Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:1213

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
14-05-2019
Datum publicatie
26-11-2019
Zaaknummer
16/05159
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1849
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Economische zaak. Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 45.1 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, begaan door rechtspersoon. Art. 4 Legkippenbesluit 2003 (oud). Middelen over 1. de verwerping van het tot n-o van het OM strekkende verweer waarbij o.m. een beroep is gedaan op het onherroepelijke oordeel van de bestuursrechter en het onherroepelijke beslissing van de Staatssecretaris, beide inhoudend dat handhavend optreden jegens verdachte in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, en 2. o.a. of het houden van legkippen in niet-aangepaste kooien (“traditionele legbatterijen”) in overeenstemming is met art. 4 Legkippenbesluit 2003 (oud) te stellen eisen. HR: art. 81.1 RO. Samenhang tussen 16/05159 E, 16/05160 E en 16/05161 E.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/05159

Zitting: 14 mei 2019 (bij vervroeging)

Mr. B.F. Keulen

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 31 maart 2016 door de Economische Kamer van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens ‘Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 45, eerste lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, begaan door een rechtspersoon’, veroordeeld tot een geldboete van € 15.000,00.

  2. Er bestaat samenhang met de zaken 16/05160 en 16/05161. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. Th.J. Kelder, advocaat te 's-Gravenhage, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

  4. Voorafgaand aan de bespreking van de middelen vermeld ik ten behoeve van een goed begrip van de zaak het volgende. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat ‘zij in de periode 31 juli 2012 tot en met 2 april 2013 te Odiliapeel, gemeente Uden, een hoeveelheid legkippen heeft gehuisvest, terwijl dit niet overeenkomstig artikel 4 van het Legkippenbesluit 2003 geschiedde, aangezien de dieren werden gehouden in niet-aangepaste kooien (traditionele legbatterijen)’. Art. 4 van het (inmiddels vervallen) Legkippenbesluit 2003 stelde eisen aan de wijze waarop legkippen werden gehouden en gehuisvest. Het eerste middel betreft de verwerping van een beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Het tweede middel ziet op de bewezenverklaring en kwalificatie van het bewezenverklaarde, alsmede op de verwerping van het verweer dat de tenlastegelegde kooien voldeden aan het voor ‘te verrijken kooien’ geldende overgangsregime van het Legkippenbesluit 2003. Het derde middel klaagt over schending van het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn.

  5. Het eerste middel klaagt dat het hof het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging wegens handelen in strijd met beginselen van een goede procesorde ten onrechte heeft verworpen althans die verwerping heeft doen steunen op onjuiste, onbegrijpelijke en/of ontoereikende gronden. Het middel klaagt voorts dat het hof ten onrechte niet heeft beslist op een (met dit verweer samenhangend) voorwaardelijk verzoek tot nader onderzoek naar het percentage eieren van testbedrijven dat het consumptiekanaal ingaat, althans dat de (impliciete) afwijzing van dit verzoek onjuist, onbegrijpelijk en/of ontoereikend is gemotiveerd.

  6. Het hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Van de zijde van de verdachte is het verweer gevoerd dat het openbaar ministerie in zijn strafvervolging niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard, omdat het in de onderhavige zaak niet tot een beslissing tot (verdere) vervolging had mogen komen.

Ter onderbouwing van het niet-ontvankelijkheidsverweer heeft de verdediging (in eerste termijn in hoger beroep, ter terechtzitting van 9 april 2015) - kort samengevat - het volgende aangevoerd. De Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij heeft onrechtmatig gehandeld, door in strijd met het gelijkheidsbeginsel het Legkippenbesluit 2003 niet van toepassing te verklaren op de 'recurrent testbedrijven' van [A] , terwijl verdachte wel aan dat besluit gebonden is. De omstandigheid dat deze testbedrijven deelnemen aan het fokprogramma van [A] met als doel nieuwe legpluimveelijnen voort te brengen met verbeterde eigenschappen, waartoe het gedrag van de legkippen op die bedrijven wordt geregistreerd, rechtvaardigt dit onderscheid niet. Evenals verdachte houden deze testbedrijven immers legkippen die consumptie-eieren produceren voor de markt. De testbedrijven zijn derhalve concurrenten van verdachte.

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft geoordeeld dat het besluit tot het opleggen van een last onder bestuursdwang onder deze omstandigheden een schending van het gelijkheidsbeginsel oplevert. Om dezelfde reden is de beslissing van het openbaar ministerie om verdachte wel en de testbedrijven niet te vervolgen ter zake van overtreding van hetzelfde feit onrechtmatig, althans is dit vervolgingsbeleid in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder met het gelijkheidsbeginsel c.q. het verbod van willekeur, althans komt dit vervolgingsbeleid in strijd met de goede procesorde. Na het wijzen van het tussenarrest door het hof d.d. 23 april 2015 heeft de verdediging ter terechtzitting van 17 maart 2016 nog gewezen op de herziene beslissing van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 18 augustus 2015 waarin de bezwaren van verdachte tegen het nadere besluit op bezwaar alsnog gegrond zijn verklaard en het bestreden besluit is herroepen.

Het hof overweegt met betrekking tot dit verweer als volgt.

Na de inhoudelijke behandeling van de zaak op 9 april 2015 heeft het hof het onderzoek bij tussenarrest van 23 april 2015 heropend, teneinde nader onderzoek te laten verrichten. Voor het hof was onder andere onvoldoende duidelijk of de in een brief van de directeur Agroketens en Visserij van het toenmalige ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit neergelegde afspraak om het Legkippenbesluit 2003 niet van toepassing te verklaren op ‘recurrent’ testbedrijven van [A] zich uitstrekte tot de ‘recurrent testbedrijven’ in zijn geheel of alleen tot de stallen waarin de testkippen worden gehouden. Daartoe achtte het hof ten eerste noodzakelijk dat in een aanvullend proces-verbaal antwoord zou worden gegeven op de in het tussenarrest opgenomen vragen aangaande de bedrijfskenmerken van de ‘recurrent testbedrijven’ in Nederland. Naar aanleiding hiervan is een aanvullend proces-verbaal opgesteld door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , beide ambtenaren van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, tevens BOA, d.d. 16 november 2015.

Hieruit is - zakelijk weergegeven - het navolgende gebleken.

Op het moment van het opmaken van voornoemd aanvullend proces-verbaal waren er 10 ‘recurrent testbedrijven’ van [A] in Nederland met een gezamenlijke capaciteit van 211.368 testdieren. Van de 10 testbedrijven zijn er vier bedrijven met zowel ‘recurrent teststallen’ als reguliere stallen met legkippen. Alleen de aantallen legkippen die vermeld zijn op de lijst als verblijvende in de ‘recurrent teststallen’ zijn onderdeel van het fokprogramma. Het besluit van de toenmalige Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij om het Legkippenbesluit 2003 niet van toepassing te verklaren op bepaalde bedrijven, geldt dan ook alleen ten aanzien van de aanwezige legkippen in de ‘recurrent teststallen’ van de ‘recurrent testbedrijven’ die onderdeel zijn van het fokprogramma. In zes van de tien bedrijven zijn dat ook de enige stallen op het bedrijf. De eieren die worden geproduceerd in de ‘recurrent teststallen’ gaan het reguliere afzetkanaal in en worden verwerkt tot ei-producten. Deze eieren worden bestempeld met de code 3. Dat wil zeggen dat ze afgezet worden als kooi-eieren.

In Nederland worden per jaar 10.400.000.000 consumptie-eieren geproduceerd. De eieren uit de testbedrijven hebben een aandeel van 0,06% van de totale eierproductie.

Uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is het hof gebleken dat consumptie-eieren grofweg onderverdeeld kunnen worden in 4 categorieën, te weten:

- Code 0: biologische eieren

- Code 1 : vrije uitloop eieren (buitenverblijf)

- Code 2: scharreleieren (binnenverblijf)

- Code 3: kooi-eieren (legbatterij)

Voorts is het hof gebleken, mede op basis van de verklaring van de vertegenwoordiger van verdachte, dat eieren met code 0 de duurste eieren zijn en eieren met code 3 de goedkoopste eieren zijn.

Ten tweede achtte het hof noodzakelijk dat ter terechtzitting als getuige zou worden gehoord een door het openbaar ministerie te bepalen in deze materie ingevoerde ambtenaar van het Ministerie van Economische Zaken, teneinde vragen te beantwoorden met betrekking tot de besluitvorming van de toenmalige Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij om het Legkippenbesluit 2003 niet van toepassing te verklaren op ‘recurrent testbedrijven’ van [A] . Ter terechtzitting is als deskundige gehoord [betrokkene 1] , juridisch adviseur bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, zijnde een uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van Economische Zaken.

Deze deskundige heeft op vragen van het hof het navolgende verklaard - voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven - :

- een uitvoerend ambtenaar van het Ministerie van LNV heeft destijds de beslissing genomen om het Legkippenbesluit 2003 niet van toepassing te verklaren op 'recurrent testbedrijven' van [A] ;

- de toenmalige Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij is pas in 2012 in persoon op de hoogte gesteld van voornoemde beslissing;

- de uitzondering is niet in het Legkippenbesluit 2003 zelf opgenomen;

- het niet van toepassing verklaren van het Legkippenbesluit 2003 geldt uitdrukkelijk alleen voor de ‘recurrent teststallen’ waar de ‘recurrent tests’ worden gehouden. De overige - reguliere - stallen van de aangewezen ‘recurrent testbedrijven’ (voor zover aanwezig) zijn wel gebonden aan de voorschriften van het Legkippenbesluit 2003;

- in het kader van de naleving van het Europese legbatterijverbod in 2012 zijn alle pluimveebedrijven in Nederland gecontroleerd;

- de 'recurrent testbedrijven' hebben een geheel eigen wijze van bedrijfsvoering. Een gedeelte van de inkomsten van deze bedrijven wordt namelijk voorzien door [A] . De pluimveehouder van een 'recurrent testbedrijf’ moet allerlei data verzamelen over de betreffende legkippen die deelnemen aan het fokprogramma, waarvoor een aparte vergoeding wordt afgegeven. Dat de eieren van de legkippen uit de ‘recurrent teststallen’ op de markt komen is een bron van inkomsten, maar dat is om verspilling van voedsel te voorkomen. Het is niet het primaire doel van deze bedrijven om zoveel mogelijk eieren op de markt te brengen. Het primaire doel ziet op het algemene belang om nieuwe, verbeterde legpluimveelijnen voort te brengen. De eieren worden afgezet als code 3 eieren. Eieren met deze code worden over het algemeen slechts verkocht als ei-producten voor de industrie.

