Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:1244

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-12-2019
Datum publicatie
06-12-2019
Zaaknummer
18/04061
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1025
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Overtreding Leerplichtwet 1969 door moeder wegens het niet zorgdragen van geregeld schoolbezoek van haar dochter (een kwalificatieplichtige jongere). Beroep op vrijstelling wegens ziekte a.b.i. art 11, aanhef en onder d, Lpw. De AG bespreekt o.a. de vraag of het aan de verdachte was om de stelling van de afwezigheid van haar dochter wegens ziekte in de tenlastegelegde periode aannemelijk te maken en zo nodig met gegevens of bescheiden te onderbouwen. De AG geeft de Hoge Raad in overweging het cassatieberoep te verwerpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer18/04061

Zitting 3 december 2019

CONCLUSIE

E.J. Hofstee

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,

hierna: de verdachte.

1. De verdachte is bij arrest van 4 september 2018 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens “als degene die het gezag over een jongere uitoefent, de in artikel 4a van de Leerplichtwet 1969 opgelegde verplichtingen niet nakomen”, veroordeeld tot een geldboete van € 500,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door tien dagen hechtenis.

2. Er bestaat samenhang met de zaak 18/04055J. Ook in die zaak zal ik vandaag concluderen.

3. Namens de verdachte is door mr. H.M.W. Daamen, advocaat te Maastricht, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel klaagt dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte niet aan haar verplichting heeft voldaan zorg te dragen voor geregeld schoolbezoek van haar dochter, althans dat het desbetreffende verweer door het hof is verworpen op gronden die de verwerping ervan niet kunnen dragen.

5. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“zij in de periode van 6 september 2016 tot en met 14 oktober 2016 in de gemeente Zutphen, (telkens) als een persoon, bedoeld in artikel 2, eerste lid, niet aan haar verplichting heeft voldaan te zorgen dat de jongere [betrokkene 1] , geboren [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 2a. van de Leerplichtwet 1969, Praktijkonderwijs Zutphen te Zutphen, waar deze stond ingeschreven, geregeld bezocht, zulks terwijl:

a. ten aanzien van de jongere de leerplicht, bedoeld in paragraaf 2 van deze wet was geëindigd en

b. de jongere geen startkwalificatie had behaald; zijnde de terminologie in deze tenlastelegging - voor zover daaraan betekenis is gegeven - gebezigd in de zin van de Leerplichtwet 1969.”

6. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“Door het hof gebezigde bewijsmiddelen

Voor zover in de hierna opgesomde bewijsmiddelen wordt verwezen naar het stamproces-verbaal wordt hiermee verwezen naar het door verbalisant [verbalisant] , leerplichtambtenaar, in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, gesloten en ondertekend op 12 december 2016 te Zutphen.

1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal leerplicht (als bijlage pagina 3-10 van het stamproces-verbaal), opgemaakt op 12 december 2016, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, het relaas van verbalisant [verbalisant] :

Melding relatief schoolverzuim

Naar aanleiding van een melding van vermoedelijk ongeoorloofd schoolverzuim van [betrokkene 2] , adjunct directeur van de Praktijkschool Zutphen , zijnde een school in de zin van artikel 1 van de Leerplichtwet 1969, is er een onderzoek ingesteld naar het schoolverzuim in de periode van 06- 09-2016 tot en met 14-10-2016 van het hieronder genoemde kwalificatie plichtige kind.

Ik, [verbalisant] , leerplichtambtenaar in dienst van de gemeente Zutphen belast met de handhaving van de Leerplichtwet, daartoe aangewezen door burgemeester en wethouders, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar (nummer akte van beëdiging nummer [001] ), standplaats Zutphen, heb in verband met ongeoorloofd schoolverzuim na dit onderzoek vastgesteld dat de jongere en ouders verantwoordelijk zijn voor het schoolverzuim. Ik heb de jongere en ouders daarop op 23 november 2016, te Zutphen als verdachten opgeroepen. [betrokkene 1] en haar ouders hebben geen gehoor gegeven aan de oproep. Ik heb [betrokkene 1] en ouders wederom op 5 december 2016 als verdachten opgeroepen. Ook aan deze oproep hebben [betrokkene 1] en ouders geen gehoor gegeven. De moeder van [betrokkene 1] heeft bij beide oproepen per mail laten weten niet in staat zijn te komen vanwege ziekte.

Leerplichtige minderjarige/verdachte

Naam

: [betrokkene 1]

Geboortedatum en plaats

: [geboortedatum] -2000

Adres

:[…]

PC/woonplaats

:[…]

Ouders van leerling/verdachten

Naam moeder

: [verdachte]

Geboortedatum

: [geboortedatum] -1973

Adres

:[…]

PC/woonplaats

:[…]

Vrijstelling

Tevens heb ik vastgesteld dat de leerplicht als bedoeld in artikel 3 van de Leerplichtwet is geëindigd, maar dat de jongere geen startkwalificatie heeft als bedoeld in art. 7.2.2, eerste lid onder b tot en met e, van de Wet Educatie en Beroepsonderwijs of een diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7 onderscheidenlijk 8 van de Wet op het voortgezet onderwijs.

Verhoor verdachten

Er is geen gehoor gegeven aan de uitnodigingen voor verhoor op zowel 23-11-2016 en op 05-12- 2016. Op 23 november mailt moeder dat [betrokkene 1] ziek is. Vanuit leerplicht wordt aangeboden om de hoorzitting op het woonadres van [betrokkene 1] te doen indien dit wenselijk is. Hierop komt geen reactie. Er wordt een 2e hoorzitting gepland op 5 december 2016. Moeder laat per mail weten dat zij niet kunnen komen. Ze wijst leerplicht per mail op het feit dat rust voor [betrokkene 1] nu van essentieel belang is, gezien de ernst van de situatie. Ze vraagt rust vanuit leerplicht.

Bijzonderheden schoolloopbaan/hulpverlening/voogd

01-08-2012 tot heden: Praktijkschool Zutphen

[betrokkene 1] is door de Praktijkschool en door leerplicht meerdere keren verwezen naar de schoolarts, [betrokkene 3] , van de GGD. Hier is geen gehoor aan gegeven.

