.

III.2 Klacht over rechtsmacht voor het eerst in cassatie

14. Maakt het ontbreken van een rechtsmacht-verweer in hoger beroep het voorliggende cassatiemiddel op slag kansloos? En wel omdat niet voor het eerst in cassatie over het ontbreken van rechtsmacht kan worden geklaagd? Zo ver zou ik niet willen gaan. Voorop staat immers dat de feitenrechter óók ambtshalve dient te onderzoeken of zich een in de wet voorzien vervolgingsbeletsel voordoet.7

15. Wordt echter over de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie geen verweer gevoerd, dan is een uitdrukkelijke en gemotiveerde beslissing daarover in beginsel louter vereist indien de rechter van oordeel is dat het Openbaar Ministerie inderdaad (gedeeltelijk) niet in de strafvervolging kan worden ontvangen.8 In beginsel, want een nadere motivering van dat oordeel wordt ook verlangd indien de gedingstukken het ernstige vermoeden wekken dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is.9 In dat geval is een standaard (ongemotiveerd) oordeel dat het Openbaar Ministerie (toch) ontvankelijk is in de strafvervolging niet zonder meer begrijpelijk en kan om die reden daarover met vrucht voor het eerst in cassatie worden geklaagd.10

16. Ook wat betreft de vervolgbaarheid van het feit is de tendens in de cassatierechtspraak evenwel ontegenzeggelijk dat de verdediging in toenemende mate de verantwoordelijkheid draagt om tijdig de juiste verweren en klachten naar voren te brengen. Meer dan voorheen geeft de Hoge Raad er blijk van niet ongenegen te zijn om bij nalatigheid van de verdediging dienaangaande een veroordeling in stand te laten voor een feit waarvoor (ogenschijnlijk) geen vervolgingsrecht (meer) bestaat.11 In de context van het onderzoek naar het bestaan van rechtsmacht is voor die ontwikkeling illustratief de rechtspraak over de mate waarin de rechter in zijn uitspraak mededeling moet doen van (de resultaten van) zijn ambtshalve onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit. Voorheen gold dat wanneer aan het oordeel dat rechtsmacht kon worden uitgeoefend het actief persoonlijkheidsbeginsel als bedoeld in art. 5, eerste lid aanhef en onder 2°, Sr (oud) Sr ten grondslag lag, de rechter – eventueel ambtshalve – moest laten zien te hebben onderzocht of was voldaan aan het vereiste dat op het feit ook door de wet van het land waarin het feit was begaan straf was gesteld.12 Door deze eis werd de Hoge Raad in de gelegenheid gesteld het rechtsmacht-oordeel van de feitenrechter te controleren; een zelfstandige beoordeling of het feit naar vreemd recht strafbaar is, vergt in voorkomende gevallen immers een indringend en deels feitelijk onderzoek waarvoor de cassatieprocedure geen plaats biedt.13 De Hoge Raad is echter een andere richting ingeslagen. Weliswaar verlangt hij ook thans nog dat de rechter ambtshalve onderzoek doet naar het bestaan van rechtsmacht, en dus eventueel naar de dubbele strafbaarheid van het feit, maar daarvan behoeft hij alleen nog uitdrukkelijk blijk te geven als uit de stukken van het geding het ernstig en rechtstreeks vermoeden rijst dat het Openbaar Ministerie in de strafvervolging niet-ontvankelijk is en niet een zodanige beslissing wordt gegeven.14

III.3 Territoriale rechtsmacht

17. In elk geval was het hof niet gehouden in de bestreden uitspraak van enig onderzoek naar de rechtsmacht ter zake van feit 1C blijk te geven, indien juist is het door het Openbaar Ministerie in hoger beroep ingenomen standpunt dat in casu rechtsmacht kan worden ontleend aan art. 2 Sr. Dat (niettemin) een grondslag voor het uitoefenen van extraterritoriale rechtsmacht zou zijn vereist, baseert de steller van het middel enkel op de kwalificatiebeslissing van het hof. De motivering van deze kwalificatiebeslissing (zie randnummer 11),15 zou haars inziens er namelijk op wijzen dat het hof feit 1C, voor zover het onder art. 134a Sr kan worden gerubriceerd, uitsluitend in Syrië begaan acht, nu het bewezenverklaarde feit enkel onder art. 134a Sr is gekwalificeerd wat betreft de in de bewezenverklaring onder B genoemde gedraging, te weten het deelnemen aan een trainingskamp ten behoeve van de gewapende jihadstrijd in Syrië. Voor de overige gedragingen, waaronder het (vanuit Nederland) zich laten informeren over het afreizen naar het strijdgebied in Syrië en het feitelijk afreizen naar Syrië, is de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging. Hierdoor zou volgens de steller van het middel het rechtstreeks en ernstig vermoeden rijzen dat geen rechtsmacht voor dat feit bestaat.

18. De vraag die het middel in zoverre aan de orde stelt is of het bestaan van (territoriale) rechtsmacht moet worden beoordeeld aan de hand van uitsluitend de tenlastelegging, dan wel op de grondslag van de bewezenverklaarde onderdelen van de tenlastelegging of zelfs alleen op basis van de kwalificeerbare onderdelen van het bewezenverklaarde feit. De tekst van de artikelen 348 en 350 Sv wijst in eerstgenoemde richting. Art. 348 Sv schrijft immers voor dat de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie wordt onderzocht “op den grondslag der telastlegging”, terwijl art. 350 Sv de rechter gebiedt eerst nádat over de (formele) vragen van art. 348 Sv is beslist te beraadslagen over de in art. 350 Sv opgenomen (materiële) vragen. Reeds in de memorie van toelichting bij het Wetboek van Strafrecht van 1886 werd evenwel gesignaleerd dat een strikte toepassing van de grondslagleer juist in het kader van de voorvragen tot – kennelijk als onwenselijk beschouwd – gevolg zou hebben dat het Openbaar Ministerie de heerschappij zou krijgen over onder meer zijn eigen ontvankelijkheid.16 In 1933 besliste de Hoge Raad dienaangaande dat de rechter in beginsel slechts de niet-ontvankelijkheid van de vervolgende instantie mag uitspreken indien hetzij de tenlastelegging zelf, hetzij hetgeen daaromtrent ter terechtzitting is gebleken, hem duidelijk maakt dat die instantie ten aanzien van het tenlastegelegde feit niet-ontvankelijk is.17 In het kader van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie slaat de Hoge Raad tegenwoordig soms evenwel zelf ook acht op bijvoorbeeld de in de bewijsmiddelen vervatte feiten en omstandigheden.18 Daarmee in overeenstemming is de in de literatuur heersende opvatting dat de rechter die op grond van de bewijsmiddelen constateert dat het volgens de tenlastelegging ‘in Nederland” gepleegde strafbare feit in werkelijkheid in het buitenland is begaan, er goed aan doet de rechtsmacht-vraag te beoordelen op basis van die feitelijke werkelijkheid en dus – indien voor het feit geen extraterritoriale rechtsmacht bestaat – niet de verdachte vrij te spreken maar het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren.19 Zo wordt voorkomen dat het Openbaar Ministerie zijn eigen ontvankelijkheid beheerst en ook dat een inhoudelijk eindoordeel moet worden geveld over een gedraging waarvan de wetgever de relatie met de Nederlandse rechtsorde onvoldoende heeft geacht om deze aan een inhoudelijk oordeel van de strafrechter te willen onderwerpen. Ingeval de tenlastelegging uitsluitend een Nederlandse pleegplaats vermeldt, komt daar als argument nog bij dat de verdachte na een vrijspraak van de Nederlandse locus delicti nadien aanspraak zou kunnen maken op de door het ne bis in idem-beginsel geboden bescherming tegen een tweede inhoudelijke berechting, terwijl in werkelijkheid een veroordeling is uitgebleven omdat de zaak bij een buitenlandse rechter thuishoort.

19. Aldus kan worden aangenomen dat de vraag of het onderhavige feit 1C in Nederland is begaan in de zin van art. 2 Sr niet uitsluitend op grond van de tenlastelegging moet worden bezien, maar dat in dit verband de uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken daadwerkelijke toedracht van het tenlastegelegde niet uit het oog dient te worden verloren. Dat een gedeeltelijk ontslag van alle rechtsvervolging vanwege een in de rechtspraak erkende kwalificatie-uitsluitingsgrond meebrengt dat de niet-gekwalificeerde werkelijke toedracht niet meer kan worden betrokken in het oordeel omtrent de pleegplaats van het feit, vloeit naar mijn inzicht daaruit niet voort.

20. Hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting omtrent de toedracht van het tenlastegelegde is gebleken, komt primair tot uitdrukking in de bewezenverklaring. De bewezenverklaring houdt in de onderhavige zaak in dat de verdachte “in Nederland en/of in Syrië” opzettelijk zichzelf en/of een ander gelegenheid c.q. inlichtingen heeft verschaft en kennis en/of vaardigheden heeft verworven tot het plegen van een terroristisch misdrijf (en of een misdrijf ter voorbereiding en/of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf). Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte zich (kennelijk: in Nederland, EH) heeft laten informeren over het afreizen naar het strijdgebied in Syrië en (kennelijk: vanuit Nederland, EH) is afgereisd naar Syrië. In Syrië heeft hij vervolgens deelgenomen aan een trainingskamp. Of het hof was gehouden de nadere ‘verfeitelijking’ van de tenlastelegging te splitsen en de verdachte deels te ontslaan van alle rechtsvervolging op de wijze waarop het dat heeft gedaan, laat ik in het midden; daarover wordt (uiteraard) in cassatie niet geklaagd. Bij deze gang van zaken, waarin het hof dus wel heeft bewezenverklaard dat de verdachte zich vanuit Nederland heeft laten informeren over afreizen naar Syrië met het doel daar deel te nemen aan het terroristisch trainingskamp en hij ook daadwerkelijk vanuit Nederland is afgereisd en het hof aldus heeft bewezenverklaard dat het tenlastegelegde feit mede in Nederland is begaan, acht ik zeer wel verdedigbaar dat de verdachte zich in de zin van art. 2 Sr (mede) aan het feit “in Nederland” heeft schuldig gemaakt. Dat de gedragingen die in Nederland hebben plaatsgevonden op zichzelf beschouwd juridisch niet kunnen worden gekwalificeerd als het delict van art. 134a Sr, maakt dat niet anders, lijkt mij.

21. Is een feit gedeeltelijk in Nederland begaan, dan is naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad strafvervolging ook mogelijk ten aanzien van de van dat strafbare feit deel uitmakende gedragingen die buiten Nederland hebben plaatsgevonden.20

22. Voor zover in de bestreden uitspraak van het hof het oordeel besloten ligt dat ter zake van feit 1C rechtsmacht bestaat op grond van art. 2 Sr, acht ik dat oordeel in het licht van het voorgaande niet onjuist of onbegrijpelijk. Dat oordeel behoefde dan ook geen nadere motivering.

III.4 Extraterritoriale rechtsmacht

23. Voor het geval dat de bestreden uitspraak niet aldus moet worden begrepen dat daarin het oordeel ligt besloten dat Nederland over het onder 1C tenlastegelegde feit territoriale rechtsmacht uitoefent, of dat oordeel toch onbegrijpelijk wordt geacht, bespreek ik hieronder de vraag of het hof mogelijk extraterritoriale rechtsmacht heeft aangenomen.

24. Als eerder opgemerkt was het hof ambtshalve verplicht de aanwezigheid van Nederlandse rechtsmacht te onderzoeken, maar was het slechts gehouden van zo een onderzoek blijk te geven indien en voor zover de gedingstukken het ernstige vermoeden wekken dat het Openbaar Ministerie op dit punt niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte is.

