Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:125

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
12-02-2019
Datum publicatie
12-02-2019
Zaaknummer
16/05038
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:471
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Geen middelen ingediend, verdachte n-o. Samenhang met 16/05216, 16/05428 en 17/00331.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/05038

Zitting: 12 februari 2019 (bij vervroeging)

Mr. B.F. Keulen

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 7 oktober 2016 door het gerechtshof Den Haag wegens 3 ‘medeplegen van: om een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om dat feit mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn en om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en medeplegen van: om een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door zich of een ander gelegenheid, middelen, inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en medeplegen van: om een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en vervoermiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit’, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren en zeven maanden.

  2. Er bestaat samenhang met de zaken 16/05216, 16/05428 en 17/00331. In deze zaken zal ik vandaag eveneens concluderen.

  3. Namens de verdachte heeft mr. A.H. Westendorp, advocaat te ’s-Gravenhage, beroep in cassatie ingesteld.

  4. De aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv is op 8 november 2017 betekend. De in het tweede lid van art. 437 Sv gestelde termijn liep derhalve af op (maandag) 8 januari 2018. Gedurende deze termijn is geen schriftuur houdende middelen van cassatie binnengekomen.

  5. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge art. 437, tweede lid, Sv niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.

  6. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG