Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:1226

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-12-2019
Datum publicatie
04-12-2019
Zaaknummer
18/02101
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:440
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG over mensenhandel (art. 273f Sr). Aanvulling verkort arrest met bewijsmiddelen. Geen expliciete vermelding in het arrest van de mate waarin de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn heeft geleid tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf. De conclusie strekt tot gedeeltelijke vernietiging van de uitspraak van het hof.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/02101

Zitting 3 december 2019

CONCLUSIE

E.J. Hofstee

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 9 mei 2018 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens 1, 2 en 3 “de voortgezette handeling van: medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden en poging tot afpersing en mishandeling” en 4. “mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van het voorarrest zoals bedoeld in art. 27(a) Sr. Daarnaast heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van de inbeslaggenomen goederen, een en ander zoals omschreven in het arrest.

  2. Er bestaat samenhang met de zaken 18/02102 en 18/04377. Ook in die zaken zal ik vandaag concluderen.

  3. Namens de verdachte heeft mr. I.T.H.L. van de Bergh, advocaat te Maastricht, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.

  4. Het eerste middel klaagt dat het hof in strijd met art. 365a, tweede lid, Sv het verkort arrest niet heeft aangevuld met de gebezigde bewijsmiddelen als bedoeld in art. 359, tweede en derde lid, Sv.

  5. De stukken van het geding houden, voor zover voor de bespreking van het middel van belang, het volgende in:

- Bij brief van 11 september 2018 heeft de stafjurist van het hof de Hoge Raad der Nederlanden laten weten dat onder het kopje ‘Bewijsmiddelen’ op pagina 7 van het arrest abusievelijk staat vermeld dat in geval van cassatie de door het hof gebruikte bewijsmiddelen zullen worden opgenomen in een aanvulling op het arrest, nu alle door het hof gebezigde bewijsmiddelen reeds zijn vermeld in de voetnoten behorende bij het kopje “Bewijsoverwegingen”. Het hof is derhalve van oordeel dat een aanvulling op het arrest achterwege kan blijven.

- Naar aanleiding van het verzoek van de raadsman d.d. 14 december 2018 om toezending van de aanvulling houdende de door het hof gebezigde bewijsmiddelen,1 is door de griffie van de Hoge Raad op 18 december 2018 de hiervoor genoemde brief van het hof aan de raadsman van de verdachte verstuurd.

6. Op grond van het ook in hoger beroep toepasselijke art. 359, derde lid, Sv moet – op straffe van nietigheid (achtste lid)2 – de beslissing dat het feit door de verdachte is begaan steunen op de inhoud van in het arrest opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

7. De voormelde brief van de stafjurist van het hof is enkel juist met betrekking tot het bewezenverklaarde feit 4 (de mensenhandel).

8. De bewezenverklaringen van de tenlastegelegde feiten 1, 2 en 3 kunnen echter niet volgen uit de inhoud van de voetnoten met bewijsmiddelen die in het (promis)arrest zijn opgenomen, terwijl ook niet alle redengevende feiten en omstandigheden met voldoende mate van nauwkeurigheid in het arrest zijn aangeduid.

9. Ten laste van de verdachte is onder 1, 2 en 3 bewezenverklaard:

“1.

hij op 6 juni 2011 in de gemeente Heerlen en de gemeente Kerkrade, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededader met dat opzet die [slachtoffer] tegen zijn wil in een (rijdende) auto gehouden en die [slachtoffer] terug in de auto getrokken en die [slachtoffer] - toen hij op het bospad trachtte te vluchten - achtervolgd en voorkomen dat hij zijn vlucht kon voltooien;

2.

hij in de periode van 18 mei tot en met 6 juni 2011 in de gemeente Heerlen en de gemeente Kerkrade, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van 5000 euro, toebehorende aan voornoemde [slachtoffer] , met dat opzet,

- die [slachtoffer] meermalen heeft geslagen en geschopt en

- tegen die [slachtoffer] heeft gezegd dat hij, verdachte, het hoofd van de dochter van die [slachtoffer] naar [slachtoffer] zou brengen, indien die [slachtoffer] niet zou betalen

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op 6 juni 2011 in de gemeente Heerlen en de gemeente Kerkrade, opzettelijk mishandelend [slachtoffer] meermalen heeft geslagen en geschopt, waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;”

10. Onder het hoofd “Bewijsoverwegingen” heeft het hof ter zake daarvan slechts het volgende overwogen (met, hier vernummerde, voetnoten van het hof):

Mensenhandel3

Uit de aangifte van [slachtoffer] volgt dat hij, vanwege zijn relatie met prostituee [betrokkene 1] , werd gedwongen tot betaling van € 5.000 aan verdachte en dat hij, bij het uitblijven van die betaling, van zijn vrijheid is beroofd en is mishandeld.4 De door [slachtoffer] genoemde reden voor het betalen van voornoemd geldbedrag - kort gezegd het vrijkopen van zijn vriendin - wijkt af van het verhaal van verdachte. Hij heeft daar namelijk zelf over verklaard dat [slachtoffer] geld en goederen had afgenomen van [betrokkene 2] , zijn vriendin, en dat [slachtoffer] hiervoor een vergoeding zou betalen van € 5.000. Hoewel ook de versie van verdachte geen rechtvaardiging oplevert voor zijn handelen, acht het hof het door hem gestelde motief niet aannemelijk. Het is immers niet alleen [slachtoffer] die spreekt over het betalen van geld voor [betrokkene 2] , maar ook [betrokkene 2] heeft verklaard dat verdachte tegen haar heeft gezegd dat [slachtoffer] “losgeld” voor haar moest betalen. Volgens [betrokkene 2] ging het daarbij om een bedrag van € 5.000. Verder heeft [betrokkene 2] verklaard dat verdachte tegen haar heeft gezegd dat, als [slachtoffer] niet zou betalen, hij ervoor zou zorgen dat [betrokkene 2] weg zou zijn, zou verdwijnen of dat hij [betrokkene 2] misschien wel zou doorverkopen.5 Naar het oordeel van het hof was verdachte derhalve doende om [betrokkene 2] letterlijk – goedschiks of kwaadschiks – aan [slachtoffer] te verkopen.

11. Dit relaas met vermelding in de voetnoten van de gebruikte bronnen is naar het mij voorkomt niet toereikend om daarop de bewezenverklaringen van de feiten 1, 2 en 3 in volle omvang te doen steunen.6 De enkele gevolgtrekking dat [slachtoffer] – op de wijze als is tenlastegelegd en bewezenverklaard – is gedwongen tot afgifte van € 5.000, van zijn vrijheid is beroofd en is mishandeld, is daarvoor onvoldoende.7 Ik meen dan ook dat de bewezenverklaring ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.

12. Het eerste middel slaagt in zoverre.

13. Nu het eerste middel slaagt, behoeft het tweede middel geen bespreking. Voor het geval Uw Raad het eerste middel anders beoordeeld, bespreek ik hierna ook het tweede middel.

14. Het tweede middel klaagt dat uit de strafmotivering van het hof niet blijkt welke straf het zou hebben opgelegd zonder rekening te houden met de door het hof geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn.

15. Het hof heeft de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van vier jaar, voor zover hier van belang, als volgt gemotiveerd:

“Naar het oordeel van het hof kan dan ook niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Het hof heeft daarbij ook gelet op de omstandigheid dat verdachte, blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 5 maart 2018, niet eerder ter zake van soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld.

Het hof houdt voorts rekening met de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM, welke bij de strafvervolging van verdachte in hoger beroep fors is geschonden. Ondanks dat door de verdediging in hoger beroep is verzocht om het horen van zich in het buitenland bevindende getuigen en die onderzoekswens aan de termijnoverschrijding heeft bijgedragen, kan die overschrijding niet geheel op het conto van de verdediging worden geschoven. Gelet hierop, zal het hof thans volstaan met oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van voorarrest.”

16. Uitgangspunt is dat het oordeel van de feitenrechter omtrent de overschrijding van de redelijke termijn in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst. Onderzocht kan alleen worden of dat oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van de omstandigheden van het geval. Van onbegrijpelijkheid zal niet heel snel sprake zijn, nu de beoordeling hiervan sterk verweven is met waarderingen van feitelijke aard. Ook het rechtsgevolg dat de feitenrechter aan de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn heeft verbonden, kan slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. Zie voor dit een en ander HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. Mevis.

17. In dit arrest wordt evenwel ook benadrukt dat, met het oog op de door de Hoge Raad uit te oefenen controle, in geval van vermindering van de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn de rechter in zijn uitspraak behoort aan te geven in welke vorm of mate de straf is verlaagd. Dit betekent dat in de uitspraak vermeld dient te worden welke straf zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden.