Door de verdediging is een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel, kort gezegd omdat de ‘recurrent testbedrijven’ concurrenten van verdachte zijn, doordat zij - evenals verdachte - consumptie-eieren voor de markt produceren, terwijl zij zich voor wat betreft de huisvesting van de legkippen niet hoeven te houden aan de voorschriften van het Legkippenbesluit 2003 en hen is toegestaan de legkippen te houden in traditionele legbatterijen.

Het hof stelt ten aanzien van het door de verdediging aangevoerde verweer dat het openbaar ministerie in zijn strafvervolging niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard, omdat het in de onderhavige zaak niet tot een beslissing tot (verdere) vervolging had mogen komen, het volgende voorop.

Krachtens het in artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) neergelegde opportuniteitsbeginsel, is het aan het openbaar ministerie om zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing om tot vervolging over te gaan leent zich volgens de staande jurisprudentie slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde, voor zover hier van belang met het gelijkheidsbeginsel, om de reden dat geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn.

Ten aanzien van deze, tot terughoudendheid nopende, maatstaf gelden voor de rechter bij een eventuele beslissing tot niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie zware motiveringseisen. Daarbij dient een afweging plaats te vinden tussen het standpunt van het openbaar ministerie ten aanzien van het belang bij de onderhavige strafvervolging en de door de verdediging aangevoerde omstandigheden die tot het oordeel moeten leiden dat de vervolgingsbeslissing in strijd is met het gelijkheidsbeginsel.

Met betrekking tot de onderhavige zaak overweegt het hof als volgt.

Naar het oordeel van het hof is bij de strafvervolging van verdachte geen sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel c.q. het verbod op willekeur, omdat uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden dat gesproken kan worden van gelijke gevallen. Het hof stelt daarbij voorop dat het niet van toepassing verklaren van het Legkippenbesluit 2003 uitdrukkelijk alleen geldt voor de ‘recurrent teststallen’ die onderdeel zijn van het genoemde fokprogramma. In tegenstelling tot hetgeen waar de verdediging vanuit is gegaan zijn de overige - reguliere - stallen van de ‘recurrent testbedrijven’ wel gehouden aan het Legkippenbesluit 2003. In Nederland zijn thans 10 bedrijven die zijn aangemerkt als ‘recurrent testbedrijven’ van [A] en verdachte maakt daar geen deel van uit.

Het hof neemt voorts het volgende in aanmerking.

Op grond van de inhoud van het dossier alsmede uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof vast dat het (toenmalige) Ministerie van LNV in 2010 bereid was het Legkippenbesluit 2003 niet van toepassing te verklaren op de categorie ‘recurrent testbedrijven’ onder de voorwaarden dat het [A] welzijnsverbeterende maatregelen op deze bedrijven zou doorvoeren en er in de 'recurrent testbedrijven' geen 'gangbaar' legpluimvee zou worden gehouden. De hoofddoelstelling van deze ‘recurrent testbedrijven’ is het verkrijgen van gegevens op basis waarvan de zuivere foklijndieren worden geselecteerd voor het voortbrengen van nieuwe, verbeterde legpluimveelijnen. De productie van eieren wordt gezien als een nevendoelstelling en ‘bijproduct’ van de ‘recurrent testbedrijven’. Bij brief van 11 juni 2010 aan het (toenmalige) Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit heeft [A] uitgelegd dat deze individuele huisvesting essentieel is voor de vele metingen aan de dieren en voor de realisatie van genetische vooruitgang.

De eieren die worden geproduceerd in de ‘recurrent teststallen’ worden bestempeld met code 3 en komen op de markt als kooi-eieren oftewel als eieren met de laagste prijs ten opzichte van de overige categorieën eieren. In die zin kan ook niet gesproken worden van concurrentievervalsing.

De omstandigheid dat het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft geoordeeld dat het besluit tot stillegging van het bedrijf van verdachte een schending van het gelijkheidsbeginsel oplevert, maakt niet dat de beslissing van het openbaar ministerie om verdachte wel en de testbedrijven met ‘recurrent teststallen’ niet te vervolgen ter zake van overtreding van hetzelfde feit onrechtmatig is. Voor de ‘recurrent teststallen’ is immers een specifieke met een gedoogsituatie te vergelijken uitzondering in het leven geroepen voor wat betreft de handhaving van het Legkippenbesluit 2003 die voor de verdachte niet gold.

Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd of anderszins aannemelijk zijn geworden die zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging.’

7. De steller van het middel meent dat het hof heeft miskend dat het uitgangspunt is dat het hof bij de beoordeling van het door de verdachte gedane beroep op beginselen van een goede procesorde gebonden was aan (1) het onherroepelijke oordeel daaromtrent van de hoogste bestuursrechter en (2) de onherroepelijke beslissing van de Staatssecretaris van Economische Zaken, beide inhoudend dat het handhavend optreden jegens de verdachte strijdig was met het gelijkheidsbeginsel. De steller van het middel wijst daarbij op arresten waarin Uw Raad heeft overwogen dat de strafrechter, indien de verdachte de bestuursrechtelijke rechtsgang heeft gevolgd, in verband met een behoorlijke taakverdeling tussen de strafrechter en de bestuursrechter en met het oog op het voorkomen van tegenstrijdige uitspraken van de beslissing van de bestuursrechter dient uit te gaan.

8. In die arresten ging het evenwel om andere kwesties dan die welke in deze zaak aan de orde is. HR 24 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE2126, NJ 2003/80 m.nt. Buruma betrof de situatie waarin ter zake van art. 184 Sr wordt vervolgd terwijl het bevel aan de bestuursrechter kan zijn voorgelegd.1 In HR 26 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8808, NJ 2003/81 ging het om de vraag of de Regeling fokverbod varkens II 1997 onverbindend was. Het CBb had die vraag eerder bevestigend beantwoord. In HR 22 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0522, NJ 2010/142 m.nt. Mevis draaide het om de vaststelling van varkensrechten. Het CBb had het beroep tegen de beslissing van het Bureau Heffingen ongegrond verklaard. In HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2854, NJ 2010/573 m.nt. Klip was de situatie aan de orde waarin de verdachte de bestuursrechtelijke rechtsgang tegen een ongewenstverklaring heeft gevolgd.2 HR 17 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:41 (art. 81 RO) ten slotte betrof de uitleg van het begrip ‘taxivervoer’; het CBb had geoordeeld dat daarvan sprake was.

9. Het ging in deze arresten telkens om beslissingen van bestuursrechters waar rekening mee dient te worden gehouden bij beslissingen die de strafbaarheid van het gedrag van de verdachte betreffen. Bij dit verweer is de strafbaarheid van het gedrag van de verdachte niet aan de orde. Het gaat om de rechtmatigheid van het overheidsoptreden tegen dat (strafbare) gedrag. Er bestaat geen regel dat beslissingen inzake (de rechtmatigheid van) bestuurlijk handhavend optreden het oordeel over (de rechtmatigheid van) strafvorderlijk handhavend optreden bepalen.3 Voor zover de steller van het middel meent dat bij CBb en strafrechter ‘dezelfde vraag ter beantwoording voorligt’ miskent hij dat het CBb alleen de rechtmatigheid van bestuurlijke handhaving beoordeelt.4 Daaruit volgt dat een behoorlijke taakverdeling tussen de strafrechter en de bestuursrechter hier niet in het geding is en dat zich hier ook niet een geval voordoet waarin tegenstrijdige uitspraken dreigen. Meer in het algemeen bewaakt Uw Raad dat bestuurlijk handelen en toezeggingen in beginsel het vervolgingsrecht van het openbaar ministerie niet raken.5 En dat lijkt mij nog steeds de juiste benadering.

10. De steller van het middel betoogt voorts dat het hof bij de beoordeling van het verweer voor zover het om het beroep op het gelijkheidsbeginsel gaat niet de juiste maatstaf heeft gehanteerd. Het hof zou hebben miskend dat het in casu niet gaat om een beroep op het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging maar om een beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel.

11. Het hof heeft in het bestreden arrest overwogen dat de beslissing om tot vervolging over te gaan zich volgens staande jurisprudentie slechts in zeer beperkte mate leent voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, ‘in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde, voor zover hier van belang met het gelijkheidsbeginsel (curs. BFK), om de reden dat geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn’. Deze passage is door het hof vermoedelijk ontleend aan HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280, NJ 2013/109 m.nt. Schalken. In dat arrest wordt evenwel niet gesproken over het gelijkheidsbeginsel maar over ‘het verbod van willekeur – dat in strafrechtspraak in dit verband ook wel wordt omschreven als het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging –‘.

12. Naar het mij voorkomt brengt de omstandigheid dat het hof in deze passage het gelijkheidsbeginsel heeft vermeld, en niet het verbod van willekeur, niet mee dat het hof aan een onjuiste maatstaf heeft getoetst. Voor een beroep op het gelijkheidsbeginsel is vereist dat twee zaken daadwerkelijk gelijk zijn. Dat is niet gauw het geval. Daar komt bij dat de omstandigheid dat vervolging in een volkomen vergelijkbare zaak achterwege is gebleven, niet meebrengt dat die beslissing juist en – daarmee – maatgevend is. Het sepot kan onterecht zijn. Het is vermoedelijk (mede) tegen deze achtergrond dat Uw Raad eerder heeft overwogen ‘dat het ten onrechte niet vervolgen van derden wier gedragingen evenzeer als die van de verdachte het voorwerp van strafvervolging dienen te zijn, niet zonder meer leidt tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de strafvervolging tegen de verdachte’.6 Aangenomen wordt wel dat eerst een selectie naar willekeur uit vergelijkbare gevallen tot niet-ontvankelijkheid kan leiden.7 Uitgaande van dat standpunt heeft het hof, door een beroep op het gelijkheidsbeginsel te toetsen aan de vermelde maatstaf, de juiste maatstaf gehanteerd.

