Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:1179

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
25-10-2019
Datum publicatie
22-11-2019
Zaaknummer
19/01920
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1939, Gevolgd
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Personen- en familierecht. Vervangende toestemming om minderjarige in te schrijven op school in nabijheid van woning van verzoekende ouder. Art. 1:253a lid 1 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/01920

Zitting 25 oktober 2019

CONCLUSIE

M.L.C.C. Lückers

In de zaak

[de moeder]

(hierna: de moeder),

verzoekster tot cassatie,

advocaat: mr. J. van Weerden,

tegen

[de vader]

geen verweer

In deze zaak is de moeder tijdens de procedure in eerste aanleg verhuisd naar een andere woonplaats. In cassatie komt zij op tegen de bekrachtiging door het hof van de beslissing van de rechtbank dat aan de vader vervangende toestemming wordt verleend om de ten tijde van de beschikking van het hof vier jaar oude dochter van partijen in te schrijven op een school in zijn woonplaats (de voormalige woonplaats van de moeder). De moeder had verzocht om haar vervangende toestemming te verlenen om de dochter, die - inmiddels - bij de moeder haar hoofdverblijfplaats heeft, in te schrijven op een school in haar nieuwe woonplaats.

1. Feiten 1 en procesverloop

1.1 Uit de (inmiddels verbroken) relatie van de moeder en de vader is op [geboortedatum] 2014 geboren [de minderjarige] (hierna: de minderjarige). Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit over de minderjarige. De vader heeft de minderjarige erkend.

1.2 Bij verzoekschrift, ingekomen op 29 maart 2018, heeft de moeder zich gewend tot de rechtbank Den Haag. Zij heeft de rechtbank in het kader van art. 1:253a BW primair verzocht te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij haar in [woonplaats] is. Subsidiair heeft de moeder verzocht aan haar vervangende toestemming te verlenen om met de minderjarige naar [woonplaats] te verhuizen. Voor zover in cassatie van belang heeft de moeder de rechtbank verder verzocht aan haar vervangende toestemming te verlenen om de minderjarige in te schrijven op de basisschool [A] te [woonplaats] .2

1.3 De vader heeft tegen de verzoeken van de moeder verweer gevoerd. Voor zover van belang heeft hij daarnaast onder meer zelfstandig verzocht te bepalen (i) dat de minderjarige haar hoofdverblijf bij hem zal hebben en bij hem ingeschreven zal zijn, (ii) dat de minderjarige naar de basisschool [B] te Voorburg zal gaan, en (iii) dat de minderjarige omgang (contact) zal hebben met de moeder eens in de twee weken van vrijdag uit school tot maandag naar school, alsmede de helft van de zomervakanties en feestdagen, te verdelen in onderling overleg.3

1.4 De moeder heeft verweer gevoerd tegen de zelfstandige verzoeken van de vader. Zij heeft daarnaast aanvullend verzocht om een zorgregeling vast te stellen in die zin dat de minderjarige eenmaal per twee weken van vrijdag tot en met zondag bij de vader zal verblijven, alsmede in de week dat de minderjarige niet bij de vader is van donderdag tot vrijdag.4

1.5 Bij beschikking van 20 juni 2018 heeft de rechtbank bepaald dat de minderjarige haar hoofdverblijf zal hebben bij de moeder. De rechtbank heeft verder een zorgregeling vastgesteld, inhoudende dat de minderjarige in de ene week van donderdagmiddag uit school tot en met maandagochtend naar school bij de vader zal zijn en in de tweede week van woensdagavond na het eten tot vrijdagavond na het eten. De rechtbank heeft voorts (vervangende) toestemming aan de vader verleend om de minderjarige in te schrijven op basisschool [B] te Voorburg. De rechtbank heeft de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard en heeft het meer of anders verzochte afgewezen.5 De rechtbank heeft met betrekking tot het geven van vervangende toestemming aan de vader om de minderjarige in te schrijven op basisschool [B] het volgende overwogen (blz. 4, tweede alinea):

