Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:1243

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
29-11-2019
Datum publicatie
31-12-2019
Zaaknummer
18/05311
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:885, Gevolgd
Rechtsgebieden
Internationaal privaatrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

IPR. Huwelijksvermogensrecht. Vordering Ontvanger tot verhaal belastingschulden echtgenoot op goederen huwelijksgemeenschap. Gevolgen toepassing Roemeens huwelijksvermogensrecht kennelijk onverenigbaar met de openbare orde (art. 10:6 BW)?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2020/102
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/05311

Zitting 29 november 2019

CONCLUSIE

P. Vlas

In de zaak

[de vrouw]

tegen

De Ontvanger van de Belastingdienst/Utrecht-Gooi

(hierna: de Ontvanger)

In cassatie komt de vraag aan de orde of art. 1:96 BW inzake het verhaal van schulden in het geval van een gemeenschap van goederen, van openbare orde is in de internationaal-privaatrechtelijke betekenis, zodat andersluidend Roemeens huwelijksvermogensrecht dat het huwelijksvermogensregime van de echtgenoten beheerst, buiten toepassing moet worden gelaten (art. 10:6 BW).

1. Feiten 1 en procesverloop

1.1 [de man] (hierna: de man) is op [geboortedatum] 1952 in Roemenië geboren. [de vrouw] (hierna: de vrouw) is op [geboortedatum] 1954 in Roemenië geboren. Zij hebben beiden de Roemeense nationaliteit en zijn met elkaar op 17 januari 1990 te Boekarest (Roemenië) gehuwd in gemeenschap van goederen naar Roemeens recht. Zij hebben zich in 1993 in Nederland gevestigd.2 Op 25 oktober 2013 heeft de man de Nederlandse nationaliteit verkregen; de vrouw bezit sinds 1978 de Nederlandse nationaliteit. Tot de gemeenschap van goederen behoren onroerende zaken te Veenendaal.

1.2 Aan de man is een tiental (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV), premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) en vermogensbelasting (VB) opgelegd. Deze (later deels verminderde) aanslagen staan inmiddels, nadat daarover tot en met de Hoge Raad is geprocedeerd, onherroepelijk vast.

1.3 In februari 2002 en januari 2007 zijn dwangbevelen voor deze aanslagen aan de man betekend, waarbij tevens bevel tot betaling is gedaan. In 2010 heeft de Ontvanger aan de man bericht dat het aan hem in verband met de gevoerde procedures verleende uitstel van betaling van de aanslagen is vervallen. De man is verzocht de openstaande belastingschuld te betalen, maar hij heeft daaraan niet voldaan.

1.4 De Ontvanger heeft op 2 maart 2012 ten laste van de man en de vrouw conservatoir deelgenotenbeslag laten leggen op de in Veenendaal gelegen onroerende zaken.

1.5 Op een door de Ontvanger gespecificeerd overzicht per 9 maart 2012 is aan openstaande belastingaanslagen van de man een bedrag vermeld van € 524.220,00, aan kosten een bedrag van € 12.200,00 en aan rente een bedrag van € 213.581,00.

1.6 De vrouw heeft op 7 april 2015 een echtscheidingsprocedure bij de Roemeense rechter aanhangig gemaakt. De Roemeense rechter heeft de echtscheiding uitgesproken. De man is tegen de uitspraak in beroep gegaan. De echtscheiding tussen de vrouw en de man is (inmiddels) een feit en ook ingeschreven in de desbetreffende registers in Roemenië en Nederland (Den Haag).

1.7 De Ontvanger heeft de man en de vrouw bij inleidende dagvaarding van 16 maart 2012 gedagvaard voor de rechtbank Midden-Nederland en primair gevorderd voor recht te verklaren dat de Ontvanger zijn vordering op de man mag verhalen op de goederen van de huwelijksgemeenschap van de man en de vrouw, waaronder de in Veenendaal gelegen onroerende zaken. Subsidiair heeft de Ontvanger gevorderd, kort gezegd, dat de rechtbank de man en de vrouw zal veroordelen tot verdeling van (goederen van) hun huwelijksgemeenschap voor zover nodig voor het verhaal van de vordering van de Ontvanger op de man. Ter comparitie heeft de Ontvanger, zonder bezwaar van de vrouw, zijn eis uitgebreid, in die zin dat meer subsidiair is gevorderd de man en de vrouw te veroordelen tot verdeling van (goederen van) hun huwelijksgemeenschap, voor zover nodig voor het verhaal van zijn vordering op de man, en de wijze van verdeling te gelasten dan wel de verdeling vast te stellen.

1.8 Bij vonnis van 6 november 2013 heeft de rechtbank Midden-Nederland de vorderingen van de Ontvanger afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank, kort samengevat, het volgende overwogen. Vast staat dat het Roemeense recht van toepassing is op het huwelijksgoederenregime van de man en de vrouw. De Ontvanger is van mening dat de bescherming van de huwelijksgemeenschap van de man en de vrouw tegen verhaal voor de belastingschuld van de man in strijd is met de openbare orde, omdat art. 1:96 lid 1 BW dat dit verhaal wel mogelijk maakt, van openbare orde is. Op grond van art. 10:6 BW mag toepasselijk buitenlands recht slechts dan niet worden toegepast, indien die toepassing kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde. Het Roemeense recht schrijft dwingend voor dat persoonlijke schuldeisers van de echtgenoot-schuldenaar zich alleen kunnen verhalen op de privégoederen van deze echtgenoot. Wanneer die privégoederen niet toereikend zijn, heeft de schuldeiser het recht om de verdeling van gemeenschappelijke goederen te vragen om zich hierop te kunnen verhalen. Het feit dat de Ontvanger zich naar Nederlands (dwingend) recht (art. 1:96 lid 1 BW) kan verhalen op goederen uit de gemeenschap betekent niet dat toepassing van het Roemeense recht in strijd zou komen met de openbare orde. Daarbij is doorslaggevend de omstandigheid dat het Roemeense recht een voorziening kent voor de situatie dat uitwinning van de privégoederen niet toereikend is voor de voldoening van de schuld (rov. 5.7). De vorderingen van de Ontvanger moeten worden beoordeeld naar Roemeens recht, zodat eerst privégoederen van de man, waaronder een appartement in Boekarest (Roemenië), moeten worden uitgewonnen (rov. 5.9). Pas daarna zal de Ontvanger verdeling van de in Nederland aanwezige gemeenschapsgoederen kunnen vorderen. Het Roemeense recht bepaalt niet dat dit reeds mogelijk is als te voorzien is dat het persoonlijk vermogen onvoldoende verhaal zal bieden (rov. 5.10).

1.9 De Ontvanger is in hoger beroep gekomen bij het hof Arnhem-Leeuwarden. Bij arrest van 18 september 2018 heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd. Daartoe heeft het hof, kort samengevat, het volgende overwogen. Het hof heeft zich verenigd met hetgeen de rechtbank heeft overwogen met betrekking tot het Roemeense recht (rov. 5.6). Aan toepassing van buitenlands recht komt een einde waar dat recht in strijd komt met fundamentele beginselen van de Nederlandse rechtsorde (rov. 5.10). De openbare orde-exceptie (art. 10:6 BW) mag slechts in uitzonderlijke gevallen worden ingezet tegen toepasselijk buitenlands recht en gereserveerd blijven voor sprekende gevallen waarin het buitenlandse recht op essentiële punten ingrijpend afwijkt van het Nederlandse (rov. 5.11). Het Roemeense recht is naar inhoud niet onaanvaardbaar. Het is echter onaanvaardbaar dat de Ontvanger eerst in het buitenland verhaal moet zoeken op eventuele privégoederen van de man om pas daarna, indien dat verhaal niet (volledig) slaagt, verdeling van de gemeenschap te kunnen vorderen en verhaal te zoeken op het ‘Nederlandse vermogen’ (rov. 5.13). Nu partijen nauw met Nederland zijn verbonden, kan naar Nederlandse opvattingen niet worden geduld dat de Ontvanger zich als gevolg van Roemeens huwelijksvermogensrecht niet zou kunnen verhalen op gemeenschappelijke goederen. Het is onverenigbaar met het zwaarwegend maatschappelijk belang en de verplichting van de Ontvanger om actief tot verhaal van openstaande belastingschulden over te gaan, als de Ontvanger eerst in Roemenië verhaal zou moeten zoeken op privégoederen van de man, te weten het appartement waarvan de waarde de vordering van de ontvanger slechts voor een zeer gering gedeelte dekt, en daarna verdeling zou moeten vorderen om verhaal te kunnen nemen op het Nederlandse vermogen. Het beroep van de Ontvanger op de openbare orde-exceptie is in dit geval gerechtvaardigd, zodat Roemeens recht buiten toepassing moet blijven en naar Nederlands recht de goederen van de gemeenschap kunnen worden uitgewonnen voor verhaal van de belastingschuld van de man (rov. 5.15).