18. Het hof heeft (terecht) vastgesteld dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM en dat de overschrijding van de redelijke termijn fors is. Daartoe heeft het verzoek van de verdediging tot het horen van getuigen in het buitenland bijgedragen, maar niet geheel, aldus het hof. Niet heeft het hof expliciet tot uitdrukking gebracht welke gevangenisstraf het zou hebben opgelegd ware de redelijke termijn niet overschreden en evenmin tot welke vermindering de overschrijding van de redelijke termijn heeft geleid. Het is mij niet duidelijk waarom het hof dat niet even in zoveel woorden heeft aangegeven. Maar tot cassatie leidt de klacht mijns inziens niet, nu die vermindering wel (impliciet) in de strafmotivering van het hof besloten ligt. Ik wijs daarvoor op het volgende.

19. De rechtbank achtte, evenals het hof, de vier tenlastegelegde feiten bewezen en veroordeelde de verdachte voor deze feiten tot een gevangenisstraf van 5 jaren (met aftrek van voorarrest). Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 25 april 2018 heeft de advocaat-generaal in zijn requisitoir gewezen op de uitgebreide strafmotivering van de rechtbank en opgemerkt dat zijn “ankerpunt de door de rechtbank opgelegde straf is”. Vervolgens heeft hij opgemerkt dat, hoewel het tijdsverloop verklaarbaar is vanwege de onderzoekwensen van de verdediging en het langdurige traject om tot uitvoering daarvan te komen, “het hoe dan ook te lang [heeft] geduurd” en dat daarom zijns inziens een jaar korting gegeven moet worden; de advocaat-generaal vorderde dan ook de veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren (met aftrek van voorarrest).

20. De overweging van het hof dat het gelet op de overschrijding van de redelijke termijn “thans (cursivering van mij, A-G) [zal] volstaan met oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van voorarrest”, kan mijns inziens niet anders worden begrepen dan in relatie tot die door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf van 5 jaren en het requisitoir van de advocaat-generaal zoals zojuist door mij weergegeven. Mede gelet op het verhandelde ter terechtzitting heeft het hof kennelijk een gevangenisstraf van 5 jaren tot uitgangspunt genomen, maar daarvan afgezien en een lagere straf opgelegd met het oog op de overschrijding van de redelijke termijn. Aldus begrepen heeft het hof impliciet tot uitdrukking gebracht in welke mate de straf is verminderd. Dit maakt dat de strafmotivering van het hof ter zake niet onbegrijpelijk is.

21. Ik heb mij overigens afgevraagd welk belang de steller van het middel bij deze klacht precies voor ogen staat. Het hof heeft in vergelijking met de rechtbank een niet onaanzienlijk lagere straf opgelegd, en in dat opzicht is de verdachte er bepaald niet slechter van afgekomen. ‘Vernietiging en terugwijzing’ op dit onderdeel zou ook kunnen meebrengen dat het hof, uitgaande van een gevangenisstraf van 5 jaren, bij nader inzien het percentage en het maximum van de vermindering toepast, die worden genoemd in het hierboven aangehaalde arrest van HR 17 juni 2008 (rov. 3.6.2 A. en B.); dan leidt een eenvoudig rekensommetje tot een uitkomst die een stuk boven de 5 jaar uitgaat.

22. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

23. Het eerste middel slaagt. Het tweede middel, dat overigens tevergeefs is voorgesteld, behoeft in dat geval geen bespreking.

24. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

25. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde en de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Dit verzoek is, gelet op art. 4.8.2. van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden, tijdig gedaan.

2 Zie onder meer (al) HR 16 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:AD2463, NJ 1997/405 en voorts A.J.A. van Dorst, Cassatie in Strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 238.

3 Het hof verwijst, tenzij anders vermeld, naar het onderzoeksdossier “24RUS” van de politie, regio Limburg-Zuid, district Heerlen, afdeling recherche, met proces-verbaalnummer 2011066583, doorgenummerde pagina’s 1-1216.

4 Proces-verbaal van aangifte, p. 63-69.

5 Het proces-verbaal van verhoor aangeefster, p. 102 (onderaan) en p. 103 (eerste helft).

6 HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0424, NJ 2007/387, m.nt. Buruma en HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0425, NJ 2007/388, m.nt. Buruma. Zie voorts Van Dorst, a.w., p. 241.

7 Vgl. het (promis)vonnis van de rechtbank, waarin onder 3.3 wel alle bewijsaspecten met bronvermelding in de bewijsvoering zijn uitgeschreven.