Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:123

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
11-01-2019
Datum publicatie
26-02-2019
Zaaknummer
17/05852
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:443, Gevolgd
Rechtsgebieden
Internationaal privaatrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

IPR. Rechtsmacht. Art. 7 lid 1 Rv. Maatstaf voor het onderzoek naar de rechtsmacht van de Nederlandse Rechter. Voorwaarden voor toepassing van art. 7 lid 1 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2019/286
JBPr 2019/32 met annotatie van Bens, T.A.G.
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 17/05852 Mr. P. Vlas

Zitting: 11 januari 2019 Conclusie inzake:

1. [eiser 1] , wonende te [woonplaats] , Duitsland

2. [eiser 2] , wonende te [woonplaats] , Duitsland

(hierna gezamenlijk: [eisers] )

tegen

1. [verweerder 1] , wonende te [woonplaats] , Moldavië

2. [verweerder 2] , wonende te [woonplaats] , Moldavië

(hierna gezamenlijk: [verweerders] )

Deze zaak betreft de vraag of de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is om op de voet van art. 7 lid 1 Rv kennis te nemen van vorderingen tegen verschillende gedaagden. Ook komt de vraag aan de orde of de Nederlandse rechter zijn bevoegdheid kan baseren op art. 9, aanhef en onder b en c, Rv. De aanleiding voor deze procedure is gelegen in de beweerdelijk onrechtmatige onteigening van aandelen (door middel van zogenoemde ‘raider attacks’) in verschillende vennootschappen in Moldavië.

1. Feiten1 en procesverloop

1.1 [verweerder 1] is ‘ultimate beneficial owner’ (hierna: UBO) van de Nederlandse vennootschap [A] BV, waarvan de Nederlandse vennootschap [B] BV (hierna: [B] ) bestuurder is. [A] en [B] worden hierna gezamenlijk aangeduid als ‘de Nederlandse gedaagden’. [A] was tot 15 december 2011 enig aandeelhouder van de Nederlandse vennootschap [C] BV, thans [C] BV genaamd (hierna: [C] ).

1.2 [eisers] en [verweerder 1] hebben vanaf 2000 geïnvesteerd in onder meer Victoriabank, een Moldavische financiële instelling. Hun investeringen werden gehouden via verschillende vennootschappen en via afspraken met derden.

1.3 Aandeelhouders van Victoriabank waren onder meer AVB Prim SRL (5,76%); Victoria Asigurari SRL (3,88%) en Victoria Invest SRL (17,1%). [eisers] hielden gezamenlijk een middellijk belang van 100% in AVB Prim. Voorts hielden [eiser 1] en [eiser 2] een middellijk belang van ieder 27,2% in Victoria Asigurari. [verweerder 1] hield eveneens een middellijk belang van 27,2% in Victoria Asigurari. Dit belang hield hij via [betrokkene 1] , zijn zuster.

1.4 [eisers] waren niet alleen (middellijk) aandeelhouder in Victoriabank, maar ook in twee andere Moldavische financiële instellingen, Banka de Economii en Asito International Insurance Company. Samen met de Victoriabank worden deze instellingen hierna gezamenlijk aangeduid als de financiële instellingen.

1.5 Het Economisch Gerecht in Moldavië heeft bij uitspraken in 2010 en 2011 bij verstek geoordeeld dat de aan de (middellijke) verkrijging van de aandelen in de financiële instellingen door [eisers] ten grondslag liggende overeenkomsten ongeldig waren. Als gevolg van deze uitspraken zijn [eisers] hun indirecte aandelenbelang in dan wel de gerechtigheid tot de financiële instellingen (deels) kwijtgeraakt.

1.6 Meer in het bijzonder hebben uitspraken van het Economisch Gerecht van 11 en 19 maart 2010 ertoe geleid dat omstreeks 18 mei 2010:

(i) het indirecte belang van [eisers] in Victoria Asigurari is overgegaan naar [betrokkene 1] die deze aandelen is gaan houden voor [verweerder 1] . In combinatie met haar reeds bestaande belang in Victoria Asigurari van 27,2% en aandelen die [betrokkene 1] na een emissie Victoria Asigurari verkreeg, steeg het door [betrokkene 1] gehouden belang in Victoria Asigurari tot 81,7%;

(ii) het indirecte belang van [eisers] in AVB Prim is overgegaan op de Schotse vennootschap Financial Investment Corporation (hierna: FIC).

1.7 Victoria Asigurari en AVB Prim hebben op 22 oktober 2010 hun belangen van 3,88%, respectievelijk 5,76% in Victoriabank overgedragen aan Victoria Invest. Als gevolg van deze overdrachten steeg het belang van Victoria Invest in Victoriabank van 17,1% naar (afgerond) 26,75%.

1.8 Op 21 februari 2011 hebben de volgende transacties plaatsgevonden:

(i) [C] heeft een belang van 81,7% in Victoria Asigurari verkregen tegen uitgifte van 2.945.810 aandelen [C] ;

(ii) Bij ‘deed of transfer of shares’, verleden voor een notaris te Amsterdam, heeft [betrokkene 1] 2.945.810 aandelen [C] overgedragen aan [A] .

1.9 Op 24 februari 2011 heeft [C] een belang van 81,7% in Victoria Asigurari respectievelijk van 26,75% in Victoriabank verkregen tegen uitgifte van 15.106.754 aandelen.

1.10 Op 15 december 2011 heeft [A] de aandelen in [C] verkocht en geleverd aan [betrokkene 2] tegen een koopprijs van USD 80 miljoen.

1.11 [eisers] hebben op 24 december 2014 [A] , [B] , [verweerder 1] , [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3] ) en [verweerder 2] (hierna gezamenlijk: ‘de gedaagden’) gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam. [eisers] hebben, voor zover thans van belang, een verklaring voor recht gevorderd dat de gedaagden jegens [eisers] inbreuk hebben gemaakt op art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM en/of art. 5 EVRM, althans onrechtmatig jegens [eisers] hebben gehandeld, alsmede schadevergoeding, op te maken bij staat. Daartoe hebben [eisers] aangevoerd dat de gedaagden het aandelenbezit van [eisers] in de financiële instellingen op onrechtmatige wijze hebben ontnomen, althans hebben doen ontnemen of daaraan hebben meegewerkt. Volgens [eisers] is de Nederlandse rechter bevoegd op grond van art. 7 lid 1 Rv dan wel op grond van art. 9, aanhef en onder b en c, Rv.

1.12 [verweerder 1] , [verweerder 2] en [betrokkene 3] (die allen hun woonplaats in Moldavië hebben), hebben een beroep gedaan op de onbevoegdheid van de Nederlandse rechter. Zij hebben hiertoe aangevoerd dat geen rechtsmacht op basis van art. 7 lid 1 Rv kan worden aangenomen, omdat onvoldoende samenhang bestaat tussen de tegen hen ingestelde vorderingen en de vorderingen tegen de in Nederland gevestigde gedaagden.

1.13 Bij tussenvonnis van 10 februari 2016 heeft de rechtbank zich bevoegd verklaard om kennis te nemen van de vorderingen tegen de in Nederland gevestigde gedaagden [A] en [B] . In dat geschil is inmiddels door de rechtbank op 8 maart 2017 eindvonnis gewezen, waarbij de vorderingen van [eisers] zijn afgewezen.2 Ten aanzien van de vorderingen tegen [verweerder 1] , [betrokkene 3] en [verweerder 2] heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard, omdat deze vorderingen onvoldoende samenhangen met de vorderingen jegens de Nederlandse gedaagden, zodat de rechtsmacht van de Nederlandse rechter niet op art. 7 lid 1 Rv kan worden gebaseerd (rov. 4.10). Evenmin kan rechtsmacht worden gebaseerd op art. 9, aanhef en onder c, Rv (forum necessitatis), omdat de vorderingen onvoldoende zijn verbonden met de Nederlandse rechtssfeer (rov. 4.13).

1.14 Op het door [eisers] tegen het tussenvonnis ingestelde hoger beroep heeft het hof Amsterdam bij arrest van 12 september 2017 beslist. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd voor zover de rechtbank zich onbevoegd heeft verklaard kennis te nemen van de vorderingen van [eisers] jegens [verweerder 1] die betrekking hebben op de gestelde ontneming van de (indirect) door [eisers] gehouden aandelen AVB Prim en Victoria Asigurari. Voor het overige heeft het hof het vonnis bekrachtigd en de zaak teruggewezen naar de rechtbank Amsterdam voor verdere behandeling.

1.15 Het hof heeft, kort samengevat, het volgende overwogen. Art. 7 lid 1 Rv is ontleend aan (thans) art. 8, aanhef en punt 1, EEX-Verordening3, zodat de rechtspraak van het HvJEU over deze bepaling en over haar voorgangers van belang kan zijn bij de uitleg van art. 7 lid 1 Rv. Bij de beantwoording van de vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, beperkt het hof zich niet tot de stellingen van [eisers] en de door hen gekozen grondslag van hun vordering, maar zal ook acht worden geslagen op de beschikbare gegevens over de tussen partijen bestaande rechtsverhouding en op de stellingen van [verweerders] (rov. 3.5). De aandelen die [eisers] tot de onteigening van 18 mei 2010 hielden in Victoria Asigurari en AVB Prim, zijn in ieder geval deels dezelfde als de aandelen die door [betrokkene 1] zijn overgedragen aan [C] , waarvan [verweerder 1] UBO is. AVB Prim en Victoria Asigurari hebben ingevolge de vonnissen van het Economisch Gerecht de door hen gehouden aandelen in Victoriabank overgedragen aan Victoria Invest, waarvan [verweerder 1] , naar moet worden aangenomen, eveneens UBO is (rov. 3.6). Er is sprake van eenzelfde situatie feitelijk en rechtens (rov. 3.7). Er bestaat samenhang tussen de vorderingen jegens de Nederlandse gedaagden en de vorderingen jegens [verweerder 1] , voor zover die vorderingen betrekking hebben op de gestelde ontneming van de (indirect) door [eisers] gehouden aandelen AVB Prim en Victoria Asigurari, zodat rechtsmacht kan worden ontleend aan art. 7 lid 1 Rv (rov. 3.10).

