Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:1212

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
26-11-2019
Datum publicatie
28-11-2019
Zaaknummer
18/01834
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:281
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Medeplegen poging doodslag, art. 47 en 287 Sr. Na ripdeal waarbij verdachte en medeverdachte probeerden hennep te kopen met vals geld schiet medeverdachte tijdens de vlucht op één van de verkopers. Voorwaardelijk opzet verdachte op de dood?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer18/01834

Zitting 26 november 2019

CONCLUSIE

B.F. Keulen

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 14 maart 2018 door het Gerechtshof Den Haag wegens dagvaarding I ‘bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht’ en dagvaarding II onder 1 subsidiair ‘medeplegen van poging tot doodslag’, 2. ‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod’ en 3. ‘handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie’ veroordeeld tot een gevangenisstraf van 60 maanden met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het hof de onttrekking aan het verkeer bevolen van een in beslag genomen vuurwapen en in beslag genomen patronen, hulzen en munitie. Ten slotte heeft het hof de teruggave gelast van een in beslag genomen Seat.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. B. Kizilocak, advocaat te Rotterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Bij akte van 8 januari 2019 is het cassatieberoep ingetrokken ten aanzien van het op dagvaarding II als feit 1 primair tenlastegelegde. De verdachte was daarvan door het hof vrijgesproken.

  3. Beide middelen zien op de bewijsmotivering van het medeplegen van poging tot doodslag. Alvorens de middelen te bespreken geef ik eerst de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen en ’s hofs bewijsoverweging weer.

Bewezenverklaring, bewijsmiddelen en bewijsoverweging

4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij het bij dagvaarding II onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

5. ‘hij op 3 maart 2016 te ’s-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk een vooralsnog onbekend gebleven persoon van het leven te beroven, met dat opzet meermalen met een vuurwapen heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.’

6. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen):

1.

Een proces-verbaal aanhouding d.d. 3 maart 2016 (…) van de politie eenheid Den Haag. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):

Op donderdag 3 maart 2016 omstreeks 21:00 uur hielden wij op de locatie [a-straat] [plaats] als verdachte aan [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] .


Bevindingen

Op donderdag 3 maart 2016 hoorden wij dat de noodhulpeenheid doorgaf dat zij achter een grijze personenauto van het merk SEAT, type LEON, voorzien van het kenteken [kenteken] , reden.

Wij hoorden dat een collega portofonisch doorgaf dat er iets door de inzittenden uit de grijze SEAT zou zijn gegooid.

Wij zagen dat de grijze SEAT op de [a-straat] tot stilstand kwam. Hierop hebben wij de bijrijder van de grijze SEAT aangehouden. De bijrijder bleek later te zijn genaamd [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] . Op het moment dat wij bezig waren met het aanleggen van de transportboeien bij de verdachte hoorden wij dat collega’s aangaven dat er een grote hoeveelheid henneptoppen in de grijze SEAT lag.

2.

De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 28 februari 2018, inhoudende:

Ik ben in de auto gestapt en we zijn weggereden. Toen kregen we een stopteken van de politie. Tijdens het rijden lag het wapen bij mij onder mijn stoel. Dat heb ik toen uit het raam gegooid.

3.

Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 7 juni 2017 (…) van de Districtsrecherche Den Haag-West. Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven - onder meer in:

Als de op 7 juni 2017 afgelegde verklaring van [betrokkene 1] :

V: Wat kun jij verklaren wat er allemaal gebeurd is?

A: Nou ik was die dag (het hof begrijpt: 3 maart 2016) bij het [b-straat] in [plaats] geweest. Het was een afspraak om wiet te bekijken. Als die wiet goed zou zijn zouden we het kopen die dag. Het idee erachter was, we hadden nep geld erin.

Ik kan niet zomaar die geld geven en iets doen om weg te kunnen komen, die man had het in de gaten, er ontstond ruzie. Ik wilde snel weg daar. De jongen met wie ik was ging ook naar buiten, hij nam de tassen met hennep mee.

Wij renden naar buiten, ongeveer 10 meter of 7 meter van het huis. Ik zag dat die man een wapen had, hij schoot op ons. Wij renden naar onze auto, toen schoot ik terug. Ik rende en schoot zonder te kijken.

Telkens als hij schoot, dan schoot ik een keer terug. De vriend waarmee ik was wilde bukken om de auto in te gaan.

De man rende op ons af en verstopte, hurkte achter een band. Ik ging richten, ik schoot in het glas van een auto welke daar stond. Ik schoot in de achterruit. Toen zag ik dat die man wegrende. We zijn snel ingestapt en vluchtten weg.

V: Die vriend met wie je was, hoe heet hij?

A: Die heet [verdachte] (het hof: de verdachte) .

V: Wat was het plan?

A: Misschien kan ik hen vals geld geven en dan die spullen meenemen.

V: Met wie had je dat plan besproken?

A: Ik heb het eigenlijk niet besproken, alleen tegen [verdachte] . Later zei ik tegen hem misschien kunnen we het kopen want hun weten niet dat dat geld nep is.

V: Hoe hadden jij en [verdachte] je voorbereid op deze afspraak?

A: Helemaal niet.

V: En het geld dan?

A: Ja dat had ik met nepgeld heb ik een paar krantenstukken geknipt en ertussen gezet zodat het wat groter leek. Dat is de voorbereiding eigenlijk. En ik had een wapen, die had ik van iemand geleend.

V: Even terug naar het moment in de woning. Vertel eens rustig opnieuw vanaf het moment dat het fout ging?

A: [verdachte] wilde die geld geven. Hij wilde gelijk weg gaan. Hij wilde niet dat ze het geld zouden tellen en het elastiek weg zouden halen. [verdachte] wilde snel weggaan zonder te betalen en pakte de tas met hennep al. Man 4 zag dat het geld niet klopte, hij werd helemaal paranoia. Ik zag [verdachte] die tas pakken. Toen zag ik dat man 4 een wapen pakte uit de kast waarvan de deur open was, ik zag dat hij hem doorlaadde en op mij richtte. Wij renden naar buiten, probeerden weg te komen. Ik hoorde een schot. Ik pakte tijdens het rennen mijn wapen, laadde het door en schoot terug.

V: Wat was de afstand tussen jullie en de man toen jullie aan het rennen waren?

A: De afstand tussen ons was denk ik, 10 tot 15 meter. Ik was ongeveer twee woningen voorbij toen hij vanuit de woning de tweede keer schoot.

V: In de Seat waarin jullie aangehouden zijn werd een groot geldbedrag gevonden. Van wie was dat geld?

A: Ik heb die kranten geknipt. Ik heb dat geld gemaakt. Die stapel met geld en kranten heb ik aan [verdachte] gegeven.

V: Hoe was dat geld verpakt?

A: Die stapel, dubbel gevouwen en dan twee elastieken, gekruist over elkaar. Gewone dunne elastiekjes.

V: Wat kun je nog meer over dat geld vertellen?

A: Eerst kon je echt geld zien, en toen het nep geld en daartussen zaten die krantenknipsels.

V: Die krantenknipsels waren natuurlijk om het op een groter geldbedrag te laten lijken. Wie zijn idee was dat?