Huidige melding

Schooljaar: 2016-2017

Periode: 22-08-2016 tot 12-12-2016

Interventie leerplicht: direct in het nieuwe schooljaar wordt [betrokkene 1] en ouders uitgenodigd door leerplicht.

Moeder komt alleen op dit gesprek, ze geeft aan dat [betrokkene 1] ziek is. Moeder wil niet aangeven waarom [betrokkene 1] ziek is, ze geeft aan dat dit privé is en dat leerplicht dat niet hoort te vragen. Leerplicht dringt er op aan dat [betrokkene 1] naar de schoolarts gaat of dat de schoolarts contact op mag nemen met de huisarts. Dit is de enige manier voor leerplicht om te onderzoeken of het verzuim van [betrokkene 1] ongeoorloofd dan wel geoorloofd is. Moeder zegt toe mij uiterlijk aan het eind van de week te laten weten of zij [betrokkene 1] hier voor kan motiveren.

Moeder mailt leerplicht met het bericht dat [betrokkene 1] in gesprek wil met leerplicht. In deze mail wordt tevens aangeven dat [betrokkene 1] eist van school dat zij door moet naar het MBO, ondanks een negatief advies van school. Zij vragen aan leerplicht om zo spoedig mogelijk met de praktijkschool in gesprek te gaan om dit voor hen te regelen.

Leerplicht belt met de praktijkschool over de overstap van deze school naar het MBO. De school geeft aan dat zij bereid zijn om met [betrokkene 1] en moeder in gesprek te gaan. Leerplicht mailt dit naar moeder en geeft tevens aan dat moeder [betrokkene 1] zou motiveren om een afspraak met de GGD arts te maken.

Moeder geeft aan dat zij graag eerst de situatie met leerplicht te willen bespreken voordat zij in gesprek gaat met school. Er wordt een afspraak gemaakt op 29 augustus. In dit gesprek vertelt [betrokkene 1] over haar wens om naar het MBO te gaan. Zij vertelt dat zij zich gediscrimineerd voelt op de praktijkschool en dat het eigenlijk de schuld is van haar mentor dat zij haar arm heeft gebroken. Zij was erg overstuur van de mededeling dat zij niet naar het MBO mocht en is daarom van de fiets gevallen. Op de vraag van leerplicht hoe het nu met haar gezondheid gaat, grijpt moeder in. Hierover mag leerplicht geen vraag stellen, dit is privé.

Leerplicht en de praktijkschool overleggen over de impasse. Indien er, ondanks het negatieve advies van de praktijkschool, toch toestemming gegeven zal worden om [betrokkene 1] naar het MBO te laten gaan, kan dit de schoolgang bevorderen. Er wordt contact gezocht met het MBO en [betrokkene 1] wordt uitgenodigd voor een intake gesprek.

Moeder geeft in een mail aan blij te zijn dat [betrokkene 1] naar het MBO kan en dankt leerplicht voor de inzet hierin. [betrokkene 1] wordt op het eerste intakegesprek op het MBO echter ziek gemeld door moeder. Ook een tweede afspraak wordt afgezegd. Op 25 september laat moeder per mail weten dat [betrokkene 1] afziet om naar het MBO te gaan, het wordt haar te zwaar gezien haar beperking.

Interventie leerplicht: Leerplicht informeert bij de juriste van Ingrado hoe om te gaan met ziektemelding zonder dat er onderzoek gedaan kan worden door een schoolarts. De praktijkschool gaat het registeren van de ziektemeldingen omzetten in vermoedelijk ongeoorloofd verzuim naar aanleiding van dit advies.

De praktijkschool stuurt regelmatig mails naar moeder om [betrokkene 1] uit te nodigen om weer op school te komen. Moeder en [betrokkene 2] , adjunct-directeur, hebben op 6 oktober gezamenlijk een gesprek over de broer van [betrokkene 1] . In dit gesprek wordt ook besloten dat moeder [betrokkene 1] zal motiveren om naar een dokter te gaan. [betrokkene 1] blijft afwezig, moeder blijft haar ziekmelden.

Leerplicht informeert bij de politie, bij veilig thuis en bij stichting Perspectief of er signalen zijn waaruit moet blijken dat er zorgen zijn rondom het gezin […] .

Reden hiervoor is dat [betrokkene 1] al langere tijd niet gezien is op school (vanaf mei 2016). Leerplicht doet nog een laatste poging om [betrokkene 1] door een schoolarts te laten zien alvorens een proces verbaal op te maken.

[betrokkene 1] wordt 22 november uitgenodigd voor een afspraak met de schoolarts. Moeder laat dezelfde dag per mail weten niet te komen. [betrokkene 1] en ouders worden uitgenodigd voor een hoorzitting in verband met het opmaken van een proces verbaal door leerplicht op 23 november. Zij melden zich af. Leerplicht biedt aan om de hoorzitting thuis af te nemen. Hierop komt geen reactie. [betrokkene 1] en ouders worden opnieuw uitgenodigd voor een hoorzitting op 5 december. Moeder laat per mail weten niet te komen.

Leerplicht maakt proces-verbaal op. [betrokkene 1] wordt nog steeds ziek gemeld door moeder.