1.16 Het hof heeft overwogen dat geen rechtsmacht bestaat ten aanzien van de overige vorderingen van [eisers] jegens [verweerder 1] (rov. 3.11 en 3.12). Het betreft hier onder meer vorderingen gegrond op beweerdelijke betrokkenheid van [verweerder 1] bij onrechtmatige onteigening van aandelen in Victoriabank die [eisers] hielden door middel van Banca de Economii en Asito.4 Evenmin heeft het hof bevoegdheid aangenomen ten aanzien van de vorderingen tegen [betrokkene 3] en [verweerder 2] . [eisers] hebben onvoldoende concrete feiten en omstandigheden aangedragen op grond waarvan kan worden vastgesteld dat tussen de vorderingen tegen de Nederlandse gedaagden en de vorderingen tegen [betrokkene 3] en [verweerder 2] een zodanige samenhang bestaat met het oog op de toepassing van art. 7 lid 1 Rv (rov. 3.13). Evenmin hebben [eisers] voldoende onderbouwd dat het voor hen onaanvaardbaar zou zijn om [betrokkene 3] of [verweerder 2] in een vreemde staat in rechte te betrekken, zodat het beroep op art. 9, aanhef en onder b of c, Rv eveneens faalt (rov. 3.14).

1.17 Het hof heeft overwogen dat het geen aanleiding ziet om in afwijking van het wettelijk stelsel tussentijds cassatieberoep open te stellen van zijn arrest (rov. 3.17).

1.18 [eisers] hebben (tijdig) cassatie ingesteld. [verweerder 1] heeft verweer gevoerd en tevens incidenteel cassatieberoep ingesteld. [verweerder 2] heeft afzonderlijk verweer gevoerd. Partijen hebben hun standpunt schriftelijk toegelicht. [eisers] hebben gerepliceerd, waarna [verweerder 1] en [verweerder 2] ieder hebben gedupliceerd. [betrokkene 3] is in de onderhavige procedure geen partij.

2 Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

2.1

Zoals hierboven vermeld, heeft het hof in rov. 3.17 van het bestreden arrest overwogen dat het geen aanleiding ziet om in afwijking van het wettelijk stelsel tussentijds cassatieberoep open te stellen. Desalniettemin hebben [eisers] cassatieberoep ingesteld, zodat ambtshalve de kwestie aan de orde moet worden gesteld of het cassatieberoep ontvankelijk is.5

2.2

Naar vaste rechtspraak is onder een eindvonnis of eindarrest te verstaan een vonnis of arrest waarin de rechter door een uitdrukkelijk dictum een einde aan het geding heeft gemaakt omtrent (enig deel van) het gevorderde.6 Het bestreden arrest is gewezen in het door [verweerders] aanhangig gemaakte bevoegdheidsincident. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank deels vernietigd, namelijk voor zover de rechtbank zich onbevoegd heeft verklaard om kennis te nemen van de vorderingen van [eisers] jegens [verweerder 1] die betrekking hebben op de gestelde ontneming van de (indirect) door [eisers] gehouden aandelen in AVB Prim en in Victoria Asigurari. Voor het overige heeft het hof het vonnis bekrachtigd, dus voor zover de rechtbank zich onbevoegd heeft verklaard om kennis te nemen van de andere vorderingen van [eisers] jegens [verweerder 1] en van de vorderingen jegens [verweerder 2] . Daarmee is ten aanzien van die laatste groep vorderingen een definitieve beslissing gegeven, zodat het arrest in zoverre een eindarrest is, waartegen beroep in cassatie openstaat.7

2.3

In het bestreden arrest is over een deel van de vorderingen van [eisers] nog niet definitief besloten, namelijk voor zover het vonnis is vernietigd en de zaak is teruggewezen naar de rechtbank voor verdere behandeling. In zoverre is het arrest een tussenarrest, waarvan in beginsel ingevolge art. 401a Rv slechts tegelijk met de einduitspraak cassatie kan worden ingesteld. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt echter dat omwille van de goede procesorde tegen dergelijke deelarresten8 beroep in cassatie kan worden ingesteld, dus ook voor zover het deelarrest een tussenarrest is en daartegen geen tussentijds cassatieberoep is opengesteld. 9 Daarbij geldt de regel dat de eiser tot cassatie niet uitsluitend klachten mag richten tegen het gedeelte van het arrest dat als tussenarrest wordt beschouwd, omdat daarmee het rechtsmiddelenverbod zou worden omzeild. Deze situatie doet zich thans niet voor. [eisers] hebben immers klachten gericht tegen de bekrachtiging door het hof van het afwijzende bevoegdheidsoordeel van de rechtbank, waarmee een einde is gemaakt aan het geding voor zover het ziet op de desbetreffende vorderingen. Zij klagen dus over dat gedeelte van het bestreden arrest waarin een eindbeslissing is gegeven, zodat zij ontvankelijk zijn in hun cassatieberoep.

2.4

[verweerder 1] heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. Daarin is [verweerder 1] uitsluitend opgekomen tegen het gedeelte van het bestreden arrest dat als tussenarrest valt aan te merken. Betekent dit dat [verweerder 1] niet-ontvankelijk moet worden verklaard? Ik meen dat dit niet het geval is. Een niet-ontvankelijkverklaring van [verweerder 1] zou in strijd zijn met de goede procesorde en een nodeloze splitsing betekenen van de berechting van het geschil voor zover dit geschil betrekking heeft op de bevoegdheid van de Nederlandse rechter. [verweerder 1] is daarom ontvankelijk in het incidenteel cassatieberoep.

3 Bespreking van het principaal cassatiemiddel

3.1

Het principaal cassatiemiddel bestaat na een inleiding uit vijf onderdelen. Het middel stelt in de kern genomen de door het hof gehanteerde maatstaf voor de toepassing van art. 7 lid 1 Rv aan de orde.

3.2

Bij de bespreking van het middel stel ik het volgende voorop. Bij de Wet van 6 december 2001 is in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een algemene regeling inzake de rechtsmacht van de Nederlandse rechter ingevoegd in de eerste afdeling van de eerste titel van Boek 1 Rv.10 Bij het opstellen van deze commune bevoegdheidsbepalingen (art. 1-14 Rv) is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij het destijds voor Nederland geldende EG Bevoegdheids- en Executieverdrag van 27 september 1968 (hierna: EEX-Verdrag, in de parlementaire geschiedenis aangeduid als het Verdrag van Brussel)11 en het op 16 september 1988 te Lugano tot stand gekomen Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.12 In de parlementaire geschiedenis van de Wet van 6 december 2001 valt over de opzet van de afdeling inzake de rechtsmacht van de Nederlandse rechter het volgende te lezen:

‘In de voorgestelde bepalingen is acht geslagen op de genoemde verdragen en op buitenlandse regelingen, alsmede op Nederlandse opvattingen en rechtspraak. Bij elkaar leveren deze bouwstenen een systeem op dat aansluit bij internationale ontwikkelingen en in zijn uitwerking niet fundamenteel afwijkt van wat voorheen in Nederland gold. Zo is deels ook sprake van codificatie van Nederlandse rechtspraak. De bepalingen die nu nog geen geldend recht zijn, zijn doorgaans in hun essentie ontleend aan het Verdrag van Brussel/het Verdrag van Lugano. Bij dit laatste is telkens nagegaan of invoering van die regels en invoering in die vorm wel zinvol is voor de onderhavige Nederlandse regeling: die regeling moet niet zonder goede reden moeilijker worden gemaakt dan het huidige stelsel. Er kunnen overweging zijn (…) om een bepaalde voorziening die in de genoemde verdragen is opgenomen, in de Nederlandse regeling achterwege te laten of eenvoudiger op te zetten. Ook moest worden verdisconteerd dat het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een andere functie heeft dan deze verdragen. Onder deze verdragen is er sprake van een intern-regionale relatieve bevoegdheidsregeling, en dus soms ook ontzegging van de rechtsmacht van de rechters van de betrokken staten. De Nederlandse bepalingen hoeven zich niet met ontzegging van rechtsmacht bezig te houden, behalve in het geval van forumkeuze voor een buitenlandse rechter (…).