1.10 De vrouw heeft (tijdig) beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof. De Ontvanger heeft een verweerschrift ingediend en een schriftelijke toelichting. De vrouw heeft afgezien van een schriftelijke toelichting en van repliek gediend. De Ontvanger heeft afgezien van dupliek.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen. Onderdeel 1 valt in vier subonderdelen uiteen en is gericht tegen rov. 5.15 van het bestreden arrest, waarin het hof heeft overwogen dat de toepassing van het Roemeense huwelijksvermogensrecht in dit geval kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde. Volgens het onderdeel is het hof met dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan (subonderdeel 1.1), althans is dit oordeel niet voldoende begrijpelijk gemotiveerd (subonderdeel 1.2). De subonderdelen 1.3 en 1.4 bevatten specifieke motiveringsklachten. Onderdeel 2 is gericht tegen rov. 5.11, waarin het hof heeft overwogen dat de openbare orde-exceptie gereserveerd moet blijven voor ‘sprekende gevallen waarin het buitenlandse recht op essentiële punten ingrijpend afwijkt van het Nederlandse’. Het onderdeel is ‘zekerheidshalve’ voorgesteld en betoogt dat de omstandigheid dat een geval ‘sprekend’ is op zichzelf nog niet meebrengt dat het om beginselen en waarden van het Nederlandse recht zou gaan. Verder bevat onderdeel 2 klachten die voortbouwen op de voorafgaande klachten.

2.2

Het middel betreft in de kern de vraag of art. 1:96 BW van openbare orde is in de internationaal-privaatrechtelijke betekenis. Art. 1:96 BW is een bepaling van Nederlands huwelijksvermogensrecht en geldt in het geval dat sprake is van een wettelijke gemeenschap van goederen. Wanneer Nederlands recht het huwelijksvermogensregime van echtgenoten beheerst, is de regeling van art. 1:96 BW over het verhaal van schulden van dwingendrechtelijke aard (behoudens hetgeen thans is bepaald in art. 1:96b BW op grond waarvan echtgenoten bij overeenkomst het beloop van de vergoedingen ingevolge art. 1:96 BW anders kunnen bepalen). De bepaling is diverse keren gewijzigd, zonder dat de strekking ervan fundamenteel is veranderd.3

2.3

In de onderhavige zaak staat niet ter discussie dat het Roemeense recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van de man en de vrouw. Zowel de rechtbank als het hof zijn hiervan uitgegaan, hetgeen in cassatie niet is bestreden. Nu de man en de vrouw in 1990 met elkaar zijn gehuwd, wordt hun huwelijksvermogensrecht beheerst door de conflictenregeling van het commune internationaal privaatrecht, neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 10 december 1976 (Chelouche/Van Leer).4Bij gebreke van rechtskeuze wordt het huwelijksvermogensrecht beheerst door het recht van de gemeenschappelijke nationaliteit van de echtgenoten ten tijde van de huwelijkssluiting, in dit geval het Roemeense recht.

2.4

De rechtbank heeft in haar vonnis van 6 november 2013 overwogen dat het Roemeense recht in art. 33 van het tot 1 oktober 2011 geldende Wetboek van Familierecht (Codul Familiei) een regeling voor het verhaal van schulden heeft gekend, waarin is bepaald dat indien de persoonlijke bezittingen van de echtgenoot-schuldenaar onvoldoende verhaal bieden, de schuldeiser bij de rechter verdeling van de gemeenschappelijke goederen kan vorderen, voor zover dit nodig is voor het verhaal van zijn vordering.5 Tegen deze overweging van de rechtbank zijn in hoger beroep geen grieven gericht. Het hof heeft zich in rov. 5.6 van zijn arrest verenigd met hetgeen de rechtbank met betrekking tot het Roemeense recht heeft overwogen.