A: Dat was mijn idee. Ik heb dat thuis gedaan toen ik alleen was.

V: Toen je [verdachte] tegenkwam wat heb je gezegd wat jullie gingen doen?

A: Mijn bedoeling van die dag was, ik heb die auto geleend van die jongen, we hadden het plan om te gaan rijden, misschien ook naar de hoeren. We zouden gaan kijken naar die wiet om die te kopen, met die nep geld en meenemen, of praten met hun om het spul mee te nemen en dan voor hun te gaan verkopen en dan via die vriend hun betalen.

[verdachte] wist van het nep geld, ik heb hem die stapel gegeven. Dat was onderweg naar [plaats] besproken.

4.

De verklaring van de verdachte. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 28 februari 2018 verklaard -zakelijk weergegeven-:

Ik kwam die dag (het hof begrijpt: 3 maart 2016) [betrokkene 1] tegen in [plaats] . Ik vroeg hem een lift naar [plaats] , we zouden daar samen naar de hoeren gaan. Toen we in [plaats] aankwamen zei hij dat hij een afspraak had om spullen te bekijken. Hij vroeg mij om mee te gaan, om naar wiet te kijken. Het was de bedoeling dat ik de wiet zou kopen, ik kon de kwaliteit van de wiet beter inschatten.

Ik had van [betrokkene 1] geld in een envelop gekregen. Zij hadden al een prijs afgesproken, ik hoefde alleen maar het geld te geven en te kijken of de wiet van goede kwaliteit was.

Toen we op het [b-straat] aankwamen mocht er maar één van ons mee naar binnen. Ik ben toen naar binnen gegaan.

Ik voelde me daar niet veilig en vroeg waarom [betrokkene 1] niet naar binnen mocht komen. Toen is [betrokkene 1] ook naar binnen gekomen. Ik was de wiet aan het bekijken. De toppen waren wat klein, dus ik vroeg of de prijs niet wat omlaag kon.

Ik pakte de tassen met wiet. Toen kwam die man terug uit de keuken. Hij zei “Klootzak, wat is dit!?” Toen gaf hij mij dat geld terug, pakte een wapen uit de kast en richtte het op ons. Ik ben gelijk naar buiten gegaan toen ik dat wapen zag. [betrokkene 1] was iets voor mij naar buiten gerend. Toen ik buiten kwam ben ik naar de auto gerend en heb de tassen met wiet erin in de auto gegooid. Er is toen heen en weer geschoten tussen die man en [betrokkene 1] .

Uiteindelijk ben ik in de auto gestapt en zijn we weggereden. Tijdens het rijden lag het wapen bij mij onder mijn stoel. Dat heb ik toen uit het raam gegooid. Dat was het wapen waarmee [betrokkene 1] heeft geschoten.

5.

Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 6 maart 2016 van de Districtsrecherche Den Haag-West. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):

Als de op 6 maart 2016 afgelegde verklaring van [betrokkene 2] :

Ik was donderdagavond 3 maart 2016 in mijn woning. Tijdens het gesprek met mijn buurvrouw hoorde ik een aantal knallen. Ik liep naar het raam. Ik heb vanuit mijn woning direct vrij zicht op het plein voor mijn woning (het hof begrijpt: het [b-straat] ).

Ik hoorde als eerst de knallen en daarna zag ik twee mannen rennen naar een auto die geparkeerd stond in de parkeerhavens voor mijn woning.

Ik hoorde dat er geschoten werd toen de mannen naar die auto aan het rennen waren. Ik zag vervolgens dat een man naar de bestuurderszijde van de auto liep. Ik zag de man die ik aan de bestuurderszijde zag staan, schieten. Ik zag dat de man met zijn rechterarm gestrekt over het dak van de auto schoot. De man strekte zijn hele arm uit over het dak van de auto. Ik zag dat de man schoot in de richting van waar de mannen zojuist vandaan kwamen. Ik zag vonken uit het wapen komen en ik hoorde ook een knal.

6.

Een geschrift, zijnde een situatieschets, als bijlage gevoegd bij het als bewijsmiddel 3 (BFK: 5) genoemde proces-verbaal. (…)
(BFK: situatieschets)

7.
Een geschrift, zijnde een foto van het [b-straat] te [plaats] . (…)

(BFK: foto)
Nadere bewijsoverweging

Het hof leidt uit de verklaring van de getuige [betrokkene 2] en de door haar opgestelde situatieschets in combinatie met de foto van de plaats delict af dat de auto van de verdachten op de middelste van de drie parkeerplaatsen heeft gestaan. Dit betekent dat [betrokkene 1] met zijn armen gestrekt over het dak van de auto, in de richting van de achterruit van de auto in het naastgelegen parkeervak heeft geschoten, alwaar de achtervolger zich achter verscholen heeft.

8.

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 maart 2016 van de Districtsrecherche Den Haag-West. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):

Als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren:

Op dinsdag 8 maart 2016 hebben wij het in beslag genomen voertuig, de Seat Leon, voorzien van het kenteken [kenteken] , doorzocht. Ik zag op de passagiersstoel naast de bestuurdersstoel een zwarte jas liggen van het merk ‘The North Face’. Ik heb de jas onderzocht en ik trof in de rechter jaszak een bevel tot inverzekeringstelling aan met de personalia van [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1992. Ik heb een bundel met geld aangetroffen in de linker jaszak. Ik zag dat het buitenste biljet van de bundel een biljet van 500 euro betrof. Zie bijlage 3

9.

Een geschrift, zijnde een foto van een bundel met geldbiljetten, als bijlage 3 gevoegd bij het onder bewijsmiddel 6 (BFK: 8) genoemde proces-verbaal. (…)

(BFK: foto)

10.
Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 maart 2016 van de Districtsrecherche Den Haag-West. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):

Als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Aangetroffen hennep

In de Seat Leon voorzien van kenteken [kenteken] , werden diverse gripzakken aangetroffen die na onderzoek in totaal 6.636,3 gram gedroogde henneptoppen bleken te bevatten.

De aangetroffen hennep vertegenwoordigt een waarde in het economisch verkeer. Volgens het BOOM-rapport bedraagt de waarde van hennep bij verkoop minimaal € 3.280,- per kilogram. De inbeslaggenomen partij henneptoppen vertegenwoordigt dan een waarde van:

6.636,3 gram X € 3.280,- = € 21.767,-

11.

Een proces-verbaal d.d. 5 maart 2016 (…) van de politie Den Haag, (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

Als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Op zaterdag 5 maart 2016 heb ik de op vrijdag (BFK: donderdag) 3 maart 2016 in een motorvoertuig, merk Seat Leon, voorzien van het kenteken [kenteken] , aangetroffen en in beslag genomen henneptoppen onderzocht.
Ik zag hier respectievelijk:

- totaal 6 gripzakken met daarin droge henneptoppen, met een nettogewicht van 1000 gram per stuk. Totaal is dit 6000 gram;

- een gele plastic boodschappentas van de firma Jumbo, met daarin droge (knip) restanten van hennepbladeren en vrouwelijke henneptoppen, met een netto gewicht van 600 gram;

- een klein gripzakje met daarin droge henneptoppen met een netto gewicht van 31 gram, met in dit gripzakje nog een geknoopt boterhamzakje met (knip)restanten van hennepbladeren en vrouwelijke henneptoppen met een nettogewicht van 5,3 gram.


Alle hiervoor beschreven hennep staat vermeld op lijst II behorende bij de Opiumwet en verboden in artikel 3 en strafbaar gesteld in artikel 11 van de Opiumwet.

12.

Een proces-verbaal d.d. 7 maart 2016 (…) van de politie Den Haag, (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - :


Als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Op donderdag 3 maart 2016 werd naar aanleiding van een schietincident op het [b-straat] te [plaats] op aanwijzing van collega’s op de [a-straat] te [plaats] op de brug welke gelegen is in het kruisingsvlak met [c-straat] , een vuurwapen veiliggesteld.


Omschrijving wapen :

Soort wapen : pistool

Merk : Baretta (BFK: Beretta )

Model : […]

Kaliber: 9 mm kort

Categorie wapen

Dit wapen is een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3e, gelet op artikel 2, lid 1, categorie III sub 1 van de Wet wapens en munitie.

Bij bovengenoemd vuurwapen werd munitie aangetroffen.

Omschrijving munitie:

Soort : pistoolmunitie

Merk: Sellier & Belliot (BFK: Bellot )

Kaliber: 9 mm kort

Aantal : 2’

6. Het hof heeft in een bewijsoverweging een gevoerd verweer als volgt samengevat en verworpen:

‘Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsvrouw van de verdachte, overeenkomstig de ter terechtzitting overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitaantekeningen, een aantal verweren gevoerd. De raadsvrouw heeft vrijspraak ter zake van het bij Dagvaarding II onder 1 primair dan wel subsidiair ten laste gelegde bepleit. Hiertoe heeft de raadvrouw aangevoerd dat geen sprake was van medeplegen met de medeverdachte [betrokkene 1] , nu de verdachte geen wetenschap had van het vooropgezette plan van [betrokkene 1] om de verkopers van de hennep op te lichten met vals geld en van het door [betrokkene 1] meegebrachte vuurwapen, en hij geen geweldshandelingen heeft uitgevoerd. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat [betrokkene 1] geen opzet heeft gehad op het doden van de man die op hen schoot, nu niet is gebleken dat er gericht is geschoten.

Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt het hof de volgende feiten en omstandigheden af.

Op 3 maart 2016 was de medeverdachte [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) vanuit [plaats] met de auto (een geleende grijze Seat Leon) op weg naar een woning in [plaats] (naar later bleek gelegen aan het [b-straat] 34) om een partij hennep te bekijken en deze partij eventueel te kopen. De verdachte is met [betrokkene 1] mee gegaan naar [plaats] . [betrokkene 1] had hierbij het plan opgevat om met vals geld te betalen en de hennep mee te nemen. Aan de verdachte heeft [betrokkene 1] verteld “dat ze de hennep misschien konden kopen, want de verkopers wisten niet dat het geld nep was”.

Ter voorbereiding heeft [betrokkene 1] een bundeltje geld, bestaande uit echte bankbiljetten, valse bankbiljetten en op maat geknipte stukken krantenpapier, dubbelgevouwen en verpakt met twee gekruiste dunne elastieken. De echte bankbiljetten zaten hierbij aan de buitenkant, de valse biljetten en de krantenknipsels waren niet direct zichtbaar. Ook heeft [betrokkene 1] een vuurwapen meegenomen.

Na aankomst bij de woning aan het [b-straat] mag eerst alleen de verdachte naar binnen. In de woning bevinden zich vijf mannen. Kort hierop, op het moment dat de verdachte de hennep aan het keuren is en een opmerking maakt over de tegenvallende grootte van de henneptoppen, voegt ook [betrokkene 1] zich bij het gezelschap in de woning. Op enig moment heeft één van de verkopers in de gaten dat het niet klopt en ontstaat er ruzie. De bewuste verkoper pakt een wapen uit de kast, laadt dit wapen door en richt het op [betrokkene 1] . De verdachte en [betrokkene 1] vluchten met de tassen met daarin de hennep de woning uit, waarop [betrokkene 1] een schot hoort. [betrokkene 1] schiet al vluchtende meermalen in de richting van de schietende achtervolger. Nadat de verdachte de tassen met hennep in de Seat Leon heeft gelegd schuilen zij samen achter de auto.

Vervolgens schiet [betrokkene 1] andermaal, met zijn armen gestrekt over het dak van de auto, in de richting van de achterruit van de auto in het naastgelegen parkeervak waarachter de achtervolger zich schuil houdt. [betrokkene 1] verklaart over dit moment dat “hij ging richten”. Hierop rent de verkoper weg, waarna de verdachten in de Seat Leon stappen en wegvluchten.

‘ De verdachte gooit hierna het gebruikte vuurwapen uit de auto. Kort daarop worden de verdachten aangehouden.

‘ In de Seat Leon is de jas van de verdachte aangetroffen met daarin het hiervoor omschreven bundeltje geld. Ook is in de auto een grote hoeveelheid hennep aangetroffen, welke een waarde van ruim € 21.000,- vertegenwoordigt.

De verklaring van de verdachte dat hij voorafgaand aan de gebeurtenis op het [b-straat] door [betrokkene 1] niet op de hoogte is gebracht van het feit dat het bundeltje biljetten voornamelijk uit vals geld en krantenknipsels bestond en dat het geld door [betrokkene 1] aan hem zou zijn overhandigd in een envelop, schuift het hof als ongeloofwaardig terzijde. Het hof overweegt hiertoe dat het geldbedrag nadien in de zak van de jas van de verdachte is aangetroffen, verpakt op exact de wijze waarop [betrokkene 1] verklaard heeft te hebben verpakt, voorafgaand aan de gebeurtenis op het [b-straat] . Dat [betrokkene 1] of de verdachte in de hectiek van de situatie in de woning of nadien in de Seat Leon het bundeltje heeft verpakt op de wijze waarop het is aangetroffen acht het hof eveneens ongeloofwaardig.

Uit bovengenoemde feiten en omstandigheden leidt het hof af dat de verdachte en [betrokkene 1] van plan waren om een ripdeal te plegen, dan wel de verkopers van de partij hennep op te lichten.

Medeplegen en wetenschap verdachte met betrekking tot het vuurwapen

Met de rechtbank overweegt het hof dat in geval mensen worden gedwongen om waardevolle spullen af te staan of zich realiseren dat zij daaromtrent worden opgelicht, dit reeds voorzienbaar kan leiden tot (gewelddadig) verzet. Dit geldt des te meer indien een oplichting (of ripdeal) zich afspeelt in het kader van een criminele transactie, zoals de verkoop van een grote partij hennep ter waarde van ruim € 21.000,-. De verdachte en [betrokkene 1] hadden het plan opgevat om deze hennep weg te nemen zonder daarvoor (volledig) te betalen. Dit in combinatie met de omstandigheid dat een dergelijke transactie zich per definitie afspeelt binnen het criminele milieu maakt naar het oordeel van het hof dat het in de lijn der verwachting ligt dat (door beide partijen) wapens meegebracht worden en dat deze indien nodig ook zullen worden gebruikt, hetgeen in het onderhavige geval ook is gebeurd, en dat zowel de verdachte als [betrokkene 1] hiervan op de hoogte waren. Een ripdeal gaat immers gepaard met het nodige gevaar en vergt overleg over de rolverdeling. Het niet inlichten van de verdachte over het wapen brengt een wezenlijk risico voor zowel de verdachte als [betrokkene 1] met zich en ligt dan ook niet voor de hand. Het gebruik van geweld is dan ook zodanig voorzienbaar dat de uitvoerders daarvan de aanmerkelijke kans aanvaarden dat vuurwapens worden gebruikt.

Nu kan worden vastgesteld dat sprake was van een vooraf gemaakt gezamenlijk plan en de gezamenlijke uitvoering hiervan, alsmede van een voorzienbare kans dat er (vuur)wapens zouden worden gebruikt, is het hof van oordeel dat de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [betrokkene 1] voldoende is komen vast te staan.

Opzet op de dood

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat [betrokkene 1] al rennend/wegvluchtend meermalen (over zijn schouder) heeft teruggeschoten in de richting van een onbekend gebleven persoon, die in de woning aan het [b-straat] en daarbuiten ook meermalen op [betrokkene 1] (en de verdachte) heeft geschoten. Het hof hecht er hierbij aan op te merken dat, gelet op de situatie op het [b-straat] , de schoten telkens gelost zijn over een afstand van niet meer dan enkele meters. Het laatste schot heeft [betrokkene 1] vanuit stilstaande positie doelbewust gericht.

Het hof is gelet op deze feiten en omstandigheden (en in het bijzonder gelet op de omstandigheid dat zowel [betrokkene 1] als het slachtoffer in beweging waren, dat de onderlinge afstand gering was en op de omstandigheid dat het laatste schot vanuit stilstaande positie doelbewust gericht was) van oordeel dat [betrokkene 1] met zijn gedragingen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de onbekend gebleven persoon zou komen te overlijden. Dat [betrokkene 1] , zoals hij heeft verklaard, niet geschoten heeft met het doel om zijn achtervolger te raken, maar slechts om hem op afstand te houden, acht het hof onvoldoende om als contra-indicatie voor (voorwaardelijk) opzet aan te nemen. Immers heeft de verdachte (BFK: ik begrijp: [betrokkene 1]) op geen enkel moment verklaard dat hij doelbewust niet op zijn achtervolger gericht heeft, of dat hij bijvoorbeeld bewust op zijn benen heeft proberen te schieten.

Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag op een vooralsnog onbekend gebleven persoon. De omstandigheid dat de verdachte zelf niet geschoten heeft doet daar niet aan af.

Het bij Dagvaarding II onder 1 subsidiair tenlastegelegde is in zoverre wettig en overtuigend bewezen.’

Het eerste middel

7. Het eerste middel houdt in dat de bewezenverklaring van feit 1 subsidiair op dagvaarding II niet begrijpelijk is gemotiveerd doordat het hof de verklaring van de verdachte dat [betrokkene 1] het geld in een envelop aan hem heeft overhandigd als ongeloofwaardig heeft bestempeld, terwijl het hof die passage uit de verklaring van de verdachte wel voor het bewijs heeft gebezigd.

8. Het hof heeft de verklaring van de verdachte voor zover die inhoudt ‘Ik had van [betrokkene 1] geld in een envelop gekregen’ inderdaad voor het bewijs gebruikt (zie bewijsmiddel 4). Tegelijk heeft het hof de verklaring van de verdachte voor zover inhoudend ‘dat hij voorafgaand aan de gebeurtenis op het [b-straat] door [betrokkene 1] niet op de hoogte is gebracht van het feit dat het bundeltje biljetten voornamelijk uit vals geld en krantenknipsels bestond en dat het geld door [betrokkene 1] aan hem zou zijn overhandigd in een envelop’ in de bewijsoverweging uitdrukkelijk als ongeloofwaardig terzijde geschoven. Aan de steller van het middel kan worden toegegeven dat de bewijsvoering daarmee op het eerste gezicht in zoverre innerlijk tegenstrijdig en daarmee niet begrijpelijk oogt.

9. Toch meen ik dat bij nadere beschouwing van innerlijke tegenstrijdigheid geen sprake is. Dat het hof de bewuste zin als onderdeel van de verklaring van de verdachte voor het bewijs heeft gebezigd, betekent niet dat het hof ervan uitgegaan is dat de verdachte alleen echt geld heeft gekregen (en geen vals geld en krantenknipsels). Wat de zin in de voor het bewijs gebezigde verklaring tot uitdrukking brengt, is dat de verdachte het bundeltje dat op de als bewijsmiddel 9 gebezigde foto is vastgelegd, van [betrokkene 1] heeft gekregen voordat hij (als eerste) naar binnen ging. In de bewijsoverweging brengt het hof iets anders tot uitdrukking, namelijk dat het geen geloof hecht aan de stelling van de verdachte dat hij voorafgaand aan de gebeurtenis op het [b-straat] door [betrokkene 1] niet op de hoogte is gebracht van het feit dat het bundeltje biljetten voornamelijk uit vals geld en krantenknipsels bestond. In het voetspoor van die vaststelling geeft het hof aan dat de verklaring van de verdachte voor zover inhoudend dat [betrokkene 1] hem echt geld heeft overhandigd in een envelop derhalve ook ongeloofwaardig is. Zo bezien is van tegenstrijdigheid geen sprake.

10. In het geval Uw Raad daar anders over denkt, gaat het om een tegenstrijdigheid die mede in het licht van het voorgaande van zodanig ondergeschikte betekenis is dat zij de toereikendheid van de motivering van de bewezenverklaring niet aantast.1 Uw Raad kan het bestreden arrest in dat geval lezen met herstel van deze misslag, door de betreffende zin uit de verklaring van de verdachte te elimineren. Daarmee ontvalt aan de klacht de feitelijke grondslag.2 Het hof heeft met de in het middel bedoelde passage uit de bewijsoverweging, als gezegd, gerespondeerd op het verweer van de raadsvrouw dat de verdachte geen wetenschap had van het vooropgezette plan van [betrokkene 1] om de verkopers van de hennep op te lichten met vals geld. Dat [betrokkene 1] aan de verdachte het bundeltje met vals geld heeft gegeven en dat [betrokkene 1] de verdachte duidelijk heeft gemaakt dat het om vals geld ging, heeft het hof uit bewijsmiddel 3 kunnen afleiden. In zoverre is de bewezenverklaring, ook met weglating van de bedoelde zin in bewijsmiddel 4, zonder meer toereikend gemotiveerd.

11. Het eerste middel faalt.

Het tweede middel

12. Het tweede middel houdt in dat het ingevolge de tenlastelegging in dagvaarding II onder 1 bewezenverklaarde (medeplegen van poging tot doodslag) niet uit de bewijsmiddelen kan volgen. In het bijzonder zou daar niet uit kunnen volgen dat sprake is geweest van medeplegen tussen de verdachte en medeverdachte [betrokkene 1] , en ook niet dat de verdachte opzet had op het bewezenverklaarde geweld.

13. Het hof heeft aan het oordeel dat de verdachte de poging tot doodslag tezamen en in vereniging met medeverdachte [betrokkene 1] heeft gepleegd een aantal vaststellingen en overwegingen ten grondslag gelegd. Vertrekpunt is de vaststelling ‘dat de verdachte en [betrokkene 1] van plan waren om een ripdeal te plegen, dan wel de verkopers van de partij hennep op te lichten’. Het hof vervolgt met de overweging dat ‘in geval mensen worden gedwongen om waardevolle spullen af te staan of zich realiseren dat zij daaromtrent worden opgelicht, dit reeds voorzienbaar kan leiden tot (gewelddadig) verzet’. En dit geldt volgens het hof des te meer ‘indien een oplichting (of ripdeal) zich afspeelt in het kader van een criminele transactie, zoals de verkoop van een grote partij hennep ter waarde van ruim € 21.000,-’. Tegen die achtergrond ligt het naar ’s hofs oordeel ‘in de lijn der verwachting (...) dat (door beide partijen) wapens meegebracht worden en dat deze indien nodig ook zullen worden gebruikt, hetgeen in het onderhavige geval ook is gebeurd, en dat zowel de verdachte als [betrokkene 1] hiervan op de hoogte waren’. Het hof wijst er daarbij op dat een ripdeal gepaard gaat met het nodige gevaar en overleg vergt over de rolverdeling. Het niet inlichten van de verdachte over het wapen zou ‘een wezenlijk risico voor zowel de verdachte als [betrokkene 1] ’ met zich brengen en dan ook niet voor de hand liggen. Het gebruik van geweld is vervolgens volgens het hof zodanig voorzienbaar dat de uitvoerders (van het gezamenlijk plan) ‘de aanmerkelijke kans aanvaarden dat vuurwapens worden gebruikt’. Op basis daarvan concludeert het hof ‘dat de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [betrokkene 1] voldoende is komen vast te staan’. Na de bewijsoverweging waarin het hof vaststelt dat de medeverdachte opzet had op de dood van de in de bewezenverklaring bedoelde onbekend gebleven persoon, concludeert het hof dat het ‘wettig en overtuigend bewezen (acht) dat de verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag op een vooralsnog onbekend gebleven persoon’.

14. De steller van het middel meent dat uit de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden niet kan worden afgeleid dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op het gepleegde geweld. Hij wijst daarbij op de zaak die leidde tot HR 18 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6365. Daarin waren de daders, die een hennepkwekerij wilden ‘leeghalen’, door de teler en een andere persoon betrapt. Eén van de dieven opende het vuur op beide personen, de teler is ten gevolge daarvan overleden. De verdachte was door het hof veroordeeld wegens (kort gezegd) poging tot diefstal met geweld, gepleegd door twee of meer verenigde personen, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft. Uw Raad oordeelde de bewijsvoering ten aanzien van het opzet van de verdachte op het gebruik van geweld ontoereikend: ‘Dat het een feit van algemene bekendheid is dat hennepkwekerijen aanzienlijke financiële belangen vertegenwoordigen en dat het leeghalen (“rippen”) van een hennepkwekerij steeds vaker gepaard gaat met het gebruik van geweld, vormt onvoldoende grond voor het oordeel dat bij de verdachte sprake is geweest van (voorwaardelijk) opzet. Ook de overweging van het Hof dat de verdachte “er zich in de gegeven omstandigheden ten minste rekenschap van moet hebben gegeven dat bij betrapping de kans op het gebruik van zwaar geweld reëel was”, biedt onvoldoende grondslag voor het oordeel dat hij het gebruik van geweld op de koop toe heeft genomen.’

15. Een wezenlijk verschil tussen beide zaken, dat de betekenis van de beslissing in de zaak uit 2011 als punt van referentie beperkt, is dat het in die zaak ging om een inbraak. De daders hebben een ontmoeting met de slachtoffers willen vermijden. In de voorliggende zaak was het plan dat de hennep verkregen zou worden in een situatie waarin zowel de verkopers van de hennep als de verdachte en de medeverdachte aanwezig waren. Het ging dus om een geplande ontmoeting.

16. In situaties waarin sprake is van het door een misdrijf anderen drugs afhandig maken, gekoppeld aan vuurwapengebruik, wordt dikwijls een variant van diefstal met geweld tenlastegelegd en bewezenverklaard. In HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3099, NJ 2014/502 was de verdachte veroordeeld wegens (kort gezegd) een poging tot diefstal met geweld door twee of meer verenigde personen. Ook hier was het plan een hennepkwekerij leeg te halen, werden de dieven betrapt en werden vervolgens kogels in de richting van het slachtoffer afgevuurd. Het slachtoffer is daardoor geraakt. Uw Raad liet de veroordeling in stand in het licht van ’s hofs vaststellingen ‘dat de verdachte voorafgaand aan de poging tot diefstal van de hennep wist van het mogelijk gebruik van geweld, onder meer doordat hij wist dat personen die werden aangetroffen, zouden worden vastgebonden en doordat de verdachte had gezien dat één van zijn mededaders een vuurwapen bij zich had waarvan hij dacht dat dit ter afschrikking zou worden gebruikt. Daaruit heeft het Hof kunnen afleiden dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het wapen bij de poging tot diefstal van de hennep zou worden gebruikt’. In HR 18 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1681 was de verdachte veroordeeld wegens (kort gezegd) een poging tot diefstal door middel van braak met geweld, door twee of meer verenigde personen gepleegd, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft.3 De verdachte en de medeverdachte waren in het kader van een ‘hennep-rip’ in de nachtelijke uren naar de woning van het slachtoffer gegaan en hadden daar de deur opengebroken. Het hof had vastgesteld dat uit de bewijsmiddelen bleek dat beide verdachten in de periode voorafgaand aan het tenlastegelegde feit ‘zeer frequent in het kader van (hennepgerelateerde) criminele activiteiten met elkaar optrokken en dat zij daarbij de gewoonte hadden zich van een (doorgeladen) vuurwapen te voorzien’. A-G Aben concludeerde dat ’s hofs mede op deze vaststelling gebaseerde oordeel dat de verdachte ‘de kans op daadwerkelijk vuurwapengebruik welbewust heeft aanvaard en derhalve zo nauw en bewust heeft samengewerkt dat sprake is van medeplegen van diefstal met geweld’ toereikend was gemotiveerd. Uw Raad verwierp het cassatieberoep met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

17. Postma heeft in zijn dissertatie aandacht besteed aan de vraag hoe ver de opzeteis bij de strafbaarstelling van diefstal met geweld gaat.4 Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de wetgever de medepleger aansprakelijk wilde doen zijn ‘voor alle objectieve verzwarende omstandigheden van het misdrijf (braak, inklimming, geweld enz.), al heeft hij daarin geen aandeel gehad en al was zijn wil daarop juist niet bepaald gerigt’.5 Dat zou meebrengen dat wie met een ander uit stelen gaat, zonder meer aansprakelijk is voor diefstal met geweld als de mededader onverwacht geweld toepast. Postma meent dat de consequenties van dat standpunt verstrekkend zijn, zeker als de bewuste omstandigheid het strafmaximum fors verhoogt, zoals bij het kwalificerend geweld.6 Hij signaleert dat er drie opvattingen zijn over de wijze waarop deze consequenties kunnen worden beperkt. Geldend recht is dat de medepleger opzet moet hebben gehad op de kwalificerende omstandigheid; Reijntjes kent een belangrijke rol toe aan de voorzienbaarheid van het geweld7; Knigge plaatst de aansprakelijkheid in de sleutel van redelijke toerekening.8 Postma zelf meent dat in afwijking van de wil van de wetgever opzet moet worden geëist ten aanzien van het gebruik van ‘geweld of bedreiging met geweld’ in het kader van diefstal (art. 312 Sr).9 Daarbij zou het door de delictsomschrijving vereiste opzet evenwel volstaan. In de context van art. 312 Sr zou opzet op ‘bedreiging met geweld’ zelfs voldoende zijn voor aansprakelijkheid ter zake van diefstal in vereniging met geweld, terwijl dat geweld door de mededader is begaan. Een voordeel van die benadering en van benaderingen waarin het opzet niet op dit kwalificerend bestanddeel betrekking heeft, kan zijn dat het verschil in bewijseisen met het medeplegen van doodslag duidelijker is. Ik leid uit HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3099, NJ 2014/502 evenwel af dat Uw Raad er niet voor voelt de opzeteis in de lijn van Postma uit te leggen.10

18. In situaties waarin sprake is van het door een misdrijf anderen drugs afhandig maken, gekoppeld aan vuurwapengebruik, wordt ook wel het medeplegen van (een poging tot) doodslag tenlastegelegd en bewezenverklaard. Een voorbeeld is te vinden in HR 5 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3072. In zijn conclusie voorafgaand aan dit arrest leidt A-G Vellinga uit ’s hofs vaststellingen inzake de modus operandi af dat de verdachte, die door het hof is veroordeeld wegens het medeplegen van gekwalificeerde doodslag, wist dat de medeverdachte over een vuurwapen beschikte alsmede dat de medeverdachte en de verdachte ‘bewust hebben samengewerkt met het oog op het rippen van (slachtoffer) en het daarbij bezigen van een vuurwapen’. In een noot vermeldt Vellinga dat de verdachte er ook bekend mee was dat de medeverdachte ‘al eens temidden van mensen met een vuurwapen had geschoten’. Uw Raad deed de zaak af met art. 80a RO. In HR 11 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:289 had het hof, zo blijkt uit de daaraan voorafgaande conclusie van A-G Vegter (onder 3.5 en 3.10), onder meer uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat de verdachte de medeverdachte (met het oog op een ripdeal) had benaderd omdat hij wist dat deze een pistool had, dat zij samen naar de woning van het slachtoffer zijn gereden en dat de verdachte toen zij voor de deur stonden zag dat de medeverdachte zijn pistool had meegenomen en zijn hand op zijn pistool onder zijn jas had liggen. Uw Raad verwierp het cassatieberoep met de aan art. 81 RO ontleende formulering.11

19. Postma heeft in zijn dissertatie de rechtspraak van Uw Raad inzake het bewijs van medeplegen ten aanzien van binnen of buiten het gezamenlijk plan vallende delicten die een overschrijding van het gezamenlijk doel van de medeplegers opleveren in kaart gebracht.12 Als voorbeeld van de eerste categorie, een delict dat als kwade kans besloten ligt in het gezamenlijk plan, noemt Postma HR 10 mei 1994, nr. 97.226 (niet gepubliceerd). Daarin vluchten de drie mededaders na een bankoverval met een auto. Eén van de mededaders schiet met een pistool op een achtervolgende politieauto met daarin twee politieagenten. Later tijdens de vlucht schiet een mededader (nu met dodelijk gevolg) op een politieagent. De verdachte wordt veroordeeld wegens (onder meer) het medeplegen van poging tot doodslag, meermalen gepleegd, en het medeplegen van doodslag. Voor het hof is van belang dat het vuurwapengeweld voortvloeide uit het gezamenlijk plan. De daders hadden er ‘rekening mee gehouden dat, als de situatie dat ter verwezenlijking van het door hen voorgenomen doel zou vereisen, het gebruik van vuurwapens niet zou worden geschuwd’. Het hof stelt verder onder meer vast dat twee vuurwapens en grote hoeveelheden bijpassende scherpe munitie zijn meegenomen en dat een mededader een kogelvrij vest had aangedaan. A-G Van Dorst wijst er nog op dat de verdachte op enig moment ‘één van de pistolen die bij de bankoverval waren gebruikt’ aan één van de mededaders geeft. Uw Raad verwierp het cassatieberoep met een verkorte motivering.13

20. Postma noemt ook zaken waarin het delict besloten ligt in een ‘uitvoeringsaspect’ van het gezamenlijk plan.14 In HR 14 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AJ1396, NJ 2004/103 had het hof vastgesteld dat de verdachte en zijn drie mededaders het plan hadden opgevat om een persoon van het leven te beroven. Toen deze bij het snookercentrum waar zij hem opwachtten naar buiten kwam was hij in het gezelschap van een andere persoon. Ook deze werd gedood. De bijdrage van de verdachte bestond erin dat hij met een van de mededaders zodanig positie had gekozen dat de twee mannen niet konden wegvluchten. Volgens Uw Raad was ’s hofs klaarblijkelijke oordeel dat verdachtes opzet in elk geval in voorwaardelijke zin ook gericht was op de dood van de tweede persoon niet onbegrijpelijk. Uw Raad neemt daarbij in aanmerking dat de verdachte ‘zijn rol is blijven vervullen’, ook toen de tweede persoon ‘probeerde te vluchten en toen, nadat zulks was mislukt, deze door een van verdachtes mededaders meermalen met een mes werd gestoken.’

21. Ook bij zaken die Postma rubriceert als zaken waarin het delict dat een overschrijding van het gezamenlijk doel oplevert buiten het gezamenlijk plan valt, is van belang of de samenwerking wordt voortgezet.15 HR 25 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF3310 was de verdachte veroordeeld wegens het medeplegen van moord. De verdachte en zijn mededader hadden afgesproken het slachtoffer bang te maken. Daarbij was voor de verdachte duidelijk dat er flinke klappen zouden kunnen vallen. Het slachtoffer werd naar een afgelegen plek gelokt. Kort nadat het slachtoffer op die plek aankwam werd hij door de medeverdachte neergeschoten. De verdachte heeft verklaard dat hij niet wist dat de medeverdachte het vuurwapen bij zich had, maar dat hij wel wist dat hij een vuurwapen in huis had en hem er wel eens mee heeft zien schieten. Op het moment waarop de medeverdachte een vuurwapen trok heeft hij zich niet van de situatie gedistantieerd, maar is naar het slachtoffer toegelopen en heeft hem een draagtas uit handen getrokken. A-G Jörg meende dat als de verdachte niet ‘een poging onderneemt om de gezamenlijke onderneming die door het onverwacht tevoorschijn brengen van een wapen door zijn medeverdachte een andere wending gaat nemen, te beëindigen of tenminste zich aan die andere wending te onttrekken’ maar ‘in de verdere uitvoering van wat hij met zijn mededader wèl heeft afgesproken’ volhardt, hij de kwade afloop op de koop toeneemt. Uw Raad verwierp het cassatieberoep met de aan art. 81 RO ontleende formulering.16