Al met al kan worden gesteld dat de hoofdlijnen van deze afdeling overeenstemmen met de hoofdlijnen van titel II van de beide genoemde verdragen. Ook is in grote lijnen dezelfde volgorde, en dus tevens dezelfde systematiek aangehouden als in die verdragen. Wel is de nationale regeling ten aanzien van de verlening van rechtsmacht in het algemeen iets ruimer uitgevallen, hetgeen door de genoemde verdragen ook geenszins wordt verboden. De nationale wetgever moet in dit opzicht niet te zuinig zijn: wanneer de verdragen niet van toepassing zijn, dan moet in Nederland in beginsel een titel kunnen worden verkregen. (…)’.13

3.3

Uit dit citaat blijkt dat de wetgever zich weliswaar bij het opstellen van de commune bevoegdheidsregels heeft laten inspireren door de bevoegdheidsbepalingen van het EEX-Verdrag (en van het EVEX I, dat ik verder buiten beschouwing laat), maar die bepalingen niet klakkeloos heeft overgenomen. De wetgever heeft rekening gehouden met het verschil in hun doelstelling. Bij het EEX-Verdrag – en ook bij zijn opvolgers de EEX-Verordening nr. 44/2001 en de huidige ‘herschikte’ EEX-Verordening – is het doel gericht op het binnen de EU tot stand brengen van één procesterritoir, waarin sprake is van vrij verkeer van vonnissen. De EEX-bevoegdheidsregeling is erop gericht om binnen de lidstaten ‘een intern-regionale relatieve bevoegdheidsverdeling’ tot stand te brengen. De commune bevoegdheidsbepalingen zijn daarentegen eenzijdig gericht op het bepalen van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter in het geval dat verdragen en verordeningen ontbreken (zie ook art. 1 Rv). Dit verschil in doelstelling brengt mee, zo valt in de parlementaire geschiedenis te lezen, dat de regels inzake de rechtsmacht van de Nederlandse rechter ruimer kunnen uitvallen. Die ruimere opzet blijkt bijvoorbeeld uit de omstandigheid dat de in art. 6 Rv genoemde gronden voor rechtsmacht extra (objectief bepaalbare) gronden zijn die gelden wanneer geen rechtsmacht kan worden gebaseerd op art. 2 Rv (woonplaats gedaagde) of op art. 3 Rv (algemene bevoegdheidsbepaling voor verzoekprocedures).14 Onder het EEX-Verdrag en de EEX-Verordening is dit anders. De bevoegdheidsbepalingen van art. 5 EEX-Verdrag en thans van art. 7 EEX-Verordening zijn bijzondere of alternatieve bevoegdheidsgronden, waarbij de eiser kan kiezen of hij gebruik maakt van de algemene bevoegdheidsbepaling van art. 2 EEX-Verdrag of thans van art. 4 EEX-Verordening (kort gezegd: bevoegd is de rechter van de lidstaat van de woonplaats van de verweerder) of van de bijzondere bevoegdheidsbepalingen.

3.4

Art. 7 lid 1 Rv regelt de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter in het geval van verschillende gedaagden. Heeft de Nederlandse rechter in zaken die bij dagvaarding moeten worden ingeleid15 rechtsmacht ten aanzien van één van de gedaagden, dan is de rechter ook bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen die zijn ingesteld tegen de andere in het geding betrokken gedaagden, mits – zo bepaalt art. 7 lid 1 Rv – ‘tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden een zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen’. Art. 7 lid 1 Rv is in belangrijke mate ontleend aan dezelfde bevoegdheidsbepaling die is opgenomen art. 6 sub 1 EEX-Verdrag (en thans in art. 8 punt 1 EEX-Verordening). Een verschil is echter dat art. 7 lid 1 Rv niet vereist dat een van de gedaagden woonplaats in Nederland heeft. De rechtsmacht ten aanzien van de ‘ankergedaagde’ kan op iedere rechtsmachtgrond worden gebaseerd, dus bijvoorbeeld ook op een bevoegdheidsgrond genoemd in art. 6 Rv.16 In de wetsgeschiedenis valt over art. 7 Rv het volgende te lezen:

‘Voor het eerste lid van artikel 7 (…), voorgesteld om redenen van doelmatigheid en proceseconomie, vergelijke men het huidige artikel 126, zevend lid, Rv, alsmede artikel 6, onderdeel 1, EEX/EVEX. Artikel 7 (…) is echter beperkter geredigeerd (zie het slot), omdat rechtsmacht op de grond dat ook andere verweerders in het geding betrokken zijn, exorbitant zou zijn indien er tussen de vorderingen tegen de verschillende verweerders geen verband is. In de voorgestelde tekst is in dit opzicht de rechtspraak van het Hof van Justitie verwerkt, zodat van een afwijking van artikel 6, onderdeel 1 EEX geen sprake is. Voorts valt uit de rechtspraak van de Hoge Raad af te leiden dat het hier bedoelde verband aanwezig wordt geacht wanneer “redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling wettigen”. Die formulering is nu ook in de wet opgenomen’.17

3.5

De vraag rijst in hoeverre de rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU (HvJEU) van belang is voor de uitleg van art. 7 lid 1 Rv. Moet deze rechtspraak zonder meer worden gevolgd? Anders dan bij de uitleg van instrumenten van Europees internationaal privaatrecht, zoals het EEX-Verdrag en de EEX-Verordening, is de Nederlandse rechter is bij de uitleg van de commune bevoegdheidsbepalingen niet gebonden aan de uitleg die het HvJEU heeft gegeven aan soortgelijke bevoegdheidsbepalingen in het EEX-Verdrag en in de EEX-Verordening. Voor zover de commune bevoegdheidsbepalingen zijn ontleend aan het EEX-Verdrag dan wel de EEX-Verordening, zal de rechtspraak van het HvJEU voor de Nederlandse rechter een belangrijk richtsnoer zijn bij de uitleg van de commune bevoegdheidsbepalingen.18Bij het redigeren van art. 7 lid 1 Rv heeft de wetgever rekening gehouden met het arrest van het (toenmalige) HvJEG van 27 september 1988 (Kalfelis/Schröder). 19 Het Hof heeft beslist dat voor de toepassing van art. 6 sub 1 EEX-Verdrag er tussen de verschillende rechtsvorderingen die door een zelfde verzoeker tegen verschillende verweerders zijn ingesteld, ‘een zodanig verband moet bestaan dat het van belang deze tezamen te berechten, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare uitspraken worden gedaan’.

3.6

Art. 7 lid 1 Rv heeft het vereiste van samenhang overgenomen en daaraan toegevoegd dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen. Het vermijden van het gevaar dat bij afzonderlijke berechting onverenigbare uitspraken ontstaan, wordt niet uitdrukkelijk genoemd. Dat het voorkomen van onverenigbare uitspraken niet in art. 7 lid 1 Rv is vermeld, is begrijpelijk in het licht van het verschil in doelstelling tussen de commune bevoegdheidsbepalingen en de EEX-bevoegdheidsbepalingen. Onder de gelding van de EEX-bevoegdheidsregeling moet immers worden voorkomen dat de rechter van de ene lidstaat een beslissing geeft die onverenigbaar is met de beslissing van de rechter van een andere lidstaat, waardoor in de fase van de erkenning en de tenuitvoerlegging problemen kunnen ontstaan.

3.7

Over de rechtspraak van het HvJEU inzake de uitleg van art. 6 sub 1 EEX-Verdrag (en thans art. 8 punt 1 EEX-Verordening) merk ik nog het volgende op. Werd in het arrest Kalfelis/Schröder nog gesproken van ‘onverenigbare uitspraken’, uit latere rechtspraak van het HvJEU volgt dat het moet gaan om ‘tegenstrijdige’ beslissingen, waarbij de tegenstrijdigheid zich moet voordoen in ‘eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens’.20 De eis dat sprake moet zijn van eenzelfde juridische situatie is genuanceerd in het arrest Freeport/Arnoldsson. 21 Deze zaak betrof vorderingen tegen twee gedaagden, waarvan de ene vordering op wanprestatie en de andere op onrechtmatige daad was gebaseerd. Het Hof oordeelde dat deze verschillende grondslag op zichzelf niet betekent dat tussen de vorderingen geen samenhang bestaat.22 In het arrest Eva-Maria Painer heeft het Hof bevestigd dat ook sprake kan zijn van samenhang als op de verschillende vorderingen verschillend nationaal recht van toepassing is dat niet volledig is geharmoniseerd, waarbij van belang kan zijn dat het toepasselijke recht ‘in de hoofdzaak identiek’ is.23 Hoewel het Hof zich nog niet nader heeft uitgesproken over de betekenis van de eis dat sprake moet zijn van ‘eenzelfde feitelijke situatie’, vloeit uit zijn rechtspraak voort dat voor samenhang niet is vereist dat de vorderingen op de verschillende gedaagden precies dezelfde feitelijke grondslag hebben. Wel zal tussen de gedragingen in zoverre een verband moeten bestaan dat het voor een opgeroepen gedaagde voorzienbaar was dat hij voor de rechter van de woonplaats van een medegedaagde zou worden opgeroepen, hetgeen niet het geval is als hij onafhankelijk van zijn medegedaagde(n) heeft gehandeld. 24

3.8

Zoals ik hierboven heb vermeld, zal de rechtspraak van het HvJEU een belangrijk richtsnoer zijn bij de uitleg van de commune bevoegdheidsbepalingen, voor zover deze bepalingen zijn ontleend aan soortgelijke bevoegdheidsbepalingen uit het EEX-Verdrag of de EEX-Verordening. Dat de rechter de rechtspraak van het HvJEU tot richtsnoer neemt, bevordert de hanteerbaarheid van het recht. Gelijksoortige bepalingen worden dan zoveel mogelijk op gelijke wijze uitgelegd. Dit neemt niet weg sprake is van een richtsnoer, omdat het verschil in doelstelling tussen de bepalingen van het internationale instrument en de nationale bepalingen kan leiden tot een verschil in uitleg.

3.9

Er is nog een andere kwestie waarbij de vraag rijst of de rechtspraak van het HvJEU moet worden gevolgd. Het betreft de reikwijdte van de onderzoeks- en motiveringsplicht van de rechter bij de beoordeling van zijn internationale bevoegdheid. In het bestreden arrest heeft het hof in rov. 3.5 zich op dit punt aangesloten bij de rechtspraak van het HvJEU. Uit deze rechtspraak volgt dat de rechter zich bij de beoordeling van zijn bevoegdheid niet beperkt tot de stellingen van de eiser, maar ook acht moet slaan op de beschikbare gegevens over de werkelijk tussen partijen bestaande rechtsverhouding en op de stellingen van de gedaagde.25 Dat betekent niet dat de rechter uitgebreid feitenonderzoek moet doen. De rechtszekerheid verlangt dat de nationale rechter zich gemakkelijk over zijn eigen bevoegdheid kan uitspreken, zonder dat hij de zaak ten gronde behoeft te onderzoeken.26 Volgens het HvJEU moet daarom niet reeds bij de beoordeling van de bevoegdheid worden overgegaan op gedetailleerde bewijsvoering met betrekking tot de zowel voor de bevoegdheid als voor de gegrondheid relevante feiten, want daarmee zou op het onderzoek naar de gegrondheid van de vorderingen vooruit worden gelopen.