13. Maar ook als Uw Raad daar anders tegenaan zou kijken kan cassatie achterwege blijven. Het hof geeft in het vervolg van zijn overwegingen aan dat het van oordeel is dat geen sprake is van ‘strijd met het gelijkheidsbeginsel c.q. het verbod op willekeur, omdat uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden dat gesproken kan worden van gelijke gevallen’. Het hof heeft vervolgens uitgelegd waarom geen sprake is van gelijke gevallen. In die overweging ligt besloten dat en waarom ook zelfstandige toetsing aan een gelijkheidsbeginsel waaraan (naast het verbod op willekeur) zelfstandige waarde toekomt naar ’s hofs oordeel niet leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie.8

14. De steller van het middel betoogt vervolgens dat ’s hofs verwerping van het gevoerde verweer onjuist en onbegrijpelijk is. Het al dan niet zijn van ‘teststal’ of ‘reguliere stal’ zou voor de toepassing van het Legkippenbesluit 2003 volstrekt irrelevant zijn. Van concurrentievervalsing zou wel degelijk sprake kunnen zijn, omdat ook de verdachte (code 3) kooi-eieren op de markt brengt. In zoverre het hof tot uitdrukking heeft proberen te brengen dat de (code 3) kooi-eieren van de ‘recurrent teststallen’ niet in het consumptie-kanaal terecht komen, zou dat niet begrijpelijk en niet juist zijn. ’s Hofs motivering zou ten slotte niet begrijpelijk zijn voor zover zij inhoudt dat het oordeel van het CBb de beslissing om de verdachte te vervolgen niet onrechtmatig maakt nu voor de ‘recurrent teststallen’ een met een gedoogsituatie te vergelijken uitzondering in het leven was geroepen.

15. Het hof heeft naar aanleiding van het namens de verdachte gevoerde niet-ontvankelijkheidsverweer op 23 april 2015 een tussenarrest gewezen waarin het enkele vragen formuleerde. Naar aanleiding daarvan is een aanvullend proces-verbaal opgesteld door opsporingsambtenaren van de NVWA. Voorts heeft het hof ter terechtzitting deskundige [betrokkene 1] gehoord. In het arrest geeft het hof de inhoud van het aanvullend proces-verbaal en de antwoorden van de deskundige op de hem gestelde vragen op hoofdlijnen weer. Het hof stelt mede op basis van deze informatie vast ‘dat het niet van toepassing verklaren van het Legkippenbesluit 2003 uitdrukkelijk alleen geldt voor de ‘recurrent teststallen’ die onderdeel zijn van het genoemde fokprogramma’. De reguliere stallen van de ‘recurrent testbedrijven’ zijn wel gehouden aan het Legkippenbesluit 2003. In Nederland zijn 10 bedrijven aangemerkt als ‘recurrent testbedrijf’ van [A] .

16. Het hof stelt voorts vast dat het Ministerie van LNV in 2010 bereid was het Legkippenbesluit 2003 niet van toepassing te verklaren op de ‘recurrent testbedrijven’ onder de voorwaarden dat het [A] ‘welzijnsverbeterende maatregelen op deze bedrijven zou doorvoeren en er in de ‘recurrent testbedrijven’ geen ‘gangbaar’ legpluimvee zou worden gehouden’. Achtergrond van de gemaakte uitzondering was dat individuele huisvesting van kippen (in kooien die niet aan de eisen van het Legkippenbesluit 2003 voldeden) essentieel was voor ‘de vele metingen aan de dieren en voor de realisatie van genetische vooruitgang’ (de hoofddoelstelling van deze bedrijven). Het hof heeft kennelijk geoordeeld en kunnen oordelen dat er daarmee een grond was voor de ‘gedoogsituatie’ en dat het zijn van ‘recurrent teststal’ niet irrelevant was voor de toepassing van het Legkippenbesluit 2003.9

17. Dat geen sprake is van concurrentievervalsing heeft het hof, zo kan uit de overweging in zijn geheel bezien worden afgeleid, niet alleen gebaseerd op de vaststelling dat de eieren uit de ‘recurrent teststallen’ als code 3 kooi-eieren op de markt komen. Het hof heeft vastgesteld dat in Nederland per jaar 10.400.000.000 consumptie-eieren worden geproduceerd en dat de eieren uit de testbedrijven een aandeel hebben van 0,06% van de totale eierproductie. De aanduiding van het soort eieren kan tegen deze achtergrond begrepen worden als een additioneel argument, waarmee het hof tot uitdrukking brengt dat de eieren die op de markt worden gebracht geen (valse) concurrentie betekenen ten opzichte van de eieren die tegen hogere kosten worden geproduceerd.

18. Ook ’s hofs overweging dat de eerdere beslissing van het CBb niet maakt dat de beslissing van het openbaar ministerie om de verdachte te vervolgen onrechtmatig is, komt mij niet onbegrijpelijk voor. Eerder bleek al dat de beslissing van het CBb de strafrechter niet bindt. Belangrijker nog lijkt mij dat het verschil in benadering tussen de verdachte en bedrijven met ‘recurrent teststallen’ niet meebrengt dat de benadering van laatstgenoemde bedrijven maatgevend moet zijn. Als het zijn van teststal irrelevant zou zijn en er wel sprake zou zijn van concurrentievervalsing, zoals namens de verdachte is bepleit, zijn dat redenen om aan te nemen dat het ‘gedogen’ van de ‘recurrent teststallen’ onrechtmatig is. Het gevaar van de denklijn waar het middel blijk van geeft is dat een (terechte of onterechte) uitzondering die 0,06% van de productie van eieren raakt, ertoe leidt dat het verbod bij de productie van (een groot deel van) de andere eieren niet kan worden gehandhaafd.10

19. De steller van het middel klaagt ten slotte dat niet begrijpelijk is dat het hof niet heeft beslist op het (voorwaardelijke) verzoek tot onderzoek naar de vraag of eieren van testbedrijven in het consumptiekanaal terecht zijn gekomen.

20. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep op 17 maart 2016 is in verband met onderhavige verzoek, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende naar voren gebracht:

‘De raadsman voert het woord tot verdediging. De raadsman pleit overeenkomstig de inhoud van de door hem aan het hof overgelegde pleitnota, welke als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd en aan dit proces-verbaal is gehecht.

De raadsman deelt in aanvulling op zijn pleitnota het volgende mede. (…)

Mijns inziens is in deze procedure niet komen vast te staan dat de eieren uit de ‘recurrent testbedrijven’ niet het consumptie-kanaal in gaan en enkel voor de industrie zouden worden gebruikt.

De deskundige is de vraag gesteld of hierop wordt gecontroleerd en dat wist hij niet. Mijns inziens is niet goed uitgezocht welk percentage van de eieren het consumptie-kanaal in gaan. (…) Mijn cliënt denkt dat het percentage dat wel het consumptiekanaal in gaat 99% is. Indien dit een cruciaal punt wordt voor de beslissing van het hof, dan dient dit nader te worden onderzocht. De deskundige heeft ook toegegeven dat hij op dit terrein niet helemaal kundig is. Dit heeft te gelden als een voorwaardelijk verzoek van de zijde van de verdediging.

De advocaat-generaal reageert als volgt.

In Nederland zijn ongeveer 10 bedrijven met ‘recurrent teststallen’ en ongeveer 700 bedrijven die consumenten-eieren leveren. Alle bedrijven zijn van tevoren gecontroleerd en wisten aan welke normen zij moesten voldoen. Het feit dat er met een beperkt aantal bedrijven afspraken is gemaakt, die goed gemotiveerd zijn, betekent niet dat de verdachte die vandaag terecht staat vrij uit zou moeten gaan. Dat zou oneerlijk zijn ten opzichte van alle bedrijven die gecontroleerd zijn en wel voldoen aan de norm. (…)

Voor wat betreft het voorwaardelijk verzoek om nader onderzoek te doen naar de eieren merk ik het volgende op.

Gelet op het feit dat het slechts gaat om een klein percentage, te weten 0.06% van de totale eiproductie, is nader onderzoek niet noodzakelijk. Bovendien raakt dit het opportuniteitsbeginsel niet. Het openbaar ministerie heeft er voor gekozen om te vervolgen en dat lijkt mij - gelet op de uitspraak van de Hoge Raad uit 2012 - binnen de bevoegdheid die het openbaar ministerie heeft.

De raadsman deelt mede als volgt.

Door het openbaar ministerie wordt de nadruk gelegd op het kleine percentage aan bedrijven met ‘recurrent teststallen’ in Nederland. Ik vraag mij af of dit relevant is voor de vraag of het gelijkheidsbeginsel is geschonden. Naar mijn mening moet namelijk voor de beantwoording van deze vraag concreet worden gekeken naar het bedrijf van cliënt tegenover een ‘recurrent testbedrijf’. Het CBB heeft geoordeeld dat er geen wettelijke grondslag voor onderscheid tussen de bedrijven is. Dat betekent mijns inziens dat het voor de wet gelijke bedrijven zijn. Hiervoor is het aantal bedrijven niet van belang. Het gaat om het naast elkaar zetten van deze twee bedrijven. Naar mijn mening kan in dit concrete geval niet beslist worden dat het ene bedrijf wel en het ander bedrijf niet vervolgd wordt.’

21. Het hof heeft (anders dan in beide zaken tegen [medeverdachte] ) niet op het voorwaardelijk verzoek beslist. Naar het mij voorkomt behoefde het hof ook niet op het verzoek te beslissen nu uit het bestreden arrest kan worden afgeleid dat en waarom de voorwaarde die de raadsman aan het verzoek heeft verbonden naar ’s hofs niet onbegrijpelijke oordeel niet vervuld is. Het hof heeft overwogen dat de eieren die in de ‘recurrent teststallen’ worden geproduceerd op de markt komen als code 3 kooi-eieren. Daarmee is gegeven dat het hof er van uit is gegaan dat de eieren in het consumptiekanaal terecht zijn gekomen. Dat de omstandigheid dat de eieren in het consumptiekanaal terecht zijn gekomen voor het hof bij de beslissing op het gevoerde verweer geen cruciaal punt is, kan (zo bleek) worden begrepen tegen de achtergrond van het geringe aandeel van deze eieren in de totale productie van eieren in Nederland. De advocaat-generaal heeft daar ter terechtzitting op gewezen; de raadsman is daarna niet meer op het voorwaardelijk verzoek teruggekomen. Het hof heeft ook in het bestreden arrest het betreffende percentage (0,06%) vermeld.

22. Al met al meen ik dat het hof het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie heeft verworpen op gronden die deze verwerping kunnen dragen en dat het achterwege blijven van een (expliciete) beslissing op het voorwaardelijk verzoek om nader onderzoek niet onbegrijpelijk is.

23. Het eerste middel faalt.

24. Het tweede middel klaagt dat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed en dat ’s hofs oordeel dat het houden van legkippen in niet-aangepaste kooien (traditionele legbatterijen) niet in overeenstemming is met art. 4 Legkippenbesluit 2003 en dat het bewezenverklaarde overtreding van een voorschrift gesteld krachtens art. 45, eerste lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren oplevert, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans niet naar behoren is gemotiveerd. Het middel klaagt ten slotte dat het hof het verweer dat de verdachte moet worden vrijgesproken omdat de tenlastegelegde kooien voldeden aan het voor ‘te verrijken kooien’ geldende overgangsregime van het Legkippenbesluit 2003 ten onrechte heeft verworpen dan wel die verwerping heeft doen steunen op onjuiste, onbegrijpelijke en/of ontoereikende gronden.

25. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

‘zij in de periode 31 juli 2012 tot en met 2 april 2013 te Odiliapeel, gemeente Uden, een hoeveelheid legkippen heeft gehuisvest, terwijl dit niet overeenkomstig artikel 4 van het Legkippenbesluit 2003 geschiedde, aangezien de dieren werden gehouden in niet-aangepaste kooien (traditionele legbatterijen).’

26. De bewezenverklaring steunt op de volgende in de aanvulling op het arrest opgenomen bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen):

1. Een in de wettelijke vorm op ambtseed opgemaakt proces-verbaal d.d. 24 september 2012, dossierpagina’s (…) van het proces-verbaal van het Ministerie van Economische zaken, Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (hierna: NVWA), LN Afd. Toezichtuitv. Landbouw, Team LN Tm TU 09 Landbouw, (…) inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 3] en [verbalisant 2] :

Wij stelden een onderzoek in op het bedrijf [verdachte] naar aanleiding van het vanaf 1 januari 2012 definitief van kracht geworden verbod op het houden van legkippen in niet aangepaste kooien (legbatterijen).

Op 8 augustus 2012, omstreeks 9.55 uur, bevonden wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 3] , ons op het adres [a-straat 1] te [postcode] Odiliapeel. Wij zagen in de stal zes systemen met kooien van het merk Big Dutchman. Wij zagen dat er witte legkippen werden gehouden in deze kooien. Wij zagen dat er in de stal zes systemen stonden met aan beide zijden kooien. Wij zagen dat ieder systeem 8 lagen kooien hoog is, bestaande uit twee verdiepingen met elk vier lagen kooien.

Vervolgens hebben wij de kooien opgemeten. Wij telden per rij 136 oorspronkelijke kooien. Wij zagen dat zes oorspronkelijke kooien met elkaar verbonden waren doordat er gaten in de scheidingswanden waren gezaagd c.q. gesneden. Wij zagen dat de gaten in de scheidingswanden 21 centimeter breed en 31 centimeter hoog zijn.

Wij zagen dat er per zes verbonden kooien:

- twee zitstokken met een lengte van 210 centimeter waren aangebracht;

- één scharrelmatje was aangebracht met de afmetingen 12,5 centimeter bij 12,5 centimeter;

- één oorspronkelijke kooi was ingericht als legnest.

Wij zagen dat de metalen draadgazen bodem, een kunststof rooster was aangebracht met de afmeting 18,5 centimeter bij 18,5 centimeter. Wij zagen dat er in de scheidingswanden boven de drinknippelleiding geen uitsparing was voorzien voor een strooiselspiraal.

Wij zagen dat er per rij, 22 kooien gemaakt waren van zes oorspronkelijke kooien en 1 kooi van 4 oorspronkelijke kooien.

2. Het aanvullend proces-verbaal d.d. 13 juni 2013, (…), inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :

Op 5 maart 2013 stelden wij een onderzoek in bij [verdachte] (het hof begrijpt: opnieuw op het adres, [a-straat 1] , te Odiliapeel). Nadat wij de stallen hadden betreden, zagen wij in de stal zes systemen met kooien van het merk Big Dutchman. Wij zagen dat er witte legkippen werden gehouden in deze kooien. Wij zagen dat er geen veranderingen hebben plaatsgevonden aan het huisvestingssysteem, sinds de laatste controle op 23 november 2012.

Van [betrokkene 2] kreeg ik een uitdraai van de legkalender met daarop vermeld de aanwezige legkippen per 5 maart 2013. Volgens de uitdraai van de legadministratie van het bedrijf d.d. 5 maart 2013 waren 48.997 legkippen aanwezig in de stal.

Op 2 april 2013, omstreeks 13.30 uur, bevonden wij ons op het adres [a-straat 1] te Odiliapeel. Wij stelden vast dat de stallen van [verdachte] leeg waren.

3. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch d.d. 9 april 2015, inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van de vertegenwoordiger van verdachte [verdachte] , [betrokkene 2] :

Het is juist dat [verdachte] in de periode van 1 juli 2012 tot en met 2 april 2013 legkippen heeft gehuisvest in kooien in de stal aan de [a-straat 1] te Odiliapeel, gemeente Uden.

4. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Oost-Brabant d.d. 20 mei 2014, voor zover inhoudende als verklaring van de vertegenwoordigers van verdachte:

Vanaf 2009 zijn er aanpassingen aan traditionele huisvestigingssystemen gerealiseerd. Een van die aanpassingen bestond uit het maken van een opening tussen de zelfstandige, naast elkaar staande kooien om op die wijze tot de vereiste vrije beschikbare grondoppervlakte te kunnen komen.’

27. De steller van het middel klaagt in de toelichting dat de bewezenverklaring voor zover zij inhoudt dat het huisvesten van de legkippen ‘niet overeenkomstig artikel 4 van het Legkippenbesluit 2003 geschiedde, aangezien de dieren werden gehouden in niet-aangepaste kooien (traditionele legbatterijen)’ niet naar de eis der wet met redenen is omkleed. Uit de bewijsmiddelen zou namelijk niet blijken (i) dat de legkippen niet waren gehuisvest overeenkomstig art. 4 Legkippenbesluit 2003, noch (ii) dat het houden van legkippen in niet-aangepaste kooien (traditionele legbatterijen) in casu niet overeenkomstig art. 4 Legkippenbesluit 2003 was.

28. Art. 4 Legkippenbesluit 2003 luidde ten tijde van het bewezenverklaarde feit als volgt:11

‘1. Legkippen beschikken ten minste over:

a. 1111 cm2 bruikbare oppervlakte per legkip;

b. één nest per 7 legkippen dan wel een gemeenschappelijk nest van 1 m2 per 120 legkippen;

c. een met strooisel bedekte oppervlakte van 250 cm2 per legkip waarbij in ieder geval een derde deel van het grondoppervlak met strooisel is bedekt;

d. een zitstok met een lengte van 15 cm per legkip die niet is aangebracht boven het strooisel. De horizontale afstand tussen de zitstokken bedraagt ten minste 30 cm en tussen de zitstokken en de wand ten minste 20 cm;

e. een passende voorziening die het doorgroeien van nagels tegengaat;

f. een voerbak waarvan de lengte van de voor de legkippen toegankelijke kant ten minste 10 cm per legkip bedraagt of, indien het een ronde voerbak betreft, ten minste 4 cm per legkip, en

g. een bereikbare watervoorziening bestaande uit:

1°. een continu werkende drinkgoot waarvan de lengte van de voor de legkippen toegankelijke kant ten minste 2,5 cm per legkip bedraagt;

2°. een ronde drinkbak waarvan de lengte van de voor de legkippen toegankelijke kant ten minste 1 cm per legkip bedraagt, of

3°. één drinknippel of één waterbakje per 10 legkippen. Bij watervoorziening via nippels of drinkwaterbakjes zijn per legkip ten minste twee nippels of drinkwaterbakjes bereikbaar.

2. In een huisvestingssysteem waarin de legkippen zich vrij op en tussen de verschillende niveaus kunnen verplaatsen:

a. is het aantal niveaus op enig punt boven de vloer beperkt tot vier;

b. bedraagt de vrije hoogte tussen de niveaus ten minste 45 cm;

c. zijn de voeder- en watervoorzieningen zo over de ruimte verdeeld dat alle legkippen er gelijke toegang toe hebben, en

d. komen de uitwerpselen van de legkippen die zich op de hogere niveaus bevinden niet op de voor de legkippen toegankelijke lagere niveaus terecht.

3. In een huisvestingssysteem waarin de legkippen toegang hebben tot een ruimte buiten:

a. geven over de hele lengte van het gebouw verdeelde uitgangen rechtstreeks toegang tot de ruimte buiten;

b. zijn de uitgangen ten minste 35 cm hoog en 40 cm breed;

c. hebben de beschikbare uitgangen een gezamenlijke breedte van ten minste 2 m per 1000 legkippen;

d. heeft de ruimte buiten om verontreiniging te voorkomen een grondoppervlakte die is afgestemd op de bezettingsgraad en het bodemtype, en

e. is de ruimte buiten voorzien van beschutting tegen slecht weer en roofdieren, en indien nodig van passende drinkvoorzieningen.

4. Een overdekte ruimte mag tot de in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde oppervlakte worden gerekend indien de ruimte in ieder geval vanaf 6 uur na het begin van de lichtperiode in de stal onbeperkt toegankelijk is voor de legkippen, gedurende ten minste 10 uren, en de toegangen tot de ruimte ten minste 35 cm hoog en 40 cm breed zijn en een gezamenlijke breedte hebben van ten minste 2 m per 1000 legkippen;

5. De oppervlakken die tot de bruikbare oppervlakte wordt gerekend bieden steun aan alle naar voren gerichte tenen van beide poten van de legkip.’