2. Het als bijlage bij het stamproces-verbaal gevoegde schriftelijke bescheid (pagina’s 12-13), inhoudende ‘Aanwezigheidsregistratie detail’ (betrekking hebbende op [betrokkene 1] , voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Dag

Datum

Lesuur

Omschrijving

vanaf t/m

Klas: 5A

Leerling:

[betrokkene 1]

(…)

Di

06-09-2016

1

8

Ongeoorloofd

Wo

07-09-2016

1

6

Ongeoorloofd

Do

08-09-2016

1

8

Ongeoorloofd

Vr

09-09-2016

1

8

Ongeoorloofd

Ma

12-09-2016

1

8

Ongeoorloofd

Di

13-09-2016

1

8

Ongeoorloofd

Wo

14-09-2016

1

8

Ongeoorloofd

Do

15-09-2016

1

8

Ongeoorloofd

Vr

16-09-2016

1

8

Ongeoorloofd

Ma

19-09-2016

1

6

Ongeoorloofd

Di

20-09-2016

1

8

Ongeoorloofd

Wo

21-09-2016

1

8

Ongeoorloofd

Do

22-09-2016

1

8

Ongeoorloofd

Vr

23-09-2016

1

8

Ongeoorloofd

Ma

26-09-2016

1

8

Ongeoorloofd

Di

27-09-2016

1

8

Ongeoorloofd

Wo

28-09-2016

1

8

Ongeoorloofd

Do

29-09-2016

1

8

Ongeoorloofd

Vr

30-09-2016

1

8

Ongeoorloofd

Ma

03-10-2016

1

8

Ongeoorloofd

Di

04-10-2016

1

7

Ongeoorloofd

Wo

05-10-2016

1

6

Ongeoorloofd

Do

06-10-2016

1

7

Ongeoorloofd

Vr

07-10-2016

1

5

Ongeoorloofd

Ma

10-10-2016

1

8

Ongeoorloofd

Di

11-10-2016

1

7

Ongeoorloofd

Wo

12-10-2016

1

6

Ongeoorloofd

Do

13-10-2016

1

7

Ongeoorloofd

Vr

14-10-2016

1

5

Ongeoorloofd

Aantal keer afwezig:

36

Uren afwezig: 267”

7.Het hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

“Overweging met betrekking tot het bewijs

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het haar tenlastegelegde, wegens goede redenen, die inhouden dat verdachte aan haar verplichtingen heeft voldaan.

Het hof is van oordeel dat het door de raadsman gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder dat op geen enkele manier aannemelijk is gemaakt of is geworden dat verdachte ten tijde van de tenlastelegging aan de verplichtingen van artikel 4a van de Leerplichtwet 1969 heeft voldaan. Uit het proces-verbaal leerplicht en het verzuimoverzicht blijkt dat verdachte haar dochter meermalen ziek heeft gemeld en afspraken heeft afgezegd vanwege ‘ziekte’ van dochter, maar zij heeft daarover nimmer openheid over of toelichting op willen geven.

Het doel van de Leerplichtwet is om jongeren onderwijs te laten volgen en schoolverzuim en voortijdig schoolverlaten te voorkomen. Als er verzuim is geconstateerd op school, gaat een stappenplan in werking. De school doet een interventie en vervolgens volgt er een brief van de leerplichtambtenaar. Daarna volgt een onderzoek door de leerplichtambtenaar ten aanzien van het verzuim. Verdachte heeft op geen enkele wijze meegewerkt aan dit onderzoek en dat is haar te verwijten. Het hof komt tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde.”

8. De voor de beoordeling van het middel relevante bepalingen uit de Leerplichtwet 1969 (verder ook: Lpw) luid(d)en als volgt:

"§ 2 Leerplicht

Artikel 2 Verantwoordelijke personen

1. Degene die het gezag over een jongere uitoefent, en degene die zich met de feitelijke verzorging van een jongere heeft belast, zijn verplicht overeenkomstig de bepalingen van deze wet te zorgen, dat de jongere als leerling van een school staat ingeschreven en deze school na inschrijving geregeld bezoekt.

[…]

3 De jongere die de leeftijd van 12 jaren heeft bereikt, is verplicht overeenkomstig de bepalingen van deze wet de school waaraan hij als leerling staat ingeschreven, geregeld te bezoeken, onverminderd het bepaalde in het eerste lid.

Artikel 3 Begin en einde van de verplichting tot inschrijving

1. De verplichting om te zorgen, dat een jongere als leerling van een school staat ingeschreven, begint op de eerste schooldag van de maand volgende op die waarin de jongere de leeftijd van vijf jaar bereikt, en eindigt:

a. […]

b. aan het einde van het schooljaar waarin de jongere de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt.

Artikel 4. Begin en einde van de verplichting tot geregeld schoolbezoek

1. De verplichting om te zorgen, dat een jongere de school waar hij als leerling staat ingeschreven, geregeld bezoekt, begint op de dag waarop hij na inschrijving op die school kan plaats nemen, en eindigt tegelijk met de verplichting om te zorgen, dat hij als leerling van een school staat ingeschreven.

§ 2a. Kwalificatieplicht

Artikel 4a. Inschrijving

1. De in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen zijn verplicht te zorgen dat de jongere overeenkomstig de bepalingen van deze paragraaf staat ingeschreven als leerling of deelnemer bij een school of instelling die volledig dagonderwijs […]verzorgt en dat hij deze school of instelling na inschrijving geregeld bezoekt, als:

a. ten aanzien van de jongere de leerplicht, bedoeld in paragraaf 2 van deze wet is geëindigd, en

b. de jongere geen startkwalificatie heeft behaald.

Artikel 4b. Begin en einde verplichting tot inschrijving

De verplichting, bedoeld in artikel 4a, eerste lid, vangt aan direct na het einde van de leerplicht, bedoeld in paragraaf 2 van deze wet, en eindigt zodra de jongere de leeftijd van 18 jaar bereikt of een startkwalificatie heeft behaald.

Artikel 4c. De invulling van de verplichting tot geregeld schoolbezoek

1. De jongere die als leerling of deelnemer van een school of instelling staat ingeschreven op grond van artikel 4a, eerste lid, is verplicht het volledige onderwijsprogramma […] te volgen dat door die school of instelling wordt aangeboden.

Artikel 11. Gronden voor vrijstelling van geregeld schoolbezoek

De in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen zijn vrijgesteld van de verplichting te zorgen dat de jongere de school waarop hij staat ingeschreven, geregeld bezoekt, en de leerplichtige jongere die de leeftijd van 12 jaren heeft bereikt alsmede de jongere die kwalificatieplichtig is, zijn vrijgesteld van de verplichting de school of de instelling geregeld te bezoeken, indien

[…]

d. de jongere wegens ziekte verhinderd is de school onderscheidenlijk de instelling te bezoeken;

Artikel 12. Ziekte van leerling

Een beroep op vrijstelling wegens ziekte van de jongere kan slechts worden gedaan, indien daarvan binnen twee dagen na het ontstaan van de verhindering aan het hoofd kennis is gegeven, zo mogelijk met opgave van de aard van de ziekte.