3.10

In het commune internationaal procesrecht gaat de Nederlandse rechter voor het bepalen van zijn rechtsmacht uit van de door de eiser aangevoerde stellingen en de grondslag van diens vorderingen.27 Niets verzet zich naar mijn mening ertegen dat de rechter bij het beoordelen van zijn rechtsmacht acht slaat op de eventuele betwistingen en stellingen van de verweerder zonder dat dit leidt tot een gedetailleerde bewijsvoering. Door daarop acht te slaan is de rechter in staat op te treden tegen eventuele bevoegdheidsmanipulaties van de eiser en worden langdurige procedures over de bevoegdheid voorkomen. Dit komt de proceseconomie ten goede en daarmee ook de doelmatigheid. Voor een gedetailleerde bewijsvoering is in het kader van een bevoegdheidsincident onder het commune internationaal procesrecht evenmin plaats.

3.11

Na deze inleidende opmerkingen kom ik toe aan de bespreking van het cassatiemiddel.

3.12

Onderdeel 1 houdt kort gezegd in dat het hof in rov. 3.1, 3.4 en 3.7 heeft miskend dat de vorderingen jegens [verweerder 1] niet slechts op onrechtmatige daad, maar ook op ongerechtvaardigde verrijking waren gebaseerd. Volgens het onderdeel is het hof van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan, omdat de grondslag van de vordering niet van belang is bij de toepassing van art. 7 lid 1 Rv. Voor zover het hof niet heeft geoordeeld over de bevoegdheid op grond van ongerechtvaardigde verrijking, heeft het hof in strijd met art. 23 Rv verzuimd op een deel van het gevorderde te beslissen, aldus het onderdeel.

3.13

Het hof heeft weliswaar alleen onrechtmatige daad genoemd als grondslag van de vorderingen van [eisers] jegens [verweerder 1] , maar in de bestreden overwegingen valt niet te lezen dat het hof van oordeel is dat de bevoegdheid van de Nederlandse rechter afhangt van de grondslag van de vorderingen in die zin dat de Nederlandse rechter niet ook bevoegd zou zijn kennis te nemen van een vordering gebaseerd op ongerechtvaardigde verrijking. Het hof heeft daarentegen betekenis aan deze grondslag toegekend in het kader van de beoordeling of voldoende samenhang bestaat in de zin van art. 7 lid 1 Rv. Daarbij is het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan, omdat bij de beoordeling van de vraag of tussen die vorderingen samenhang bestaat betekenis kan worden toegekend aan de grondslag van de vorderingen jegens de verschillende gedaagden, hoewel een verschil in grondslag op zichzelf niet betekent dat geen samenhang bestaat.28 Het hof mocht bij de toepassing van art. 7 lid 1 dus betekenis toekennen aan de grondslag van de verschillende vorderingen van [eisers] Het onderdeel stuit hierop af.

3.14

Onderdeel 2 valt is gericht tegen rov. 3.11 en 3.12 van het arrest en valt in verschillende subonderdelen uiteen. Het onderdeel klaagt in de kern dat het hof in rov. 3.11 ten onrechte rechtsmacht heeft afgewezen ten aanzien van de vorderingen met betrekking tot aandelen in Asito en Banca de Economii en overige (niet van AVB-Prim en Victoria Asigurari afkomstige) aandelen in Victoriabank (hierna: de aandelen in de overige financiële instellingen).

3.15

Subonderdeel 2.1 klaagt dat het hof heeft nagelaten te beslissen of rechtsmacht bestaat ten aanzien van de genoemde vorderingen jegens [eisers] Het subonderdeel voert aan dat [eisers] gemotiveerd hebben gesteld dat samenhang bestaat tussen de tegen de Nederlandse gedaagden en de tegen [verweerder 1] ingestelde vorderingen, nu deze alle zien op bij de onrechtmatige onteigeningen (raider attacks) betrokken aandelen in de overige financiële instellingen.

3.16

Het hof heeft in rov. 3.11 uitdrukkelijk geoordeeld over het beroep van [eisers] op samenhang met de vorderingen tegen de Nederlandse gedaagden. Het hof is tot het oordeel gekomen dat die samenhang ten aanzien van de vorderingen met betrekking tot aandelen in de overige financiële instellingen ontbreekt. Daarmee heeft het hof niet nagelaten om op dit deel van de vorderingen te beslissen, zodat het subonderdeel faalt.

3.17

Subonderdeel 2.2 houdt in dat het oordeel van het hof dat [eisers] onvoldoende (concrete) feiten en omstandigheden hebben gesteld voor het bestaan van de bedoelde samenhang, onjuist is althans ontoereikend gemotiveerd. Het subonderdeel wijst op een aantal stellingen die [eisers] hebben ingenomen ter onderbouwing van de samenhang.29 Volgens het subonderdeel (onder 2.2.1) had het hof moeten motiveren waarom [eisers] hun stellingen nader hadden moeten concretiseren en had het hof kenbaar in zijn beoordeling moeten betrekken in hoeverre de verschillende stellingen door [verweerder 1] zijn betwist.

3.18

Het subonderdeel gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het betoogt dat de rechter in zijn oordeel over de rechtsmacht uitdrukkelijk van iedere stelling van de eiser moet nagaan of deze is betwist. Zoals ik hierboven onder 3.10 heb geschreven, gaat de rechter voor het bepalen van zijn rechtsmacht uit van de door de eiser aangevoerde stellingen en de grondslag van diens vordering. De rechter kan daarbij acht slaan op de eventuele betwistingen door de verweerder. De rechter is niet gehouden in het kader van de beoordeling van zijn rechtsmacht alle betwistingen van de verweerder kenbaar in zijn beoordeling te betrekken. Een dergelijke benadering zou, zowel in het commune bevoegdheidsrecht als onder de gelding van het EEX-Verdrag en de EEX-Verordening, haaks staan op het uitgangspunt dat in beginsel de bevoegdheid op eenvoudige wijze moet worden bepaald. Bovendien betekent de omstandigheid dat sommige stellingen van [eisers] niet door [verweerder 1] zijn betwist, nog niet dat uit die stellingen ook kan worden afgeleid dat inderdaad sprake is van samenhang. Het hof is tot het oordeel gekomen dat uit de stellingen van [eisers] niet volgt dat sprake is van samenhang in de zin van art. 7 lid 1 Rv. Dat sommige van die stellingen niet zijn betwist, maakt dat oordeel niet onbegrijpelijk. De klacht faalt derhalve.

3.19

Het subonderdeel (onder 2.2.2) klaagt nog dat het oordeel van het hof in rov. 3.11 onbegrijpelijk is. Het subonderdeel betoogt dat het hof in rov. 3.7 voor zijn oordeel dat (wel) voldoende samenhang bestaat tussen sommige van de vorderingen tegen [verweerder 1] en die tegen de Nederlandse gedaagden, van doorslaggevend belang heeft geacht dat de gegrondheid van de vorderingen tegen [verweerder 1] een noodzakelijke voorwaarde is voor aansprakelijkheid van de Nederlandse gedaagden. Dat geldt ook voor de vorderingen tegen [verweerder 1] waarvan het hof in rov. 3.11 oordeelt dat zij niet samenhangen met de vorderingen tegen de Nederlandse gedaagden. Volgens het subonderdeel zouden de beide oordelen dus onverenigbaar zijn.

3.20

De klacht verliest uit het oog dat het hof het beroep op samenhang in rov. 3.11 heeft verworpen, omdat de stellingen van [eisers] over de in die overweging bedoelde vorderingen niet voldoende concreet zijn. De stellingen over de in rov. 3.7 bedoelde vorderingen zijn dat volgens het hof wel. Daarmee faalt het subonderdeel.

3.21

Het subonderdeel (onder 2.2.3) bevat de klacht dat rov. 3.11 onbegrijpelijk zou zijn voor zover het hof daarbij is uitgegaan van een uitleg van de stellingen van [eisers] , die inhoudt dat die stellingen beperkt zijn tot vorderingen die (mede) berusten op onrechtmatige verhanging van de aandelen in [C] .

3.22

Ook deze klacht faalt. In rov. 3.11 is niet te lezen dat het hof van die uitleg zou zijn uitgegaan. Het hof beoordeelt in rov. 3.11 immers alle vorderingen van [eisers] gebaseerd op onrechtmatige ontneming van aandelen in financiële instellingen (niet zijnde AVB Prim en Victoria Asigurari). Het subonderdeel gaat dus uit van een onjuiste lezing van de bestreden overweging.

3.23

Het subonderdeel (onder 2.2.4) betoogt verder dat het hof zijn taak in het bevoegdheidsincident heeft miskend, omdat het niet mocht vooruitlopen op een inhoudelijke beoordeling van de juistheid van de stellingen van [eisers] , maar moest toetsen of deze stellingen, indien zij juist zouden zijn bevonden, samenhang bewerkstelligen tussen de vorderingen tegen [verweerder 1] en de vorderingen tegen de Nederlandse gedaagden. Het hof had [eisers] moeten toelaten tot het door hen aangeboden getuigenbewijs van de raider attacks.

3.24

In rov. 3.11 valt niet te lezen dat het hof vooruit is gelopen op een inhoudelijke beoordeling van de juistheid van de stellingen van [eisers] De klacht dat het hof [eisers] had moeten toelaten bewijs te leveren van hun stellingen, miskent dat de beoordeling van de bevoegdheid zich niet leent voor uitgebreid feitenonderzoek of bewijslevering. Ook deze klachten van subonderdeel 2.2 falen.

3.25

Subonderdeel 2.3 betoogt dat in het commune bevoegdheidsrecht de rechter bij de beoordeling van zijn bevoegdheid moet uitgaan van de stellingen van de eiser. Het subonderdeel (onder 2.3.2) benadrukt dat de vorderingen van [eisers] zien op een samenstel van handelingen ter zake waarvan hoofdelijke veroordeling is gevorderd, waarvan de handelingen van de Nederlandse vennootschappen een noodzakelijk onderdeel uitmaken.

3.26

Voor zover het subonderdeel voortbouwt op de voorafgaande subonderdelen, deelt het in hun lot. Het subonderdeel lijkt (gelet op hetgeen daarover in de schriftelijke toelichting is opgemerkt)30 ook te klagen dat het hof bij de beoordeling van de bevoegdheid in het geheel geen acht had mogen slaan op stellingen van de verweerder(s), maar uitsluitend op stellingen van de eiser. Deze klacht faalt op de gronden die ik reeds onder 3.10 heb uiteengezet. Daarmee faalt het subonderdeel in zijn geheel.

3.27

Onderdeel 3 is gericht tegen rov. 3.13 van het bestreden arrest, waarin het hof heeft overwogen dat [eisers] onvoldoende concrete feiten en omstandigheden hebben aangedragen op grond waarvan kan worden vastgesteld dat tussen de vorderingen tegen de Nederlandse gedaagden en die tegen [verweerder 2] een zodanige samenhang bestaat dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen in de zin van art. 7 lid 1 Rv. Het onderdeel bevat een algemeen geformuleerde rechts- en motiveringsklacht, die in twee subonderdelen wordt uitgewerkt.

3.28

Subonderdeel 3.1 bevat geen klacht, maar wijst op verschillende stellingen die [eisers] hebben ingenomen ter onderbouwing van hun standpunt dat samenhang bestaat tussen de vorderingen tegen de Nederlandse gedaagden en die tegen [verweerder 2] , zodat de Nederlandse rechter op grond van art. 7 lid 1 Rv rechtsmacht toekomt ten aanzien van laatstgenoemde vorderingen. Deze stellingen zien op de betrokkenheid van [verweerder 2] , onder meer als gevolmachtigde, bij [A] . Volgens het subonderdeel (onder 3.1.1) duiden de door [eisers] aangevoerde stellingen op het bestaan van eenzelfde situatie tussen de vorderingen tegen [verweerder 2] , en de vorderingen tegen [verweerder 1] en tegen de Nederlandse gedaagden.

3.29

Het hof heeft het betoog van [eisers] verworpen met als motivering dat de Nederlandse gedaagden onder de controle van [verweerder 1] stonden, maar dat dit niet zonder meer kan worden aangenomen ten aanzien van [verweerder 2] en [betrokkene 3] .31 Het hof heeft hierbij kenbaar getoetst aan de maatstaf van art. 7 lid 1 Rv (het bestaan van een zodanige samenhang dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen) en is dus niet van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan. Ook heeft het hof gemotiveerd waarom de stellingen van [eisers] niet meebrengen dat sprake is van de vereiste samenhang. Het subonderdeel licht niet toe waarom die motivering ontoereikend zou zijn. De klachten falen derhalve.

3.30

Het subonderdeel (onder 3.1.2) klaagt dat het hof over het hoofd zou hebben gezien dat samenhang bestaat tussen de vorderingen tegen [verweerder 1] en die tegen [verweerder 2] . Uit het oordeel dat de Nederlandse rechter ter zake van de vorderingen tegen [verweerder 1] bevoegd is, zou volgen dat die bevoegdheid ook bestaat ter zake van de vorderingen tegen [verweerder 2] .

3.31

De klacht miskent dat art. 7 lid 1 Rv ziet op het geval dat samenhang bestaat tussen vorderingen tegen een gedaagde ter zake waarvan de Nederlandse rechter bevoegd is, en vorderingen tegen een andere gedaagde of verschillende gedaagden. Het hof heeft terecht onderzocht of samenhang bestond tussen de vorderingen tegen de Nederlandse gedaagden (ten aanzien waarvan reeds bevoegdheid was aangenomen) en de vorderingen tegen [verweerder 2] . Of samenhang bestaat tussen de vorderingen tegen [verweerder 2] en die tegen [verweerder 1] doet niet ter zake. De klacht faalt.

3.32

Het subonderdeel klaagt nog dat de verwerping in rov. 3.13 van het beroep op samenhang tussen de vorderingen op de Nederlandse gedaagden en die tegen [verweerder 2] onvoldoende is gemotiveerd. Het hof zou eraan zijn voorbijgegaan dat [verweerder 2] [A] vertegenwoordigde, waaruit volgt dat het handelen van [verweerder 2] noodzakelijkerwijs samenvalt met dat van die vennootschap, zodat ook sprake is van samenhang tussen de vorderingen tegen [verweerder 2] en die tegen de vennootschap, aldus de klacht.

3.33

Anders dan het subonderdeel aanvoert, is het hof niet aan de stelling van [eisers] voorbijgegaan, maar heeft het deze stelling gemotiveerd verworpen. Volgens het hof is het [verweerder 1] die controle uitoefende over de Nederlandse vennootschappen, maar kan dit ten aanzien van [verweerder 2] niet worden aangenomen. Ook deze klacht faalt.

3.34

Subonderdeel 3.2 somt een groot aantal stellingen van [eisers] op, waaruit de betrokkenheid van [verweerder 2] zou blijken bij de onrechtmatige ontneming van de aandelen van [eisers] in de overige financiële instellingen (waaronder Banca de Economii en Asito). Het subonderdeel betoogt dat deze stellingen duiden op het bestaan van eenzelfde situatie feitelijk en rechtens tussen de vorderingen tegen [verweerder 2] en de vorderingen tegen [verweerder 1] en tegen de Nederlandse gedaagden, zodat het hof een onjuiste maatstaf ten aanzien van art. 7 lid 1 Rv heeft aangelegd.

3.35

Het hof heeft rechtsmacht over deze vorderingen afgewezen, voor zover zij tegen [verweerder 1] zijn gericht, op de grond dat de stellingen van [eisers] over de ontneming van deze aandelen onvoldoende concreet zijn en samenhang met de vorderingen tegen de Nederlandse gedaagden dus niet kan worden vastgesteld (rov. 3.11). Daaruit vloeit voort dat die samenhang naar het oordeel van het hof ook niet bestaat voor zover de vorderingen tegen [verweerder 2] zijn gericht, omdat die vorderingen uitdrukkelijk op dezelfde stellingen zijn gebaseerd.32 Het hof behoefde, anders dan het subonderdeel aanvoert, niet opnieuw op deze stellingen in te gaan, en heeft geen onbegrijpelijk oordeel gegeven. Het subonderdeel faalt.

3.36

Onderdeel 4 is gericht tegen rov. 3.12 en 3.14 van het bestreden arrest, waarin het hof het beroep van [eisers] op art. 9, aanhef en onder b en c, Rv (forum necessitatis) heeft verworpen. Het onderdeel valt in drie subonderdelen uiteen.

3.37

Subonderdeel 4.1 klaagt erover dat het hof het beroep van [eisers] op art. 9, aanhef en onder c, Rv heeft verworpen, omdat dit artikelonderdeel niet vereist dat een procedure buiten Nederland onmogelijk is, maar dat het erom gaat of het onaanvaardbaar is om van de eiser te vergen dat hij de vordering aan het oordeel van een rechter van een vreemde staat onderwerpt.

3.38

Deze klacht berust op een onjuiste lezing van de bestreden overweging. Met zijn oordeel in rov. 3.12 dat niet is gebleken dat een procedure buiten Nederland onmogelijk is, heeft het hof gerespondeerd op het beroep van [eisers] in de memorie van grieven (onder nr. 98) op art. 9, aanhef en onder b, Rv. Voor de toepassing van het in art. 9, aanhef en onder b, Rv opgenomen absolute forum necessitatis is immers vereist dat een gerechtelijke procedure buiten Nederland onmogelijk blijkt.33 Het subonderdeel faalt derhalve.

3.39

Subonderdeel 4.2 klaagt over het oordeel van het hof ten aanzien van de vorderingen met betrekking tot ontneming van aandelen in de overige financiële instellingen dat [eisers] onvoldoende hebben gesteld over een band met de Nederlandse rechtssfeer. Het subonderdeel wijst erop dat [eisers] in feitelijke instanties hebben gesteld dat deze aandelen door middel van de Nederlandse vennootschap [A] zijn ‘geheeld’ of ‘witgewassen’. Het subonderdeel klaagt dat het hof art. 9, aanhef en onder c, Rv op de grondslag van de stellingen [eisers] als rechtsgrond van openbare orde diende toe te passen en niet verantwoord heeft in hoeverre deze stellingen door [verweerder 1] gemotiveerd zijn betwist. Ook klaagt het subonderdeel dat het hof met zijn oordeel in rov. 3.12 over het ontbreken van een band met de Nederlandse rechtssfeer heeft voortgebouwd op zijn eerdere oordeel over het ontbreken van samenhang (rov. 3.11). Volgens het middel gaat het om twee verschillende criteria. De laatste klacht van het subonderdeel houdt in dat het hof met zijn oordeel dat [eisers] onvoldoende hebben gesteld over een band met de Nederlandse rechtssfeer ten onrechte is vooruitgelopen op een inhoudelijke beoordeling van de juistheid van de stellingen van [eisers] en dat, voor zover het hof dat wel mocht doen, het hof [eisers] had moeten toelaten tot getuigenbewijs over de gang van zaken ten aanzien van de raider attacks.

3.40

Het hof heeft in rov. 3.12 en 3.14 geoordeeld over de vraag of art. 9, aanhef en onder b en c, Rv tot rechtsmacht van de Nederlandse rechter kan leiden. Het hof heeft deze vraag ontkennend beantwoord. Daarbij is het hof terecht uitgegaan van de stellingen van [eisers] Het hof behoefde bij deze stand van zaken niet te verantwoorden in hoeverre de stellingen van [eisers] door [verweerder 1] (gemotiveerd) zijn betwist. Anders dan het subonderdeel betoogt, volgt uit rov. 12 niet dat het hof heeft voortgebouwd op het oordeel in rov. 3.11 over het ontbreken van samenhang met het oog op de toepassing van art. 7 lid 1 Rv. Dat het hof in rov. 3.12 vooruit is gelopen op een inhoudelijke beoordeling van de juistheid van de stellingen van [eisers] , valt daarin niet te lezen. Het hof heeft in rov. 3.12 slechts beoordeeld of sprake is van een band met de Nederlandse rechtssfeer met het oog op de toepassing van art. 9, aanhef en onder c, Rv. Het hof behoefde in het kader van de beoordeling van zijn internationale bevoegdheid niet over te gaan tot het geven van een bewijsopdracht. Het subonderdeel faalt derhalve.

3.41

Subonderdeel 4.3 klaagt dat het hof ten aanzien van de vordering tegen [verweerder 2] in rov. 3.14 blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting over art. 9, aanhef en onder c, Rv. Volgens het subonderdeel is voorzienbaar dat [eisers] in Moldavië geen eerlijk proces ten deel zal vallen, zodat het onaanvaardbaar is dat zij hun vorderingen aan de rechter van die staat onderwerpen. Verder zou het hof hebben miskend dat het beroep op forum necessitatis zich ook uitstrekt tot de vorderingen tegen [verweerder 2] . Ook klaagt het subonderdeel dat het hof zijn afwijzende oordeel in rov. 3.14 niet kon baseren op het gegeven dat in Moldavië is geprocedeerd, nu die procedures niet zagen op schadevergoeding en bovendien beïnvloed zijn door corruptie en machtsmisbruik. Evenmin kon het hof dit oordeel baseren op het gegeven dat in het Verenigd Koninkrijk en Cyprus is geprocedeerd, omdat het hof nader had moeten beoordelen of ook ter zake van de onderhavige vorderingen rechtsmacht zou bestaan in die twee landen, wat om verschillende redenen twijfelachtig is, aldus het subonderdeel.

3.42

In rov. 3.14 heeft het hof niet geoordeeld dat de situatie dat [eisers] in Moldavië geen eerlijk proces ten deel zal vallen geen beroep op art. 9, aanhef en onder c, Rv zou kunnen rechtvaardigen. Het hof heeft geoordeeld dat [eisers] niet hebben onderbouwd waarom van hen niet kan worden gevergd dat zij de zaak tegen [verweerder 2] aan het oordeel van de rechter een vreemde staat onderwerpen, omdat zij ook in Moldavië reeds procedures hebben gevoerd. Ook heeft het hof van belang geacht dat in Cyprus en het Verenigd Koninkrijk is geprocedeerd. Daarmee heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat in dit geval in verschillende landen rechters bevoegd zijn bevonden, zodat het beroep op het forum necessitatis van art. 9, aanhef en onder b en c, Rv faalt. Het middel miskent dat zowel het absolute forum necessitatis van art. 9, aanhef en onder b, Rv als het relatieve forum necessitatis van art. 9, aanhef en onder c, Rv terughoudend moeten worden toegepast. 34 Het hof heeft deze terughoudendheid in acht genomen door te oordelen dat [eisers] hun beroep op deze bevoegdheidsgronden nader hadden moeten onderbouwen in het licht van het feit, dat zij in andere landen dan Nederland hebben kunnen procederen. Het was immers aan [eisers] om gemotiveerd te stellen waarom geen andere dan de Nederlandse rechter voor hen redelijkerwijs bereikbaar was.35 Dat de in die andere landen gevoerde procedures een ander karakter hadden dan de thans in Nederland aanhangige procedures, is daarvoor niet voldoende.36 Het subonderdeel faalt derhalve.

3.43

Onderdeel 5 bevat een op het slagen van één of meer voorgaande onderdelen voortbouwende klacht, die geen zelfstandige bespreking behoeft.

3.44

De slotsom is dat het principaal cassatiemiddel faalt.

4 Bespreking van het incidenteel cassatiemiddel

4.1

[verweerder 1] heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. Het incidenteel cassatiemiddel valt in vier onderdelen uiteen.

4.2

Onderdeel 1, uiteenvallend in vier subonderdelen, is gericht tegen rov. 3.7, waarin het hof heeft overwogen dat samenhang bestaat tussen de vorderingen tegen de Nederlandse gedaagden en die tegen [verweerder 1] , voor zover die betrekking hebben op de ontneming van de aandelen in AVB Prim en Victoria Asigurari. Specifiek klaagt het onderdeel over de motivering van het hof dat die samenhang eruit blijkt dat twee transacties zowel aan de vorderingen tegen de Nederlandse gedaagden als die tegen [verweerder 1] ten grondslag liggen, te weten het door verhangingen buiten het zicht van [eisers] brengen van aandelen (transactie ii) en het vervolgens verkopen daarvan aan [betrokkene 2] (transactie iii) (zie rov. 3.4). Volgens het hof is sprake van eenzelfde situatie feitelijk en rechtens, omdat de beide vorderingen berusten op onrechtmatige daad, hoewel thans niet kan worden geoordeeld dat hetzelfde recht van toepassing is op de vorderingen tegen [verweerder 1] en tegen de Nederlandse gedaagden. Subonderdeel 1.1 betoogt dat deze overweging onbegrijpelijk is, omdat daaruit volgt dat logischerwijs geen sprake kan zijn van eenzelfde feitelijke situatie. Subonderdeel 1.2 klaagt dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, nu juist niet voor de hand ligt dat sprake is van eenzelfde feitelijke situatie als op de vorderingen tegen beide partijen verschillend recht van toepassing zou zijn.

4.3

Het hof heeft in rov. 3.7 overwogen dat de vorderingen tegen [verweerder 1] en die tegen de Nederlandse gedaagden vooralsnog dezelfde grondslag hebben, namelijk onrechtmatige daad, zodat sprake is van eenzelfde juridische situatie. Door voor de beoordeling van de bevoegdheid uit te gaan van de stellingen van de eiser over de grondslag van de ingestelde vorderingen, heeft het hof de juiste maatstaf aangelegd. Ik verwijs naar mijn uiteenzetting in 3.5-3.10 van deze conclusie. De vraag welk recht op de verschillende vorderingen van toepassing is, speelt hierbij geen rol. De door het middel verdedigde opvatting dat eenzelfde feitelijke situatie nooit kan leiden tot verschillende juridische situaties, is onjuist. Ook uit de rechtspraak van het HvJEU ten aanzien van de uitleg van art. 6 sub 1 EEX-Verdrag (thans art. 8 punt 1 EEX-Verordening) blijkt dat vorderingen die een verschillende grondslag hebben, voldoende samenhang kunnen vertonen om een gezamenlijke behandeling te rechtvaardigen37, evenals vorderingen waarop verschillende nationale rechtsstelsels toepasselijk zijn.38 De klacht dat de door het hof als transacties (ii) en (iii) aangeduide verwijten niet aan de vorderingen jegens [verweerder 1] ten grondslag zijn gelegd39, betreft een aan de feitenrechter voorbehouden uitleg van de gedingstukken. Het oordeel van het hof is bovendien niet onbegrijpelijk, omdat [eisers] in feitelijke instanties steeds hebben gesteld dat de verhanging van aandelen en de verkoop daarvan sluitstuk van de raider attacks zijn, en dat [verweerder 1] controle had over deze handelingen.40 De subonderdelen 1.1 en 1.2 kunnen dus niet tot cassatie leiden.

4.4

Subonderdeel 1.3 klaagt over het oordeel van het hof dat de vorderingen tegen [verweerder 1] en die tegen de Nederlandse gedaagden samenhangen, omdat zij beide gegrond zijn op art. 1 EP EVRM en art. 5 EVRM. Volgens het subonderdeel is dit oordeel in het licht van de gedingstukken onbegrijpelijk.

4.5

Deze klacht faalt, omdat het ook hier gaat het om een aan de feitenrechter voorbehouden uitleg van de gedingstukken. Deze uitleg is bovendien niet onbegrijpelijk, omdat [eisers] art. 1 EP EVRM in hoger beroep uitdrukkelijk aan hun vorderingen jegens de Nederlandse gedaagden ten grondslag hebben gelegd.41 Bovendien geldt dat het hof heeft overwogen dat sprake is van eenzelfde situatie rechtens voor zover de vorderingen van [eisers] op [verweerder 1] op art. 1 EP EVRM en art. 5 EVRM zijn gebaseerd. Het hof heeft dus niet overwogen dat alle vorderingen daarop zijn gebaseerd.

4.6

Subonderdeel 1.4 klaagt dat, kort gezegd, het hof heeft miskend dat de vorderingen van [eisers] op de Nederlandse gedaagden niet als een voldoende serieuze vordering (‘real claim’) kunnen worden aangemerkt. Het subonderdeel beoogt daarmee een beroep te doen op de antimisbruikdoelstelling van art. 7 lid 1 Rv: een vordering moet niet uitsluitend zijn ingesteld met als doel een van de verweerders af te trekken van de rechter van het land van zijn woonplaats. Het subonderdeel klaagt bovendien dat art. 1 EP EVRM geen directe doorwerking heeft, zodat de vorderingen tegen de verschillende gedaagden steeds aan de hand van rechtens verschillende maatstaven moeten worden beoordeeld.

4.7

Het subonderdeel miskent dat misbruik van art. 7 lid 1 Rv wordt voorkomen door het stellen van de eis van samenhang tussen de vorderingen die tegen de verschillende verweerders zijn ingesteld.42 Een zelfstandige eis dat sprake zou moeten zijn van een ‘real claim’ of voldoende serieuze vordering, wordt niet gesteld. De hierop gerichte klacht faalt. Voor zover het subonderdeel betoogt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd dat wel van een serieuze vordering sprake is, faalt ook deze klacht in het licht van het voorgaande. De klacht dat het hof heeft miskend dat art. 1 EP EVRM geen horizontale werking heeft, zodat ten aanzien van de verschillende verweerders niet van ‘eenzelfde situatie rechtens’ sprake is, faalt eveneens. De klacht miskent dat bij de beoordeling van de bevoegdheid de rechter in beginsel moet uitgaan van de grondslag van de vordering van de eiser (zie onder 3.10 van deze conclusie). Het hof heeft in rov. 3.7 overwogen dat de transacties die [eisers] ten grondslag hebben gelegd aan hun vorderingen tegen [verweerder 1] en tegen de Nederlandse gedaagden, zowel feitelijk als rechtens eenzelfde situatie betreffen, omdat zij zijn gebaseerd op onrechtmatige daad. Het hof heeft voor het bepalen van zijn rechtsmacht de juiste maatstaf aangelegd. Hierop stuit ook deze klacht af, zodat subonderdeel 1.4 in zijn geheel faalt.

4.8

Onderdeel 2 valt uiteen in drie subonderdelen en is gericht tegen rov. 3.7 waarin het hof heeft overwogen dat samenhang bestaat tussen de vorderingen op de Nederlandse gedaagden en die op [verweerder 1] , nu gegrondheid van de vorderingen tegen [verweerder 1] een (niet voldoende maar wel noodzakelijke) voorwaarde is voor het slagen van de vorderingen op de Nederlandse gedaagden. In de kern klaagt het onderdeel dat het hof heeft miskend dat geen sprake is van eenzelfde feitelijke situatie, nu aan de vorderingen op [verweerder 1] deels andere feiten ten grondslag zijn gelegd dan aan de vorderingen op de Nederlandse gedaagden. Daarmee heeft het hof de juiste maatstaf van art. 7 lid 1 Rv miskend, aldus het onderdeel.

4.9

Bij de bespreking van het principaal cassatiemiddel heb ik reeds aandacht besteed aan de maatstaf die geldt voor de toepassing van art. 7 lid 1 Rv. Ik volsta met verwijzing naar 3.3-3.8 van deze conclusie. Het hof heeft geen rechtsregel miskend noch een onbegrijpelijk oordeel gegeven door te oordelen dat de vorderingen op [verweerder 1] en die op de Nederlandse gedaagden samenhangen in de zin van art. 7 lid 1 Rv ondanks dat zij niet precies dezelfde feitelijke grondslag hebben. Ten overvloede merk ik op dat de omstandigheid dat de gegrondheid van de ene vordering afhangt van de gegrondheid van een andere vordering, een rol kan spelen bij de beoordeling of het doelmatig is de vorderingen gezamenlijk te behandelen.43 De klachten van subonderdeel 2.1 falen voor zover zij betrekking hebben op de door het hof aangelegde maatstaf. Voor zover het subonderdeel betoogt dat [eisers] geen nadeel zouden hebben ondervonden van de transacties in Nederland omdat de aandelen reeds anderhalf jaar eerder waren onteigend, geldt dat het hof een en ander niet heeft miskend. Het hof heeft daarover in rov. 3.8 overwogen dat deze door [verweerder 1] gestelde omstandigheden niet tot het oordeel leiden dat geen samenhang bestaat tussen de vorderingen op de verschillende gedaagden. De klachten van het subonderdeel falen dus.

4.10

Subonderdeel 2.2 klaagt in de kern genomen dat het hof in de laatste volzin van rov. 3.7 van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, althans een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven door te overwegen dat het voor [verweerder 1] niet onvoorzienbaar was dat hij voor de Nederlandse rechter zou worden opgeroepen, omdat de verkrijgende Nederlandse vennootschappen door hem werden gecontroleerd.

4.11

Voor zover het subonderdeel betoogt dat geen sprake is van eenzelfde feitelijke situatie, klaagt het over de door het hof gehanteerde maatstaf inzake de toepassing van art. 7 lid 1 Rv. Het subonderdeel bouwt op de voorafgaande klachten voort en deelt hun lot. Voor zover de klachten betogen dat het hof zou hebben miskend dat [verweerder 1] ten tijde van de vermeende gebeurtenissen die aan de tegen hem ingestelde vorderingen ten grondslag zijn gelegd (de onrechtmatige beïnvloeding van de rechter in Moldavië) nog geen relatie met de verkrijgende Nederlandse vennootschappen had, zodat destijds voor hem niet voorzienbaar was dat hij voor de Nederlandse rechter zou worden opgeroepen, falen ook deze klachten. Het hof is in rov. 3.8 uitdrukkelijk op deze stellingen van [verweerder 1] ingegaan en heeft overwogen dat tussen de vorderingen tegen [verweerder 1] en die tegen de Nederlandse gedaagden een zodanige samenhang bestaat dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen.

4.12

Subonderdeel 2.3 klaagt over de passage in rov. 3.8, waarin het hof het volgende heeft overwogen:

‘Ook de omstandigheid dat tegen de Nederlandse gedaagden inmiddels reeds eindvonnis is gewezen doet aan de inhoudelijke samenhang niet af. Overigens kunnen in een eventueel hoger beroep de verschillende zaken alsnog in samenhang worden behandeld, zodat ook in zoverre redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen’.

Volgens het subonderdeel kan de omstandigheid dat in een eventueel hoger beroep de verschillende zaken alsnog in samenhang kunnen worden behandeld, niet dienen als onderbouwing van het oordeel dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen.

4.13

Het subonderdeel faalt, omdat het is gericht tegen een overweging ten overvloede (‘Overigens’). Het gaat bovendien uit van een onjuiste lezing van het arrest. Het hof heeft niet geoordeeld dat de zaken samenhangen omdat zij in hoger beroep gezamenlijk kunnen worden behandeld, maar geoordeeld dat zij inhoudelijk samenhangen, dat daaraan niet afdoet dat in eerste aanleg reeds vonnis is gewezen, en dat gezamenlijke behandeling in hoger beroep nog steeds mogelijk is.

4.14

De subonderdelen 2.4 en 25 bouwen op de voorafgaande klachten voort en delen het lot daarvan.

4.15

Onderdeel 3 is gericht tegen rov. 3.9 van het bestreden arrest, waarin het hof het beroep van [verweerder 1] op misbruik van recht heeft verworpen. Volgens het onderdeel heeft het hof miskend dat het voor de beoordeling van het beroep op misbruik van recht niet in het midden kon laten of de verhanging van de aandelen en de verkoop daarvan aan [betrokkene 2] enige (positieve of negatieve) invloed hebben gehad op de belangen van [eisers] Ook klaagt het onderdeel dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet is gebleken dat [eisers] de Nederlandse gedaagden enkel hebben gedagvaard om rechtsmacht te creëren ten aanzien van [verweerder 1] . In dat verband wijst het onderdeel (onder 3.1.2) op de omstandigheden dat de Nederlandse gedaagden door [eisers] niet in eerdere procedures in het buitenland zijn betrokken en dat [eiser 1] onder ede de hele geschiedenis heeft uiteengezet zonder de Nederlandse gedaagden te noemen.

4.16

Het hof heeft de juistheid van de stellingen van [verweerder 1] dat met de genoemde transacties geen verandering is gebracht in de rechtspositie van [eisers] , niet in het midden gelaten. Het hof heeft slechts geoordeeld dat die juistheid in het kader van dit bevoegdheidsincident niet kan worden beoordeeld. De figuur van de hypothetische feitelijke grondslag in cassatie, waarop de klacht is gestoeld, ziet alleen op situaties waarin de juistheid van een stelling niet is beoordeeld (en dus in het midden is gelaten) waar dat wel mogelijk en bovendien noodzakelijk was voor de beoordeling van het geschil.44Nu het hier gaat om een bevoegdheidsincident, waarin de rechter te oordelen heeft op basis van de stellingen van eiser, faalt de klacht. Verder heeft het hof geoordeeld dat niet is gebleken dat [eisers] geen recht of belang hebben om de Nederlandse gedaagden in rechte te betrekken of dat zij anderszins misbruik van recht hebben gemaakt. Daarmee heeft het hof het beroep op misbruik van recht voldoende gemotiveerd verworpen. Het onderdeel faalt derhalve.

4.17

Onderdeel 4 betreft een veegklacht en behoeft geen afzonderlijke bespreking.

4.18

Ik kom tot de slotsom dat het incidentele cassatiemiddel faalt.

5 Conclusie in het principale en het incidentele cassatieberoep

De conclusie strekt in zowel het principale cassatieberoep als het incidentele cassatieberoep tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 De feiten zijn ontleend aan rov. 2.1-2.10 van het thans in cassatie bestreden arrest van het hof Amsterdam van 12 september 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:3724.

2 Zie rov. 3.2 van het thans in cassatie bestreden arrest. Op p. 5 van de nota van dupliek in cassatie van de zijde van [verweerder 1] is vermeld dat tegen het vonnis van 8 maart 2017 hoger beroep is ingesteld en dat het arrest in die zaak wordt verwacht op 4 september 2018. Op rechtspraak.nl heb ik deze uitspraak niet kunnen achterhalen.

3 Verordening (EU) nr. 1215/2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking), PbEU 2012, L 351/1 (hierna: EEX-Verordening, ook afgekort als EEX-Vo).

4 Het hof concretiseert niet op welke vorderingen jegens [verweerder 1] het hier doelt. Dat het om genoemde vorderingen gaat, leid ik af uit subonderdeel 2.2 van het principaal cassatiemiddel en de aldaar genoemde vindplaatsen in het procesdossier.

5 Zie HR 20 november 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0768, NJ 1993/136; Asser Procesrecht/Korthals Altes en Groen, 2015/238.

6 Zie onder andere HR 10 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0309, NJ 2003/709; HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO8706, NJ 2005/256 m.nt. H.J. Snijders; HR 26 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1969, NJ 2004/655; Asser Procesrecht/Korthals Altes en Groen, 2015/68 en 77; S. Kingma, Tussentijds beroep tegen tussenuitspraken en deeluitspraken, TCR 2010, p. 1-12.

7 Zie HR 10 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0309, NJ 2003/709; H.J. Snijders in zijn noot bij HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO8706, NJ 2005/256; Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein en Wesseling-van Gent 2018/34 en 35. Een uitspraak waarin de rechter een beroep op zijn onbevoegdheid verwerpt is een tussenuitspraak, zie HR 4 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6188, NJ 2005/142.

8 Asser Procesrecht/Korthals Altes en Groen 2015/77.

9 HR 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3168, NJ 2006/229, m.nt. H.J. Snijders.

10 Wet tot herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg, Stb. 2001, 580. Zie ook de beschikking van de Minister van Justitie van 14 december 2001 inzake tekstplaatsing, Stb. 2001, 623.

11 Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, Trb. 1969, 101. Het Verdrag is nadien verschillende keren aangepast aan de toetreding van nieuwe lidstaten tot (destijds) de EG.

12 Trb. 1989, 58. Nadien is dit verdrag (afgekort als EVEX I) vervangen door het op 30 oktober 2007 te Lugano gesloten verdrag (afgekort als EVEX II), PbEU 2007, L 339/3.

13 Zie Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo/Bart, p. 80 (MvT).

14 Zie Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo/Bart, p. 102 (MvT).

15 Ik laat het (vooralsnog beperkt geldende) KEI-regime, dat in deze zaak niet van toepassing is, buiten beschouwing.

16 Zie hierover M.V. Polak, ‘Als u begrijpt wat ik bedoel’, noot bij HvJEU 11 oktober 2007, zaak C-98/06, ECLI:EU:C:2007:595, Ars Aequi 2007, p. 987-995 (Freeport/Arnoldsson), i.h.b. p. 994.

17 Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo/Bart, p. 108 (MvT).

18 Zie bijvoorbeeld de opmerking van de wetgever ten aanzien van de uitleg van de bevoegdheidsgrond van art. 6, onder e, Rv (onrechtmatige daad), Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo/Bart, p. 105 (MvT).

19 HvJEG 27 september 1988, 189/87, ECLI:EU:C:1988:459, NJ 1990/425, m.nt. J.C. Schultsz (Kalfelis/Bank Schröder).

20 Zie HvJEU 13 juli 2006, C-539/03, ECLI:EU:C:2006:458, NJ 2008/76 m.nt. P. Vlas (Roche/Primus). Zie ook J.F. Vlek, Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II, diss., 2015, nr. 123-129; H. Muir Watt, in: Magnus/Mankowski, Brussels I bis Regulation, 2016, Art. 8, nr. 26.

21 Zie HvJEU 11 oktober 2007, zaak C-98/06, ECLI:EU:C:2007:595, NJ 2008/80, m.nt. P. Vlas, rov. 38; JBPr 2008/1, m.nt. D.F. de Lange; Ars Aequi 2007, p. 987-995, m.nt. M.V. Polak (Freeport/Arnoldsson).

22 Zie ook HvJEU 11 april 2013, ECLI:EU:C:2013:228, NJ 2013/499, m.nt. L. Strikwerda (Land Berlin/Sapir c.s.), waarin samenhang werd geacht te bestaan tussen vorderingen gebaseerd op onrechtmatige daad en op ongerechtvaardigde verrijking, nu met die vorderingen uiteindelijk hetzelfde werd beoogd, namelijk terugbetaling van het bedrag dat abusievelijk onverschuldigd is betaald (rov. 48).

23 HvJEU 1 december 2011, C-145/10, ECLI:EU:C:2011:798, NJ 2013/66, m.nt. Th.M. de Boer en P.B. Hugenholtz (Eva Maria Painer), rov. 80-83.

24 Samenhang was volgens het HvJEU aanwezig bij één voortdurende, op verschillende plaatsen en tijdstippen begane inbreuk op het kartelverbod, zie HvJEU 21 mei 2015, ECLI:EU:C:2015:335, NJ 2016/106, m.nt. L. Strikwerda (Cartel Damage Claim).

25 Zie HvJEU 28 januari 2015, C-375/13, ECLI:EU:C:2015:37, NJ 2015/332, m.nt. L. Strikwerda (Kolassa/Barclays Bank); HvJEU 16 juni 2016, C-12/15, ECLI:EU:C:2016:449, NJ 2018/38, m.nt. L. Strikwerda onder NJ 2018/39 (Universal Music/Schilling). Zie ook HR 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:694, NJ 2017/418, m.nt. L. Strikwerda (Zürich/LAG).

26 HvJEG 3 juli 1997, zaak C-269/95, ECLI:EU:C:1997:337, NJ 1999/681, m.nt. P. Vlas (Benincasa/Dentalkit), rov. 27; HvJEU 28 januari 2015 (Kolassa/Barclays Bank), reeds aangehaald, rov. 61.

27 Zie ook nr. 10 van de noot van L. Strikwerda bij het reeds aangehaalde arrest van het HvJEU 28 januari 2015 (Kolassa/Barclays Bank), NJ 2015/332.

28 Vgl. HvJEU 11 oktober 2007 (Freeport/Arnoldsson), reeds aangehaald, rov. 38.

29 Op de plaatsen in het procesdossier, waarnaar het subonderdeel verwijst, hebben [eisers] kort gezegd betoogd dat de ontneming van de aandelen in alle betrokken financiële instellingen een samenstel van handelingen vormden, waarbij [verweerder 1] en de Nederlandse gedaagden betrokken waren, zie onder meer inleidende dagvaarding nr. 40-44 en 46-48 en memorie van grieven nr. 17, 32-35, 37, 41-44, 48 en 49.

30 Schriftelijke toelichting [eisers] , randnummer 22.

31 Zoals gezegd, speelt [betrokkene 3] in deze procedure in cassatie geen rol.

32 De stellingen waarnaar wordt verwezen, en de plaatsen in het procesdossier waar die stellingen zijn ingenomen, zijn dezelfde: inleidende dagvaarding, nr. 40-44, 46-48 en memorie van grieven, nr. 17, 32-35, 37, 41-44, 48-49 en 71-73 (zie ook de verwijzingen bij subonderdeel 2.2 van het middel). De rol van [verweerder 2] is slechts gespecificeerd in nr. 45, 82 en 83 van de inleidende dagvaarding en nr. 2-3 van de memorie van grieven.

33 Over art. 9, aanhef en onder b en c, Rv volsta ik met een verwijzing naar punten 2.6 en 2.7 van mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2018:1028) vóór HR 2 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2026 (beroep verworpen met toepassing van art. 81 RO).

34 Zie P. Vlas, Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, art. 9 Rv, aant. 3; F. Ibili, Gewogen rechtsmacht in het IPR, diss., 2006, p. 109-110; L. Strikwerda, Inleiding tot het Nederlandse Internationaal Privaatrecht, 2015, nr. 228.

35 P. Vlas, Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, art. 9 Rv, aant. 4.

36 Zoals aangevoerd in de memorie van grieven, nr. 87-92 en 98-99.

37 Zie HvJEU 11 oktober 2007 (Freeport/Arnoldsson), reeds aangehaald.

38 Zie HvJEU 1 december 2011 (Eva Maria Painer), reeds aangehaald.

39 [verweerder 1] heeft zulks in feitelijke instanties gesteld, zie incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid, nr. 3.1.1., memorie van grieven, nr. 4.4.1.

40 Inleidende dagvaarding, nr. 73-75; memorie van grieven, nr. 71-77.

41 Memorie van grieven, nr. 77. In eerste aanleg hebben [eisers] inbreuk op een eigendomsrecht als grondslag genoemd: inleidende dagvaarding, nr. 86-87.

42 Vgl. HvJEU 11 oktober 2007 (Freeport/Arnoldsson), reeds aangehaald, rov. 52-54. Polak stelt overigens in zijn noot bij dit arrest (Ars Aequi 2007, p. 995) dat art. 7 lid 1 Rv, anders dan art. 8 punt 1 EEX-Vo, mogelijk wél ruimte biedt voor een aparte misbruiktoetsing, zodat het oordeel van het HvJEU inzake Freeport/Arnoldsson in die context niet zonder meer navolging verdient.

43 Vgl. nr. 97 van de conclusie van A-G Trstenjak (ECLI:EU:C:2011:239) vóór HvJEU 1 december 2011 (Eva Maria Painer), reeds aangehaald.

44 Asser Procesrecht/Korthals Altes en Groen 2015/284.