Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:1223

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-12-2019
Datum publicatie
05-12-2019
Zaaknummer
19/00127
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:122
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG over mensenhandel (art. 273f Sr). Prostitutie minderjarige. Oogmerk van uitbuiting. Door het hof is vastgesteld dat de verdachte (i) aangeefster in zijn woning heeft laten wonen, terwijl hij (ii) wist dat zij als minderjarige tegen betaling klanten ontving en (iii) hij het klantenbezoek niet verbood met als gevolg dat de klanten bleven komen. De AG geeft de Hoge Raad in overweging het cassatieberoep te verwerpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/00127

Zitting 3 december 2019

CONCLUSIE

E.J. Hofstee

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,

hierna: de verdachte.

1. De verdachte is bij arrest van 15 juni 2018 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, wegens “mensenhandel”1 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van het voorarrest zoals bedoeld in art. 27(a) Sr. Voorts heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van de benadeelde partij en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals nader in het arrest omschreven.

2. Namens de verdachte heeft mr. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat het bewezenverklaarde “oogmerk van uitbuiting” niet uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan volgen.

4. Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 20 april 2014 t/m 6 mei 2014 te [plaats] een ander genaamd [benadeelde] , geboren op [geboortedatum] 1996

- heeft gehuisvest, met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die [benadeelde] (sub 2°) terwijl die [benadeelde] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt,

immers heeft hij, verdachte,

werkruimte en woonruimte in zijn woning aan de [a-straat 1] te [plaats] aan die [benadeelde] ter beschikking gesteld.”

5. Het hof heeft deze bewezenverklaring doen steunen op de volgende bewijsmiddelen:

Door het hof gebezigde bewijsmiddelen

Voor zover in de hierna opgesomde bewijsmiddelen wordt verwezen naar het stamproces-verbaal wordt hiermee verwezen naar het door [verbalisant 1] , brigadier bij Eenheid Oost Nederland, opgemaakt proces-verbaal, dossiernummer 05DR214025 (Blankenstein), gesloten en getekend op 15 april 2015 te Arnhem.

1. Een in wettelijke vorm door [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , beiden brigadier van politieregio Twente, opgemaakt proces-verbaal, genummerd 5:20140522.1637, gesloten en getekend op 26 mei 2014 te Hengelo, als bijlage (p. 228 t/m p. 231) gevoegd bij het stamproces-verbaal, voor zover inhoudende de bevindingen van verbalisanten , zakelijk weergegeven:

Op donderdag 22 mei 2014 hebben wij verbalisanten [benadeelde] , geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] , opgehaald uit [plaats] . (...) [benadeelde] vertelde ons het volgende verhaal:

Ik ben samen met [betrokkene 1] de afgelopen maand op 3 verschillende adressen verbleven. Daar ontving ik ook de klanten. Ik weet deze adressen nog goed omdat ik deze adressen aan de klanten moest doorgeven. Dit zijn de [a-straat 1] in [plaats] . Dit is de woning van [verdachte] , zijn echte naam is [verdachte] . Hij is een vriend van [betrokkene 1] .

2. Een schriftelijk bescheid, zijnde door aangeefster [benadeelde] gemaakte aantekeningen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Bij [verdachte] z’n huis verbleven we [a-straat 1] . Ik werkte beneden in een kamer. (...) Ik bleef ongeveer 1/1,5 week in [plaats] .

3. Een in wettelijke vorm door [verbalisant 4] en [verbalisant 2] , beiden brigadier van politieregio Twente, opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL056K-2014049612-14, gesloten en getekend op 16 juni 2014 te Arnhem, als bijlage (p. 245 t/m p. 279) gevoegd bij het stamproces-verbaal, voor zover inhoudende de aangifte van [benadeelde], zakelijk weergegeven:

Door [betrokkene 1] zijn de foto’s gemaakt. Dit was aan de [a-straat 1] te [plaats] , in de woning van [verdachte] , dus van [verdachte] . (...)

V: Hoe ging dat met de eerste klant?