Artikel 13b. Kennisgeving bij beroep op vrijstelling

Een beroep op vrijstelling wegens ziekte van de jongere, wegens vervulling van plichten voort- vloeiend uit godsdienst of levensovertuiging wordt gedaan door middel van kennisgeving aan het hoofd door de in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen, tenzij de leerplichtige jongere of de jon- gere die kwalificatieplichtig is niet meer woonachtig is bij deze personen, in welk geval de kennis- geving wordt gedaan door de jongere zelf.

§ 5. Sanctiebepalingen

Artikel 26. Strafbedreiging verantwoordelijke personen

1. De in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen die de in artikel 2, eerste lid, of artikel 4a opgelegde verplichtingen niet nakomen, worden gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede categorie.”

9. Uit de inhoud van bewijsmiddel 1 blijkt dat de dochter van de verdachte is geboren op [geboortedatum] 2000 en dus in het schooljaar 2015/2016 de leeftijd van zestien jaar had bereikt. Ingevolge art. 3.1 eindigde aan het eind van dát schooljaar de verplichting voor de verdachte om te zorgen dat haar dochter als leerling van een school stond ingeschreven. Deze verplichting was derhalve reeds geëindigd op het moment dat het nieuwe schooljaar in de maand september 2016 inging, en dat is wat de tenlastelegging en de bewezenverklaring tot uitdrukking brengen in de zinsnede: “zulks terwijl: a. ten aanzien van de jongere de leerplicht als bedoeld in paragraaf 2 van deze wet was geëindigd”.

10. Onder (de later ingevoegde) paragraaf 2a bepaalt art. 4a Lpw dat de in art. 2, eerste lid, bedoelde personen verplicht zijn te zorgen dat de jongere overeenkomstig de bepalingen van die paragraaf staat ingeschreven als leerling of deelnemer bij een school of instelling die volledig dagonderwijs verzorgt en deze school of instelling na inschrijving geregeld bezoekt, onder meer indien “b. de jongere geen startkwalificatie heeft behaald”. Dat wordt eveneens in de tenlastelegging en de bewezenverklaring verwoord, en wel in het zinsdeel “zulks terwijl (…) b. de jongere geen startkwalificatie had behaald“. In paragraaf 1 van de Leerplichtwet 1969 zal men in “Artikel 1 Begripsbepalingen” tevergeefs zoeken naar een omschrijving van ‘jongere’ en ‘geregeld bezoek’. Uit de tekst van de wetsbepalingen en de inhoud van bewijsmiddel 1 volgt echter dat de dochter destijds jongere in de zin van de Leerplichtwet 1969 was. En wat betreft het ‘geregeld bezoek’ is het bepaalde in art. 4c Lpw van belang: de jongere is verplicht het volledige onderwijsprogramma te volgen dat door de bedoelde school of instelling wordt aangeboden. Daarom mag, lijkt mij, worden aangenomen dat ‘geregeld bezoek’ het bezoek impliceert zoals voorgeschreven door de school, het lesrooster en het individuele leerroutedocument. Artikel 1 geeft in de begripsbepalingen aan wat onder “Startkwalificatie" wordt verstaan: “een diploma van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid onder b tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs of een diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7 onderscheidenlijk 8 van de Wet op het voortgezet onderwijs.” Blijkens bewijsmiddel 1 is de Praktijkschool Zutphen een school in de zin van art. 1 Lpw.1

11. De Leerplichtwet 1969 voorziet in art. 11 in gronden voor vrijstelling van geregeld schoolbezoek. Een van die gronden is ziekte, voor zover althans gezegd kan worden dat de jongere daardoor (“wegens”) verhinderd is de school te bezoeken. Een beroep op vrijstelling wegens ziekte kan slechts worden gedaan indien daarvan binnen twee dagen na het ontstaan van de verhindering aan het hoofd kennis is gegeven, zo mogelijk met opgave van de aard van de ziekte, aldus art. 12 Lpw. Woont de jongere nog thuis, dan wordt de kennisgeving gedaan door de in art. 2, eerste lid, Lpw bedoelde personen. In de wetsgeschiedenis wordt slechts summierlijk iets opgemerkt over de artikelen 11, 12 en 13b.2Kennelijk vraagt de Leerplichtwet 1969 voor een beroep op vrijstelling wegens ziekte in beginsel niet méér dan een tijdige melding hiervan aan de directeur van de school. Het overleggen van een medische verklaring wordt niet expliciet voorgeschreven. Maar om het verband te kunnen vaststellen tussen ziekte en verhindering, zal om een dergelijke verklaring gevraagd kunnen worden. In ieder geval staat het de schooldirecteur vrij om bij een vermoeden van ongeoorloofd verzuim daarvan melding te maken bij de leerplichtambtenaar. Het is vervolgens aan de leerplichtambtenaar om een onderzoek in te stellen, zoals in de onderhavige zaak is gebeurd (zie bewijsmiddel 1).

12. Daarbij draait het geheel en al om de vraag of de dochter ten tijde van de hiervoor genoemde periode wel of niet ziek was (of al dan niet sprake was van ongeoorloofd verzuim) en, in samenhang daarmee, of de verdachte toen wel of niet aan de ingevolge de Leerplichtwet 1969 op haar rustende verplichtingen heeft voldaan.