25. Voor een eigen en indringend onderzoek naar de vraag of het recht van een vreemde staat straf stelt op het tenlastegelegde feit is als gezegd in cassatie geen ruimte. Het oordeel van de feitenrechter dat de wet van het land waar het tenlastegelegde feit is begaan op dat feit straf stelt, toetst de Hoge Raad slechts op de begrijpelijkheid ervan.21 Het komt mij voor dat ten gevolge van de koerswijziging ten aanzien van de mate waarin de rechter dient blijk te geven van het onderzoek naar de dubbele strafbaarheid, nauwelijks nog plaats is voor cassatie in gevallen als het onderhavige, waarin (i) de verdachte een Nederlander is, (ii) het tenlastegelegde feit naar Nederlands recht als misdrijf wordt beschouwd en (iii) in hoger beroep niet het verweer is gevoerd dat het feit naar het recht van het land waar het feit is begaan geen strafbaar feit oplevert. In die gevallen, waarin dus aan de voorwaarden (i) en (ii) voor het bestaan van extraterritoriale rechtsmacht op de voet van (wat thans is)22 art. 7, eerste lid, Sr is voldaan, zal van een ernstig en rechtstreeks vermoeden dat géén rechtsmacht bestaat naar mijn inzicht namelijk eerst dan sprake kunnen zijn indien uit de gedingstukken het ernstig en rechtstreeks vermoeden rijst dat het tenlastegelegde misdrijf naar het recht van het land waar het is begaan niet strafbaar is, terwijl bovendien geen andere grond voor rechtsmacht valt aan te wijzen. Is aan voorwaarde (iii) dat ter zake van de dubbele strafbaarheid geen verweer is gevoerd óók voldaan, dan zal zo een ernstig en rechtstreeks vermoeden zelden opkomen. Rijst zo een vermoeden niet, óf is tevens een andere grond voor rechtsmacht aanwijsbaar, dan is een ernstig vermoeden dat geen rechtsmacht bestaat niet aan de orde en is de rechter dus niet gehouden van een onderzoek naar de strafbaarheid van het feit in het land waar het is begaan ambtshalve blijk te geven. Mitsdien kan in cassatie in beginsel niet meer nader worden onderzocht in hoeverre het (kennelijke) oordeel van de feitenrechter over de dubbele strafbaarheid juist en begrijpelijk is.

26. Rijst uit de gedingstukken in de onderhavige zaak nu een ernstig en rechtstreeks vermoeden dat het tenlastegelegde feit naar het recht van Syrië niet strafbaar was? En is ook geen andere grond voor rechtsmacht aanwijsbaar? Aan de laatste vraag kom ik niet toe, omdat ik meen dat de eerste ontkennend moet worden beantwoord.23 Toegegeven moet worden dat niet zonder meer uit de stukken van het geding (voor zover in cassatie beschikbaar) blijkt dat het onder 1C tenlastegelegde feit naar Syrisch recht wél strafbaar is, en ook is het namens het Openbaar Ministerie in hoger beroep ingenomen standpunt dat te dier zake rechtsmacht bestaat gebaseerd op art. 2 Sr. Maar uit dit één en ander rijst nog niet een ernstig en rechtstreeks vermoeden dat het feit naar Syrisch recht niet strafbaar is. Zo een vermoeden klinkt naar mijn mening evenmin door in de door de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde vertaling van antiterrorismewetgeving uit Syrië, mede in aanmerking genomen dat de in art. 5, eerste lid aanhef en onder 2°, Sr (oud) c.q. art. 7, eerste lid, Sr vervatte voorwaarde van dubbele strafbaarheid weliswaar vergt dat op het aan de verdachte verweten feit door de wet van het land waar het werd begaan, straf is bedreigd, doch niet dat het feit aldaar op dezelfde wijze als naar Nederlands recht strafbaar is gesteld.24

27. De slotsom moet derhalve zijn dat hier geen sprake is van een ernstig en rechtstreeks vermoeden dat rechtsmacht ontbreekt. Als het hof zijn oordeel dat voor feit 1C rechtsmacht bestaat, heeft gegrond op (thans) art. 7, eerste lid, Sr, behoefde dat oordeel geen nadere motivering. Daaruit vloeit voort dat het middel voor het overige buiten bespreking kan blijven. Ook als de steller van het middel het bij het rechte eind zou hebben dat andere gronden voor rechtsmacht zich niet voordoen, valt in cassatie niet uit te sluiten dat het hof het bestaan van rechtsmacht heeft gebaseerd op (thans) art. 7, eerste lid, Sr (welk (kennelijk) oordeel dus niet nader behoeft te worden gemotiveerd).

28. Het eerste middel is derhalve tevergeefs voorgesteld.

IV. Het tweede middel: verwerven van “kennis of vaardigheden tot” als bedoeld in art. 134a Sr

IV.1 Het middel en het juridisch kader

29. Het tweede middel klaagt dat uit de bewijsvoering ter zake van feit 1C niet (voldoende) kan worden afgeleid óf de verdachte “kennis en/of vaardigheden tot” het plegen van de in de bewezenverklaring aangeduide terroristische misdrijven en misdrijven ter voorbereiding en/of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf heeft verworven en evenmin wélke kennis en/of vaardigheden.

30. De tenlastelegging en de bewezenverklaring ter zake van feit 1C (zie randnummers 7 en 8) zijn toegesneden op art. 134a Sr. Het hof heeft onder aanhaling van die bepaling het bewezenverklaarde gedeeltelijk gekwalificeerd als “zich kennis en/of vaardigheden bijbrengen tot het plegen van een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf”. De in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende woorden “kennis en/of vaardigheden heeft verworven tot” moeten worden geacht dezelfde betekenis te hebben als daaraan toekomt in art. 134a Sr.

31. Art. 134a Sr is ingevoerd op 1 april 2010 en luidt sedertdien:25

“Hij die zich of een ander opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaft of tracht te verschaffen tot het plegen van een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf, dan wel zich kennis of vaardigheden daartoe verwerft of een ander bijbrengt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie.”

32. Voor zover door het hof onder art. 134a Sr gekwalificeerd, houdt de bewezenverklaarde ‘nadere verfeitelijking’ van het tenlastegelegde feit onder meer in dat de verdachte heeft deelgenomen aan een trainingskamp ten behoeve van de gewapende jihadstrijd in Syrië. Met het middel wordt niet betwist dát de deelname van de verdachte aan een trainingskamp uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid. De steller van het middel meent echter dat met die deelname op zichzelf nog onvoldoende invulling wordt gegeven aan het delictsbestanddeel “kennis en vaardigheden verwerven tot” als bedoeld in art. 134a Sr. Niet, althans onvoldoende, zou uit de bewijsvoering kunnen worden afgeleid dat de verdachte in het trainingskamp daadwerkelijk kennis en/of vaardigheden heeft verworven en dat het kennis en/of vaardigheden tot het plegen van de in de bewezenverklaring genoemde misdrijven betrof. Zij stelt zich op het standpunt dat met meer bepaaldheid uit de bewijsvoering moet kunnen worden afgeleid wélke kennis en/of vaardigheden zijn verworven, omdat anders niet kan worden vastgesteld of deze kennis en vaardigheden zijn verworven tot de misdrijven waarop art. 134a Sr het oog heeft en die in de bewezenverklaring nader zijn geconcretiseerd.

33. Art. 134a Sr behelst een aanvulling op het bestaande arsenaal aan strafbaarstellingen waarmee het voorbereiden van terrorisme strafrechtelijk kan worden bestreden.26 Beoogd is de strafbaarheid van voorbereidingshandelingen uit te breiden, opdat daaronder ook alle vormen van het deelnemen of meewerken aan ‘training voor terrorisme’ strafbaar zijn gesteld.27 Dat de formulering van de strafbepaling niet in alle opzichten met haar strekking lijkt te corresponderen, omdat eronder naar haar bewoordingen toch beduidend meer lijkt te kunnen worden geschaard, is in de literatuur meermalen gesignaleerd.28 De kritiek heeft hoofdzakelijk betrekking op het eerste gedeelte van de strafbepaling (de woorden: “dan wel”). In dit gedeelte is een verband met training voor terrorisme nauwelijks te ontwaren. In de enige eerdere zaak waarin de uitleg van art. 134a Sr in cassatie aan de orde kwam, heeft de Hoge Raad aanleiding gezien een kwalificatie-uitsluitingsgrond te erkennen die de reikwijdte van voornamelijk dit eerste gedeelte van de strafbepaling beperkt.29 Allereerst werd door de Hoge Raad als juist aangemerkt de opvatting van het hof dat art. 134a Sr enkel ziet op gedragingen die in enig verband staan met een terroristische training. Voor zover in art. 134a Sr is strafbaar gesteld het zich verwerven of een ander bijbrengen van kennis of vaardigheden tot het plegen van een daar omschreven misdrijf, ligt deze beperking volgens de Hoge Raad in de delictsbestanddelen van die bepaling reeds besloten. Voor de overigens strafbaar gestelde gedragingen (het zich of een ander opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen of trachten te verschaffen tot de daar omschreven misdrijven) moet naar het oordeel van de Hoge Raad worden aangenomen dat kwalificatie onder art. 134a Sr niet mogelijk is indien een voldoende verband van die gedragingen met enige vorm van training voor terrorisme ontbreekt.

34. In de onderhavige zaak gaat het om de reikwijdte van het tweede gedeelte van art. 134a Sr. Aan de orde is uitsluitend de vraag welke eisen moeten worden gesteld aan het zich kennis of vaardigheden daartoe verwerven in de zin van die bepaling en aan het bewijs daarvan.

35. Voor zover voor de beantwoording van díe vraag van belang, houdt de memorie van toelichting bij het voorstel van wet dat heeft geleid tot de invoering van art. 134a Sr onder meer het volgende in:

“De strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen is ook op een ander punt nog voor verbetering vatbaar. Dat betreft de strafbaarheid van het deelnemen en meewerken aan kort gezegd training voor terrorisme. De strafbaarstelling van het deelnemen aan een terroristisch trainingskamp vormde onderwerp van een motie, ingediend tijdens het debat over terrorismebestrijding op 9 februari 2005 (Kamerstukken II 2004/05, 29 754, nr. 13). Toegezegd is dat aan deze motie gevolg zou worden gegeven (Kamerstukken II 2005/06, 29 754, nr. 60). Met het onderhavige voorstel wordt die toezegging gestand gedaan.
De voorgestelde aanvulling, die verband houdt met de strafbaarheid van het meewerken aan training voor terrorisme, heeft een internationale achtergrond. Zij hangt samen met artikel 7 van het op 16 mei 2005 te Warschau totstandgekomen Europees Verdrag ter voorkoming van terrorisme (Trb. 2006, 34) dat de verdragspartijen verplicht «training voor terrorisme» in hun nationale wetgeving strafbaar te stellen.
Teneinde te voorzien in strafrechtelijke aansprakelijkheid wegens het deelnemen én het meewerken aan training voor terrorisme in alle daarvoor in aanmerking komende gevallen stel ik voor een nieuw artikel 134a in het Wetboek van Strafrecht op te nemen.
[...]

Strafbaarheid van het deelnemen aan training voor terrorisme
Bij deze stand van zaken acht ik het, mede in het licht van eerdergenoemde motie en de strafbaarstellingsverplichting voortvloeiend uit het Europees Verdrag ter voorkoming van terrorisme, wenselijk op dit punt meer duidelijkheid te creëren. Deze duidelijkheid wordt bereikt door het voorgestelde artikel 134a Sr. Daarin wordt naast het zich verschaffen of trachten te verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen ook het verwerven van kennis of vaardigheden tot het plegen van terroristische misdrijven of misdrijven ter voorbereiding of vergemakkelijking daarvan strafbaar gesteld.
Voor de uitvoering van de motie had kunnen worden volstaan met een aanvulling van artikel 96, tweede lid, onder 2°, Sr. Maar uit het navolgende zal blijken dat uitvoering van de verplichting tot strafbaarstelling van het geven van training voor terrorisme als bedoeld in artikel 7 van het Europees Verdrag ter voorkoming van terrorisme vergt dat aan de strafbaarstelling een ruimer toepassingsbereik wordt gegeven dan uitsluitend de terroristische misdrijven waartoe ook de samenspanning strafbaar is. Het College van Procureurs-generaal vestigde daar in zijn advies terecht de aandacht op.
Na ampele overweging is er voorts voor gekozen zowel het deelnemen als het meewerken aan training voor terrorisme in één delictsomschrijving onder te brengen. Daardoor krijgen beide gedragingen – deelnemen én meewerken – dezelfde reikwijdte. Dit verdient uit wetsystematisch oogpunt de voorkeur en wordt naar mijn oordeel ook gerechtvaardigd door het feit dat beide gedragingen nauwe verwantschap vertonen.