22. Tegen de achtergrond van voornoemde rechtspraak van Uw Raad is het van belang hoe het delict zich in de onderhavige zaak tot het ‘plan’ verhoudt. Twee versies van het plan kunnen worden onderscheiden. De eerste versie komt erop neer dat de verdachte en de medeverdachte slechts van plan zijn de verkopers van de hennep op te lichten met het valse geld. De verdachte en de medeverdachte rekenen erop dat zij zo snel weg zijn dat de verkopers het bedrog pas door hebben als het te laat is. De verdachte houdt bovendien rekening met de mogelijkheid dat zijn mededader over een vuurwapen beschikt dat deze indien nodig kan gebruiken. Maar over dat gebruik is niet gesproken en het is geen onderdeel van het plan. De tweede versie van het plan heeft als kern eveneens dat de verdachte en de medeverdachte van plan zijn om de verkopers op te lichten. Zij hopen dat de verkopers het bedrog niet tijdig doorzien, maar zij houden er anders dan bij de eerste versie rekening mee dat de verkopers dat wel doen. Onderdeel van het plan is daarom ook dat de medeverdachte, in het geval de verkopers van één of meer vuurwapens gebruik maken om te voorkomen dat de verdachte en de medeverdachte met de hennep vertrekken, met zijn pistool terug zal schieten op de verkopers. De verdachte weet in dit geval dat de medeverdachte over een vuurwapen beschikt en dat hij dit indien nodig op de afgesproken wijze zal gebruiken. Indien uit de bewijsvoering volgt dat de verdachte en de medeverdachte volgens de tweede versie van het plan te werk zijn gegaan, ligt daarin al gauw een toereikende onderbouwing van de bewezenverklaring besloten. Indien de verdachte en de medeverdachte van de eerste versie van het plan zijn uitgegaan, ligt dat anders.

23. Het ligt tegen deze achtergrond in de rede eisen te stellen aan de precisie van de vaststellingen inzake het ‘plan’. Een extra argument daarvoor volgt uit de eerder besproken rechtspraak inzake diefstal met geweld, al dan niet de dood ten gevolge hebbend. Uit die rechtspraak volgt dat Uw Raad opzet eist op het bewezenverklaarde geweld. Nu bij een bewezenverklaring van het in vereniging plegen van diefstal met geweld opzet op het bewezenverklaarde geweld wordt geëist, bestaat het risico dat in het geval het geweld de vorm aanneemt van het met een vuurwapen schieten op het slachtoffer, het verschil met de bewijseisen die bij het medeplegen van een al dan niet gekwalificeerde (poging tot) doodslag worden gesteld, klein wordt. Dat staat op gespannen voet met het verschil in strafmaximum (bij gekwalificeerde doodslag levenslang). Aan dat risico wordt tegemoet gekomen door in beginsel te eisen dat de reële mogelijkheid van een poging tot doodslag in het plan besloten ligt, en buiten die situatie slechts in beperkte mate aansprakelijkheid wegens het medeplegen van poging tot doodslag aan te nemen.

24. Ik keer terug naar het middel. Als de bewijsmotivering naast het voorgaande wordt gelegd, valt op dat het hof niet tot een precieze omschrijving van het plan komt. Het hof stelt vast ‘dat de verdachte en [betrokkene 1] van plan waren om een ripdeal te plegen, dan wel de verkopers van de partij hennep op te lichten’. Daarna formuleert het hof bewijsoverwegingen onder het kopje ‘Medeplegen en wetenschap verdachte met betrekking tot het vuurwapen’. Dat doet de vraag rijzen hoe het hof het eventueel gebruik van het vuurwapen in relatie tot het plan ziet.

25. Die vraag rijst ook doordat het hof nergens met zoveel woorden vaststelt dat de verdachte wist dat de medeverdachte over een vuurwapen beschikte. Dat het niet voor de hand ligt dat de medeverdachte de verdachte niet heeft ingelicht over het vuurwapen betekent, daarop wijst ook de steller van het middel, nog niet dat het inlichten van de verdachte met de vereiste mate van zekerheid vaststaat. Daar komt bij dat de onder de bewijsmiddelen opgenomen verklaring van de medeverdachte onder meer inhoudt dat hij en de verdachte zich ‘helemaal niet’ op de afspraak met de verkopers hadden voorbereid, afgezien kennelijk van het plan de hennep met het valse geld te ‘kopen’. Het hof overweegt ook dat ‘het in de lijn der verwachting ligt dat (door beide partijen) wapens meegebracht worden’ en dat ‘zowel de verdachte als [betrokkene 1] hiervan op de hoogte waren’. Maar dat de verdachte ermee op de hoogte is wat in de lijn der verwachting ligt, wil nog niet zeggen dat hij ermee op de hoogte is dat die verwachting in dit geval met de werkelijkheid correspondeert. Daarbij rijst de vraag of het hof met deze zin niet enkel op het bezit van vuurwapens bij de andere partij doelt. Ook de laatste, concluderende alinea onder dit kopje doet vermoeden dat het hof het plan en het vuurwapen los van elkaar ziet. Er is volgens het hof sprake van ‘een vooraf gemaakt gezamenlijk plan en de gezamenlijke uitvoering hiervan, alsmede (curs. BFK) van een voorzienbare kans dat er (vuur)wapens zouden worden gebruikt’.

26. Denkbaar is wellicht ’s hofs overweging, in het bijzonder de passage dat het ‘niet voor de hand ligt’ dat de verdachte niet door de medeverdachte is ingelicht, zo te lezen dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte ervan op de hoogte was dat de medeverdachte een pistool had meegenomen, en dat hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de medeverdachte het pistool zou gebruiken. Een argument voor die lezing kan zijn dat in het plan volgens het hof de mogelijkheid van een ‘ripdeal’ besloten lag. Dan is evenwel van belang dat het hof niet duidelijk maakt welk gebruik de verdachte (als onderdeel van het plan) heeft aanvaard. Gebruik van een vuurwapen kan vele vormen aannemen. Te denken valt aan het dreigen met een vuurwapen, het in de lucht schieten en het schieten op voorwerpen en niet-vitale lichaamsdelen. Dat de verdachte voorwaardelijk opzet op een vorm van gebruik heeft, impliceert niet noodzakelijkerwijs voorwaardelijk opzet op elke vorm van gebruik. Daarbij is de feitelijke gang van zaken een aanwijzing dat de verdachte en [betrokkene 1] in ieder geval niet hadden afgesproken dat het wapen zou worden getrokken zodra het bedrog zou zijn doorzien.