13. Het hof heeft het belang van die vraag ten volle onderkend. Blijkens de daarvan opgemaakte processen-verbaal is in hoger beroep zowel op de terechtzitting van 13 maart 2018 als op de terechtzitting van 21 augustus 2018 – op beide terechtzittingen was de verdachte niet verschenen – de aangevoerde ziekte van de dochter het hoofdonderwerp van bespreking. Ik citeer uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 13 maart 2018:

“De voorzitter houdt voor dat het hof voor de zitting van de verdediging een email-bericht heeft ontvangen met daarbij gevoegd een behandelovereenkomst tussen de dochter van verdachte ( [betrokkene 1] ) en de Jeugd-GGZ, waarin de diagnose PTSS gesteld is. De behandelovereenkomst dateert van 1 augustus 2017 en is door de behandelaar en de dochter van verdachte ondertekend op 7 december 2017.

Het hof stelt vast dat het openbaar ministerie ter zitting [heeft] aangegeven niet over deze behandelovereenkomst te beschikken.

De voorzitter houdt voor dat uit het door de verdediging overgelegde schrijven van de Jeugd-GGZ blijkt dat er sinds 1 augustus 2017 een behandelovereenkomst ligt, die op 1 december 2017 door de betrokkenen is ondertekend. Het vonnis van de kantonrechter dateert van maart 2017. Verdachte gaf op die zitting aan dat zij met haar dochter naar de dokter geweest was, maar dat daar nog niets uitgekomen was. Op de zitting in eerste aanleg is een behandeling bij de GGZ niet aan de orde geweest.

De raadsman van verdachte voert het woord, zakelijk weergegeven:

In de behandelovereenkomst staat dat de dochter van cliënte haar grootste probleem voor zichzelf heeft gehouden. Dit blijkt ook uit pagina 3 van het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg in de zaak van [betrokkene 1] . Haar ouders wisten van niets. Ze heeft het trauma verzwegen.

De voorzitter merkt op dat het stuk van de Jeugd-GGZ wellicht door de verdediging wordt ingebracht om te onderbouwen dat de dochter van verdachte goede redenen had om niet op school te verschijnen. Verdachte kon deze redenen niet weten omdat haar dochter het trauma verzweeg. Uit de overgelegde behandelovereenkomst kan niet opgemaakt worden wanneer de stoornis gespeeld heeft. Het betreft voornamelijk een verslag van hetgeen de dochter van verdachte aan de behandelaar verteld heeft. Het hof beschikt ook niet over onderliggende stukken.

De voorzitter houdt voor dat uit het dossier blijkt dat reeds in mei 2016 163 uren aan ziekteverzuim genoteerd waren. Dit is vervolgens omgezet naar ‘ongeoorloofd verzuim’. Voor de ziekmeldingen zijn verschillende verklaringen gegeven, waaronder dat de dochter van verdachte een ongeluk zou hebben gehad. Uit het dossier komt naar voren dat verdachte niet op afspraken met de school is verschenen. Er bleek ook onenigheid te zijn tussen verdachte en de school over het feit dat de dochter van verdachte praktijkonderwijs moest volgen en niet naar het MBO mocht.

De raadsman van verdachte voert het woord, zakelijk weergegeven:

Pas na de zitting in eerste aanleg heeft de dochter van mijn cliënte iets losgelaten over het trauma. De ouders wisten van niets. De dochter van cliënte heeft op zitting in eerste aanleg al aangegeven dat er onvoldoende gekeken werd naar haar psychische klachten. Na deze zitting is zij opnieuw naar de huisarts gegaan en is zij doorgestuurd naar de Jeugd-GGZ. Het trauma dat zij heeft opgelopen hangt samen met een conflict met de buurman.

De voorzitter merkt op dat het hof - nu verdachte niet ter zitting verschenen is - enkel kan oordelen op basis van het dossier en de overgelegde behandelovereenkomst.

De raadsman van verdachte voert het woord, zakelijk weergegeven:

Mijn cliënte wil geen verdere bemoeienis. Zij is van mening dat zij geen probleemgezin vormen. Ik heb haar voorgehouden dat het voor het verdere verloop wel verstandig is om hulpverlening toe te laten. Op die manier kan men ook zelf constateren dat het nu goed gaat en is er niet langer sprake van onduidelijkheid. Er kan geen sprake zijn van ‘ongeoorloofd verzuim’ als vaststaat dat de dochter van mijn cliënte ziek was. Ik heb ter onderbouwing enkel de gestelde diagnose en hetgeen de dochter van mijn cliënte ter zitting in eerste aanleg gezegd heeft.

De voorzitter merkt op dat de zaken niet gevoegd zijn, dus dat het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg van de dochter van verdachte niet zomaar gebruikt kan worden in de onderhavige zaak. Uit het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg van verdachte blijkt niets over een eventueel onderliggend trauma.

De raadsman van verdachte voert het woord, zakelijk weergeven:

De dochter van verdachte heeft eerder niet over het trauma willen spreken. Ook ik krijg niet naar voren wat er precies gebeurd is.

De oudste raadsheer merkt op dat uit het dossier blijkt dat moeder op geen enkel moment openheid van zaken heeft willen geven. Tegen de school heeft zij het afgedaan als zaken die ‘privé’ waren.

De raadsman van verdachte voert het woord, zakelijk weergegeven:

In het rapport staat dat er sprake was van wederzijds wantrouwen. In eerste instantie is mijn cliënt wel meewerkend geweest, maar toen werd het schoolverzuim plotseling bestempeld als ‘ongeoorloofd’. Cliënte zat constant met haar dochter bij de arts, dus zij vond dat onbegrijpelijk. Op dat moment wilde zij niet langer meewerken.

De jongste raadsheer merkt op dat zij niet begrijpt dat verdachte niet meer openheid van zaken wil geven. De deur lijkt dicht te zijn.

De raadsman van verdachte voert het woord, zakelijk weergegeven: Het trauma speelt een belangrijke rol. Ik krijg de vinger er niet achter.

De voorzitter houdt aan de raadsman van verdachte voor dat het voor het hof lastig is om zonder aanwezigheid van verdachte de informatie uit de behandelovereenkomst te duiden en dat het van belang is om te weten of de kans aanwezig is of zij wel bij een volgende zitting zal verschijnen.