2.5

Naar Roemeens recht kan een schuldeiser van één van de echtgenoten zich niet zonder meer op de goederen van de huwelijksgemeenschap verhalen, maar dient eerst verhaal te worden genomen op privégoederen van deze echtgenoot. Pas als dat niet toereikend is, kan de schuldeiser verdeling vorderen van de huwelijksgemeenschap en zich vervolgens verhalen op het deel dat toekomt aan de schuldenaar. Hierin wijkt het Roemeense recht af van het Nederlandse: naar Nederlands huwelijksvermogensrecht kan een schuldeiser van een van de echtgenoten zich verhalen op de tot de huwelijksgemeenschap behorende goederen, ongeacht of het gaat om een eigen schuld of om een gemeenschapsschuld (art. 1:96 lid 1 BW). Wordt echter door een schuldeiser verhaal gezocht op goederen van de gemeenschap voor een eigen schuld van een echtgenoot, dan heeft de andere echtgenoot de mogelijkheid de schuldeiser te verwijzen naar de privégoederen van de eerstgenoemde echtgenoot, die voldoende verhaal bieden (art. 1:96 lid 2, eerste volzin, BW). Het hof heeft overwogen dat volgens Roemeens huwelijksvermogensrecht ook voor belastingschulden, zoals die in dit geval aan de orde zijn, mogelijk eerst verhaal zou moeten worden gezocht op privégoederen. Overigens maak ik uit de stukken op dat de Ontvanger heeft betoogd dat belastingschulden naar Roemeens recht als gemeenschapsschulden gelden, die wél rechtstreeks op gemeenschapsgoederen kunnen worden verhaald, zonder dat tot verdeling wordt overgegaan.6 Het hof heeft dit in het midden gelaten, en geoordeeld dat als toepassing van het Roemeense recht de Ontvanger inderdaad zou verplichten om voor de onderhavige belastingschulden eerst verhaal te zoeken op privégoederen van de man, dit in strijd is met de openbare orde (rov. 5.15).

2.6

Het hof heeft in rov. 5.11-5.12 een uitgebreide beschrijving van de exceptie van de openbare orde in de zin van art. 10:6 BW gegeven, die in cassatie terecht niet is bestreden. De exceptie van de openbare orde is een uiterste redmiddel, dat slechts in uitzonderlijke gevallen mag worden ingezet, namelijk indien de toepassing van het buitenlandse recht in strijd zou komen met fundamentele waarden en beginselen van de Nederlandse rechtsorde.7 Het middel klaagt terecht dat het hof ten onrechte art. 1:96 BW van openbare orde heeft geacht en de toepassing van het Roemeense recht heeft geëcarteerd op grond van art. 10:6 BW. In art. 10:6 BW is bepaald dat vreemd recht niet wordt toegepast, voor zover de toepassing ervan kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde. Onder openbare orde (in de internationaal-privaatrechtelijke betekenis) worden de fundamentele waarden en beginselen van de Nederlandse rechtsorde verstaan, zoals het hof terecht in rov. 5.10 heeft overwogen. Van strijd van het Roemeense huwelijksvermogensrecht met deze fundamentele waarden en beginselen van de Nederlandse rechtsorde is in deze zaak geen sprake, zodat de toepassing van art. 10:6 BW niet is gerechtvaardigd. Evenals het Nederlandse recht in art. 1:96 BW strekt het Roemeense recht ertoe de belangen van de echtgenoot die geen schuldenaar is te beschermen. Het Roemeense recht maakt bovendien mogelijk dat de schuldeiser uiteindelijk verhaal kan nemen op gemeenschapsgoederen, namelijk door middel van verdeling. Dat geen verhaal kan worden genomen op hetgeen door die verdeling is gaan toebehoren aan de echtgenoot die geen schuldenaar is, is geen gevolg dat onverenigbaar is met fundamentele waarden en beginselen van het Nederlandse recht: tot die fundamentele waarden en beginselen behoort niet dat een schuldeiser goederen zou moeten kunnen uitwinnen die toebehoren aan een ander dan de schuldenaar. Het staat buiten kijf dat uitstaande belastingschulden moeten worden geïnd en dat daarmee een groot maatschappelijk belang is gediend8, maar in deze civiele zaak rijst niet de vraag naar de meest effectieve belastinginning, maar de vraag of art. 1:96 BW van zo’n fundamenteel belang voor de Nederlandse rechtsorde is dat het Roemeense huwelijksvermogensrecht daarvoor wegens strijd met de openbare orde in de zin van art. 10:6 BW zou moeten wijken. Die vraag moet ontkennend worden beantwoord. Dat art. 1:96 BW een bepaling van dwingend recht is, betekent niet dat zij dus van openbare orde is en, ongeacht het op het huwelijksvermogensregime van partijen geldende recht, moet worden toegepast.