A: Ik werd gebeld door een klant. Ik zei tegen de klant dat hij naar de [a-straat ] moest komen. Als de klant in de straat was, dan moest de klant alleen de telefoon laten overgaan. [betrokkene 1] zou dan de deur van binnenuit open doen, door op een knop te drukken waardoor de klant de deur kon openen.

V: Heb jij toen klanten gehad?

A: ja.

23. (...)

Ik ben daar anderhalve week gebleven en ik had ongeveer 3 a 4 klanten per dag.

4. Een in wettelijke vorm door [verbalisant 5] en [verbalisant 6] ,

respectievelijk hoofdagent en brigadier van eenheid Oost-Nederland, opgemaakt proces-verbaal, genummerd 20150317.1100, gesloten en getekend op 17 maart 2015 te Groningen, als bijlage (p. 321 t/m p. 328) gevoegd bij het stamprocesverbaal, voor zover inhoudende de verklaring van [benadeelde], zakelijk weergegeven:

V: Wat weet je nog over de indeling van die woning aan de [a-straat ] [plaats] ?

A: Als je binnen komt, kom je in de gang rechtdoor de slaapkamer in, waar ik de klanten ontving.

V: Wat stond er in die slaapkamer?

A: Een matras op de grond, een tafel met stoelen en een lichtgroene stoel. De tafel met stoelen waren donkerbruin. Er was een houten vloer of in ieder geval de kleur was hout. Ik denk dat de wanden licht van kleur waren, beige of wit. Op de bovenverdieping daar kwam ik niet. Het was een woning met drie woonlagen. De bovenste laag werd gebruikt door [verdachte] , van wie de woning was. Ik sliep met [betrokkene 1] in de kamer die ik ook gebruikte voor de klanten. Verder maakten wij gebruik van de badkamer en woonkamer op de eerste verdieping.

V: Wist [verdachte] van jouw prostitutiewerkzaamheden?

A: Ja. [betrokkene 1] , ik en [verdachte] hebben gesproken over het werk in de prostitutie. Wij hebben afspraken gemaakt over hoe de deur open gemaakt moest worden en zo. Ik moest altijd van boven naar beneden kijken of er wel een klant was. Als ik geen klant had was ik namelijk op de eerste verdieping. Dit soort afspraken hebben wij samen gemaakt.

5. Een in wettelijke vorm door [verbalisant 7] en [verbalisant 5] , beiden hoofdagent van eenheid Oost-Nederland, opgemaakt proces-verbaal, genummerd 20150223.1115, gesloten en getekend op 23 februari 2015 te Amsterdam, als bijlage, (p., 705 t/m p. 709) gevoegd bij het stamproces-verbaal, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte , zakelijk weergegeven:

V: Wij toonden de verdachte uit het fotoboek 05DR214025 het fotoblad 05DR214025.007. Ken je haar?

A: Ja ik heb haar wel eens gezien en ik ken haar als [benadeelde] .

(...)

V: Wij toonden de verdachte uit het fotoboek 05DR214025 het fotoblad 05DR214025.002.

A: Dat is [betrokkene 1] . De persoon waarover ik spreek. Ik weet geen achternaam.

V: Waar ken je hem van?

A : Ook van de stad en ik heb hem onderdak bij mij gegeven.

V: Op welk adres was dit?

A: Op de [a-straat 1] te [plaats] . Ik ken hem van de stad en ik hielp hem met onderdak.

V: Hoe lang heeft hij bij jou gewoond?

A: Nog geen twee maanden denk ik.

O: Vanuit jouw woning is er gewerkt door [benadeelde] .

A: Ja ik heb ze een keer betrapt en ik wist dat ze 17 jaar was. (...)

V: Hoe wist jij dat ze nog geen 18 jaar was?

A: Bij iedereen was bekend dat [benadeelde] nog geen 18 jaar was.

V: Hoe heb jij hen betrapt?

A: Ik kwam thuis en hoorde een telefoongesprek tussen [benadeelde] en een onbekend iemand. Ik hoorde dat dit ging over een afspraak en een prijs.

V: Wat hoorde je nog meer?

A: Dat ging niet over drugs. Dat ging over hoeveel de vrouw kostte en zo.