De raadsman van verdachte voert het woord, zakelijk weergegeven:

Ik heb al bij het voorbereiden van deze zitting aan cliënte voorgehouden dat u het liefst de zaken met haar persoonlijk wilt bespreken. Het kost haar veel tijd, energie en geld. Wellicht speelt schaamte en een culturele factor ook een rol. Mijn inschatting is dat het lastig wordt om haar zover te krijgen om ter zitting te verschijnen.

[…]”

En het proces-verbaal van de terechtzitting van 21 augustus 2018 vermeldt onder meer: “De voorzitter deelt mede dat het nadrukkelijk niet de bedoeling was dat verdachte er niet zou zijn, nu er een bevel verschijning is afgegeven op de zitting van 13 maart 2018.

De raadsman voert aan -zakelijk weergegeven-:

De voorzitter vraagt mij of mijn cliënt zich bewust is van het risico dat een bevel medebrenging wordt afgegeven. Ik heb gezegd dat dit een mogelijkheid is en ik heb het voorgelegd. Ik zeg ook iets in mijn pleitnota over hetgeen zij daarover te zeggen heeft. Het kost mijn cliënt veel energie. Er spelen dezelfde afwegingen als de vorige keer. Mijn cliënt vindt dat alles is gezegd. Zij heeft er vertrouwen in dat als ik het verhaal vertel, dat dit genoeg zal zijn. Het zit haar hoog. Er zijn veel spanningen. Een bevel medebrenging zal het niet beter maken. Ze heeft mij gevraagd de zaak te laten afdoen. Dat kan op basis van de informatie die er nu ligt en die kan ik nog aanvullen.

[…]

Het hof trekt zich terug voor beraad.

Na gehouden beraad deelt de voorzitter het volgende mede, zakelijk weergegeven:

Het moet van het hart dat deze zaak het hof buikpijn bezorgt. Een bevel persoonlijke verschijning wordt genegeerd en er zijn grote zorgen over de dochter. De vraag is of het nodig is en nog zin heeft om een bevel medebrenging af te geven. Het hof ziet daarvan af. De zaak zal vandaag inhoudelijk worden behandeld. De vraag is hoe uitgebreid dat nodig is. De school en de leerplichtambtenaar maken zich zorgen over de dochter. Op uitnodigingen wordt niet gereageerd en er komt geen gesprek op gang. Er wordt alleen gezegd dat [betrokkene 1] ziek is en dat het een privé- kwestie is. De behandelovereenkomst is wel boven water gekomen. Mogelijk hebben de problemen iets te maken met een ruzie met de buurman, maar in een verklaring van verdachte valt ook te lezen dat de problemen al van jongs af aan spelen.

De raadsman voert aan -zakelijk weergegeven-:

Uit de informatie die ik heb blijkt dat [betrokkene 1] nu in behandeling is. Zij krijgt twee keer per week behandeling. Ze is nog niet in staat om weer naar school te gaan of te gaan werken. Een onderdeel van het behandelplan is re-integratie. Ze maakt daar stappen in. Mij is dit verteld, meer weet ik niet. Vader en moeder hebben dit verhaal aan mij bevestigd. Bij het pleidooi kan ik nog het een en ander zeggen en daar juridische consequenties aan verbinden.

Voor zover ik weet heeft verdachte geen werk, maar ik kan voor mijn beurt spreken. […] De voorzitter deelt mondeling mede de korte inhoud van de stukken van de zaak.

De advocaat-generaal voert het woord -zakelijk weergegeven-:

Verdachte heeft er onvoldoende zorg voor gedragen dat haar dochter naar school ging. Er wordt gesteld dat er sprake is van een trauma bij de dochter, maar wat dat precies is, weten we niet. Op alle mogelijke manieren is geprobeerd te achterhalen wat het probleem is. Het gezin wil niet meewerken. Er wordt met niemand gepraat en het gezin is totaal gesloten. Dat is voor mij de overweging om geen bevel medebrenging te vorderen. Het gezin is volhardend. Wij kunnen daardoor niet toetsen of er bijzondere redenen waren dat [betrokkene 1] school niet heeft bezocht. We kunnen niet toetsen of haar probleem gevolgen heeft voor de strafzaak.

Het gaat om een strafbaar feit en verdachte is strafbaar. Onduidelijk is waar een beroep op wordt gedaan en wat de symptomen zijn. Er kan geen rekening worden gehouden met het verweer.

De kantonrechter heeft een geldboete van € 500,- opgelegd, waarvan de helft voorwaardelijk. Een voorwaardelijk deel is nu een gepasseerd station. Ik val terug op het uitgangspunt en vorder een geldboete van € 500,-.

De advocaat-generaal leest de vordering voor en legt die aan het hof over.

De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig zijn pleitnota, welke aan het hof is overgelegd en aan dit proces-verbaal is gehecht. De raadsman voegt daaraan toe -zakelijk weergegeven-:

Tijdens het tenlastegelegde was [betrokkene 1] nog zoekende naar het probleem.

Ik vind de stelling van de advocaat-generaal, inhoudende dat een trauma makkelijk wordt opgevoerd, makkelijk en erg hard. Ook vind ik de stelling ‘trekken aan een dood paard’ geen recht doen aan de inspanningen die het gezin heeft willen verrichten.

De advocaat-generaal repliceert -zakelijk weergegeven-:

Misschien was het de intentie van de moeder om haar dochter naar school te laten gaan, maar zij heeft daar niet naar gehandeld. Uit het dossier blijkt enkel dat ze haar dochter ziek meldde en afspraken afzegde. Zij is niet ingegaan op de uitnodiging voor een consult of iets dergelijks of de uitnodiging van de schoolarts. Alles is afgehouden en dan kan je niet stellen dat verdachte al het mogelijke heeft gedaan. Verdachte is in gebreke gebleven qua zorgplicht.