2.7

De slotsom is dat subonderdeel 1.1 van het middel slaagt. Bij deze stand van zaken behoeven de overige subonderdelen van onderdeel 1 geen bespreking. Hetzelfde geldt voor de zekerheidshalve voorgestelde additionele klacht en de voortbouwklacht van onderdeel 2.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie rov. 2.1-2.4 van het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 18 september 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:8333, alsmede de vastgestelde feiten in rov. 2.1-2.8 van het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 6 november 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:5344, waarnaar het hof in rov. 2.1 verwijst (behoudens het door de rechtbank in rov. 2.2 tweede volzin vastgestelde feit).

2 Zie rov. 5.14 van het bestreden arrest.

3 Laatstelijk gewijzigd bij gelegenheid van de invoering van de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen per 1 januari 2018, zie de Wet van 24 april 2017, Stb. 2017, 177. Zie over art. 1:96 BW o.a. S.F.M. Wortmann, J. van Duijvendijk-Brand, Compendium van het personen- en familierecht 2017/68; M.J.A. van Mourik, F.W.J.M. Schols, Huwelijksvermogensrecht, Monografieën Privaatrecht nr. 12, 2017/7.63.

4 ECLI:NL:HR:1976:AE1063, NJ 1977/275 m.nt. J.C. Schultsz. Zie hierover o.a. Asser/Vonken 10-II 2016/279, 281 en 284-285; L. Strikwerda/S.J. Schaafsma, Inleiding tot het Nederlandse internationaal privaatrecht, 2019, nrs. 201 en 204; Groene Serie Personen- en familierecht, aant. 5.D.3 en 5.D.II (F. Ibili); I.S. Joppe, Huwelijksvermogensrecht, Praktijkreeks IPR, deel 7, 2010, nrs. 5, 21.

5 Zie rov. 3.2 van het vonnis.

6 Zie rov. 3.2 van het eindvonnis, nrs. 2.6-3.7 van de memorie van grieven, en memorie van antwoord, nrs. 18-25.

7 Zie o.a. Asser/Vonken 10-I 2018/491 en 498-499; Strikwerda/Schaafsma, a.w., nr. 132; P. Vlas, IPR en BW, monografieën BW, deel A27, 2015 nr. 31. Zie ook Kamerstukken II 2009-10, 32 137, nr. 3, p. 14 (MvT).

8 De zaak deed mij enigszins denken aan een uitspraak van de rechtbank Arnhem van 8 augustus 1995, ECLI:NL:RBARN:1995:AC0492, NJ 1996/340, m.nt. Th.M. de Boer. Daarin werd de openbare orde ingezet om bijstandsverhaal op grond van de toenmalige Algemene Bijstandswet mogelijk te maken op een gewezen echtgenoot, terwijl hem volgens het op de alimentatie toepasselijke recht geen onderhoudsverplichting kon worden opgelegd. De rechtbank overwoog onder meer dat bijstandsuitkeringen een groot beslag op de openbare middelen leggen en dat de verhaalsmogelijkheid een integrerend deel van de regeling krachtens de Bijstandswet is (rov. 8). Daarom zou de Nederlandse openbare orde niet verdragen dat op grond van art. 8 van het destijds geldende Haags Alimentatieverdrag 1973 (waarin de koppeling is neergelegd van het alimentatiestatuut aan het recht dat op de echtscheiding is toegepast) de gewezen echtgenoot zich zou kunnen onttrekken aan bijstandsverhaal. Zie hierover de terecht kritische NJ-noot van De Boer.