(...)

V: Waar was jij dan als zij er waren?

A: Ik was veel in de stad en zo. Een biertje drinken en zo. Ik kwam wel gewoon slapen aan de [a-straat ] . Mijn eerste indruk was dat hij gewoon kwam wonen en na die telefoongesprekken tussen [benadeelde] en een man, wist ik dat ze andere plannen hadden. Kort nadat ik met hen hierover heb gesproken zijn ze denk ik een week hierna weggegaan.

Dit was onverwacht, dat ze weggingen. (...)

V: Heb jij iets gemerkt van de werkzaamheden van haar?

A Het is ongeveer een weekje doorgegaan nadat ik met beiden had gesproken. Maar als ze allebei willen doen wat ze doen, dan houdt het op. (...)

Hadden jullie afspraken gemaakt met elkaar als er een klant kwam?

Ik werd meegetrokken in andermans pleziertjes en ik heb hen daarover aangesproken. Toen ik merkte dat ze dit deed bleef ik meer thuis en zag ik dat zij meestal open deed. Ik merkte dit omdat ik dan naar de deur wilde gaan en dan zei [benadeelde] , nee, dat is voor mij. (...)

Ik snapte toen wel dat [betrokkene 1] haar vriend was en de baas over haar speelde.

6. De verklaring van verdachte, afgelegd op 12 april 2016 ter terechtzitting van de rechtbank Overijssel, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

[benadeelde] en [betrokkene 1] hebben in mijn woning aan de [a-straat 1] te [plaats] verbleven. Ik blijf bij de door mij bij de politie afgelegde verklaring. Men noemt mij ook wel [verdachte] (...)

U houdt mij voor dat [benadeelde] en [betrokkene 1] volgens de politie in de periode van 1 mei 2014 tot en met 6 mei 2014 in mijn woning hebben verbleven. Hierop verklaar ik dat dit zou kunnen kloppen. Ik weet het niet meer precies. Misschien is het ongeveer een week geweest. (...)”

6. Voorts heeft het hof met betrekking tot het bewijs overwogen:

Oordeel van het hof

Ten aanzien van sub 2

Uit de bewijsmiddelen volgt dat aangeefster toen zij 17 was - samen met de toen 32 jarige [betrokkene 1] - korte tijd (ongeveer anderhalve week) bij verdachte heeft ingewoond en dat zij in de woning van verdachte klanten ontving met wie zij tegen betaling seks had. Aangeefster heeft verklaard dat verdachte wist van haar prostitutiewerkzaamheden in zijn woning en ook dat verdachte wist dat zij minderjarig was.

Verdachte heeft dit beaamd, maar daaraan toegevoegd dat hij pas wist van die prostitutiewerkzaamheden op het moment dat aangeefster al in zijn huis verbleef en dat hij bovendien [betrokkene 1] en aangeefster hierop heeft aangesproken en dat ze ongeveer een week later zijn vertrokken. Verdachte begreep (toen aangeefster in zijn huis verbleef) dat [betrokkene 1] de vriend was van aangeefster en verdachte zag dat [betrokkene 1] de baas over haar speelde. Uit de verklaring van aangeefster blijkt niet dat verdachte aangeefster of [betrokkene 1] heeft aangesproken, maar wel dat er tussen aangeefster en verdachte afspraken waren over het openen van de deur in verband met het klantenbezoek. Hoe dan ook heeft verdachte aangeefster, ondanks dat hij wist van haar activiteiten, in zijn woning laten wonen en het klantenbezoek in zijn woning niet verboden met als gevolg dat de klanten bleven komen.

Het hof gaat er vanuit dat zodra een minderjarige gebracht is in een situatie waarin zij (of hij) tegen betaling seks heeft met anderen, sprake is van seksuele uitbuiting van die minderjarige. Verdachte was op de hoogte van de seksuele dienstverlening door een minderjarige in zijn woning en dus was hij op de hoogte van de uitbuiting van aangeefster in zijn woning. Ondanks die wetenschap is verdachte aangeefster blijven huisvesten waardoor aangeefster, zoals verdachte wist, klanten kon en ook bleef ontvangen in die woning en waardoor de situatie van uitbuiting werd gecontinueerd. Naar het oordeel van het hof kan daarom tot een bewezenverklaring worden gekomen van de tenlastelegging voor zover deze ziet op artikel 273f lid 1 sub 2 Sr, namelijk het huisvesten met het oogmerk van seksuele uitbuiting, waarbij het om een minderjarige gaat.”