[…]

De raadsman dupliceert -zakelijk weergegeven-:

Mijn cliënt vroeg zich af wat ze nog meer moest doen. Er is meermalen gebleken dat de leerplichtambtenaar alle informatie had. Er is wantrouwen ontstaan. Cliënt wist niet wat er was, de zorgverleners wisten het niet, wat moest ze dan nog meer doen? Zo’n melding als gedaan door de vriendin van [betrokkene 1] roept enorme zorgen op. Je kan dan zeggen: ‘kom maar binnen’. De maat was echter vol in dit gezin. Wat ons betreft is het duidelijk: [betrokkene 1] was ziek.

[…].”

14. De voormelde pleitnota houdt, door mij geparafraseerd en voor zover hier van belang, het volgende in. De verdachte is op de terechtzitting afwezig, omdat de hele zaak al veel tijd, geld en negatieve energie heeft gekost. Men wil niet nog meer negatieve energie oprakelen en een punt zetten achter dit verleden. Ook wil men niet meer over de oorzaak van het verzuim (trauma [betrokkene 1] en het burenconflict als oorzaak daarvan) en de bijkomende problemen praten. De verdachte heeft wel aan haar verplichtingen voldaan, want in de behandelovereenkomst staat (p. 2): “ [betrokkene 1] heeft lange tijd haar angsten voor zichzelf gehouden en geen steun bij ouders gezocht.” [betrokkene 1] heeft tegen de kantonrechter gezegd: “Er is alleen lichamelijk onderzoek geweest, geen psychisch onderzoek. Het is wel moeilijk om de stap te nemen omdat mijn ouders het ook niet weten.” [betrokkene 1] heeft de oorzaak van haar verzuim in de tenlastegelegde periode niet aan haar ouders verteld. Zij heeft verzwegen dat sprake was van een trauma dat te maken had met het langdurig en intensief conflict met de buurman. Deze buurman probeerde onder andere de verdachte en haar man uit elkaar te spelen en deed dit ook via de kinderen, aldus de verdachte. De verdachte wist echter niet dat dit ten grondslag lag aan de problemen van haar dochter. Haar dochter hield haar psychische problemen en de oorzaak daarvan (traumatische ervaringen met de ex-buurman) geheim voor de buitenwereld, inclusief school, artsen en dus zelfs haar ouders, zo blijkt uit haar verklaringen op de zitting in eerste aanleg. Aan de verdachte kan dan dus ook niet worden verweten dat zij geen op de gevolgen van dat trauma gerichte hulp heeft gezocht. Om die reden acht de verdediging de overweging in het vonnis van de kantonrechter “dat er meer had moeten gebeuren in het medische circuit” onterecht. Meteen nadat duidelijk werd dat er problemen primair psychisch van aard waren en er geen fysieke medische oorzaak was (na de zitting van 17 maart 2017) is via de huisarts GGZ ingeschakeld en is de juiste diagnose (PTSS) en de juiste behandeling opgestart (o.a. EMDR en behandeling gericht op het weer re-integreren).

15. De behandelovereenkomst is op 1 augustus 2017 gedateerd en op 7 augustus 2017 voorzien van een handtekening van de behandelaar en de dochter – dus ruim na de tenlastegelegde periode –, en is pas op de terechtzitting van 13 maart 2018 aan het hof overgelegd. Deze behandelovereenkomst houdt onder meer in:

“Diagnose volgens DSM-5

Probleemgebied psychisch/persoonlijkheid/psychosociaal

309.81 Posttraumatisch stresstoornis

V62.3 Leer- of onderwijsprobleem

Probleemgebied: somatisch

Geen, of geen relevante diagnose op as3. Toelichting: veel vage lichamelijke klachten, verder geen bijzonderheden.

Onderzoeks-/behandelvoorstel

Individuele kortdurende behandeling (KB), gericht op psycho-educatie, vergroten van veiligheid en het vergroten van [betrokkene 1] coping en weerbaarheid, en traumabehandeling (EMDR). Hierbij zullen ter ondersteuning van [betrokkene 1] ook ouders betrokken worden.”

16. Door de raadsman in feitelijke aanleg, en ook door de steller van het middel, is niet weersproken dat de dochter van de verdachte in de tenlastegelegde en bewezenverklaarde periode (van 6 september 2016 tot en met 14 oktober 2016) niet aanwezig is geweest op school en in die periode (nog) niet in het bezit was van een startkwalificatie. Voorts heeft het hof vastgesteld dat de verdachte haar dochter meermalen ziek heeft gemeld, maar over de gestelde ziekte van haar dochter nimmer openheid of een toelichting daarop heeft willen geven, en dat de verdachte op geen enkele wijze heeft meegewerkt aan het onderzoek van de leerplichtambtenaar. Deze vaststellingen zijn gelet op het verhandelde ter terechtzitting en de inhoud van de bewijsmiddelen juist. Ik wijs er daarbij op dat uit het ‘proces-verbaal leerplicht’ blijkt dat (a) de verdachte meermalen geen gehoor heeft gegeven aan oproepen, (b) zij niet is ingegaan op uitnodigingen voor een hoorzitting (eventueel op haar woonadres) en (c) zij geen gehoor heeft gegeven aan de verwijzingen naar de schoolarts door de Praktijkschool en de leerplichtambtenaar, noch aan het voorstel, als het een privékwestie is, de schoolarts met de huisarts contact te laten opnemen, zulks om te achterhalen of het verzuim geoorloofd dan wel ongeoorloofd is. Verder acht ik, in het licht van hetgeen de verdediging te dien aanzien heeft aangevoerd, het in de overwegingen van het hof besloten liggende oordeel dat de inhoud van de – veel later – gepresenteerde behandelovereenkomst het standpunt van het hof niet anders maakt, niet onbegrijpelijk. Daarbij heb ik tevens in ogenschouw genomen dat de behandelovereenkomst weliswaar rept van een posttraumatische stoornis, maar dat daarin niet is terug te lezen dat deze stoornis ook of al aanwezig was ten tijde van de tenlastegelegde periode, noch dat de dochter “wegens” deze stoornis verhinderd was de school te bezoeken.