Strafbaarheid van het meewerken aan training voor terrorisme

Hetgeen hierboven met betrekking tot de toepasselijkheid van de bestaande strafbaarstellingen van het deelnemen aan een terroristisch opleidingskamp is opgemerkt, geldt grotendeels ook voor de mogelijkheden om het meewerken aan training voor terrorisme onder een vigerende delictsomschrijving te brengen. Artikel 7 van het eerdergenoemde Europees Verdrag ter voorkoming van terrorisme verplicht tot het strafbaar stellen van «het geven van instructie voor het vervaardigen of gebruiken van explosieven, vuurwapens of andere wapens of schadelijke of gevaarlijke stoffen, of voor andere specifieke methoden of technieken, met als doel het plegen van of bijdragen aan het plegen van een terroristisch misdrijf, in de wetenschap dat beoogd wordt de verstrekte vaardigheden daarvoor in te zetten». Voor welke terroristische misdrijven bedoelde strafbaarstelling moet gelden, blijkt uit artikel 1 van het Verdrag. Het betreft «elk van de misdrijven vallend onder de reikwijdte van en omschreven in een van de in de Bijlage vermelde verdragen».
Voor de beantwoording van de vraag op welke wijze uitvoering moet worden gegeven aan artikel 7 van het Verdrag zijn in het bijzonder twee punten van belang.
In de eerste plaats moet worden beoordeeld of elke vorm van instructie tot het plegen van een terroristisch misdrijf bestreken wordt door de Nederlandse strafwet. Net als bij het deelnemen aan een training dienen zich in dat kader vooral de strafbaarstellingen inzake strafbare voorbereiding, samenspanning, en het deelnemen aan een terroristische organisatie aan. Strafbaarheid kan bijvoorbeeld worden aangenomen wanneer iemand instructies geeft en ten behoeve daarvan «informatiedragers», «ruimten» of «voorwerpen», bestemd tot het begaan van het terroristisch misdrijf voorhanden heeft. Denkbaar is voorts dat een specialist op het gebied van explosieven of vuurwapens deel uitmaakt van een als strafbare samenspanning te kwalificeren complot. Zo iemand kan ook behoren tot een terroristische organisatie en ter verwezenlijking van het oogmerk van die organisatie andere leden lesgeven in het vervaardigen en gebruiken van wapens en explosieven. Ook voor die situaties is het bereik van de bestaande strafbaarstellingen genoegzaam.
Dit lijkt echter niet met volledige zekerheid te kunnen worden gesteld wanneer het gaat om het geval waarin «een training» wordt gegeven buiten het verband van een netwerk of complot. Voor de toepasselijkheid van artikel 46 Sr geldt, ik gaf dit eerder reeds aan, dat het geven van training alleen een strafbare voorbereidingshandeling oplevert als de voorbereiding zich in iets stoffelijks heeft geconcretiseerd. En ten aanzien van artikel 96, tweede lid, Sr kan onduidelijkheid ontstaan over de vraag in hoeverre het bestanddeel «het (anderen) trachten te verschaffen van inlichtingen» tevens omvat het bijbrengen van kennis en vaardigheden. In het licht van het bovenstaande is het wenselijk om te voorzien in een afzonderlijke, duidelijk omschreven strafbaarstelling waarmee wordt voldaan aan de verdragsverplichting tot het strafbaar stellen van «training voor terrorisme».
[...]
Over de formulering van de voorgestelde strafbaarstelling zij nog het volgende opgemerkt. De gekozen formulering sluit aan bij vergelijkbare delictsomschrijvingen in het Wetboek van Strafrecht terzake van strafbare voorbereiding. Uit de voorgestelde formulering blijkt dat het opzet van de dader gericht dient te zijn op het inzetten van de verworven kennis of vaardigheden voor het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking daarvan. Dit vormt een scherpe omlijning van de reikwijdte van de bepaling.
[...]
De NVvR stelde in haar advies over het conceptwetsvoorstel de vraag of ook andere vormen van kennisverwerving of bijbrengen van kennis dan in (echte) trainingskampen, strafbare voorbereiding als voorgesteld kan opleveren. De strafbaarheid van het deelnemen of meewerken aan training ziet niet uitsluitend op het verwerven of bijbrengen van kennis of vaardigheden in het kader van een trainingskamp. Ook andersoortige opleidingsvormen zijn denkbaar. In dit verband stelde de NOVA in haar advies dat het toepassingsbereik van de strafbaarstelling op dit punt ruimer is dan de motie en het Verdrag vereisen. Die opvatting kan ik niet delen. In artikel 7 van het Verdrag wordt immers met betrekking tot «training for terrorism» in algemene bewoordingen gesproken over «to provide instructions». De bepaling laat daarmee niet toe dat dergelijk handelen alleen in het kader van een trainingskamp strafbaar wordt gesteld.”30

36. De nota naar aanleiding van het verslag houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, onder meer in:

“De leden van de fracties van het CDA en de PvdA vroegen nader toe te lichten wanneer sprake zal zijn van een terroristische training. De leden van de CDA-fractie vroegen zich in dit verband af of het volgen van schiet of vlieglessen onder omstandigheden als een terroristische training kan worden aangemerkt. De leden van de PvdA-fractie vroegen of zulks het geval kan zijn bij het volgen van training in een vechtsport. Graag beantwoord ik deze vragen als volgt.
Artikel 7 van het Verdrag verplicht tot het strafbaar stellen van «training voor terrorisme». Onder «training voor terrorisme» dient ingevolge het Verdrag te worden verstaan: «het geven van instructies voor het vervaardigen of gebruiken van explosieven, vuurwapens of andere wapens of schadelijke stoffen, of voor andere specifieke methoden of technieken, met als doel het plegen van of bijdragen aan het plegen van een terroristisch misdrijf, in de wetenschap dat beoogd wordt de verstrekte vaardigheden daarvoor in te zetten». Het Verdrag gaat derhalve uit van een ruime omschrijving van het begrip «training voor terrorisme», die – althans wat de actieve kant betreft – overeenkomt met hetgeen in normaal spraakgebruik onder training wordt verstaan: het opdoen of overbrengen van kennis of zich of een ander bekwamen in vaardigheden of technieken. De in artikel 134a Sr voorgestelde delictsomschrijving beoogt alle strafwaardige gedragingen die uitdrukking geven aan het begrip «training» te omvatten. Training is derhalve een verzamelbegrip dat in de delictsomschrijving met een aantal feitelijke begrippen wordt geduid.
Het volgen van schiet- of vlieglessen of het ondergaan van training in een vechtsport kan, wanneer betrokkene het opzet heeft de kennis of vaardigheden te verwerven voor het plegen van een terroristisch misdrijf, strafbaar zijn op grond van het voorgestelde artikel 134a Sr. Naar aanleiding van een aanverwante vraag van de leden van de fractie van het CDA merk ik op dat zulks ook het geval kan zijn wanneer kennis of vaardigheden via het internet worden verworven.
[...]
De vraag van de leden van de CDA-fractie of deelname aan een kamp, vergelijkbaar met het door deze leden gememoreerde kamp [het dierenactivistenkamp dat in augustus 2007 in Appelscha werd gehouden, EH] strafbaar zou kunnen zijn op grond van de voorgestelde strafbepaling kan in haar algemeenheid niet beantwoord worden. Dit hangt steeds af van de specifieke feiten en omstandigheden van het geval. Daarbij dient steeds bewezen te worden dat betrokkene kennis en vaardigheden wil verwerven om een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf te plegen.
De leden van de fractie van de PvdA vroegen nader te verduidelijken op grond van welke verplichting in het Europees Verdrag ter voorkoming van terrorisme het bereik van het voorgestelde artikel 134a Sr is gebaseerd. Graag verduidelijk ik deze leden dat daaraan de verplichting die is opgenomen in artikel 7 van het Verdrag ten grondslag heeft gelegen. Dat artikel hanteert immers voor de omschrijving van het begrip «training» een opsomming van gedragingen die wordt afgesloten met «or other specific methods or techniques». Zoals ik hierboven reeds heb aangegeven, wordt met het samenstel van gedragingen in de delictsomschrijving van het voorgestelde artikel 134a Sr de door het Verdrag gehanteerde ruime omschrijving van het begrip «training» geduid.
[...]
Naar aanleiding van vragen van deze leden over het bewijs van een terroristisch oogmerk bij de dader merk ik graag het volgende op. Voor strafrechtelijke aansprakelijkheid op grond van het voorgestelde artikel 134a Sr is vereist dat het opzet van de dader is gericht op het – kort gezegd – verwerven of bijbrengen van kennis of vaardigheden voor het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking daarvan. Bewijs voor het opzet van betrokkene zal bijvoorbeeld kunnen worden afgeleid uit hetgeen bekend is over de achtergrond van de persoon van de verdachte. Zo is mogelijk informatie bekend over diens haat tegen de Westerse wereld, zijn fascinatie voor terroristisch geweld of over het radicaliseringsproces dat betrokkene heeft ondergaan. In het licht van het voorgaande kunnen ook de aard en het karakter van de training een rol spelen. Het karakter van de training en de gegeven instructies kunnen inzichtelijk maken welk doel betrokkene voor ogen heeft.

Strafbaarheid kan met andere woorden niet worden aangenomen als het opzet ontbreekt met betrekking tot het doel van de training. Dit opzetvereiste moet evenwel worden onderscheiden van een terroristisch oogmerk als omschreven in artikel 83a Sr. Dat oogmerk vormt geen bestanddeel van de in artikel 134a Sr voorgestelde strafbaarstelling. Bij degene die meewerkt aan het geven van een terroristische training kunnen immers andere dan terroristische motieven een rol spelen. Zo kan een vlieginstructeur louter uit financieel gewin iemand trainen die voornemens is een terroristische aanslag te plegen. De desbetreffende vlieginstructeur maakt zich niettemin schuldig aan het voorgestelde strafbare feit wanneer hij, terwijl hij training geeft, weet dat degene die hij instrueert de vaardigheden wil verwerven voor het plegen van een terroristisch misdrijf. Voor degene die de terroristische training volgt, geldt doorgaans evenmin dat het volgen van de training plaatsvindt met het oogmerk om de bevolking ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid wederrechtelijk iets te doen etc. (vgl. artikel 83a Sr). Dat oogmerk komt pas in beeld indien daadwerkelijk wordt overgegaan tot het plegen van daden die tot de door het terroristisch oogmerk beoogde effecten kunnen leiden.”31

37. Ook is van belang een brief van toenmalig minister van Justitie Hirsch Ballin aan de Tweede Kamer, gedateerd 20 januari 2009, onder meer inhoudende:

“De heer Van Haersma Buma vroeg of een trainingskamp voor gewelddadige dierenrechtenactivisten in voorkomend geval onder de voorgestelde strafbepaling kan worden gebracht. Het antwoord daarop hangt – zo moet worden vooropgesteld – steeds af van de specifieke feiten en omstandigheden van het geval, maar wordt door de wet zeker niet uitgesloten. De voorgestelde strafbepaling vereist dat wordt bewezen dat betrokkene kennis en vaardigheden wil verwerven om een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf te plegen. Daarbij is onder meer van belang dat er aanknopingspunten te vinden zijn die wijzen in de richting van een terroristisch oogmerk. Artikel 83a Sr definieert dit oogmerk als volgt: «Onder terroristisch oogmerk wordt verstaan het oogmerk om de bevolking of een deel der bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen.» Een belangrijk en onderscheidend kenmerk is derhalve dat de training staat in de sleutel van de voorbereiding van zeer ernstige misdrijven met een uiterst kwalijk oogmerk. Indien radicale dierenrechtenactivisten zover zouden blijken te willen gaan dat zij zich kennis en vaardigheden willen verschaffen om bijvoorbeeld aanslagen te plegen met het oogmerk om een overheid wederrechtelijk te dwingen iets te doen of dulden, dan zal ook strafrechtelijk optreden tegen deze groep van personen wegens een verdenking ter zake van artikel 134a Sr mogelijk zijn.
Over de reikwijdte van de voorgestelde delictsomschrijving zijn vragen gesteld door de leden Heerts, De Wit, Teeven, Pechtold en De Roon.
In antwoord op deze vragen wil ik graag verduidelijken dat strafbaarheid op grond van het voorgestelde artikel 134a Sr slechts kan worden aangenomen indien sprake is van opzettelijk handelen, ook ten aanzien van het criminele doel van de training. Het aanhangen van het salafistisch gedachtengoed of het koesteren van een fascinatie voor terroristisch geweld is op zichzelf beschouwd natuurlijk niet strafbaar. Zulks geldt evenmin voor het volgen van een training in een vechtsport of deelname aan een daarvoor ingericht kamp. Strafrechtelijke aansprakelijkheid komt pas in beeld als de fascinatie voor terroristisch geweld zich ontwikkelt tot een concreet voornemen om een terroristisch misdrijf te plegen, terwijl betrokkene daarvoor nog specifieke kennis en vaardigheden moet en wil opdoen. Onder die omstandigheden en bij voldoende bewijs daartoe zal een strafrechtelijke vervolging terzake van het nieuwe artikel 134a Sr kunnen worden ingesteld.
[...]
Met de heer De Wit ben ik het eens, dat als onderricht wordt gegeven in het monteren en plaatsen van bommen, dit geen onschuldige activiteit is en dat in dat geval geen sprake is van vredelievend trainingskamp. Een kamp met militaire trekjes waar gevechtshandelingen worden geoefend, valt echter niet automatisch onder de voorgestelde delictsomschrijving, zo kan ik de heer De Wit verder ten antwoord geven. Waar het om gaat, is dat degene die de opleiding verzorgt, wetenschap heeft omtrent de doelstellingen van de cursisten. Hij moet ervan op de hoogte zijn dat een of meer van zijn leerlingen de kennis en vaardigheden wil inzetten voor het plegen van terroristische aanslagen. Juist die wetenschap en het desondanks voortzetten van de opleiding maken de trainer strafbaar. In vergelijkbare zin is er reden om strafrechtelijke aansprakelijkheid aan te nemen voor degene die de training volgt; hem kan een zeer kwalijk oogmerk worden verweten, alsook het verrichten van activiteiten om zich te bekwamen teneinde dit oogmerk daadwerkelijk te verwezenlijken. Het voorbeeld, door de heer De Wit gegeven, van iemand die een aangeleerde taal wil gebruiken om in te zetten bij de voorbereiding van een terroristisch misdrijf zal niet gemakkelijk leiden tot strafbaarheid op grond van artikel 134a Sr: het moet gaan om «kennis of vaardigheden tot het plegen van een terroristisch misdrijf». Het enkel volgen van een taalopleiding, ook al blijkt anderszins van mogelijke terroristische sympathieën, zal niet snel te kwalificeren zijn als «deelneming aan een terroristische training». Dit kan bijvoorbeeld anders liggen wanneer, ter uitvoering van een groter plan, specifieke, technische begrippen in een onbekende taal worden getraind. Te denken valt bijvoorbeeld aan het verwerven van kennis over termen die de luchtverkeersleiding hanteert, ter voorbereiding van een op een bepaalde luchthaven uit te voeren terroristische kaping.”32

38. Ten tijde van de behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer heeft dezelfde minister nog het volgende opgemerkt:

“De voorgestelde strafbepaling vereist dat wordt bewezen dat het opzet van de dader is gericht op het verwerven of bijbrengen van kennis of vaardigheden tot het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking daarvan. Het bestanddeel opzet strekt zich uit tot het criminele doel van de training. Voor strafbaarheid is met andere woorden vereist dat de dader kennis heeft willen opdoen om een terroristisch misdrijf te plegen dan wel kennis heeft willen verschaffen terwijl hij wist of moest weten dat het opdoen van deze kennis bedoeld was om een terroristisch misdrijf te plegen. Waar het om gaat is dat de gedraging (het verwerven of bijbrengen van kennis of vaardigheden) wordt verricht met een bepaald doel (het plegen van een terroristisch misdrijf). In de delictsomschrijving wordt de verbondenheid tussen gedraging en doel tot uitdrukking gebracht door de termen «tot» en «daartoe».”33

39. De globale omschrijving van het in art. 134a Sr strafbaar gestelde feit als ‘training voor terrorisme’ omvat twee van elkaar te onderscheiden aspecten die ook in het delictsbestanddeel “kennis en/of vaardigheden verwerven tot (terrorisme)” kunnen worden herkend. Ten eerste moet sprake zijn van het verwerven van kennis en/of vaardigheden, oftewel van een training. Daarnaast dient de training plaats te vinden ten behoeve van (“tot”) één of meer van de in art. 134a Sr omschreven en in de bewezenverklaring nader geconcretiseerde misdrijven, ‘voor terrorisme’ dus.

40. Om met dit tweede aspect te beginnen: uit de hiervoor aangehaalde wetsgeschiedenis volgt dat is bedoeld in de delictsomschrijving van art. 134a Sr met de woorden “tot” en “daartoe” een verbinding te leggen tussen de delictsgedragingen enerzijds en de met die gedragingen te plegen aan terrorisme gerelateerde misdrijven anderzijds. Die verbinding is subjectief van aard, zo kan eveneens uit de wetsgeschiedenis worden opgemaakt.34 Voor de vervulling van de delictsomschrijving is niet voldoende dat een training opzettelijk wordt gevolgd of gegeven; het opzet van de dader moet daarbij erop zijn gericht dat de aldus overgebrachte of verworven kennis en/of vaardigheden zullen worden ingezet voor het plegen van de bedoelde misdrijven. Deze tweede opzeteis beschouwt de minister als een “scherpe omlijning van de reikwijdte van de bepaling”.35 Of die omlijning scherp te noemen is, kan in het midden blijven, maar duidelijk is dat de strafbepaling zonder dit vereiste een onwenselijk ruim bereik zou kennen. Kamervragen waarin de reikwijdte van het voorgestelde art. 134a Sr aan de hand van hypothetische casusposities werd verkend, heeft de minister beantwoord door te verwijzen naar het te bewijzen opzet waarmee de verdachte de kennis en vaardigheden verwerft (of overbrengt). Dit opzet waarmee de training wordt verkregen (of gegeven), is tevens onderdeel van het bewijsthema. In het kader van het bewijs van het hier bedoelde opzet zal volgens de minister onder meer betekenis kunnen toekomen aan de achtergrond van de persoon van de verdachte en zijn wereldbeeld, alsook aan de aard en het karakter van de gevolgde training.

41. Ten Voorde heeft erop gewezen dat de minister zich over de precieze aard van het opzetvereiste bij het verwerven van kennis en vaardigheden, van de trainee dus, niet geheel consequent uitdrukt, doordat hij enerzijds een “bedoeling” of “intentie” tot (kort gezegd) terrorisme lijkt te vergen, maar anderzijds sporadisch ook van “wetenschap” spreekt. Het eerste duidt op een bijzondere opzetvorm waarvoor voorwaardelijk opzet onvoldoende is. Het tweede lijkt te impliceren dat voorwaardelijk opzet juist wel volstaat, hetgeen overeen zou stemmen met de ten aanzien van de trainer expliciet verlangde opzetgraad.36 Mij komt het voor dat de ‘voorwaardelijk opzet formule’ zich op de trainee wezenlijk minder goed laat toepassen dan op de trainer. Immers, van een docent kan worden gezegd dat hij rekening houdt met de kans dat degene die hij onderwijst zijn lessen ten kwade zal aanwenden en die kans aanvaardt. De leerling kan daarentegen moeilijk spreken van een te aanvaarden kans dat hij zelf op enig moment de verworven kennis en vaardigheden voor de verkeerde doelen zal inzetten. Vanuit het perspectief van de trainee betreft dat immers niet zozeer een van vooral buiten hem gelegen factoren afhankelijke “kans”, doch veeleer een wellicht later nog te nemen, of definitief te maken wilsbesluit. Voor de trainee dringt wat dit betreft – meer dan voor de trainer – de vergelijking met het algemene voorbereidingsdelict zich op. Naar de letter van art. 46 Sr is voorwaardelijk opzet ook in dat verband weliswaar voldoende, maar doordat het, wat die voorfase betreft, veelal gaat om gedragingen van relatief geringe ernst die door een criminele intentie worden geladen, zal toch een bijzondere vorm van opzet zijn vereist, die wordt gekleurd door de criminele intentie, door de gerichtheid van de gedragingen op een bepaald (ernstig) misdrijf.37 Daarmee is uiteraard niet gezegd dat de daadwerkelijke voltooiing van het misdadige voornemen al zeker moet zijn,38 maar wel dat de delictsgedragingen door dat voornemen in elk geval tot op zekere hoogte zijn ingegeven. Hij die zich schuldig maakt aan het verwerven van kennis en/of vaardigheden tot de in art. 134a Sr bedoelde misdrijven zal dienovereenkomstig door het mogelijke vooruitzicht van die misdrijven tot die verwerving in zekere zin moeten zijn gemotiveerd.

42. Voorts – het is al gezegd – moet worden bewezen dat kennis en/of vaardigheden zijn verworven, in andere woorden dat een vorm van training is ondergaan. Uit de wetsgeschiedenis (zie randnummer 35) kan worden afgeleid dat het voorstel voor art. 134a Sr allereerst ertoe strekte uitvoering te geven aan een motie om deelname aan een terroristisch trainingskamp te verbieden. Daarnaast is de implementatie beoogd van art. 7 van het ‘Europees Verdrag ter voorkoming van terrorisme’ waarin onder training wordt verstaan “het geven van instructie voor het vervaardigen of gebruiken van explosieven, vuurwapens of andere wapens of schadelijke stoffen, of voor andere specifieke methoden of technieken, met als doel het plegen van of bijdragen aan het plegen van een terroristisch misdrijf, in de wetenschap dat beoogd wordt de verstrekte vaardigheden daarvoor in te zetten”.39 De minister heeft te kennen gegeven dat art. 134a Sr niet is beperkt tot de aanpak van trainingskampen en evenmin zijn grenzen vindt in art. 7 van het Europees Verdrag. Beoogd is nadrukkelijk alle strafwaardige gedragingen die uitdrukking geven aan het begrip training te omvatten. De minister staat bovendien een ruim trainingsbegrip voor; daaronder kan alles worden begrepen dat daaronder in normaal spraakgebruik pleegt te worden verstaan. Het opdoen of overbrengen van kennis of zich of een ander bekwamen in vaardigheden of technieken in brede zin dus. De in de delictsomschrijving ter omschrijving van de delictsgedragingen gebruikte begrippen, zoals “kennis of vaardigheden verwerven”, zijn bedoeld als een nadere omschrijving van het in wezen deelnemen aan een training in die brede zin. In het kader van de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel is van diverse leerprocessen gesteld dat zij onder omstandigheden als een training kunnen worden aangemerkt, zoals schietlessen, vliegcursussen, het leren van een vechtsport en onderricht in het monteren of plaatsen van bommen. Dat ook alledaagse en soms in algemene zin aanbevelenswaardige gedragingen aldus binnen het bereik van art. 134a Sr zullen vallen, heeft de minister niet op voorhand uitgesloten noch willen uitsluiten.

43. In het al even gememoreerde arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2016 heeft de Hoge Raad met een zekere nadruk er niet voor gekozen de reikwijdte van art. 134a Sr ook in dit opzicht te beperken. De Hoge Raad overweegt dat kwalificatie onder art. 134a Sr niet mogelijk is indien een voldoende verband met enige vorm van training voor terrorisme ontbreekt. Daarbij zoekt hij ten aanzien het begrip training uitdrukkelijk aansluiting bij de wetsgeschiedenis en verstaat hij daaronder “'het opdoen of overbrengen van kennis of zich of een ander bekwamen in vaardigheden of technieken”.40 De in het middel in die zaak te lezen opvatting dat in art. 134a Sr uitsluitend gedragingen strafbaar zijn gesteld die duiden op het volgen van instructies waarbij specifieke vaardigheden, methoden of technieken tot het begaan van een terroristisch misdrijf worden aangeleerd, acht de Hoge Raad dan ook onjuist, kennelijk omdat deze opvatting te restrictief is.41

IV.2 Beoordeling van het tweede middel

44. Ik keer terug naar de onderhavige zaak. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte in Syrië heeft deelgenomen aan een militair trainingskamp. Over dit trainingskamp blijkt uit de bewijsmiddelen het volgende. Het behoorde toe aan de rebellengroep Maghlis Shura Mujahideen, maar werd eveneens gebruikt door de organisaties van Jabhat al Nusra en de rebellengroep onder leiding van [betrokkene 12] (b.m. 13). Het trainingskamp was gelegen in Sheik Suleyman op ongeveer 30 minuten rijden van Kafr Hamra, Syrië (b.m. 13). De duur van het trainingskamp was volgens de bewijsmiddelen tussen twintig dagen en een maand (b.m. 13), dan wel zes weken (b.m. 15). Uit de bewijsmiddelen kan tevens worden afgeleid dat het volgen van de training voor eenieder die zich aansloot bij Maghlis Shura Mujahideen verplicht was (b.m. 13) en de betrokkene pas na voltooiing van de training het recht kreeg op zoek te gaan naar het martelaarschap (b.m. 15). Over de aard en inhoud van de te volgen trainingen houdt de verklaring van de getuige [betrokkene 8] in dat men zowel militaire, fysieke als ook religieuze trainingen kreeg en dat werd geleerd om tijdens de gevechten geen gevangenen te nemen maar vijanden gelijk te doden. Hij verklaart tevens dat alle personen die hij heeft herkend – onder wie de verdachte – “alle soorten militaire trainingen” in het trainingskamp hebben gevolgd (b.m. 22). Het als bewijsmiddel gebruikte kennisdocument van Jolen (b.m. 15) behelst onder meer een citaat uit een Volkskrantinterview met [betrokkene 14] , met als inhoud dat je na het trainingskamp actief op het slagveld kon participeren en dat een deel van de training bestond “uit het opdoen van ervaring, en instructies en lessen die je regelmatig” kreeg. [betrokkene 9] heeft in een telefoongesprek met [betrokkene 1] gezegd dat het trainingskamp erg pittig was en dat hij een uur had moeten hardlopen, onder de grond moest kruipen en moest slingeren van de ene paal naar de andere (b.m. 23).