7. De tenlastelegging is toegesneden op art. 273f, eerste lid aanhef en onder 2°, Sr. Art. 273f Sr luidde in de tenlastegelegde (en bewezenverklaarde) periode, en luidt ook thans nog, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang:

“1. Als schuldig aan mensenhandel wordt met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie gestraft:

1° degene die een ander door dwang, geweld of een andere feitelijkheid of door dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, door afpersing, fraude, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over die ander heeft, werft, vervoert, overbrengt, huisvest of opneemt, met het oogmerk van uitbuiting van die ander of de verwijdering van diens organen;

2° degene die een ander werft, vervoert, overbrengt, huisvest of opneemt, met inbegrip van de wisseling of overdracht van de controle over die ander, met het oogmerk van uitbuiting van die ander of de verwijdering van diens organen, terwijl die ander de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt;

[…]

2. Uitbuiting omvat ten minste uitbuiting van een ander in de prostitutie, andere vormen van seksuele uitbuiting, gedwongen of verplichte arbeid of diensten, slavernij en met slavernij of dienstbaarheid te vergelijken praktijken.”

8. De toelichting op het middel voert aan (ik citeer): “Het enkele huisvesten van een slachtoffer van wie men weet dat zij in de prostitutiebranche werkzaam is, zonder dat de verdachte haar daartoe heeft gebracht, is onvoldoende voor een bewezenverklaring van mensenhandel. Er zal, wil tot een bewezenverklaring gekomen kunnen worden, bij de huisvester tenminste ook sprake moeten zijn van enigerlei vorm van oogmerk om de gehuisveste te brengen tot het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen. De bewoordingen ‘ertoe brengen’ wijzen daarop. In het licht van het voorgaande kan voor het begrip ‘ertoe brengen’ in dit geval niet worden volstaan met het enkele onderdak bieden. Dit oogmerk zal op een andere wijze moeten blijken uit de gebezigde bewijsmiddelen.”

9. Kennelijk berust de toelichting op de opvatting dat onderdeel 2˚ evenals onderdeel 5° van het eerste lid van art. 273f Sr de woorden “‘ertoe brengt” bevat. Die opvatting is onjuist, mogelijk is sprake van een verkeerde lezing van sub 2°. In die bepaling gaat het, voor zover hier van belang, alleen om huisvesting en het oogmerk van uitbuiting. Tot dat kader zal ik mij hieronder dan ook beperken.

10. Anders dan door opsomming in het tweede lid van een aantal vormen van uitbuiting, definieert de wet niet wat onder uitbuiting moet worden verstaan.2 Blijkens de wetsgeschiedenis van art. 250ter (oud) Sr – een voorloper van art. 273f Sr – valt onder een uitbuitingssituatie mede het misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en de betrokkene in een situatie verkeert of komt te verkeren die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee of prostitué in Nederland zich pleegt te bevinden.3 De toenmalige (achtereenvolgende) ministers van Justitie Korthals Altes (MvT) en Hirsch Ballin (MvA) gingen in dat verband nader in op de situatie van een minderjarige. Zij benadrukten dat een minderjarige over het algemeen te weinig inzicht en ervaring heeft om de gevolgen te kunnen overzien van de keuze om in de prostitutie te gaan werken; van een vrijwillige keuze kan daarom niet worden gesproken en in zoverre is de eigen wil van de minderjarige niet van belang.4 Naar aanleiding van de internationaal levende wens om in het bijzonder de minderjarige5 te beschermen tegen mensenhandel worden in onderdeel 2˚ van het eerste lid van art. 273f Sr weliswaar dezelfde handelingen genoemd als in onderdeel 1° – het werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten of opnemen –, maar anders dan in onderdeel 1° zijn in onderdeel 2° deze handelingen met betrekking tot de minderjarige strafbaar óók als daarbij (kort gezegd) geen dwang wordt toegepast.6 De wetgever heeft dus met dit belangrijke verschil rekening gehouden en daarmee gehoor gegeven aan het bepaalde in art. 2, vijfde lid, van de ‘Richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan’.7