Dit artikel is geplaatst in § 2 van het Legkippenbesluit 2003 met het opschrift ‘Houden en huisvesten van legkippen in alternatieve huisvestingssystemen’. Blijkens de Nota van Toelichting wordt met alternatieve huisvestingssystemen gedoeld op huisvestingssystemen die geen gebruik maken van kooien.12

30. Uit de voor het bewijs gebezigde processen-verbaal volgt dat op 8 augustus 2012 en 5 maart 2013 door drie respectievelijk twee verbalisanten een onderzoek is ingesteld op het terrein van de verdachte gelegen aan de [a-straat 1] te Odiliapeel. Uit het eerste proces-verbaal volgt dat op dat terrein een stal stond met zes systemen met aan beide zijden kooien. Per rij werden 136 oorspronkelijke kooien geteld. Daarbij waren zes oorspronkelijke kooien met elkaar verbonden doordat er gaten in de scheidingswanden waren gezaagd c.q. gesneden. De gaten in de scheidingswanden waren 21 cm breed en 31 cm hoog. Per zes verbonden kooien waren twee zitstokken met een lengte van 210 cm en één scharrelmatje van 12,5 bij 12,5 cm aangebracht, en was één oorspronkelijke kooi als legnest ingericht. Uit het tweede proces-verbaal volgt dat aan het huisvestingssysteem geen veranderingen hadden plaatsgevonden sinds de laatste controle op 23 november 2012. Volgens een uitdraai van de legadministratie waren op 5 maart 2013 48.997 legkippen in de stal aanwezig. Uit bewijsmiddel 4 kan worden afgeleid dat vanaf 2009 aanpassingen aan de traditionele huisvestingssystemen zijn gerealiseerd. Nu niet is aangevoerd dat tussen 8 augustus en 23 november 2012 veranderingen hebben plaatsgevonden kan naar het mij voorkomt aan die mogelijkheid worden voorbijgegaan.

31. Een rekensom op basis van het eerste proces-verbaal leert dat in de stal (6 x 8 x 2 x 136 =) 13.056 oorspronkelijke kooien aanwezig waren. Dat betekent dat op 5 maart 2013 per oorspronkelijke kooi drie à vier kippen werden gehuisvest. Daarmee is gegeven dat niet voldaan werd aan de eis van art. 4 Legkippenbesluit 2003 dat er één nest was per 7 legkippen dan wel een gemeenschappelijk nest van 1 m2 per 120 legkippen. Reeds op grond van deze berekening blijkt uit het proces-verbaal dat de huisvesting van de legkippen niet in overeenstemming met het Legkippenbesluit 2003 plaatsvond. Uit het systeem van het Legkippenbesluit 2003 kan zelfs worden afgeleid dat de enkele omstandigheid dat de huisvesting in kooien plaatsvond meebrengt dat deze niet in overeenstemming met artikel 4 was. Artikel 4 zag op huisvesting zonder kooien, de artikelen 4a en 5 op huisvesting in aangepaste kooien, artikel 6 op huisvesting in niet-aangepaste kooien.

32. Daarmee heeft het hof uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden dat de legkippen niet waren gehuisvest overeenkomstig art. 4 Legkippenbesluit 2003. Dat het ging om niet-aangepaste kooien (traditionele legbatterijen) heeft het hof kunnen afleiden uit de feitelijke beschrijving van de kooien. In de stal stonden zes systemen met aan beide zijden kooien. Ik wijs er daarbij op dat de Van Dale ‘legbatterij’ omschrijft als: ‘serie kleine kooien voor legkippen’.13 Ook de voor het bewijs gebezigde verklaring die de vertegenwoordiger van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd biedt steun aan dit onderdeel van de bewezenverklaring. Deze verklaring houdt in dat het juist is dat de verdachte in de bewezenverklaarde periode ‘legkippen heeft gehuisvest in kooien in de stal aan de [a-straat 1] te Odiliapeel, gemeente Uden’.

33. De steller van het middel klaagt voorts dat aan de bewezenverklaring het onjuiste oordeel ten grondslag ligt dat de voorschriften van art. 4 Legkippenbesluit 2003 betrekking hadden op niet-aangepaste kooien. Hij wijst erop dat art. 2, tweede lid, Legkippenbesluit 2003 bepaalde dat legkippen ten minste werden gehuisvest overeenkomstig de artikelen 4, 7, 8, eerste en tweede lid, 9 en 10 Legkippenbesluit 2003, en dat op dit verbod in art. 2, derde, vierde en vijfde lid, Legkippenbesluit 2003 een aantal uitzonderingen werden geformuleerd. Art. 4 Legkippenbesluit 2003 formuleerde eisen die golden bij het gebruik van alternatieve huisvestingssystemen. Nu het in casu niet om een alternatief huisvestingssysteem maar om een kooihuisvestingssysteem ging, zou de in de bewezenverklaring opgenomen verwijzing naar art. 4 Legkippenbesluit 2003 niet relevant zijn voor de beantwoording van de vraag of is gehandeld in strijd met het bepaalde in art. 2, tweede lid, Legkippenbesluit 2003. Voor de bewezenverklaring zou van belang zijn of voldaan is aan de vereisten voor het gebruik van een kooihuisvestingssysteem, waarover de artikelen 4a, 5 en 6 Legkippenbesluit 2003 handelden.

34. Het Legkippenbesluit 2003 luidde ten tijde van het bewezenverklaarde feit, voor zover van belang, als volgt:14

Artikel 2

1. Dit besluit is niet van toepassing op houders van legkippen die minder dan 350 legkippen houden.

2. Legkippen worden ten minste gehuisvest en verzorgd overeenkomstig de artikelen 4, 7, 8, eerste en tweede lid, 9 en 10.

3. In afwijking van het tweede lid is het toegestaan legkippen in een kooi als bedoeld in artikel 4a te houden indien de legkippen ten minste worden gehuisvest en verzorgd overeenkomstig de artikelen 4a en 7 tot en met 10.

4. In afwijking van het tweede lid is het tot en met 31 december 2020 toegestaan legkippen in een kooi als bedoeld in artikel 5 te houden indien de legkippen ten minste worden gehuisvest en verzorgd overeenkomstig de artikelen 5 en 7 tot en met 10, voor zover het een huisvestingssysteem betreft waarvan de gebruiker kan aantonen dat:

a. het voor 18 april 2008 is gebouwd, of

b. ten behoeve van dit huisvestingssysteem voor 18 april 2008:

1°. een milieuvergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is verleend, of

2°. een aanvraag voor een bouwvergunning als bedoeld in artikel 40 van de Woningwet, is gedaan en:

– een aanvraag voor een milieuvergunning is gedaan, of

– een melding als bedoeld in artikel 7 van het Besluit landbouw milieubeheer is gedaan,

en dat het huisvestingssysteem voor 18 april 2010 is gebouwd en in gebruik is genomen.

5. In afwijking van het tweede lid is het tot en met 31 december 2011 toegestaan legkippen te houden in een kooi als bedoeld in artikel 6 indien de legkippen ten minste worden gehuisvest en verzorgd overeenkomstig de artikelen 6, 7, 8, eerste, tweede en vijfde lid, 9 en 10, voor zover het een huisvestingssysteem betreft waarvan de gebruiker kan aantonen dat het voor 1 januari 2003 is gebouwd en in gebruik is genomen.

(…)

§ 3. Houden en huisvesten van legkippen in kooihuisvestingssystemen

§ 3.1. Houden en huisvesten van legkippen in aangepaste kooien

Artikel 4a

1. Een kooi als bedoeld in artikel 2, derde lid, heeft:

a. een hoogte van ten minste 60 cm aan de zijde van de kooi waar de voerbak zich bevindt;

b. een hoogte van ten minste 50 cm boven de bruikbare oppervlakte;

c. een oppervlakte van ten minste 25.000 cm2, en

d. ten minste twee zitstokken.

2. Legkippen die worden gehuisvest in een kooi als bedoeld in artikel 2, derde lid, hebben ten minste de beschikking over:

a. 800 cm2 bruikbare oppervlakte per legkip met een gewicht van ten hoogste twee kilogram en 900 cm2 bruikbare oppervlakte per legkip met een gewicht van meer dan twee kilogram;

b. een nest;

c. een met strooisel bedekte ruimte waar de legkippen kunnen scharrelen en bodempikken;

d. een zitstok met een lengte van ten minste 15 cm per legkip en een vrije ruimte boven de zitstok van ten minste 20 cm;

e. een voerbak met een lengte van de voor de legkippen toegankelijke kant van ten minste 12 cm per legkip met een gewicht van ten hoogste twee kilogram en van ten minste 14.5 cm per legkip met een gewicht van meer dan twee kilogram;

f. een passende voorziening die het doorgroeien van nagels tegengaat, en

g. een continu werkende drinkgoot waarvan de lengte van de voor de legkippen toegankelijke kant ten minste 10 cm per legkip bedraagt dan wel drink-nippels of drinkwaterbakjes, waarvan er ten minste twee voor een legkip bereikbaar zijn.

3. De zitstokken, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, worden op verschillende hoogtes in de kooi geplaatst.

4. Het nest, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, is minder verlicht dan andere gedeelten van de kooi en heeft een oppervlak van ten minste:

a. 2700 cm2, wanneer in de kooi 30 of minder legkippen worden gehouden, of

b. 90 cm2 per legkip, wanneer in de kooi meer dan 30 legkippen worden gehouden.

5. De met strooisel bedekte ruimte, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, heeft een oppervlak van ten minste:

a. 2700 cm2, wanneer in de kooi 30 of minder legkippen worden gehouden, of

b. 90 cm2 per legkip, wanneer in de kooi meer dan 30 legkippen worden gehouden.

Artikel 5

1. Legkippen die worden gehuisvest in een kooi als bedoeld in artikel 2, vierde lid, hebben ten minste de beschikking over:

a. 750 cm2 oppervlakte waarvan 600 cm2 bruikbare oppervlakte per legkip, met dien verstande dat de kooi boven andere plaatsen dan de bruikbare oppervlakte op elk punt ten minste 20 cm hoog moet zijn en dat de totale oppervlakte van een kooi niet kleiner mag zijn dan 2000 cm2;

b. een nest;

c. een met strooisel bedekte ruimte die ten minste 20 cm hoog is, waar de legkippen kunnen scharrelen en bodempikken;

d. een zitstok met een lengte van 15 cm per legkip en een vrije ruimte boven de zitstok van 20 cm;

e. een voerbak waarvan de lengte van de voor de legkippen toegankelijke kant ten minste 12 cm per legkip bedraagt;

f. een passende voorziening die het doorgroeien van nagels tegengaat, en

g. een continu werkende drinkgoot waarvan de lengte van de voor de legkippen toegankelijke kant ten minste 10 cm per legkip bedraagt dan wel drinknippels of drinkwaterbakjes, waarvan er ten minste twee voor een legkip bereikbaar zijn.

2. De bodem van de kooi biedt steun aan alle naar voren gerichte tenen van beide poten van de legkip.

§ 3.2. Houden en huisvesten van legkippen in niet-aangepaste kooien

Artikel 6

1. Legkippen die worden gehuisvest in een kooi als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, hebben ten minste de beschikking over:

a. een grondoppervlakte van 550 cm2, horizontaal gemeten, die vrij beschikbaar is en waarvan de helling niet meer bedraagt dan 8 graden, met een vrije ruimte van 40 cm boven 65% van de grondoppervlakte en een vrije ruimte van 35 cm boven de overige grondoppervlakte. De ruimte onder de morsranden die de beschikbare grondoppervlakte kunnen beperken, wordt niet tot de grondoppervlakte gerekend;

b. een voerbak waarvan de lengte van de voor de legkippen toegankelijke kant ten minste 10 cm per legkip bedraagt;

c. een continu werkende drinkgoot waarvan de lengte van de voor de legkippen toegankelijke kant ten minste 10 cm per legkip bedraagt dan wel drinknippels of rinkwaterbakjes, waarvan er ten minste twee voor een legkip bereikbaar zijn, en

d. een passende voorziening die het doorgroeien van nagels tegengaat.

2. De bodem van de kooi biedt steun aan alle naar voren gerichte tenen van beide poten van de legkip.’

35. De Nota van Toelichting bij het Legkippenbesluit 2003 – waarin art. 4a niet wordt genoemd omdat die bepaling met ingang van 1 januari 2012 is ingevoegd15 – houdt onder meer het volgende in:16

‘In het kader van het onderhavige besluit zijn twee soorten huisvestingssystemen te onderscheiden. Enerzijds de kooihuisvestingssystemen (artikelen 5 en 6) en anderzijds de alternatieve huisvestingssystemen (artikel 4). De kooihuisvestingssystemen zijn te verdelen in aangepaste kooihuisvestingssystemen (artikel 5) en de niet-aangepaste kooihuisvestingssystemen, ook wel legbatterijen genoemd (artikel 6). Legkippen kunnen slechts gedurende de overgangsperiode in een niet-aangepast kooihuisvestingssysteem worden gehuisvest. Deze overgangsperiode geldt tot en met 31 december 2011 voor kooihuisvestingssystemen waarvan de gebruiker kan aantonen dat ze voor 1 januari 2003 zijn gebouwd en in gebruik zijn genomen. Om het verschil met het alternatieve huisvestingssysteem nog meer tot uitdrukking te brengen, wordt in onderdeel d omschreven wat onder een kooi wordt verstaan. Zoals ook uit de redactie van artikel 2 van het onderhavige besluit blijkt, is het uitgangspunt van het onderhavige besluit dat legkippen in alternatieve huisvestingssystemen worden gehuisvest.

(…)

In artikel 2 is tevens het uitgangspunt neergelegd, dat legkippen niet in kooien worden gehuisvest. Het tweede lid van artikel 2 bepaalt daarom dat legkippen worden gehuisvest overeenkomstig artikel 4, waarin de eisen aan alternatieve huisvestingssystemen zijn opgenomen. Als uitzondering daarop is het toegestaan legkippen in kooien te huisvesten overeenkomstig de artikelen 5 en 6. In artikel 5 is de huisvesting van legkippen in aangepaste kooien geregeld. Tot 1 januari 2012 is het echter nog toegestaan om legkippen in niet-aangepaste kooien of legbatterijen te houden. Artikel 6 bevat de eisen die gedurende de periode tot 1 januari 2012 aan legbatterijen worden gesteld, die voor 1 januari 2003 zijn gebouwd en in gebruik zijn genomen.’

36. Naar het mij voorkomt miskent de steller van het middel de systematiek die in de hiervoor geciteerde artikelen van het Legkippenbesluit 2003 besloten ligt, zoals die ook kan worden afgeleid uit de Nota van Toelichting. Het voorschrift waarvan overtreding met straf is bedreigd is te vinden in art. 2, tweede lid, Legkippenbesluit 2003: ‘Legkippen worden ten minste gehuisvest en verzorgd overeenkomstig de artikelen 4, 7, 8, eerste en tweede lid, 9 en 10.’ Dat voorschrift is geschonden als vaststaat dat één van de genoemde artikel(led)en overtreden is. Tegen die achtergrond volstaat een tenlastelegging die verwoordt dat de huisvesting van de legkippen met schending van art. 4 Legkippenbesluit 2003 heeft plaatsgevonden. Indien dat bewezen wordt verklaard is kwalificatie in beginsel mogelijk. Indien de verdachte van oordeel is dat de wijze van huisvesten voldoet aan de eisen van de artikelen 4a of 5 Legkippenbesluit 2003 dan kan hij zich daar op beroepen. Ook indien de verdachte van oordeel is dat voldaan is aan de eisen van art. 6 Legkippenbesluit 2003 kan hij zich daar op beroepen. Een beroep op laatstgenoemd artikel was in casu evenwel kansloos: uit art. 2, vijfde lid, Legkippenbesluit 2003 volgt dat de uitzondering van dat artikellid na 31 december 2011 niet meer van toepassing was. Dat het hof de verhouding tussen deze artikelen ook zo heeft gezien, kan worden afgeleid uit de omstandigheid dat de artikelen 2 en 4 Legkippenbesluit 2003 als toepasselijke wettelijke voorschriften zijn vermeld.

37. De steller van het middel klaagt ten slotte over ‘s hofs oordeel dat het niet huisvesten van legkippen overeenkomstig art. 4 Legkippenbesluit 2003 (zonder meer) een strafbaar feit als bedoeld in art. 45, eerste lid, Gezondheids- en welzijnswet voor dieren oplevert. Ook indien aan het bepaalde in dat artikel 4 niet is voldaan, maar wel aan het bepaalde in art. 4a, art. 5 of art. 6 Legkippenbesluit 2003, zouden de daarin opgenomen voorschriften ten aanzien van huisvesting kunnen zijn nageleefd.

38. Art. 45, eerste lid, Gezondheids- en welzijnswet voor dieren luidt: ‘Onverminderd het bepaalde krachtens artikel 35 kunnen bij algemene maatregel van bestuur voor daarbij aan te wijzen categorieën van houders van dieren van bij die maatregel aangewezen soorten of categorieën van dieren regelen worden gesteld omtrent de huisvesting van dieren’. Ingevolge art. 1 onder 4° Wet op de economische delicten zijn overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens art. 45 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, economische delicten, en wel overtredingen (art. 2, vierde lid, Wet op de economische delicten). Uit de redactie en het stelsel van deze artikelen volgt dat kwalificatie van het bewezenverklaarde in beginsel mogelijk is indien een overtreding is vastgesteld van ‘regelen gesteld omtrent de huisvesting van dieren’. Art. 2, tweede lid, Legkippenbesluit 2003 bevat zo’n regel. Dat brengt mee dat kwalificatie mogelijk is tenzij sprake is van een uitzonderingsgrond die daaraan in de weg staat.

39. De steller van het middel klaagt tenslotte dat het verweer dat voldaan is aan het voor te verrijken kooien geldende overgangsregime van het Legkippenbesluit 2003 ten onrechte door het hof is verworpen.

40. Het hof heeft het gevoerde verweer als volgt samengevat en verworpen:

‘De verdediging heeft bepleit - op gronden als vervat in de door hem overgelegde pleitnota - dat niet bewezen kan worden dat [verdachte] legkippen heeft gehouden in kooien die niet voldeden aan het Legkippenbesluit 2003, zodat vrijspraak dient te volgen.

Het hof overweegt als volgt.

Met ingang van de inwerkingtreding van het Legkippenbesluit 2003 (hierna: het Besluit) was het in gebruik nemen van nieuwe niet-aangepaste kooien, ofwel legbatterijen, niet meer toegestaan. Het huisvesten van legkippen in legbatterijen die voor 1 januari 2003 zijn gebouwd en in gebruik zijn genomen, was met ingang van 1 januari 2012 verboden.

Deze hoofdregel is dat legkippen worden gehuisvest in alternatieve huisvestingssystemen, opgenomen in artikel 2, tweede lid, van het Besluit.

De uitzonderingen op de hoofdregel, opgenomen in artikel 2, derde, vierde en vijfde lid, van het Besluit luidden als volgt:

“Artikel 2:

(...)

3. In afwijking van het tweede lid is het toegestaan legkippen in een kooi als bedoeld in artikel 4a te houden indien de legkippen ten minste worden gehuisvest en verzorgd overeenkomstig de artikelen 4a en 7 tot en met 10.

4. In afwijking van het tweede lid is het tot en met 31 december 2020 toegestaan legkippen in een kooi als bedoeld in artikel 5 te houden indien de legkippen ten minste worden gehuisvest en verzorgd overeenkomstig de artikelen 5 en 7 tot en met 10, voor zover het een huisvestingssysteem betreft waarvan de gebruiker kan aantonen dat:

a. het voor 18 april 2008 is gebouwd, of

b. ten behoeve van dit huisvestingssysteem voor 18 april 2008:

1 °. een milieuvergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is verleend, of

2°. een aanvraag voor een bouwvergunning als bedoeld in artikel 40 van de Woningwet, is gedaan en:

- een aanvraag voor een milieuvergunning is gedaan, of

- een melding als bedoeld in artikel 7 van het Besluit landbouw milieubeheer is gedaan,

en dat het huisvestingssysteem voor 18 april 2010 is gebouwd en in gebruik is genomen.

5. In afwijking van het tweede lid is het tot en met 31 december 2011 toegestaan legkippen te houden in een kooi als bedoeld in artikel 6 indien de legkippen ten minste worden gehuisvest en verzorgd overeenkomstig de artikelen 6, 7, 8, eerste, tweede en vijfde lid, 9 en 10, voor zover het een huisvestingssysteem betreft waarvan de gebruiker kan aantonen dat het voor 1 januari 2003 is gebouwd en in gebruik is genomen. ”

De verdediging heeft zich beroepen op het overgangsregime van de zogenaamde ‘te verrijken kooi’ en zich op het standpunt gesteld dat de kooien van verdachte tijdig zijn aangepast aan de vereisten voor de verrijkte kooi, als geformuleerd in de Nota van Toelichting, paragraaf 3, op het Besluit.