45. Uit deze vaststellingen van het hof kan niet met grote nauwkeurigheid worden afgeleid welke kennis en vaardigheden de verdachte in het trainingskamp precies heeft verworven. De in de tenlastelegging nog genoemde precisering van het leren schieten, heeft het hof niet bewezenverklaard. Hier staat echter tegenover dat het in casu niet gaat om een type training dat zich in de periferie bevindt van de gedragingen die met art. 134a Sr strafbaar zijn gesteld. De verdachte wordt niet een vorm van zelfverbetering verweten die slechts door de intenties van de verwerver ervan in een kwaad daglicht komt te staan of waarvan kan worden volgehouden dat zij van de mogelijk terroristische intenties van de verdachte kunnen worden losgezien. Integendeel, uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte heeft deelgenomen aan het soort trainingskamp dat de wetgever met art. 134a Sr bij uitstek heeft beoogd te verbieden. De in het kamp te ontvangen ‘training’ duurde minimaal enkele weken en was van onder meer militaire en fysieke aard. De verdachte ontving “alle soorten militaire training” en het was fysiek (lood)zwaar. Naar voren komt óók dat men lessen en instructies kreeg. In hoger beroep is ten aanzien van het bewijs van feit 1C bovendien niet het verweer gevoerd dat in het trainingskamp geen kennis en/of vaardigheden als bedoeld in art. 134a Sr werden verworven.42 Dit in aanmerking genomen, acht ik het op de in de bewijsmiddelen gelegen vaststellingen gebaseerde oordeel van het hof dat het niet anders kan dan dat de verdachte kennis en/of vaardigheden heeft verworven niet onbegrijpelijk. Dat oordeel behoefde geen nadere motivering.

46. Dat deelname aan dit trainingskamp en de daar te verwerven kennis en vaardigheden dienden “tot” het plegen van de in de bewezenverklaring aangeduide misdrijven, kan naar ik meen zonder meer uit de vaststellingen van het hof worden afgeleid. Anders dan de steller van het middel betoogt, lijkt mij daarvoor niet noodzakelijk dat komt vast te staan welke precieze kennis en/of vaardigheden in het trainingskamp zijn opgedaan. Gezien de geografische ligging van het trainingskamp, de organisaties die ervan gebruik maakten en het militaire karakter ervan, alsmede het feit dat deelname aan het trainingskamp een voorwaarde was om namens de organisaties deel te nemen aan de gewapende strijd, acht ik die deelname aan het trainingskamp naar de uiterlijke verschijningsvorm ervan zozeer op de in de bewezenverklaring genoemde misdrijven gericht dat het behoudens contra-indicaties niet anders kan zijn dan dat daaraan werd deelgenomen ten behoeve van (“tot”) de in de bewezenverklaring genoemde misdrijven. Nu ook in dit opzicht in hoger beroep geen verweer is gevoerd, behoefde het oordeel van het hof ook in zoverre geen nadere motivering, waarbij nog zij opgemerkt dat dit oordeel niet onbegrijpelijk is.

47. De bewezenverklaring van feit 1C is derhalve voldoende met redenen omkleed.

48. Het tweede middel faalt.

V. Het derde middel: oogmerk op het plegen van terroristische misdrijven van de organisatie als bedoeld in art. 140a Sr

49. Het derde middel is gericht tegen de bewezenverklaring van feit 2A, voor zover inhoudende dat de organisatie waaraan de verdachte heeft deelgenomen tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven, bedoeld in art. 140a Sr. In de kern behelst het middel de klacht dat het bewezenverklaarde oogmerk van de organisatie op “D. de voorbereiding en/of bevordering van de misdrijven genoemd in artikel 176a Sr jo 157 Sr en 288a Sr en 289 Sr te begaan met een terroristisch oogmerk” niet kan worden aangemerkt als “het plegen van terroristische misdrijven” in de zin van art. 140a, eerste lid, Sr.

50. Ten laste van de verdachte is onder feit 2A bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 1 januari 2013 tot en met 30 augustus 2013,
in Nederland en/of in Syrië,
heeft deelgenomen aan een organisatie, onder meer bestaande uit:
- [medeverdachte 3] (geboren [geboortedatum] 1982 en/of
- [betrokkene 3] (geboren [geboortedatum] 1996) en/of
- [medeverdachte 4] (geboren [geboortedatum] 1989) en/of
- [betrokkene 4] (geboren [geboortedatum] 1993) en/of
- [medeverdachte 2] (geboren [geboortedatum] 1974)
welke organisatie tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven, te weten:
D. de voorbereiding en/of bevordering van de misdrijven genoemd in artikel 176a Sr jo 157 Sr en 288a Sr en 289 Sr te begaan met een terroristisch oogmerk.”

51. Ten aanzien van de oogmerken van de organisatie waaraan de verdachte heeft deelgenomen, heeft het hof in de bestreden uitspraak het volgende overwogen:

Het oogmerk van de organisatie

Het oogmerk van de organisatie was er op gericht om commune en ook terroristische misdrijven te plegen in het streven om een 'kalifaat' te vestigen door het voeren van de militaire jihad in Syrië aan de zijde van aan Al Qaida gelieerde strijdgroepen.

De criminele organisatie in de zin van artikel 140 Sr heeft naar het oordeel van het hof de navolgende ten laste gelegde oogmerken gehad:

A) het opruien tot deelname aan de gewapende jihadstrijd in Syrië;

B) het verspreiden van geschriften die daartoe opruien;

E) het werven voor de gewapende jihadstrijd in Syrië en;

F) het financieren van de strijd.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat in het openbaar is opgeruid en dat in het openbaar opruiende teksten, berichten en films zijn verspreid, waarin het martelaarschap in het kader van de gewapende jihadstrijd in Syrië werd verheerlijkt en mede daardoor werd aangezet tot meedoen aan die strijd. Dit heeft in elk geval op social media plaatsgevonden. Verder is actie ondernomen om strijders te werven voor de gewapende strijd en ook om die strijd te financieren.

Verder heeft de criminele organisatie een terroristisch oogmerk gehad in de zin van artikel 140a Sr, namelijk de onder D) ten laste gelegde voorbereiding en/of de bevordering van moord, doodslag en het teweegbrengen van een ontploffing, telkens met een terroristisch oogmerk. Teneinde te kunnen deelnemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië zijn (potentiële) uitreizigers niet alleen – kort gezegd – bewogen om af te reizen naar Syrië, maar hen zijn ook geld, inlichtingen en gelegenheid verschaft om deel te nemen aan die strijd.”

52. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet terroristische misdrijven43 blijkt dat de bestanddelen van art. 140a, eerste lid, Sr op dezelfde wijze moeten worden uitgelegd als de overeenstemmende bestanddelen van art. 140, eerste lid, Sr.44 Zowel onder art. 140 Sr als onder art. 140a Sr zal de organisatie waaraan de verdachte deelneemt het plegen van meer dan één misdrijf tot oogmerk moeten hebben.45 Om van zo een oogmerk te kunnen spreken, behoeft het plegen van de misdrijven niet het eind- of hoofddoel, dan wel de voornaamste bestaansgrond van de organisatie te zijn. Ook de omstandigheid dat tevens legale doelen worden nagestreefd of dat het criminele oogmerk pas na de oprichting van de organisatie is ontstaan, staat niet noodzakelijk eraan in de weg dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft in de zin van art. 140 Sr en art. 140a Sr.46

53. Het bereik van art. 140a Sr is (uiteraard) beperkter dan dat van art. 140, eerste lid, Sr, doordat eerstgenoemde bepaling ziet op de deelneming aan uitsluitend een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven.47 Niet voldoende is daarvoor dat de organisatie waaraan de verdachte deelneemt een terroristisch oogmerk heeft in de zin van art. 83a Sr, dat wil zeggen het oogmerk om de bevolking of een deel der bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen. Voor een veroordeling op grond van art. 140a Sr volstaat immers niet dat sprake is van deelneming aan een organisatie die tot terroristisch oogmerk heeft het begaan van misdrijven – of zelfs niet als misdrijf strafbare gedragingen – van welke aard dan ook. Het moet gaan om een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven.48

54. Welke delicten terroristische misdrijven opleveren is limitatief opgesomd in art. 83 Sr.49 De wetsgeschiedenis van de Wet terroristische misdrijven, bij welke wet zowel art. 83 Sr als art. 140a Sr is ingevoerd, laat er geen twijfel over bestaan dat in art. 140a Sr met het begrip “terroristische misdrijven” is bedoeld te verwijzen naar de toen nieuwe definitiebepaling van art. 83 Sr.50 Of de misdrijven op het plegen waarvan de organisatie het oogmerk heeft, terroristische misdrijven betreffen, moet derhalve worden bezien aan de hand van deze laatste bepaling. Dat de in de bewezenverklaring van feit 2A genoemde misdrijven van art. 176a Sr in verbinding met art. 157 Sr, art. 288a Sr en art. 289 Sr, begaan met een terroristisch oogmerk, een terroristisch misdrijf in de zin van die bepaling opleveren, staat buiten kijf. De steller van het middel betoogt in de kern dat het oogmerk op het “voorbereiden en/of bevorderen” van die misdrijven evenwel niet het oogmerk op het plegen van terroristische misdrijven oplevert als bedoeld in art. 140a Sr.

55. Zoals de steller van het middel zelf echter ook signaleert, definieert art. 83, aanhef en onder 1°, Sr eveneens als terroristisch misdrijf het misdrijf omschreven in art. 96 Sr, indien dit misdrijf is begaan met een terroristisch oogmerk in de zin van art. 83a Sr. In art. 96 Sr, tweede lid, Sr is strafbaar gesteld het, met het oogmerk om een der in de artikelen 92-95a omschreven misdrijven voor te bereiden of te bevorderen [...], begaan van een aldaar onder 1° tot en met 5° genoemde gedraging. Op de voet van art. 176b, tweede lid, Sr en art. 289a, tweede lid, Sr is art. 96, tweede lid, Sr van overeenkomstige toepassing ingeval de in art. 96, tweede lid, Sr opgesomde gedragingen worden begaan met het oogmerk de misdrijven van onder meer de in de bewezenverklaring van feit 2A genoemde artikelen 157 (in verbinding met 176a, eerste lid), 288a en 289 Sr voor te bereiden of te bevorderen. Kortom, het terroristische misdrijf van art. 96, tweede lid, Sr wordt ook gepleegd indien de aldaar onder 1° tot en met 5° opgesomde gedragingen worden begaan met het oogmerk om de misdrijven van onder meer art. 157, art. 288a Sr en/of art. 289 Sr voor te bereiden en/of te bevorderen (en dat dan met een terroristisch oogmerk).