11. In zijn rechtspraak ter zake heeft de Hoge Raad meermalen verwezen naar de hiervoor genoemde wetsgeschiedenis en regelgeving. De vraag of – en, zo ja, wanneer – sprake is van uitbuiting in de zin van art. 273f Sr, is, aldus de Hoge Raad, niet in algemene termen te beantwoorden en is sterk verweven met de omstandigheden van het geval.8 Daarbij komt onder meer betekenis toe aan factoren zoals de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt en het economisch voordeel dat daarmee door de verdachte wordt behaald; bij de weging van deze en andere relevante factoren dienen de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd. Ik wijs er wel op dat deze overweging vooral betrekking heeft op zaken waarin de werkzaamheden en uitbuiting niet seksueel van aard waren.9 Niet nodig is dat de uitbuiting daadwerkelijk heeft plaatsgevonden,10 en, anders dan de steller van het middel kennelijk meent, evenmin is voorwaarde dat het slachtoffer door de verdachte in de uitbuitingssituatie – dat wil zeggen: een situatie die de gelegenheid tot uitbuiting schiep – is gebracht.11 Het gaat erom dat met het handelen van de verdachte – naar hij moet hebben beseft – als noodzakelijk (en dus door hem gewild) gevolg meebracht dat de ander door hem werd of zou kunnen worden uitgebuit.12

12. De Hoge Raad heeft er daarbij uitdrukkelijk op gewezen dat als het slachtoffer minderjarig is, de hiervoor genoemde, en eventueel andere, factoren tot een andere uitkomst kunnen leiden dan in het geval het slachtoffer meerderjarig is.13 De strafbepaling in onderdeel 2° is evenzeer van toepassing als de minderjarige zich al met prostitutiewerkzaamheden bezighield en de verdachte slechts ‘faciliterende activiteiten’ heeft verricht voor de minderjarige.14 Wel blijft uiteraard staan dat sprake moet zijn van oogmerk op de uitbuiting. Onder oogmerk, een bijzondere vorm van opzet, valt wel het noodzakelijkheidsbewustzijn,15 maar niet het voorwaardelijk opzet; in dat opzicht omvat het delictsbestanddeel “opzettelijk” in de onderdelen 6° en 7° dus méér.

13. In mijn conclusie voorafgaand aan HR 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1452, NJ 2019/402 maakte ik een uitstapje naar onderdeel 5˚ van art. 273f, eerste lid, Sr waarin, anders dan in onderdeel 2˚, het samengestelde delictsbestanddeel “oogmerk van uitbuiting” ontbreekt. Ik vroeg mij in die conclusie af hoe het arrest van HR 2 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1823, NJ 2018/402, waarin is geoordeeld dat “geen grond is 'uitbuiting' naast de overige bestanddelen aan te merken als een impliciet bestanddeel van art. 273f, eerste lid aanhef en onder 5°, Sr”, kan worden uitgelegd en wat hiervan de gevolgen zijn voor onderdeel 2˚ van art. 273f Sr. In het arrest van 1 oktober 2019 ging het om prostitutie van een minderjarig meisje waarbij de verdachte het meisje had vervoerd, gehuisvest en opgenomen. De verdachte had van het meisje geld voor boodschappen gekregen en ook had het meisje een auto voor de verdachte en haarzelf gekocht, met dien verstande dat zijzelf geen rijbewijs had en de verdachte reed. In WhatsApp berichten spraken zij over gezamenlijke inkomsten uit die prostitutie. In voormelde conclusie kwam ik tot het standpunt dat als prostitutie van een minderjarige op zichzelf niet per definitie uitbuiting oplevert, bij de beoordeling van de vraag óf van oogmerk tot uitbuiting sprake is de waardering van de omstandigheden van het geval (wel) in overwegende mate wordt ingekleurd door de opvatting van de wetgever dat “in het algemeen aan de exploitatie van prostitutie van minderjarigen misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht inherent is”.16 Niet het economisch gewin voor de verdachte staat in zo een geval voorop, maar het gebrek aan inzicht en het ontbreken van een vrijwillige keuze bij de minderjarige, de kwetsbare positie van de minderjarige en de vrijheidsbeperkingen voor de minderjarige zijn in dit verband de factoren die in het beoordelingskader overheersend of doorslaggevend zijn.