17. Kortom, de verdediging heeft de stelling dat de afwezigheid van de dochter in de tenlastegelegde periode te maken heeft gehad met ziekte niet onderbouwd, terwijl het naar het mij voorkomt op haar weg had gelegen het beroep op de vrijstellingsgrond als bedoeld in art 11, aanhef en onder d, Lpw aannemelijk te maken en zo nodig met gegevens of bescheiden te staven.3Voor zover ik heb kunnen nagaan is omtrent deze stelplicht, en de onderbouwing ervan, nog geen uitspraak gedaan door de strafkamer van de Hoge Raad. Wel heeft de Raad van State in zijn uitspraak van ABRvS 5 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3953, Gst. 2015/19, m.nt. Sperling geoordeeld dat (i) de leerplichtambtenaar over beoordelingsvrijheid beschikt bij de verlening van vrijstelling op grond van art. 11, aanhef en onder g, Lpw (rov. 5.1); (ii) de rechter het besluit van de leerplichtambtenaar hierover dan ook terughoudend moet toetsen (rov. 5.1); en (iii) dat het aan degene is die een beroep doet op bijzondere omstandigheden deze aannemelijk te maken en bij voorkeur met bewijsmiddelen te staven (rov. 5.3).4Ik vermag niet in te zien waarom dat anders zou zijn met betrekking tot de vrijstellingsgrond als bedoeld in art. 11, aanhef en onder d (gestelde ziekte), Lpw.5

18. De klacht dat het hof ten onrechte in het midden heeft gelaten of de dochter in de tenlastegelegde periode door ziekte verhinderd was haar school te bezoeken, gaat dus naar mijn inzicht niet op; het is niet aan de feitenrechter om daar (ambtshalve) onderzoek naar te doen, maar aan de verdediging om zulks aannemelijk te maken.

19. Daarmee is overigens niet gezegd dat ook (altijd) de aard van de ziekte aan het schoolhoofd kenbaar zou moeten worden gemaakt, nog daargelaten dat het hier een kwestie betreft die inmiddels ingewikkelder is geworden door de zogenoemde privacywetgeving. Art. 12 Lpw rept van “zo mogelijk”. Dat neemt evenwel niet weg dat, mede in het licht van de bevindingen van de leerplichtambtenaar, in een geval als het onderhavige op zijn minst de schoolarts moet kunnen vaststellen en bevestigen dát (inderdaad) sprake is van een ziekte in de zin van de Leerplichtwet 1969, zoals een bedrijfsarts dat moet kunnen doen als een werknemer zich ziek meldt.

20. Op grond van het voorgaande meen ik dat uit ’s hofs bewijsvoering kan worden afgeleid dat de verdachte niet aan de haar verweten zorgplicht heeft voldaan en dat het hof daarmee tevens het in het middel bedoelde verweer op toereikende gronden heeft verworpen.

21. Het middel faalt.

22. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

23. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

1. De informatie die Google over de Praktijkschool Zutphen geeft, houdt onder meer in dat de doelgroep uit jongeren van 12 tot 18 jaar bestaat, voor wie het behalen van een diploma in het voorgezet onderwijs of een andere (start)kwalificatie voor de arbeidsmarkt vanwege hun leerproblematiek niet mogelijk is en dat zij haar leerlingen voorbereidt op een reguliere arbeidsplek, in een beschermde werkplek of in combinatie met een vervolgopleiding bij het Middelbaar Beroepsonderwijs (MBO), waarbij rekening wordt gehouden met ieders individuele mogelijkheden en capaciteiten en waarbij ieders eigen leerroute wordt gevolgd.

2 Ik verwijs daarvoor naar Kamerstukken II 1967/68, 9039 nr. 3 (MvT), p. 15, nr. 4 (VV), p. 8 en nr. 5 (MvA), p. 14. In de praktijk wordt veelal gebruik gemaakt van de Handleiding strafrechtelijke aanpak schoolverzuim, in werking getreden in de maand oktober van 2012 en uitgegeven door het College van procureurs-generaal (zie daarover ook mijn voetnoten 3 en 4). Voorts wijs ik op de Methodische Aanpak Schoolverzuim, vastgesteld (na de tenlastegelegde periode) in maart 2017 en herzien in september 2018 door onder meer het OM, de Raad voor de Kinderbescherming, bureau Halt en het ministerie van Justitie en Veiligheid.

3 Een vraag, die daaraan voorafgaat, maar in deze zaak niet speelt, is of de wet- en regelgeving eist dat de reden voor de afwezigheid moet worden aangegeven. Die vraag wordt door mijn ambtgenoot Knigge besproken in zijn aan HR 19 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:378 voorafgaande conclusie. In dat verband gaat hij in op de verhouding tussen art. 12 Lpw en de Handleiding Strafrechtelijke Aanpakschoolverzuim waarin medewerking aan het bezoek aan een schoolarts verplicht is gesteld. Over die verhouding schrijft Knigge onder meer dat zijns inziens een van het College van procureurs-generaal afkomstige handleiding de wet niet opzij kan zetten, hetgeen betekent dat een beroep op de vrijstelling van art. 11 sub d Lpw niet getoetst dient te worden aan het in die handleiding beschreven stappenplan. Na zijn uiteenzetting ter zake, merkt hij op: “Iets anders is dat de handleiding de jongere of zijn ouders de mogelijkheid biedt om (verdere) opsporing en vervolging te voorkomen door, hoewel de in art. 12 Lpw genoemde termijn niet is nageleefd, te bewijzen dat wel degelijk van ziekte sprake was.” De Hoge Raad deed de klacht af met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

4 Zie ook de Handleiding Strafrechtelijk aanpak schoolverzuim, p.16.

5 Voorts verdient hier vermelding de uitspraak in een civiele procedure van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 augustus 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:6713. In die zaak deed appelante een beroep op de uitzonderingsgrond van art. 11, aanhef en onder d, Lpw. Het hof oordeelde dat het ziekmelden niet uitsluit dat de gemeente gebruik mag maken van haar handhavende bevoegdheden (bijv. bezoek aan de schoolarts) om de naleving van de Lpw te waarborgen, dan wel ervoor te zorgen dat het verzuim van appellante niet langer duurt dan noodzakelijk