56. Daarmee levert het in de bewezenverklaring vermelde (oogmerk van de organisatie op) voorbereiden en bevorderen van de in art. 157, art. 288a en art. 289 Sr omschreven terroristische misdrijven zelf echter nog niet (het oogmerk van de organisatie op) het plegen van een terroristisch misdrijf op. Art. 96, tweede lid, Sr vereist immers niet alleen een voorbereidings- of bevorderingsoogmerk, maar ook het begaan van de aldaar onder 1° tot en met 5° opgesomde gedragingen met dat voorbereidings- of bevorderingsoogmerk. Vooraleer de organisatie het oogmerk heeft op het plegen van terroristische misdrijven, zal dat oogmerk dus niet (slechts) gericht moeten zijn op het vergemakkelijken of bevorderen van terroristische misdrijven in de zin van art. 96, tweede lid, Sr, maar (ook) op het verrichten van de in die laatstgenoemde bepaling onder 1° tot en met 5° opgesomde gedragingen met dat voorbereidings- of bevorderingsoogmerk.

57. Naar bestendige rechtspraak van de Hoge Raad behoeft het oogmerk van de organisatie waaraan is deelgenomen in de tenlastelegging niet nader te worden omschreven, maar is ook voldoende dat dit oogmerk uit de bewijsmiddelen blijkt.51 Het hof heeft blijkens zijn hiervoor onder randnummer 51 weergegeven nadere bewijsoverwegingen uit de bewijsmiddelen afgeleid – gelijk het heeft kunnen doen – dat de organisatie waaraan de verdachte deelnam (potentiële) uitreizigers heeft bewogen om af te reizen naar Syrië en aan hen geld, inlichtingen en gelegenheid heeft verschaft om deel te nemen aan de strijd aldaar. Aldus heeft de organisatie waaraan de verdachte heeft deelgenomen – naar het hof heeft vastgesteld – het oogmerk op het “plegen” van de volgende terroristische misdrijven: het met het oogmerk om een of meer van de in de artikelen 157, 288a en 289 Sr omschreven misdrijven voor te bereiden of te bevorderen, ander(en) (trachten te) bewegen om die misdrijven te plegen (art. 96, tweede lid sub 1°, Sr) en aan die ander(en) gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van die misdrijven verschaffen (art. 96, tweede lid sub 2°, Sr), zulks met een terroristisch oogmerk. Deze voorbereidings- en/of bevorderingsmisdrijven moeten onder het begrip terroristisch misdrijf worden verstaan op de voet van art. 83, aanhef en onder 1°, Sr.

58. Alhoewel de steller van het middel zich bewust lijkt van de hiervoor uiteengezette tekst en systematiek van de besproken wettelijke bepalingen en de uitkomst waartoe analyse daarvan leidt, gaat haar betoog aan het hiervoor gemaakte punt toch enigszins voorbij waar zij stelt dat “onder het plegen zoals bedoeld in artikel 140a Sr [niet] ook het enkele voorbereiden en/of bevorderen van terroristische misdrijven kan worden verstaan”.52 De conclusie van het voorgaande is nu juist dat de voorbereiding en bevordering zoals bedoeld in de bewezenverklaring zélf een terroristisch misdrijf behelzen, op het plegen waarvan de in art. 140a Sr bedoelde organisatie het oogmerk kan hebben.

59. De steller van het middel pleit voor een restrictievere interpretatie waarin veel gewicht wordt gelegd op het woord “plegen” in art. 140a Sr. Ofschoon men – met de steller van het middel – van het hiervoor geschetste, ruime bereik van art. 83 Sr en van de reikwijdte die art. 140a Sr dientengevolge heeft vanuit de strafrechtdogmatiek bezien minder gecharmeerd kan zijn, moet worden geconstateerd dat de wetgever geen bezwaar ertegen had dat art. 140a Sr ook betrekking zou hebben op organisaties die het oogmerk richten op wat kan worden aangeduid als de voorfase van terrorisme, de fase dus die aan het plegen van terroristische geweldshandelingen voorafgaat. Dat art. 96 Sr onder de definitie van een terroristisch misdrijf valt, staat wat dat betreft niet op zichzelf. Art. 78 Sr bepaalt al sinds jaar en dag dat waar in Titel IX (van het Eerste Boek) van het Wetboek van Strafrecht van misdrijf in het algemeen of van enig misdrijf in het bijzonder wordt gesproken, daaronder mede medeplichtigheid aan, poging tot en voorbereiding van dat misdrijf worden begrepen, tenzij uit enige bepaling het tegendeel blijkt. Op grond van dit art. 78 Sr moet worden aangenomen dat in beginsel ook de medeplichtigheid aan, poging tot en voorbereiding van een terroristisch misdrijf, een terroristisch misdrijf opleveren waarop het oogmerk van een organisatie in de zin van art. 140a Sr – in elk geval in theorie53– kan zijn gericht. Deze consequentie van de voorgestelde wetssystematiek heeft de wetgever in het kader van de totstandbrenging van de Wet terroristische misdrijven uitdrukkelijk onder ogen gezien en aanvaard.54

60. De door de steller van het middel aangevoerde tegenargumenten vind ik niet steekhoudend. Een letterlijke uitleg van art. 83 in samenhang met art. 140a Sr brengt volgens haar mee dat op basis van onderdeel 3° van art. 83 Sr zou moeten worden aangenomen dat ook een organisatie met het oogmerk op het plegen van het delict van art. 140a Sr een organisatie in deze zin is. Ik wil best met de steller van het middel eens zijn dat een zo rigide interpretatie van art. 83 in verbinding met art. 140a Sr een ongerijmdheid zou zijn. Maar aangenomen dat die ongerijmdheid behoort te worden vermeden, zie ik nog niet in dat deze ene voorstelbare, maar toch tamelijk theoretische casuspositie waarin de woordelijke toepassing van art. 83 Sr een oneigenlijke uitwerking zou hebben, ertoe aanleiding moet geven de bewoordingen van een geheel ander onderdeel van die bepaling dan ook maar overboord te zetten. Het resultaat van de formulering van art. 83 Sr in gevallen als het onderhavige is door de wetgever beoogd en was voor de verdachte voldoende voorzienbaar. Voor een uitleg van die bepaling in strijd met de bewoordingen en de hiervoor geschetste wetssystematiek, zie ik derhalve geen grond.55

61. Het oordeel van het hof dat het in de bewezenverklaring van feit 2A genoemde voorbereiden en/of bevorderen van de aldaar omschreven misdrijven onder de in de bewijsvoering vastgestelde omstandigheden meer dan één terroristisch misdrijf oplevert, op het plegen waarvan het oogmerk van een organisatie als bedoeld in art. 140a Sr kan zijn gericht, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. De bewezenverklaring van feit 2A is evenmin onbegrijpelijk of onvoldoende met redenen omkleed.

62. Het derde middel faalt.

VI. Het vierde middel: het ondervragingsrecht

63. Het vierde middel klaagt dat de veroordeling van de verdachte voor “de bewezenverklaarde feiten” in strijd is met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM, aangezien de veroordeling van de verdachte in beslissende mate is gebaseerd op de verklaring van de getuige [betrokkene 8] ,56 terwijl de verdediging niet in de gelegenheid is geweest deze getuige te ondervragen, althans dat ’s hofs verwerping van het dienaangaande gevoerde verweer van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, dan wel onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd is.

64. Het middel heeft blijkens de toelichting betrekking op de veroordeling ter zake van de feiten 1B, 1C en 2A. In de kern gaat het de steller van het middel er echter om of de veroordeling van de verdachte ter zake van het deelnemen aan een trainingskamp in Syrië (feit 1C) in strijd is met het in art. 6, derde lid onder d, EVRM vervatte ondervragingsrecht. De eventuele constatering van zo een verdragsschending ten aanzien van het deelnemen aan het trainingskamp zou dan vervolgens mogelijk consequenties hebben voor de veroordelingen van de verdachte ter zake van de feiten 1B en 2A, omdat de bedoelde omstandigheid ook onderdeel is van de onder die feiten bewezenverklaarde gedragingen (feit 1B), respectievelijk het hof in het kader van zijn beoordeling van het oogmerk van de organisatie waaraan de verdachte deelnam zijn deelname aan een trainingskamp van belang heeft geacht (feit 2A). Ik richt mij hierna derhalve eerst op de kernvraag of het ondervragingsrecht van de verdachte is geschonden door de verdachte te veroordelen voor feit 1C en daarbij voor het bewijs gebruik te maken van de verklaring van de getuige [betrokkene 8] .

65. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Op grond van art. 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM heeft de verdediging aanspraak op een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om getuigen in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen. Aan de hand van de Straatsburgse rechtspraak over die bepaling heeft de Hoge Raad in arresten van 4 juli 2017 uiteengezet hoe de Nederlandse rechter de bruikbaarheid voor het bewijs van getuigenverklaringen in dat opzicht dient te beoordelen.57 Uit de rechtspraak van het EHRM leidt de Hoge Raad af dat de omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van een behoorlijke en effectieve ondervragingsmogelijkheid er niet aan in de weg staat dat een door de desbetreffende getuige afgelegde verklaring voor het bewijs kan worden gebezigd, mits is voldaan aan de eisen van een eerlijk strafproces. Daaraan is in het bijzonder voldaan wanneer de bewezenverklaring niet in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd, dan wel indien het ontbreken van een mogelijkheid tot ondervraging van die getuige in voldoende mate wordt gecompenseerd. Of de bewezenverklaring in beslissende mate steunt op de verklaring van de bedoelde getuige, hangt af van de mate waarin die verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen. Die steun moet betrekking hebben op de door de verdachte betwiste onderdelen van de hem belastende verklaring. Het gewicht van de verklaring van de bedoelde getuige in het licht van de bewijsvoering als geheel, is daarbij medebepalend. Voor de toetsing in cassatie van het rechterlijk oordeel dat de verklaring voldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal kan voorts de voor dat oordeel gegeven motivering nog van belang zijn, waarover de Hoge Raad opmerkt dat een op de betrouwbaarheid van de getuige toegesneden overweging ontoereikend is.

66. In HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:123, NJ 2019/217, m.nt. Vellinga is de Hoge Raad ingegaan op de in de schriftuur in die zaak opgeworpen vraag of zijn hiervoor samengevatte jurisprudentie bijstelling behoeft in die zin dat de eis dat het ontbreken van een behoorlijke ondervragingsmogelijkheid moet worden gecompenseerd ook zou moeten gelden indien de bewezenverklaring niet in beslissende mate (“sole or decisive”) op de door die getuige afgelegde verklaring berust, maar aan die verklaring voor de bewezenverklaring wel “significant weight” toekomt. Onder verwijzing naar de ook in zijn voormelde arresten van 4 juli 2017 al genoemde uitspraak van de Grote Kamer van het Europees Hof in de zaak Schatschaschwili/Duitsland,58beantwoordde de Hoge Raad de opgeworpen vraag ontkennend. In dat verband benadrukt de Hoge Raad dat het primair de taak van de nationale rechter is om te beoordelen of een bewezenverklaring in beslissende mate op de verklaring van de niet-ondervraagde getuige is gebaseerd. Als daarvan uit de nationale rechtsgang niet of onvoldoende blijkt, of als deze nationale beoordeling volgens het Europees Hof “unacceptable or arbitrary” is, kan dit Hof overgaan tot een eigen weging van de bewijswaarde van de getuigenverklaring. Begrijp ik het arrest van de Hoge Raad van 29 januari 2019 goed, dan komt volgens de Hoge Raad aan het criterium van “significant weight” alleen betekenis toe in het kader van die eigen, Straatsburgse beoordeling van de vraag of de veroordeling te zeer berust op de verklaring van een niet-ondervraagde getuige. De Hoge Raad herhaalt daarnaast nog eens dat het er bij de toetsing van het gebruik voor het bewijs van de verklaring van een door de verdediging niet-ondervraagde getuige aan art. 6 EVRM niet alleen om gaat of en in hoeverre de verklaring van de niet-ondervraagde getuige steun vindt in ander bewijsmateriaal; tevens komt betekenis toe aan de (compenserende) waarborgen voor de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing in het nationale recht.

67. In de onderhavige zaak is de verdediging niet in enig stadium van het geding in de gelegenheid geweest de getuige [betrokkene 8] te ondervragen. Een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om deze ‘belastende getuige’ te ondervragen heeft zich niet voorgedaan. Het belang van de verdediging om deze getuige te kunnen ondervragen is door het hof onderkend. Een verzoek tot het horen van de getuige is dan ook toegewezen. Tevergeefs is echter aan de Belgische autoriteiten een rechtshulpverzoek tot het horen van de getuige gedaan. Ook de steller van het middel wijt het niet-horen van de getuige aan diens “eigen weigering om aan een getuigenverhoor mee te werken, in combinatie met de geldende Belgische rechtsregels die niet voorzien in de mogelijkheid een getuige te verplichten voor een rechter (of opsporingsinstantie) te verschijnen.”59 In hoger beroep heeft de verdediging zich er dan ook bij neergelegd dat een goede reden bestond voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid.60 De in de cassatieschriftuur aangevoerde omstandigheid dat de getuige gedurende de onderhavige strafzaak ten behoeve van een andere Nederlandse strafzaak wél een verklaring bij de Belgische onderzoeksrechter zou hebben afgelegd, maakt dit op zichzelf niet anders.61 Nog daargelaten dat een dergelijke feitelijke omstandigheid niet voor het eerst in cassatie naar voren kan worden gebracht, lijkt mij – aangenomen dat de gestelde omstandigheid juist is – de daaraan verbonden conclusie dat dus door het Openbaar Ministerie “in ieder geval niet de benodigde zorgvuldigheid is betracht om overzicht te houden van de verschillende terrorismezaken”, te kort door de bocht. De getuige kan zich immers ook – bijvoorbeeld – selectief bereid hebben verklaard om in de ene zaak wel en in de andere zaak niet op nadere vragen van de verdediging te reageren.

68. Het hof heeft het beroep op schending van het ondervragingsrecht ten aanzien van de getuige [betrokkene 8] in het bestreden arrest verworpen en daartoe overwogen zoals weergegeven onder randnummer 10. Deze motivering van de verwerping van het gevoerde verweer houdt in de kern in dat de bewezenverklaring in de onderhavige zaak niet alleen of in beslissende mate berust op de verklaring van [betrokkene 8] . Het oordeel van het hof dat reeds daarom geen sprake is van een schending van het ondervragingsrecht is in lijn met de hiervoor onder randnummers 65 en 66 aangehaalde rechtspraak van de Hoge Raad en getuigt dus niet van een onjuiste rechtsopvatting.

69. Ter onderbouwing van zijn oordeel dat de veroordeling van de verdachte niet in beslissende mate op de getuigenverklaring van [betrokkene 8] steunt, verwijst het hof naar de in zijn bewijsoverwegingen onder a) tot en met f) genoemde overige omstandigheden en naar de bewijsmiddelen ter zake van de feiten 1B en 1C.

70. De steller van het middel meent dat het hof met zijn verwijzing naar de onder a) tot en met f) genoemde omstandigheden, heeft miskend dat de Hoge Raad een op de betrouwbaarheid van de verklaring van de niet-ondervraagde getuige toegesneden nadere bewijsoverweging ontoereikend acht ter motivering van het oordeel dat geen sprake is van een schending van het ondervragingsrecht.62 In zoverre berust de klacht mijns inziens evenwel op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Het hof heeft niet tot uitdrukking gebracht dat het oordeel over de betrouwbaarheid van [betrokkene 8] dragend is voor het oordeel dat de veroordeling niet in beslissende mate op de verklaring van die getuige steunt. Het hof heeft geoordeeld dat één of meer van de onder a) tot en met f) genoemde omstandigheden die de betrouwbaarheid van [betrokkene 8] staven, daarnaast óók bijdragen aan het oordeel dat de bewezenverklaring niet in beslissende mate op zijn verklaring steunt. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

71. Het oordeel van het hof is als gezegd daarnaast gebaseerd op de voor de feiten 1B en 1C redengevende bewijsmiddelen. Blijkens deze bewijsmiddelen heeft de verdachte zelf verklaard op 21 januari 2013 naar Turkije te zijn gereisd en enkele dagen later de grens met Syrië te zijn overgestoken (b.m. 1). Vooraf sprak hij over de mogelijkheden af te reizen met [betrokkene 1] (b.m. 2 en 10). De verdachte is naar Bab al Hawa gegaan (b.m. 2). Hij heeft in Syrië gewoond, is meerdere keren in Kafr Hamra geweest en heeft gezien dat daar een strijd gaande was (b.m. 1). Hij erkent tevens dat zijn islamitische bijnaam (kunya) [verdachte] was (b.m. 1). De verdachte heeft Syrië weer verlaten tussen 11 en 12 augustus 2013 (b.m. 3).

72. De verdachte ontkent aldus niet in Syrië in strijdgebied te zijn geweest, maar betwist wel dat hij aldaar heeft deelgenomen aan een trainingskamp én dat hij heeft deelgenomen aan de gewapende strijd. Voor zover de bewijsmiddelen inhouden dat de verdachte heeft deelgenomen aan de gewapende strijd, hebben zij derhalve betrekking op feiten en omstandigheden die door de verdachte zijn betwist. Weliswaar bewijst zijn participatie in de gewapende strijd niet rechtstreeks dat de verdachte ook heeft deelgenomen aan een trainingskamp, maar ik kan het hof goed volgen dat het die participatie in de strijd wel mede redengevend heeft geacht voor het bewijs van deelneming aan een trainingskamp. Zowel de verklaring van de niet-ondervraagde getuige [betrokkene 8] (b.m. 13) als het kennisdocument van Jolen (b.m. 15) houden namelijk in dat het voor alle nieuwe deelnemers aan de strijd verplicht was eerst de trainingen in het trainingskamp te doen (zie ook randnummer 44). De vaststelling van het hof dat de verdachte zelf heeft deelgenomen aan de strijd, biedt in mijn optiek dan ook steun voor het bewijs van zijn deelneming aan het trainingskamp op door de verdachte betwiste punten.

73. Het hof heeft uit de voor het bewijs gebezigde bewijsmiddelen en in het bijzonder uit de afgetapte telefoongesprekken die [betrokkene 1] met [betrokkene 9] en met de verdachte heeft gevoerd (b.m. 24-31, 41-42), kunnen afleiden dat de verdachte zich wel degelijk heeft aangesloten bij een of meer strijdgroepen en voor die groepen heeft deelgenomen aan de strijd. De verdachte heeft met [betrokkene 1] onder meer gesproken over de verdeling van geld onder de strijders (b.m. 41-42) en over de keuze zich bij een andere strijdgroep aan te sluiten (b.m. 28-29, 31). Tevens blijkt uit de bewijsmiddelen – en dat betwist de verdachte niet – dat hij in Syrië [betrokkene 7] heeft opgevangen. Door [betrokkene 9] was hem gevraagd in Bab-Al hawa naar [betrokkene 7] uit te kijken (b.m. 37-38). [betrokkene 7] is in de strijd omgekomen (b.m. 39-40). Het hof acht begrijpelijkerwijs onaannemelijk dat de verdachte deze [betrokkene 7] opving als een soort vriendendienst die losstond van de gewapende jihadstrijd die op dat moment gaande was.63

74. Met betrekking tot het trainingskamp en de deelneming daaraan door de verdachte houden de bewijsmiddelen in dat de verdachte in een telefoongesprek op 1 juli 2013 tegen [betrokkene 1] zegt dat hij [betrokkene 14] nog spreekt (b.m. 17), terwijl deze [betrokkene 14] in een interview met de Volkskrant over zijn training bij de jihadistische groep Mujahedin Shura Council, ofwel Shura Council of the Islamic State, heeft gezegd dat iedere nieuw gearriveerde broeder in het begin zes weken training krijgt (b.m. 15; zie ook randnummer 44). [betrokkene 14] is zelf in november 2013 omgekomen in de strijd in Syrië (b.m. 16). De bewijsmiddelen houden voorts in dat de verdachte heeft verklaard dat hij in Syrië contact had met [betrokkene 10] (b.m. 19). De getuige [betrokkene 4] heeft deze [betrokkene 10] gezien in het trainingskamp (b.m. 18). In een telefoongesprek heeft [betrokkene 9] tegen [betrokkene 1] gezegd dat [betrokkene 10] en de verdachte samen een appartement hadden (b.m. 20). Zelf heeft [betrokkene 9] het trainingskamp ook ondergaan, zo blijkt uit een telefoongesprek waarin hij tegen [betrokkene 1] heeft gezegd nooit meer een trainingskamp te zullen doen (b.m. 23).

75. Ik rond af. Steunbewijs dat de verdachte rechtstreeks plaatst in het trainingskamp waaraan zijn deelneming is bewezenverklaard, is niet voorhanden. Er is echter wel genoeg aan indirect steunbewijs. De vraag of een veroordeling uitsluitend of in beslissende mate berust op de verklaring van een niet-ondervraagde getuige is in beginsel voorbehouden aan de nationale rechter. In ons stelsel is op een oordeel over die vraag vooral de feitenrechter toegerust, aangezien zo een oordeel is verweven met vaststellingen en waarderingen van feitelijke aard. In cassatie kan dat oordeel dan ook slechts op de begrijpelijkheid en op de toereikendheid van de motivering ervan worden getoetst. Het hof heeft op het gevoerde verweer uitdrukkelijk gereageerd en heeft daarbij in zijn vooropstellingen geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Ook is de nadere motivering van het hof niet beperkt tot een oordeel omtrent de betrouwbaarheid van de getuige [betrokkene 8] . Uit de van de verklaring van de getuige [betrokkene 8] onafhankelijke vaststellingen van het hof blijkt dat de verdachte zich in de bewuste tijdsperiode in de nabijheid van het trainingskamp bevond, dat hij nauw contact onderhield met andere strijders waarvan vaststaat dat zij het trainingskamp hebben doorlopen, en dat hij zelf heeft deelgenomen aan de gewapende strijd, waarvoor het een voorwaarde was eerst het trainingskamp te volgen.

76. Al met al acht ik het op die feitelijke vaststellingen gebaseerde oordeel van het hof dat de veroordeling van de verdachte niet alleen of in beslissende mate is gebaseerd op de verklaring van de getuige [betrokkene 8] niet onbegrijpelijk. Ik acht dat oordeel tevens toereikend gemotiveerd.

77. Uit het voorgaande volgt dat het ondervragingsrecht evenmin is geschonden door de veroordeling van de verdachte ter zake van de onder 1B en 2A bewezenverklaarde feiten.

78. Het vierde middel faalt.

VII. Het vijfde middel: redelijke inzendtermijn

79. Het vijfde middel klaagt dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden doordat het hof de stukken van het geding te laat aan de Hoge Raad heeft gezonden.

80. Namens de verdachte is cassatieberoep ingesteld op 5 juni 2018. De verdachte was op dat moment in verband met de onderhavige strafzaak gedetineerd. Blijkens een op de stukken van het geding geplaatst stempel zijn de stukken bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen op 19 maart 2019. Daarmee is de inzendtermijn van zes maanden overschreden met ruim drie maanden. Een voortvarende behandeling die de overschrijding van de inzendtermijn zou kunnen compenseren, behoort niet meer tot de mogelijkheden. Deze termijnoverschrijding moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf.

81. Het vijfde middel is gegrond.

VIII. Slotsom

82. Het eerste, het tweede, het derde en het vierde middel falen. In elk geval het derde middel kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Het vijfde middel is gegrond en moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf.

83. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

84. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De bestreden uitspraak is gepubliceerd op de website rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHDHA:2018:1249.

2 In de oorspronkelijk eveneens samenhangende zaken 18/02563 en 18/02566 is het cassatieberoep ingetrokken.

3 Blijkens een in het dossier aanwezige “Akte partieel intrekking cassatie” is op 14 mei 2019 namens de verdachte het cassatieberoep gedeeltelijk ingetrokken, voor zover het was gericht tegen de door het hof gegeven vrijspraak van het onder 1A tenlastegelegde feit.

4 Vonnis rechtbank, paragraaf 3.

5 Proces-verbaal, p. 6.

6 Requisitoir d.d. 13 en 14 maart 2018, p. 15-23 (p. 20).

7 In deze zin ook A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, negende druk, Deventer: Kluwer 2018, p. 210 en Mevis in zijn noot onder HR 27 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6702, NJ 2012/461. Zie voorts HR 14 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9118.