27. Het hof baseert de bewezenverklaring van medeplegen van poging tot doodslag op een redenering die uit twee componenten bestaat. Onder het kopje ‘Medeplegen en wetenschap verdachte met betrekking tot het vuurwapen’ beargumenteert het hof ‘dat sprake was van een vooraf gemaakt gezamenlijk plan en de gezamenlijke uitvoering hiervan, alsmede van een voorzienbare kans dat er (vuur)wapens zouden worden gebruikt’. Daarop baseert het hof het ‘oordeel dat de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [betrokkene 1] voldoende is komen vast te staan’. Onder het kopje ‘Opzet op de dood’ beargumenteert het hof ‘dat [betrokkene 1] met zijn gedragingen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de onbekend gebleven persoon zou komen te overlijden’. Het hof laat evenwel na nader te beargumenteren waar het vervolgens de conclusie op baseert dat wettig en overtuigend bewezen is ‘dat de verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag op een vooralsnog onbekend gebleven persoon’. Opbouw en inhoud van ’s hofs overwegingen doen daarmee vermoeden dat het hof de vaststelling van de nauwe en bewuste samenwerking waar het bij medeplegen om gaat betrekkelijk los ziet van het delict in verband waarmee die samenwerking tot aansprakelijkheid leidt. Terwijl juist dat verband voor die strafrechtelijke aansprakelijkheid cruciaal is.17

28. Ik neem daarbij in aanmerking dat de vaststelling dat de verdachte welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat vuurwapens worden gebruikt, toereikend is als onderbouwing van een bewezenverklaring van diefstal met geweld (al dan niet met dodelijk gevolg). Mede tegen die achtergrond meen ik dat een bewijsmotivering in casusposities als de onderhavige er geen misverstand over mag laten bestaan dat het gebruik dat door de mededader die niet schiet welbewust is aanvaard, het schieten in het kader van (een poging tot) doodslag omvat.

29. Uit de eerder besproken rechtspraak volgt dat aansprakelijkheid wegens het medeplegen van een poging tot doodslag onder omstandigheden ook bestaat als de poging tot doodslag niet in het plan besloten ligt. Die omstandigheden doen zich in het onderhavige geval naar het mij voorkomt evenwel niet voor. Het hof heeft niet vastgesteld dat de verdachte eerder met de medeverdachte ripdeals heeft gepleegd waarbij een vuurwapen is gebruikt, of dat hij de medeverdachte in andere context een vuurwapen heeft zien gebruiken. Uit de bewijsmiddelen volgt zelfs een contra-indicatie, in dit opzicht. De voor het bewijs gebezigde verklaring van de medeverdachte houdt in dat hij het wapen van iemand had geleend.

30. Wat betreft het voortzetten van de samenwerking volgt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte na de schoten die zijn mededader loste de samenwerking gericht op het bemachtigen van de hennep heeft voortgezet. Maar de verdachte heeft geen rol vervuld bij het uitgeoefende (vuurwapen)geweld. In de eerder besproken zaken waarin belang werd gehecht aan voortzetting van de samenwerking ging het om gedragingen die met het plegen van geweld verband hielden; als een ondersteuning daarvan konden worden gezien. Het voert naar het mij voorkomt ook te ver om aansprakelijkheid als medepleger van poging tot doodslag (los van een plan) te baseren op het voorafgaand aan de schoten van de medeverdachte naar buiten brengen van de tassen met wiet, dan wel het na de geloste schoten in de auto gooien van deze tassen. Bij afwezigheid van een plan waarin de poging tot doodslag als kwade kans besloten ligt en bewust is aanvaard, ligt het in de rede de aansprakelijkheid van de medepleger die geen geweld pleegt in dergelijke gevallen via andere strafbaarstellingen gestalte te laten krijgen.

31. Al met al is de bewezenverklaring van medeplegen van poging tot doodslag ontoereikend met redenen omkleed.

32. Het tweede middel slaagt.

33. Het eerste middel kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering. Ambtshalve wijs ik erop dat het cassatieberoep is ingesteld op 27 maart 2018 en dat Uw Raad niet binnen zestien maanden nadien uitspraak zal doen. In geval Uw Raad, anders dan ik, van oordeel zou zijn dat beide middelen falen, dient deze overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM te leiden tot strafvermindering. In geval van terugwijzing kan de overschrijding van de redelijke termijn onbesproken blijven. Voor het overige heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

34. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak wat betreft de beslissingen ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-842133-16 (door het hof aangeduid als dagvaarding II) onder 1 subsidiair tenlastegelegde en de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Den Haag teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 7 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8289.

2 Vgl. HR 16 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN8211 en HR 31 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6064.

3 Vgl. ook HR 18 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1693.

4 A. Postma, Opzet en toerekening bij medeplegen. Een rechtsvergelijkend onderzoek, WLP 2014.

5 H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, tweede druk, herzien door J.W. Smidt, Haarlem 1891, deel I, p. 435-436.

6 Postma, a.w., p. 39.

7 Zie onder meer J.M. Reijntjes, ‘Criteria voor toerekening’, in: B.F. Keulen, G. Knigge en H.D. Wolswijk, Pet af (liber amicorum D.H. de Jong), WLP, Nijmegen 2007, p. 402-409.

8 Zie G. Knigge, ‘Het opzet van de deelnemer’, in: M.S. Groenhuijsen en J.B.H.M. Simmelink, Glijdende schalen (liber amicorum J. de Hullu), WLP, Nijmegen 2003, p. 309-321.

9 Postma, a.w., p. 313-314.

10 Zie in dit verband de voorafgaande conclusie van A-G Knigge. Vgl. ook HR 14 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:951, NJ 2015/214, waarin Uw Raad vaststelt dat de verdachte opzet had ‘op het gezamenlijk en in vereniging plegen van diefstal met geweld zoals is bewezenverklaard’.

11 Vgl. voorts HR 11 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:301 (art. 81 RO).

12 A.w., p. 64 e.v. Dat het ‘plan’ van belang is bij het afgrenzen van de aansprakelijkheid wegens medeplegen, vindt steun in HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1964, NJ 2014/514 m.nt. Mevis, rov. 2.3.2 en 2.3.3 (Nijmeegse scooterzaak).

13 Vgl. ook HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:380 (art. 81 RO), waar in de conclusie naar voornoemde zaak wordt verwezen. Daarin waren de verdachte en de medeverdachten met in ieder geval drie geladen vuurwapens naar een woning van een familie gegaan om een overval te plegen en hadden zij geschoten op politieagenten die gewaarschuwd waren. De verdachte werd veroordeeld wegens onder meer (kort gezegd) het medeplegen van een poging tot gekwalificeerde doodslag, meermalen gepleegd.

14 Postma, a.w., p. 75 e.v..

15 A.w., p. 78-86.

16 Vgl. ook de door Postma besproken arresten HR 4 mei 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC9280, DD 93.400 en HR 20 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0902, NJ 1998/426. Het tweede arrest betrof een veroordeling wegens diefstal in vereniging met geweld, zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbend. Het eerste arrest zag op twee door twee personen gepleegde overvallen op tankstations. De verdachte bleef in de auto, de medeverdachte schoot beide keren een pompbediende dood. De verdachte werd ter zake van de eerste overval veroordeeld wegens diefstal met geweld door twee of meer personen, de dood ten gevolge hebbend. Van de primair tenlastegelegde deelneming aan gekwalificeerde doodslag werd vrijgesproken; daaruit volgt dat de enkele wetenschap dat de mededader een vuurwapen bij zich droeg volgens het hof nog geen dodingsopzet impliceerde. Inzake de tweede overval werd de verdachte voor het medeplegen van gekwalificeerde doodslag veroordeeld.

17 J. de Hullu, Materieel strafrecht, 7e druk, Wolters Kluwer, Deventer 2018, p. 464-465.