Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:1209

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
26-11-2019
Datum publicatie
28-11-2019
Zaaknummer
18/04518
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Beklag tegen beslag ex art. 94 Sv op een geldbedrag, onder een ander dan klager. De AG is van oordeel dat de opvatting, dat de rechtbank zich had moeten onthouden van een eigen oordeel over de gegrondheid van het beklag omdat de officier van justitie zich al op het standpunt had gesteld dat het strafvorderlijk belang zich niet langer verzette tegen teruggave van het geld en klager als redelijkerwijs rechthebbende moest worden aangemerkt, onjuist is. Wel heeft de rechtbank door te oordelen dat niet buiten redelijke twijfel is dat klager als eigenaar c.q. rechthebbende moet worden aangemerkt, een onjuiste maatstaf toegepast. De AG geeft de Hoge Raad in overweging de beschikking te vernietigen en de zaak terug te wijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/04518 B

Zitting 26 november 2019

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[klager] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,

hierna: de klager.

1 Inleiding

1.1.

De rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 18 oktober 2018 het klaagschrift van de klager, strekkende tot teruggave van een in beslag genomen geldbedrag, ongegrond verklaard.

1.2.

Er bestaat samenhang met de zaak 18/04519. In die zaak, waarin geklaagd wordt door de vader van de klager, zal ik vandaag ook concluderen.

1.3.

Het gaat in deze zaken kort gezegd om het volgende. De vader van de klager is op 15 april 2016 als bestuurder van een auto samen met twee inzittenden aangehouden ter controle op basis van de WVW. In de kofferbak troffen opsporingsambtenaren een tas met vermoedelijk verdovende middelen aan. In de middenconsole werden twee telefoons aangetroffen, waarvan de vader in de samenhangede zaak om teruggave heeft verzocht. Ook werd in het plafond van de auto een plastic tasje met een sok en daarin € 10.000 aan contanten aangetroffen, waarvan de klager in de onderhavige zaak om teruggave heeft verzocht.

1.4.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en mr. S.T. van Berge Henegouwen, advocaat te Maastricht, heeft één middel van cassatie voorgesteld, dat zich richt tegen de ongegrondverklaring van het klaagschrift.

2 Het middel

2.1.

Het middel bevat de klacht dat de rechtbank ten onrechte op het klaagschrift heeft beslist, althans dit ten onrechte ongegrond heeft verklaard, omdat de rechtbank na de mededeling van de officier van justitie zich van een beslissing had moeten onthouden, althans het klaagschrift gegrond had moeten verklaren.

2.2.

Het proces-verbaal van de raadkamerbehandeling van 27 september 2018 houdt het volgende in:

“De raadsvrouw voert het woord en verklaart zakelijk weergegeven:

Klager kan in zijn klaagschrift worden ontvangen, omdat sprake is geweest van een vervolging in het arrondissement Amsterdam. Uit de overgelegde verhoren blijkt namelijk dat er een rechter-commissaris bij de zaak betrokken is geweest. Uiteindelijk is de zaak geseponeerd. Het klaagschrift is binnen drie maanden nadat de zaak tot een einde is gekomen ingediend. Ik verwijs naar een uitspraak van de Hoge Raad van 13 maart 2018 waar ook sprake was van een ontvankelijkheidsvraag. In dat geval was sprake geweest van een gerechtelijk vooronderzoek en - volgens het Openbaar Ministerie - van een vervolging omdat bij de doorzoeking een rechter-commissaris aanwezig was. De Hoge Raad heeft deze uitspraak in stand gelaten.

Het geld is in het kader van het onderzoek in beslag genomen. Klager stelt eigenaar en derhalve rechthebbende te zijn. Hij heeft het geld ontvangen bij de verkoop van zijn auto en het was bestemd voor een reis. Hij had het geld verstopt in het plafond van de auto die bij zijn vader ([betrokkene 1]) in gebruik was. Zijn vader was daarvan niet op de hoogte en heeft geen afstand gedaan van het geld omdat hij niet wist wie het toebehoorde. Het beslag dient geen onderzoeksbelang meer.

Teruggave is aan klager is redelijk en maatschappelijk verantwoord. Niemand anders dan klager claimt het geld.

De officier van justitie verklaart, zakelijk weergegeven:

Het geld is niet binnen twee jaar na inbeslagname teruggevraagd. In het geval van beslag op - bijvoorbeeld - een telefoon, zoals inbeslaggenomen onder de vader van klager, stel ik mij op het standpunt dat het klaagschrift niet-ontvankelijk is. De telefoon diende geen onderzoeksbelang meer en is vernietigd.

Bij het onderhavige geldbedrag ligt het anders. Dat wordt afgestort in de rijkskas. Op het geld kan ook nog na een periode van twee jaar aanspraak worden gemaakt. De zaak is geseponeerd. Het klopt dat niemand als beslagene is aangemerkt van het geld. Ik weet dat de rechtbank in een andere zaak een geldbedrag heeft teruggegeven aan de eigenaar van de woning waarin het was aangetroffen.

De auto was bij de vader van klager, [betrokkene 1], in gebruik. Klager heeft het geld erin gestopt, wat zijn vader achteraf heeft vernomen. Niemand anders claimt het geld en er is geen sprake meer van een onderzoeksbelang. Het is op het eerste oog maatschappelijk verantwoord om het geld aan klager terug te geven. Het klaagschrift kan gegrond worden verklaard.”

2.3.

De bestreden beschikking houdt in:

Inhoud van het klaagschrift

Het klaagschrift strekt tot teruggave van het in beslag genomen geldbedrag van € 10.100,-.

De raadsvrouw van klager heeft naar aanleiding van het standpunt van het Openbaar Ministerie en ter toelichting op het klaagschrift kort samengevat het volgende aangevoerd. Klager kan in zijn klaagschrift worden ontvangen. De zaak werd laatstelijk vervolgd in het arrondissement Amsterdam. Uit de overgelegde verhoren blijkt dat er een rechtercommissaris bij de zaak betrokken is geweest. In het kader van dit onderzoek is het geldbedrag in beslag genomen. Uiteindelijk is de zaak geseponeerd. Het klaagschrift is binnen drie maanden nadat de zaak tot een einde is gekomen ingediend.

Klager stelt eigenaar en derhalve rechthebbende te zijn van voornoemd geldbedrag. Hij had het geld verstopt in het plafond van de auto die bij zijn vader ([betrokkene 1]) in gebruik was. Zijn vader was niet op de hoogte van het feit dat klager dat bedrag in het plafond van de auto had verstopt. Klager stelt dat hij voornoemd geldbedrag heeft ontvangen bij de verkoop van zijn auto.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft in raadkamer afgeweken van schriftelijk standpunt, inhoudende dat klager niet-ontvankelijk is in zijn klaagschrift, nu het meer dan twee jaar na de inbeslagname is ingediend. Een geldbedrag kan ook na twee jaar nog worden teruggevorderd. Het strafvorderlijk belang verzet zich niet langer tegen teruggave van het geld aan klager. Klager kan als de redelijkerwijs rechthebbende worden aangemerkt, ook al is niemand als beslagene aangemerkt.

De beoordeling

Het klaagschrift is op 4 mei 2018 ter griffie van deze rechtbank ingediend.

Voor de rechtbank staat vast dat er sprake is geweest van een vervolging, welke is geëindigd met een onvoorwaardelijk sepot op 28 maart 2018. Het klaagschrift is binnen drie maanden na het einde van de zaak ingediend, zodat klager kan worden ontvangen in zijn klaagschrift.

De vader van klager werd op 14 april 2016 aangehouden als verdachte van - onder meer - witwassen. Hij bestuurde een auto waarin het bedrag van € 10.100,- werd aangetroffen in het plafond. De auto stond op naam van een ander, met antecedenten op het gebied van onder meer overtreding van de Opiumwet en (zwaar) geweld. Het geldbedrag is in beslag genomen ter waarheidsvinding. Op de kennisgeving van inbeslagneming is aangetekend: ‘geen eigenaar bekend’.

In het onderhavig geval is sprake van beslag dat volgens het Openbaar Ministerie diende om de waarheid aan de dag te brengen. Het onderzoek is afgerond zodat het strafvorderlijk belang zich niet langer verzet tegen opheffing van het beslag.

Meer in het bijzonder overweegt de rechtbank als volgt.

Ten aanzien van het geld is door de politie niemand als beslagene aan aangemerkt. Aangezien hier sprake is van een klager die stelt eigenaar/rechthebbende van het voorwerp te zijn en om teruggave vraagt, maar tegen wie het strafrechtelijk onderzoek niet is gericht, dient de rechtbank als maatstaf aan te leggen of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat klager als eigenaar/rechthebbende van het voorwerp moet worden aangemerkt en zo ja of zich de situatie als bedoeld in artikel 94a lid 4 of lid 5 Sv voordoet (vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, rov. 2.15).

Klager heeft pas twee jaar na de inbeslagname een klaagschrift ingediend. Hij stelt zich op het standpunt dat het geld afkomstig is van de verkoop zijn auto. Behoudens de verklaringen van klager en diens vader, ziet de rechtbank geen onderbouwing voor deze stelling.

Daarbij komt dat het geld was verhuld, nu het was verstopt in een sok, in een zakje, in een plafond van een auto, waar de vader van klager gebruik maakte. De te naam gestelde van het voertuig is een bekende van justitie.

Nu niet buiten redelijke twijfel is dat klager als eigenaar/rechthebbende van het geld moet worden aangemerkt, zal de rechtbank het verzoek ongegrond verklaren.

De beslissing

De rechtbank komt tot de volgende beslissing.

De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.”

2.4.

De steller van het middel betoogt dat de rechtbank zich had moeten onthouden van een eigen oordeel over de gegrondheid van het beklag, omdat de officier van justitie zich al op het standpunt had gesteld dat het strafvorderlijk belang zich niet langer verzette tegen teruggave van het geld en klager als redelijkerwijs rechthebbende moest worden aangemerkt. De wet biedt hiervoor volgens hem te weinig ruimte.

2.5.

Het is vaste rechtspraak dat in het systeem van de wet besloten ligt dat, indien het openbaar ministerie bij de behandeling van een beklag als bedoeld in art. 552a Sv te kennen geeft van oordeel te zijn dat het belang van strafvordering zich niet meer tegen de gevraagde teruggave verzet, de rechter, zonder zelf in een beoordeling van dit laatste punt te treden, op het klaagschrift dient te beslissen.1 Dat punt staat in deze zaak niet ter discussie. Wat thans in cassatie wordt gesteld is dat deze regel ook geldt ten aanzien van een door de officier van justitie ingenomen standpunt dat de derde-belanghebbende die om teruggave vraagt, als redelijkerwijs rechthebbende kan worden aangemerkt. Ik meen, om de navolgende redenen, dat dit standpunt onjuist is.

2.6.

Uit de systematiek van art. 116 Sv volgt dat zodra het belang van strafvordering niet meer aanwezig is, de hoofdregel is dat het openbaar ministerie de teruggave gelast aan de beslagene. Wil het openbaar ministerie het voorwerp kunnen teruggeven aan een derde-belanghebbende, dan zal de officier van justitie ofwel over een afstandsverklaring van de beslagene moeten beschikken, ofwel de beslagene eerst van zijn voornemen tot teruggave aan een ander in kennis moeten stellen, zodat deze zich daartegen kan beklagen (art. 116 lid 3 Sv). Als de beslagene zich vervolgens niet (tijdig) beklaagt, kan teruggave door de officier van justitie buiten de rechter om plaatsvinden. Deze regeling is ook gewenst, omdat dikwijls sprake zal zijn van tegenstrijdige belangen tussen die van de beslagene en de derde-belanghebbende(n). Het zou in strijd zijn met deze waarborgen die deze regeling biedt, als het openbaar ministerie zich in een beklagprocedure van een derde-belanghebbende op het standpunt kan stellen dat deze moet worden aangemerkt als redelijkerwijs rechthebbende en de rechter hier geen eigen oordeel over zou kunnen vellen. De beslagene (en een eventuele andere belanghebbende) kan zo immers buitenspel worden gezet. Ook zou zich dan de (tegenstrijdige) situatie kunnen voordoen dat wanneer de beslagene daarna zelf een klaagschrift indient, de rechter ook ten aanzien van hem de teruggave moet gelasten omdat dan immers voornoemde hoofdregel geldt.2

2.7.