De toelichting in paragraaf 3 van de Nota van Toelichting bij het Besluit van 30 maart 2009, houdende een verbod op het houden van legkippen in verrijkte kooien en vaststelling van nieuwe minimumnormen voor het houden van legkippen, Stb. 2009, nr. 161, (pag. 5) houdt het volgende in:

“De overgangstermijn tot 1 januari 2017 geldt voor verrijkte kooien die onder artikel 2, vierde lid, van het Legkippenbesluit vallen. Dit betreft verrijkte kooien die voor 18 april 2008 waren gebouwd of ten behoeve waarvan voor 18 april 2008 een milieuvergunning was verleend of een bouwvergunning was aangevraagd en het systeem bovendien voor 18 april 2010 is gebouwd en in gebruik is genomen. Het overgangsregime heeft ook betrekking op de zogenoemde te verrijken kooien die tijdig zijn aangepast aan de eisen voor de verrijkte kooi. Anticiperend op het verbod op de legbatterij heeft een aantal ondernemers voor 1 januari 2003 een kooi gebouwd en in gebruik genomen met zodanige kooiafmetingen dat in een later stadium, zonder aanpassingen aan de kooi zelf, door middel van het aanbrengen van inrichtingselementen (zitstokken, nesten, ruimte met strooisel) wordt voldaan aan de eisen van de verrijkte kooi. Op basis van richtlijn 1999/74/EG moet een te verrijken kooi, die voor 1 januari 2003 gebouwd en in gebruik genomen moet zijn, uiterlijk op 31 december 2011 aan alle vereisten van de verrijkte kooi voldoen. Te verrijken kooien, waarin de inrichtingselementen zijn aangebracht, voldoen aan de eisen voor de verrijkte kooi en vallen derhalve onder het bepaalde in artikel 2, vierde lid, aanhef en onder a. De inrichtingselementen kunnen geplaatst worden zonder dat er bouwhandelingen hoeven te worden verricht. Te verrijken kooien konden tot 1 januari 2003 worden gebouwd en voldoen daarmee aan het criterium van het overgangsregime dat de kooien voor 18 april 2008 gebouwd moeten zijn.”

Het hof stelt op basis van het dossier vast dat de kooien van verdachte weliswaar zijn gebouwd en in gebruik genomen vóór 1 januari 2003, maar niet kan gesteld worden dat de kooien gebouwd waren met zodanige kooiafmetingen dat (BFK: deze) in een later stadium, zonder aanpassingen aan de kooi zelf (hof: cursief), door middel van het aanbrengen van inrichtingselementen zouden voldoen aan de eisen van de verrijkte kooi. Namens verdachte is in eerste aanleg immers verklaard dat er vanaf 2009 aanpassingen zijn gerealiseerd aan het traditionele huisvestingssysteem. Een van die aanpassingen bestond uit het maken van een opening tussen de zelfstandige, naast elkaar staande, kooien om op die wijze tot de vereiste vrij beschikbare grondoppervlakte te kunnen komen.

Het beroep op het overgangsregime van de zogenaamde ‘te verrijken kooi’ kan derhalve niet slagen.

Gelet op vorenstaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode 31 juli 2012 tot en met 2 april 2013 een hoeveelheid legkippen heeft gehuisvest, terwijl dit niet overeenkomstig artikel 4 van het Besluit geschiedde.

Het verweer van de raadsman wordt verworpen.’

41. De steller van het middel meent dat de verwerping van het verweer om twee redenen onbegrijpelijk is. De eerste reden is dat het hof voorbij gaat aan het verweer voor zover dat inhoudt dat de kooien reeds aan alle (oppervlakte-)eisen van art. 5 Legkippenbesluit 2003 voldeden voordat sprake was van het aanbrengen van openingen tussen de kooien. De tweede reden is dat het hof het aanbrengen van openingen tussen de kooien ten onrechte aanmerkt als dusdanige ‘aanpassingen aan de kooi’ dat het in de weg staat aan een geslaagd beroep op het bedoelde overgangsregime voor de ‘te verrijken kooi’.

42. Vooropgesteld kan worden dat uit art. 2, vierde lid, en art. 5 Legkippenbesluit 2003 en de toelichting op dat besluit een aantal voorwaarden volgen waaronder het huisvesten van legkippen in een ‘te verrijken kooi’ in de bewezenverklaarde periode niet strafbaar was. Art. 2, vierde lid, Legkippenbesluit 2003 stelt de eis dat de kooi voor 18 april 2008 is gebouwd. Aan die eis voldoen de kooien van de verdachte; het hof stelt vast dat de kooien van de verdachte al voor 1 januari 2003 zijn gebouwd. Het overgangsregime heeft in beginsel ook op die kooien betrekking. Uit het Legkippenbesluit 2003 zelf volgt dat de noodzakelijke aanpassingen in dat geval voor 18 april 2008 dienden te zijn gerealiseerd. Uit de toelichting op het besluit kan voorts worden afgeleid dat bij oudere kooien (zoals die van de verdachte) niet van aanpassingen aan de kooi zelf sprake mag zijn.17 Dat kan aldus worden uitgelegd dat van een huisvestingssysteem dat voor 18 april 2008 is gebouwd en aan de eisen van art. 5 Legkippenbesluit 2003 voldoet alleen sprake is als het in één keer zo is gebouwd dat het aan die eisen voldoet, met dien verstande dat de verplichte inrichtingselementen (zitstokken e.d.) in een later stadium kunnen worden aangebracht. De houder van legkippen die niet over zo’n systeem beschikte diende zijn kooien niet aan te passen maar moest, zo lijkt de gedachte, op een systeem overgaan dat ook na 2020 bruikbaar is.18

43. De eisen van art. 2, vierde lid, en art. 5 Legkippenbesluit 2003 cumuleren. Daarmee is gegeven dat het hof voorbij mocht gaan aan het verweer dat de kooien voor de aanpassingen reeds aan alle (oppervlakte-)eisen van art. 5 Legkippenbesluit 2003 voldeden. Ook indien de verdachte in dat opzicht het gelijk aan zijn zijde had, en in zoverre was voldaan aan de eisen van art. 5 Legkippenbesluit 2003, doet dat er niet aan af dat naar ‘s hofs oordeel niet voldaan was aan de eisen van art. 2, vierde lid, Legkippenbesluit 2003. Daar komt bij dat art. 5 Legkippenbesluit 2003 niet alleen eisen stelde aan het oppervlak van de kooien. Dat de afzonderlijke kooien voor de aanpassingen die vanaf 2009 gerealiseerd werden aan alle eisen van art. 5 Legkippenbesluit voldeden heeft de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep niet gesteld. Ook tegen deze achtergrond kon het hof voorbij gaan aan het gestelde inzake de oppervlakte-eisen.

44. Wat betreft de aanpassingen aan de kooi die vanaf 2009 gerealiseerd werden geldt dat de verdachte eerder een vergelijkbaar verweer heeft gevoerd bij het CBb.19 Dat verweer is door het CBb als volgt samengevat en verworpen:

‘2.1. Appellante betwist dat sprake was van een overtreding. Zij had haar legkippen gehuisvest in te verrijken kooien wat tot 31 december 2020 is toegestaan. Zij heeft de grootte van de kooien aangepast in 2009 en de verrijkingselementen (zitstokken, nesten en ruimten met strooisel) tijdig, dat wil zeggen voor 1 januari 2012 aangebracht. Appellante doet hiermee een beroep op artikel 2, vierde lid, onder a, van het Legkippenbesluit en de toelichting hierop.

Voorts is appellante van mening dat enkele verklaringen van medewerkers van verweerder uit het toezichtsrapport d.d. 11 september 2012 niet kunnen staven dat legkippen worden gehouden in legbatterijen in plaats van te verrijken kooien. Ook is de cautie ten onrechte niet gegeven. Appellante is voorts van mening dat verweerder niet kon weten of zij na afloop van de in de vooraankondiging bestuursdwang geboden termijn nog legkippen huisvestte in kooien die niet voldeden aan het Legkippenbesluit nu verweerder dit binnen en niet na afloop van die termijn heeft gecontroleerd.

2.2 Verweerder is van mening dat appellante haar legkippen hield in legbatterijen in plaats van te verrijken kooien. Hij wijst daarvoor ook op het gebruik door appellante van de ‘voorziening knelgevallen legbatterijverbod’. De kooien voldoen niet aan artikel 2, vierde lid, van het Legkippenbesluit. Van verrijkte kooien is geen sprake nu appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat appellante vóór 18 april 2008 de niet-aangepaste kooien heeft omgebouwd of heeft laten ombouwen tot verrijkte kooien. Ook is geen sprake van te verrijken kooien nu appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat de kooien al bij de bouw voldeden aan de afmetingen van een verrijkte kooi. De aanpassingen die appellante heeft verricht aan de kooi gaan verder dan het aanbrengen van inrichtingselementen en betreffen aanpassingen aan de kooi zelf. Verweerder is van mening dat de last onder bestuursdwang rechtmatig was, de hercontrole binnen de vooraankondigingstermijn doet daaraan niet af. Het toezichtsrapport voldoet volgens verweerder aan artikel 5:48 Awb.

2.3 Het College ziet zich voor de vraag gesteld of appellante zich terecht beroept op de uitzondering van artikel 2, vierde lid, onder a, van het Legkippenbesluit. Het College beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

2.4 Op grond van artikel 2, vierde lid, onder a, van het Legkippenbesluit is het toegestaan tot en met 31 december 2020 legkippen in een kooi als bedoeld in artikel 5 te houden, voor zover het een huisvestingssysteem betreft waarvan de gebruiker kan aantonen dat het vóór 18 april 2008 is gebouwd. Uit de tekst van de wet in samenhang met de Nota van Toelichting bij het Wijzigingsbesluit en de brief van de Minister van 18 april 2008 blijkt dat om een geslaagd beroep te doen op de uitzondering van artikel 2, vierde lid, van het Legkippenbesluit de kooien vóór 18 april 2008 moeten voldoen aan de eisen die artikel 5 van het Legkippenbesluit stelt aan de afmetingen van de kooi.