14. Wat betekent het voorgaande nu voor de onderhavige zaak? De bewijsvoering van het hof houdt het volgende in. De minderjarige [benadeelde] , die destijds 17 jaar oud was, woonde ongeveer anderhalf week bij de verdachte in en ontving in die periode in een benedenkamer dagelijks drie á vier klanten met wie zij tegen betaling seks had (bewijsmiddelen 2, 3 en 4). Naar de verdachte zelf heeft verklaard, wist hij dat [benadeelde] in zijn woning prostitutiewerkzaamheden verrichtte en hij wist ook dat zij op dat moment minderjarig was (bewijsmiddel 5). Hij zag dat de vriend van [benadeelde] , [betrokkene 1] genaamd, de baas over haar speelde (bewijsmiddel 5). De verdachte, volgens [benadeelde] een vriend van [betrokkene 1] (bewijsmiddel 1), had naar zijn zeggen deze [betrokkene 1] voor de duur van ongeveer twee maanden onderdak geboden (bewijsmiddel 5). [benadeelde] , [betrokkene 1] en [verdachte] hadden gesproken over het prostitutiewerk en afspraken gemaakt over hoe de deur geopend moest worden; die afspraken hadden zij samen gemaakt (bewijsmiddel 4). [betrokkene 1] en [benadeelde] gingen onverwacht bij de verdachte weg, aldus de verklaring van de verdachte (bewijsmiddel 5).

15. Op grond van deze bewijsmiddelen heeft het hof vastgesteld dat de verdachte (i) [benadeelde] in zijn woning heeft laten wonen, terwijl hij (ii) wist dat zij als minderjarige tegen betaling klanten ontving en (iii) hij het klantenbezoek niet verbood met als gevolg dat de klanten bleven komen.17 Vervolgens heeft het hof deze feitelijke vaststellingen juridisch vertaald naar de tekst van art. 273f, eerste lid onder 2°, Sr. Omdat de verdachte op de hoogte was van de seksuele dienstverlening van een minderjarige in zijn woning en omdat de verdachte ondanks die wetenschap deze minderjarige was blijven huisvesten waardoor zij klanten in zijn woning kon blijven ontvangen, was de verdachte op de hoogte van de uitbuiting van de minderjarige in zijn woning en heeft hij in die zin de situatie van uitbuiting in stand gelaten en laten voortbestaan, waarbij het hof ervan is uitgegaan dat sprake is van seksuele uitbuiting van de minderjarige zodra deze is gebracht in een situatie waarin zij (of hij) tegen betaling seks heeft met anderen.

16. Op grond van het voorgaande meen ik dat het – niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigend – oordeel van het hof dat, in het licht van het bepaalde in de aanhef en onderdeel 2° van het eerste lid van art. 273f Sr, uit de bewijsvoering het oogmerk van uitbuiting bij de verdachte volgt, toereikend is gemotiveerd. Dat betekent dat de bewezenverklaring voldoende naar de eis der wet met redenen is omkleed.

17. Het middel faalt.

18. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

19. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Ik begrijp: mensenhandel, terwijl de persoon ten aanzien van wie het in artikel 273f, eerste lid onder 2°, Sr omschreven feit wordt gepleegd, de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt.

2 Vgl. HR 15 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:39, NJ 2019/61, HR 19 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:383, NJ 2019/207, m.nt. Reijntjes en HR 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1452, NJ 2019/402.