Voor deze redenering kan steun worden gevonden in een beschikking van de Hoge Raad van 25 november 2003.3 In deze zaak ging het (heel) kort gezegd over zendapparatuur waarvan zowel de beslagene als een derde-belanghebbende, die door het openbaar ministerie als eigenaar werd beschouwd, om een last tot teruggave hadden verzocht. De officier van justitie had tijdens de raadkamerbehandeling verklaard dat geen strafvorderlijk belang meer aanwezig was en dat hij zich niet verzette tegen teruggave aan de beslagene noch aan de derde-belanghebbende. De rechtbank verklaarde beide klaagschriften ongegrond omdat naar haar oordeel er wel nog een belang van strafvordering aanwezig was. De Hoge Raad casseerde dit oordeel en overwoog daarbij in de zaak van de derde-belanghebbende als volgt:

“In het systeem van de wet ligt aldus besloten dat, indien het openbaar ministerie bij de behandeling van een beklag als bedoeld in art. 552a Sv te kennen geeft van oordeel te zijn dat het belang van de strafvordering zich niet meer tegen de gevraagde teruggave verzet, de rechter, zonder zelf in een beoordeling van evenvermeld punt te treden, op het klaagschrift dient te beslissen. In een geval als het onderhavige brengt dit mee dat dient te worden onderzocht of de klager redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt (onderstreping AG TS).”

2.8.

Dat de wet de rechter onvoldoende ruimte biedt om een eigen oordeel te vellen op dit punt, lijkt mij dus niet juist. Dat doet er echter niet aan af dat in het geval het belang van de strafvordering het voortduren van het beslag niet vordert, het openbaar ministerie op grond van art. 116 Sv gehouden is over de beslaglegging te beslissen en het beslag in beginsel te beëindigen.4 Dat kan in de onderhavige zaak, waarin zich het specifieke geval voor doet dat er kennelijk geen beslagene bekend is5 en de officier van justitie van oordeel is dat niemand het geld heeft opgeëist en dat klager als redelijkerwijs rechthebbende kan worden aangemerkt, betekenen dat de officier van justitie alsnog beslist tot teruggave van het geld aan de klager. De wet biedt de officier van justitie op grond van art. 116 lid 2 en 3 Sv daartoe de mogelijkheid.

2.9.

Gelet hierop faalt het middel in zoverre en behoeft het betoog van de steller van het middel over het (financiering)systeem van de rechtspraak geen bespreking.

2.10.

Hoewel in het middel de vinger niet op de zere plek wordt gelegd, zie ik in de formulering van het middel voldoende aanleiding om het als volgt op te vatten. Het middel houdt in dat de rechtbank het klaagschrift ten onrechte ongegrond heeft verklaard en de toelichting daarop houdt onder meer in dat de rechtbank een onjuiste maatstaf heeft toegepast. Dat is, om een andere reden dan wordt betoogd, inderdaad het geval. De rechtbank miskent met haar overwegingen immers dat in het onderhavige geval geen sprake was van conservatoir beslag ex art. 94a Sv, maar van klassiek beslag ex art. 94 Sv. De toe te passen maatstaf is dan, als door een derde wordt verzocht om teruggave van het voorwerp en als wordt vastgesteld dat het belang van strafvordering zich hier niet langer tegen verzet, de rechter dient te beoordelen of deze derde redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt. De toets die de rechter heeft aangelegd, te weten of buiten redelijke twijfel is dat de klager als rechthebbende van het voorwerp moet worden aangemerkt, is dus onjuist.

2.11.

Voor zover het middel daarover beoogt te klagen, is het terecht voorgesteld.

3 Conclusie

3.2.

Het middel slaagt.

3.3.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.

3.4.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing van de zaak naar de Rechtbank Amsterdam.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823 (overzichtsarrest beklag), rov. 2.10. Vgl. de daaraan ten grondslag liggende rechtspraak: HR 1 december 1981, ECLI:NL:HR:1981:AB7809, NJ 1982/234 en HR 20 december 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0551, NJ 1989/637.

2 Vgl. voor dit alles de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Machielse: ECLI:NL:PHR:2004:AP1482.

3 HR 25 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8421.

4 Vgl. HR 15 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1583.

5 Iets wat ik overigens opmerkelijk vind, aangezien uit de stukken blijkt dat de sok met geld is aangetroffen in een auto waarvan de vader op dat moment de bestuurder was. De beslagene is degene onder wie het voorwerp feitelijk in beslag wordt genomen.