2.5 In dit geval heeft appellante – volgens haar eigen verklaring – in 2009 in de metalen wanden tussen de oorspronkelijke kooien een opening gezaagd om tot het vereiste vrij beschikbare grondoppervlakte te kunnen komen en de onderzijde van de mestband verhoogd zodat de vrije ruimte boven de gehele bruikbare oppervlakte van de kooi een hoogte van ten minste 45 cm heeft. Nu de last onder bestuursdwang een herstelsanctie en geen bestraffende sanctie is, staat artikel 5:10a van de Awb reeds daarom niet aan het gebruik van deze verklaring in de weg. Voorts heeft appellant ter zitting van de voorzieningenrechter op 21 maart 2013 bevestigd dat zij op dat moment en ten tijde van het bestreden besluit, legkippen hield in de kooien. Reeds uit deze verklaringen van appellante volgt naar oordeel van het College dat de kooien op 18 april 2008 niet voldeden aan de vereiste afmetingen op grond van artikel 5 van het Legkippenbesluit. De verklaringen in het toezichtsrapport zijn voor deze conclusie niet nodig.’

45. Uit het bestreden arrest volgt dat het hof een wat andere benadering heeft gekozen dan het CBb. Het CBb stelt voorop dat een geslaagd beroep op art. 2, vierde lid, Legkippenbesluit vereiste dat de kooien vóór 18 april 2008 voldeden aan de eisen die art. 5 Legkippenbesluit stelde aan de afmetingen van een kooi. En overweegt dat de verdachte pas in 2009 in de metalen wanden tussen de oorspronkelijke kooien openingen heeft gezaagd en de onderzijde van de mestband verhoogd. Het hof stelt vast dat de kooien zijn gebouwd en in gebruik zijn genomen vóór 1 januari 2003, maar dat niet gesteld kan worden dat zij zodanig gebouwd zijn dat zij in een later stadium zonder aanpassingen aan de kooi zelf zouden voldoen aan de eisen van de verrijkte kooi. Misschien had het hof, tegen de achtergrond van de rechtspraak die de steller van het middel bij het eerste middel noemt, beter nauwer aan kunnen sluiten bij de beslissing van het CBb. In verband met een behoorlijke taakverdeling tussen de strafrechter en de bestuursrechter en met het oog op het voorkomen van tegenstrijdige uitspraken dient de strafrechter bij een kwestie als de onderhavige (die de grenzen van strafbaarheid betreft) naar het mij voorkomt in beginsel van de beslissing van de bestuursrechter uit te gaan.20 Het hof komt evenwel niet anders uit dan het CBb.

46. De steller van het middel meent dat ’s hofs oordeel dat het aanbrengen van openingen tussen de kooien dusdanige aanpassingen aan de kooi oplevert dat de verdachte niet een geslaagd beroep kan doen op het overgangsregime voor de ‘te verrijken kooi’ onvoldoende is onderbouwd in het licht van enkele bezwaren die bij pleidooi naar voren zijn gebracht. Daartoe behoort het bezwaar dat soortgelijke handelingen bij erkende te verrijken kooien werden geaccepteerd. De raadsman heeft aangevoerd dat bij het systeem dat als ‘te verrijken kooi’ werd verkocht ‘op de tussenwand een sjabloon (was) aangebracht, dat er uitgezaagd kon worden’. Het hof is er kennelijk van uitgegaan dat de aanpassing groter is als bij een systeem naar eigen inzicht openingen worden gezaagd. Mij komt dat impliciete oordeel niet onbegrijpelijk voor. Het is daarbij dermate verweven met waarderingen van feitelijke aard dat het in cassatie in beperkte mate toetsbaar is. Dat de raadsman heeft aangevoerd dat het om ‘eenvoudige handelingen’ gaat, staat er evenmin aan in de weg dat het hof heeft kunnen oordelen dat het om aanpassingen gaat die aan een geslaagd beroep op het overgangsregime in de weg staan. Dat voldaan werd aan alle vereisten voor verrijkte kooien evenmin. Aan de uitzondering voor verrijkte kooien ligt een afweging ten grondslag tussen de politieke wens om verrijkte kooien zo snel mogelijk af te schaffen en de realiteit van afschrijvingskosten.21 Die heeft geleid tot een regeling waarin meer ingrijpende aanpassingen van bestaande systemen niet tot straffeloosheid leiden. Daarmee is ook gegeven waarom het niet ter zake doet of voor wat betreft dierenwelzijn verschil bestaat tussen de kooien van de verdachte en verrijkte kooien, en dat geen sprake is van ongerechtvaardigd onderscheid tussen de kooien van de verdachte en verrijkte kooien.

47. Het tweede middel faalt.

48. Het derde middel klaagt over schending van het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn.

49. Het cassatieberoep is op 7 april 2016 ingesteld. De stukken van het geding zijn ruim twee jaar later, op 25 april 2018, ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dat brengt mee dat de inzendingstermijn van acht maanden met meer dan zestien maanden is overschreden.22 Ambtshalve merk ik op dat Uw Raad niet binnen twee jaar op het ingestelde cassatieberoep beslist. Een en ander moet tot strafvermindering leiden.

50. Ambtshalve heb ik overigens geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. In ieder geval het eerste middel kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende formulering.

51. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissing ten aanzien van de strafoplegging, tot vermindering van de straf in de mate die Uw Raad gepast voorkomt en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vergelijkbaar is HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK3254, NJ 2010/33.

2 Vergelijkbaar zijn HR 3 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1304 (asielaanvraag); HR 12 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:616, NJ 2016/387 m.nt. Reijntjes (inreisverbod); HR 28 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:527, NJ 2017/318 m.nt. Reijntjes (inreisverbod).

3 Zo behoeven gedoogbeschikkingen bij coffeeshops niet aan strafvervolging in de weg te staan (HR 19 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:23, NJ 2016/129 m.nt. Reijntjes)

4 Vgl. CBb 29 augustus 2014, ECLI:NL:CBB:2014:330, waar de steller van het middel naar verwijst. Het CBb vernietigde het bestreden besluit overigens op basis van een motiveringsgebrek. In zoverre wordt gesteld dat het CBb heeft geoordeeld dat het handhavend optreden jegens de verdachte strijdig is met het gelijkheidsbeginsel ontbeert dit derhalve feitelijke grondslag.

5 Zie reeds HR 17 december 1985, ECLI:NL:HR:1985:AD5845, NJ 1986/591 m.nt. Van Veen (DSM).

6 HR 11 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:286, NJ 2014/137, rov. 2.3; HR 18 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5207, NJ 2002/318, rov. 3.3; HR 16 april 1996, ECLI:NL:HR:1996:AD2525, NJ 1996/527, rov. 7.7.

7 Vgl. B.F. Keulen en G. Knigge, Strafprocesrecht, 13e druk, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 182.

8 Ik teken daarbij aan dat uit de in HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280, NJ 2013/109 m.nt. Schalken gekozen formulering kan worden afgeleid dat Uw Raad ook bij toetsing van de vervolgingsbeslissing aan (sommige) andere beginselen van een goede procesorde dan het verbod van willekeur een terughoudende benadering voorstaat.

9 Geheel ten overvloede wijs ik er nog op dat de regelgeving inmiddels voorziet in een specifieke uitzondering voor situaties waarin legkippen worden gehouden voor het testen ten behoeve van de fokkerij. Vgl. het Besluit van 26 april 2018, Stb. 146, houdende een aanpassing van art. 2.71 Besluit houders van dieren (de opvolger van het Legkippenbesluit 2003, dat is ingetrokken bij Besluit van 8 december 2014, Stb. 508).

10 Ik attendeer er daarbij nog op dat de verdachte, in het geval de ‘gedoogsituatie’ bij de ‘recurrent teststallen’ haar daadwerkelijk oneerlijke concurrentie zou aandoen en in haar bedrijfsvoering zou schaden, bij het openbaar ministerie op vervolging kan aandringen en, bij weigering, de weg van art. 12 Sv kan bewandelen.

11 Zie voor de aanvankelijke tekst van het Legkippenbesluit 2003 Stb. 2004, 40. De inwerkingtreding is bij wet geregeld (Stb. 2004, 201). Het Legkippenbesluit 2003 is wezenlijk gewijzigd bij Besluit van 30 maart 2009, Stb. 2009, 161. Inmiddels zijn de toepasselijke normen te vinden in hoofdstuk 2, par. 6.2 (artikelen 2.66 t/m 2.76) van het Besluit houders van dieren (Stb. 2014, 210).

12 Stb. 2004, 40 (p. 8). Zie ook het hierna weergegeven artikelsgewijs deel van de toelichting.

13 https://www.vandale.nl/gratis-woordenboek/.

14 Ingevolge het eerder vermelde Besluit van 30 maart 2009, houdende een verbod op het houden van legkippen in verrijkte kooien en vaststelling van nieuwe minimumnormen voor het houden van legkippen, Stb. 2009, 161, zijn de artikelen 2, 5 en 6 gewijzigd en is een nieuw artikel 4a ingevoerd. Ingevolge het Besluit van 30 juni 2010, houdende wijziging van de overgangstermijn voor het verbod op het houden van legkippen in verrijkte kooien, Stb. 2010, 284, is de in art. 2, vierde lid, genoemde datum aangepast.

15 Stb. 2009, 161; inwerkingtredingsbesluit van 22 december 2011, Stb. 662.

16 Stb. 2004, 40 (p. 13-14).

17 Vgl. ook Kamerstukken II 2007/08, 28 286, nr. 213 waarin de Minister te verrijken kooien omschrijft als ‘kooien met een zodanige kooimaat dat zij in een later stadium zonder verdere aanpassing kunnen worden voorzien van de verplichte inrichtingselementen zoals zitstokken, legnesten en een strooiselvoorziening.’

18 De regeling is het gevolg van een motie. Vgl. over de gemaakte afwegingen Kamerstukken II 2007/08 e.v., 28 286, nr. 213 en 248. Afschrijvingskosten hebben daarin een belangrijke rol gespeeld, naast ‘de politieke wens om de verrijkte kooi zo snel mogelijk te verbieden’. Dat maakt het begrijpelijk dat ingrijpender aanpassingen aan kooien niet tot straffeloosheid leiden.

19 CBb 29 augustus 2014, ECLI:NL:CBB:2014:330. Zie eerder ook CBb 22 maart 2013, ECLI:NL:CBB:2013:BZ5991 (verzoek voorlopige voorziening).

20 Vgl. in het bijzonder HR 26 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8808, NJ 2003/81 en HR 22 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0522, NJ 2010/142 m.nt. Mevis.

21 Vgl. Kamerstukken II 2007/08 e.v., 28 286, nr. 213 en 248.

22 HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, rov. 3.3.