3 Zie MvT, Kamerstukken II 1988/89, 21 027, nr. 3, p. 3 e.v. en MvA, Kamerstukken II 1990/91, 21 027, nr. 5, p. 3. Beide vindplaatsen worden aangehaald in HR 5 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5235, NJ 2002/546 en HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099, NJ 2010/598, m.nt. Buruma.

4 MvT, Kamerstukken II 1988/89, 21 027, nr. 3, p. 2 en 8, en MvA, Kamerstukken II 1990/91, 21 027, nr. 5, p. 4, 7 en 11.

5 Dit is elke persoon beneden de leeftijd van 18 jaar, aldus art. 2, zesde lid, van Richtlijn 2011/36/EU.

6 Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, art. 273f, aant. 4 (bewerkt door prof. mr. A.J. Machielse; actueel t/m mei 2016).

7 PbEU 2011, L 101/1.

8 HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099, NJ 2010/598, m.nt. Buruma en HR 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1452, NJ 2019/402.

9 Zie HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:554, NJ 2016/315, m.nt. Van Kempen (afsluiten telefoonabonnementen; vrijspraak tenlastelegging art. 273f, eerste lid aanhef en onder 4°, Sr): HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1946, NJ 2019/271, m.nt. Rozemond (waarin de Hoge Raad de overweging lijkt te beperken tot “een geval als het onderhavige”, dat wil zeggen het werken als kok in restaurants); HR 15 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:39, NJ 2019/61 (verrichten huishoudelijke werkzaamheden); en HR 19 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:383, NJ 2019/207, m.nt. Reijntjes (seizoenarbeiders aardbeienkwekerij).

10 Vgl. HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099, NJ 2010/598, m.nt. Buruma, HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7097, HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1945 en HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1946, NJ 2019/271, m.nt. Rozemond.

11 HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099, NJ 2010/598, m.nt. Buruma (rov. 2.5.2).

12 Vgl. punt 15 van de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge vóór HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099, NJ 2010/598, m.nt. Buruma: “Wel vereist lijkt mij te zijn dat er een relatie is tussen de gedraging (het vervoeren, overbrengen, enz.) en het oogmerk van de dader. Het gedwongen vervoer of de gedwongen huisvesting moet instrumenteel zijn aan de beoogde uitbuiting”.

13 HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3309, NJ 2016/313, m.nt. Van Kempen en HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:554, NJ 2016/315, m.nt. Van Kempen. Esser is van mening dat, hoewel de Hoge Raad dit niet expliciet zegt, de woorden “andere uitkomst” kunnen worden uitgelegd als een roep om bij de minderjarige aan het vaststellen van oogmerk van uitbuiting minder zware eisen te stellen dan te doen gebruikelijk is. Zie L.N. Esser, De strafbaarstelling van mensenhandel ontrafeld. Een analyse en heroriëntatie in het licht van rechtsbelangen, Den Haag: Boom juridisch 2019, p.202.

14 HR 20 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1174, NJ 2014/292. Zie verder de informatieve conclusies van mijn voormalige ambtgenoot Machielse vóór HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3309, NJ 2016/313, m.nt. Van Kempen en procureur-generaal Silvis vóór HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1946, NJ 2019/271, m.nt. Rozemond.

15 Zie voor de omschrijving van het delictsbestanddeel “oogmerk” bijv. HR 21 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1031, NJ 1998/610 en HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:94, NJ 2013/406. Zie voorts J. de Hullu, Materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer, 2018, p. 257.

16 Vgl. HR 2 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1823, NJ 2018/402.

17 Overigens blijkt uit de bewijsoverweging van de rechtbank dat [benadeelde] heeft verklaard dat zij van [betrokkene 1] had gehoord dat hij voor hun verblijf in de woning van de verdachte € 200,00 per week moest betalen en dat de verdachte heeft verklaard dat [betrokkene 1] hem ongeveer € 100,00 tot € 200,00 per maand voor zijn verblijf in de woning heeft gegeven. Daaruit kan, lijkt mij, worden opgemaakt dat de verdachte te dezen dus wel degelijk enig financieel voordeel heeft genoten.