8 Art. 349, eerste lid, Sv in verbinding met art. 358, eerste lid, Sv en art. 359, tweede lid eerste volzin, Sv.

9 Aldus o.a. HR 29 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3766, NJ 2008/482, m.nt. Klip. Blijkens HR 15 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3469 draagt de rechter een soortgelijke ambtshalve verantwoordelijkheid ten aanzien van excepties (“dat uit de aan de Hoge Raad gezonden gedingstukken niet het rechtstreeks en ernstig vermoeden rijst dat de verdachte zich met vrucht op de in het middel bedoelde vrijstellingsgrond kon beroepen”).

10 Van Dorst (2018, a.w., p. 210) verwijst in dit verband naar HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1574, waarin weliswaar – uiterst summier – verweer was gevoerd, maar het oordeel van de Hoge Raad dat sprake was van een motiveringsgebrek niet (kenbaar) zag op dat verweer.

11 Gewezen kan in dit verband worden op HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2022, NJ 2018/475, m.nt. Vellinga over ambtshalve cassatie wanneer het recht tot strafvervolging is verjaard, en op de (inmiddels vaste) jurisprudentie waarin is bepaald dat de in hoger beroep ter terechtzitting van rechtsbijstand voorziene verdachte van een klachtdelict, niet met vrucht voor het eerst in cassatie een beroep kan doen op het ontbreken van een klacht; zie o.m. HR 27 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6702, NJ 2012/461, m.nt. Mevis en HR 12 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1238.

12 Zie: HR 21 januari 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9178, NJ 1986/418, m.nt. Van Veen; HR 18 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0646, NJ 1997/628; en HR 18 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0859, NJ 1998/226, m.nt. De Hullu.

13 Overigens zij opgemerkt dat in voorkomende gevallen de dubbele strafbaarheid een feit van algemene bekendheid kan zijn. Zie daarvoor HR 2 april 1985, ECLI:NL:HR:1985:AB7969, NJ 1985/875 en HR 18 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0859, NJ 1998/226, m.nt. De Hullu.

14 HR 29 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3766, NJ 2008/482, m.nt. Klip.

15 De kwalificatiebeslissing is kennelijk ingegeven door HR 31 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:1011, NJ 2016/435, m.nt. Keijzer, waarin de Hoge Raad de reikwijdte van art. 134a Sr heeft ingeperkt. Zie daarover hierna ook randnummer 33.

16 Zie Kamerstukken II 1913/14, 286, nr. 3, p. 138. Vgl. ook de toelichting bij het Ontwerp van de Commissie-Ort, p. 293-294.

17 HR 30 januari 1933, ECLI:NL:HR:1933:375, NJ 1933, p. 588 en HR 30 januari 1933, ECLI:NL:HR:1933:228, NJ 1933, p. 591.

18 In HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1574 achtte de Hoge Raad het oordeel van het hof dat het Openbaar Ministerie in de vervolging van de verdachte ter zake van vernieling kon worden ontvangen niet zonder meer begrijpelijk in het licht van art. 316, eerste lid, Sr. De tenlastelegging hield niet in, maar de bewijsmiddelen behelsden wel de informatie dat de verdachte met de benadeelde was getrouwd.

19 Ik wijs op: D.H. de Jong , De macht van de telastelegging in het strafproces (diss. Groningen), Arnhem: Gouda Quint 1981, p. 62-63; C.P.M. Cleiren, ‘Art. 348 Sv’, in: T&C Strafvordering, aant. 4; F.A.J. Koopmans, e.a., Het beslissingsmodel van 348/350 Sv, Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 25; en G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers & T. Kooijmans, negende druk, Deventer: Kluwer 2018, p. 198-199.

20 Vgl.: HR 30 september 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0811, NJ 1998/117; HR 27 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1413, NJ 1999/221; HR 13 april 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1481, NJ 1999/538; en HR 2 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6328, NJ 2010/89.

21 Van Dorst (2018, a.w.), p. 158 spreekt van toetsing “als ware” het recht van vreemde staten een feitelijke kwestie.

22 Art. IV van de Wet van 27 november 2013 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met de herziening van de regels over werking van de strafwet buiten Nederland (herziening regels betreffende extraterritoriale rechtsmacht in strafzaken), Stb. 2013/484, i.w.tr. Stb. 2014/103 verleent aan art. 7 Sr terugwerkende kracht voor zover het feit naar het recht van het land waar het is begaan strafbaar was.

23 Of de Wet van 27 november 2013, Stb. 2013/484 op grond van art. IV van die wet hetzij slechts terugwerkende kracht heeft voor zover daar vermeld, hetzij – zoals de rechtbank heeft geoordeeld – in beginsel terugwerkende kracht heeft, met inachtneming van de in art. IV verwoorde beperkingen, kan hier dus onbesproken blijven. Als het nieuwe art. 6 Sr terugwerkende kracht heeft, dan bestaat extraterritoriale rechtsmacht in casu ook op de voet van art. 6 Sr (nieuw) j° art. 2, eerste lid onder a sub 6°, van het Besluit internationale verplichtingen extraterritoriale rechtsmacht. Art. 134a Sr wordt in die bepaling genoemd en is aan de opsomming van artikelen daarin toegevoegd bij Besluit van 15 mei 2015 tot wijziging van het Besluit internationale verplichtingen extraterritoriale rechtsmacht in verband met de implementatie van de rechtsmachtbepalingen van enkele verdragen alsmede enkele andere wijzigingen, Stb. 2015/182.

24 Zie HR 9 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8470 en HR 29 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3766, NJ 2008/482, m.nt. Klip.

25 Art. 134a Sr is ingevoerd bij de Wet van 12 juni 2009 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, Wetboek van Strafvordering en enkele aanverwante wetten in verband met de strafbaarstelling van het deelnemen en meewerken aan training voor terrorisme, uitbreiding van de mogelijkheden tot ontzetting uit het beroep als bijkomende straf en enkele andere wijzigingen, Stb. 2009/245, i.w.tr. Stb. 2010/139.

26 Zie voor een overzicht van de – diverse – in de (feiten)rechtspraak gebruikte strafbepalingen: M. van Noorloos, ‘De strafrechtelijke aanpak van terrorisme en Syriëgangers vanaf 2014’, DD 2015/56.

27 Kamerstukken II 2007/08, 31 386, nr. 3, p. 5.

28 Zie daarover: B.F. Keulen, ‘Grenzen aan strafbare voorbereiding’, in: E. Gritter (red.), Opstellen materieel strafrecht, Nijmegen 2009, p. 46-76: J.M. ten Voorde, ‘Het deelnemen en meewerken aan training voor terrorisme getoetst aan criteria voor strafbaarstelling van de voorfase’, DD 2012, p. 94-112; G.P.M.F. Mols, Over het bereik van art. 134a Sr: het dioramaperspectief, Strafblad 2015, p. 49-55; en Van Noorloos (2015), a.w., par. 4. Ook J. de Hullu, Materieel strafrecht, Deventer: Kluwer 2018, p. 101 kwalificeert de strafbepaling als “erg onbestemd”. Vgl. voorts nog de noot van N. Keijzer onder HR 31 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:1011, NJ 2016/435.

29 HR 31 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:1011, NJ 2016/435, m.nt. Keijzer. Zie ook de beschouwingen in de, aan dit arrest voorafgaande, conclusie van mijn ambtgenoot Vegter (van 2 februari 2016, ECLI:NL:PHR:2016:375).

30 Kamerstukken II 2007/08, 31 386, nr. 3, p. 5-10.

31 Kamerstukken II 2007/08, 31 386, nr. 8, p. 4-6.

32 Kamerstukken II 2007/08, 31 386, nr. 12, p. 2-4.

33 Kamerstukken I 2008/09, 31 422 (R1853) en 31 386, B, p. 3.

34 Zie anders: G.T. van Stam-Fahner, ‘Strafvervolging ter voorkoming van terrorisme: wat heeft art. 134a Sr ons te bieden?’, TPWS 2016/37, die erin een deugdelijkheidsvereiste leest. In deze lezing zouden de verworven kennis en/of vaardigheden een in art. 134a Sr bedoeld misdrijf daadwerkelijk moeten hebben bevorderd of vergemakkelijkt.

35 Kamerstukken II 2007/08, 31 386, nr. 3, p. 9.

36 Ten Voorde (2012, a.w).

37 Vgl. De Hullu (2018, a.w.), p. 420-422.

38 Dat de verdachte ten tijde van de verwerving nog niet zeker wist of hij het misdrijf daadwerkelijk zou begaan, staat aan een bewezenverklaring mijns inziens dus niet in de weg.

39 Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme van 16 mei 2005, Trb. 2006/34.

40 HR 31 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:1011, NJ 2016/435, m.nt. Keijzer (rov. 2.4.1).

41 HR 31 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:1011, NJ 2016/435, m.nt. Keijzer (rov. 2.4.3).

42 Het bewijsverweer ter zake van feit 1C hield in dat deelneming aan het trainingskamp niet kan worden bewezen. Zie de pleitaantekeningen d.d. 22 maart 2018, p. 41-42.

43 Wet van 24 juni 2004 tot wijziging en aanvulling van het Wetboek van Strafrecht en enige andere wetten in verband met terroristische misdrijven, Stb. 2004/290.

44 Kamerstukken II 2001/02, 28 463, nr. 3, p. 8-9. In deze zin ook HR 6 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR1144, NJ 2012/590 (rov. 2.3.1), m.nt. Keulen en HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:413, NJ 2018/73, m.nt. Kooijmans.

45 Vaste rechtspraak, zie o.a. HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0502, NJ 2008/559, m.nt. Mevis en HR 15 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6148, NJ 2010/357.

46 Zie wat betreft art. 140 Sr: HR 8 mei 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC0341, NJ 1978/314, m.nt. Van Veen; HR 6 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:AB9524, NJ 1993/100; HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0502, NJ 2008/559, m.nt. Mevis; en HR 15 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6148, NJ 2010/357.

47 Aldus ook Kamerstukken II 2001/02, 28 463, nr. 3, p. 9.

48 Zie HR 8 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:12, NJ 2019/262, m.nt. Kooijmans en mijn conclusie voorafgaand aan dat arrest.

49 Kamerstukken II 2001/02, 28 463, nr. 3, p. 4.

50 Kamerstukken II 2001/02, 28 463, nr. 3, p. 9. Vgl. ook HR 8 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:12, NJ 2019/262, m.nt. Kooijmans.

51 Zie HR 13 oktober 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC3222, NJ 1988/425 en HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0502, NJ 2008/559, m.nt. Mevis.

52 Cassatieschriftuur, (ongenummerde) pagina 22.

53 Een oogmerk op alleen de poging (en niet (ook) op het voltooide delict) laat zich in dit verband in de praktijk niet goed denken.

54 Kamerstukken II 2001/02, 28 463, nr. 3, p. 4.

55 Het nog in de cassatieschriftuur (p. 22-23) te lezen betoog dat de in de onderhavige zaak bewezenverklaarde feitelijke gedragingen van de verdachte die “invulling geven aan het oogmerk” van de organisatie uitdrukkelijk géén terroristisch misdrijf opleverden ten tijde van het begaan van het feit, doet mijns inziens niet ter zake. De op de verwezenlijking van het oogmerk gerichte deelnemingsgedragingen van de verdachte behoeven niet zelf ook een (terroristisch) misdrijf op te leveren waarop het oogmerk van de organisatie is gericht.

56 De verklaringen van [betrokkene 8] zijn gerelateerd in drie afzonderlijke relazen van de opsporingsambtenaar of - ambtenaren in processen-verbaal van bevindingen van 4 juni 2014 (b.m. 13, 14 en 22). Hierna spreek ik gemakshalve van de getuigenverklaring(en) van [betrokkene 8] .

57 HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1016, NJ 2017/447, m.nt. Kooijmans en HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1212.

58 EHRM (GK) 15 december 2015, nr. 9154/10 (Schatschaschwili/Duitsland).

59 Cassatieschriftuur onder VI.I, (ongenummerde) pagina 43.

60 Zie de pleitaantekeningen (p. 38 onder 127-129). Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 7, 13, 14, 20, 21, 22 en 28 maart 2018 en 3, 4, 5 en 6 april 2018 en 14 mei 2018 hebben de raadslieden van de verdachte aldaar op 22 maart 2018 dienovereenkomstig het woord gevoerd.

61 Verwezen wordt daarbij naar Rb. Rotterdam 25 oktober 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:8870.

62 Cassatieschriftuur onder VII.II, (ongenummerde) pagina 45 e.v.

63 Bestreden arrest, p. 17.