“Verder is de rechtbank van oordeel dat een inschrijving van [de minderjarige] op [B] in Voorburg het meest in haar belang is. Het was ten tijde van de relatie tussen de ouders de keuze van hen beiden om [de minderjarige] op deze school in te schrijven, mede vanwege het feit dat ze daar met bekende kinderen naartoe zou gaan. Het feit dat de moeder zal verhuizen naar [woonplaats] - of inmiddels al verhuisd is - betekent niet dat [de minderjarige] niet meer naar [B] in Voorburg kan gaan, met name gelet op de uitgebreide zorgregeling zoals hierna wordt besproken. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat van de moeder mag worden gevergd dat zij meer tijd overbrugt voor het halen en brengen van en naar school van [de minderjarige] , omdat zij ervoor heeft gekozen om te verhuizen naar [woonplaats] . De moeder heeft onvoldoende onderbouwd dat zij daartoe gedwongen was omdat zij geen aanvaardbare woning dichterbij kon vinden. Bovendien ligt [B] meer op de route van de moeder naar haar werk in Leiden dan [A] op de route van de vader naar zijn werk in Den Haag. De moeder heeft ook onvoldoende onderbouwd dat haar reistijd langer zou zijn dan die van de vader in verband met files, of dat haar reistijd naar Leiden onredelijk zou worden verlengd door het omrijden via Voorburg. In het bijzonder acht de rechtbank het naar algemene ervaringsregels niet aannemelijk dat die reistijd rechtstreeks twintig minuten zou bedragen en via de school in Voorburg een uur en tien minuten, zoals namens de vrouw ter zitting is betoogd.”

1.6 Tegen de beschikking van de rechtbank heeft de moeder hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Den Haag.6 De moeder heeft het hof verzocht om die beschikking te vernietigen, voor zover daarin aan de vader vervangende toestemming is verleend om de minderjarige in te schrijven op basisschool [B] te Voorburg en voor zover het de vastgestelde zorgregeling betreft, en, in zoverre opnieuw rechtdoende, aan de moeder vervangende toestemming te geven om de minderjarige in te schrijven op de basisschool [A] in [woonplaats] en een zorgregeling vast te stellen waarbij de minderjarige de ene week van dondermiddag tot maandagochtend bij de vader verblijft en de andere week van donderdag tot vrijdagavond.

1.7 De vader heeft verweer gevoerd tegen de grieven van de moeder. Hij heeft voorts incidenteel hoger beroep ingesteld. De vader heeft het hof verzocht de beschikking van de rechtbank te vernietigen voor zover het de vaststelling van de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling betreft en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de minderjarige zal worden ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres van de moeder en bij de vader zal zijn in de ene week van donderdagmiddag uit school tot en met maandagochtend naar school en in de andere week van woensdag uit school tot vrijdagavond na het eten, waarbij de minderjarige steeds door de ene ouder zal worden opgehaald bij de andere ouder, alsmede dat vanaf de leeftijd van 6 jaar van de minderjarige de zorgregeling wordt omgezet in een week op/week af regeling, aanvangende op het eerste wisselmoment na de zesde verjaardag van de minderjarige, waarbij de minderjarige de even weken bij de vader zal zijn en de oneven weken bij de moeder, alsmede te bepalen dat vakanties beginnen op vrijdag uit school tot maandag naar school. De vader heeft het hof verder verzocht de vakanties en feestdagen te verdelen zoals opgenomen in zijn verweerschrift in hoger beroep, met de daarbij opgenomen haal- en brengregeling.

1.8 Bij beschikking van 16 januari 2019 heeft het hof de beschikking van de rechtbank vernietigd, voor zover het de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken betreft en, in zoverre opnieuw beschikkende, bepaald dat de minderjarige de ene week van dondermiddag uit school tot en met maandagochtend naar school bij de vader verblijft en de andere week van donderdagmiddag na school tot vrijdagavond na het eten, waarbij de ouder bij wie de minderjarige is, de minderjarige naar de andere ouder brengt. Het hof heeft verder een verdeling van de vakanties en feestdagen vastgesteld. Het hof heeft de kosten van het geding in hoger beroep gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Het hof heeft de beschikking van de rechtbank voor zover aan zijn oordeel onderworpen voor het overige bekrachtigd en heeft het meer of anders verzochte afgewezen. Voor zover in cassatie van belang heeft het hof als volgt overwogen met betrekking tot de schoolkeuze:

“5.1 De moeder betoogt, samengevat, dat uitsluitend het belang van de minderjarige in aanmerking dient te worden genomen waar het gaat om schoolkeuze. Zij verwijst hiertoe naar de uitspraak van het Hof Amsterdam van 17 augustus 2010. Uit de overwegingen van de rechtbank blijkt niet dat alleen naar het belang van de minderjarige is gekeken. Vooral is gekeken naar de belangen van de ouders. De hoofdverblijfplaats van de minderjarige is bij de moeder. Daarnaast is de minderjarige maximaal twee schooldagen bij de vader. De minderjarige is dus minstens drie schooldagen bij de moeder. Ook de hoofdverblijfplaats van de minderjarige is bij de moeder, daarom is het van belang dat de school van de minderjarige dicht bij de woning van de moeder is. Dit is ook in het belang van de sociaal-emotionele ontwikkeling van de minderjarige.

De moeder betwist verder dat de keuze voor [B] in Voorburg door partijen is gemaakt omdat de minderjarige daar met voor haar bekende kinderen naar toe kon gaan. De keuze voor deze school was gemaakt omdat partijen in Voorburg woonden en samen met de minderjarige een gezin vormden. De moeder stelt voorts dat de vader de relatie heeft beëindigd waardoor de moeder noodgedwongen een woning in [woonplaats] heeft moeten betrekken. Zij had ook liever in Voorburg gewoond, maar heeft daarvoor geen (financiële) mogelijkheden. De rechtbank doet alsof het een vrije keuze van de moeder was om in [woonplaats] te gaan wonen. De moeder kan zich dan ook niet verenigen met de overweging van de rechtbank dat van haar mag worden gevergd dat zij meer tijd overbrugt voor het halen en brengen van de minderjarige naar school. Daarnaast betwist de moeder dat zij onvoldoende heeft onderbouwd dat haar reistijd langer is dan de reistijd van de vader en dat haar reistijd niet onredelijk lang is. De reistijd van [woonplaats] naar Voorburg is 27 minuten. Dan heeft de moeder 10 minuten voor de overdracht op school en moet dan 45 minuten rijden naar haar werk. Totaal 1,5 uur. Omdat de school om 08.30 uur begint, is de moeder dan pas op 10 uur, te laat, op haar werk. Als de vader vanuit Den Haag naar [woonplaats] komt, bedraagt zijn reistijd 18 minuten. Daarbij hoeft de vader de minderjarige alleen op donderdag te halen en op vrijdag te brengen. Volgens de moeder is het niet in het belang van de minderjarige om lange autoritten te moeten maken en vroeger op te staan om op tijd op school te zijn.

5.2 Volgens de vader is de uitspraak van het hof Amsterdam waarnaar de moeder verwijst, inmiddels achterhaald door andere uitspraken (ECLI:NL:GDHA:2015:3880 en ECLI:NL:GHDHA:2017:1837). Verder verwijst de vader naar een recente uitspraak van het hof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2018:1316), waarin - onder meer - is bepaald dat bij de beslissing alle omstandigheden van het geval in acht dienen te worden genomen. Bij de rechtbank heeft de vader reeds aangetoond dat er geen noodzaak bestond voor de moeder om naar [woonplaats] te verhuizen. Deze verhuizing was zonder reden, niet noodzakelijk, niet doordacht en niet goed voorbereid. Verder heeft de moeder geen poging gedaan om de gevolgen van de verhuizing voor de minderjarige of de vader te verzachten. De vader is van mening dat de belangen van de minderjarige zijn gediend met inschrijving op de school in Voorburg. Zo heeft zij al een netwerk in Voorburg, zodat zij met bekende vriendjes naar de basisschool kan. Als er iets op school gebeurt, bijvoorbeeld vergeten van spullen, is dat gemakkelijker te herstellen omdat de vader in de buurt woont en werkt. Daarnaast heeft de school in Voorburg betere resultaten dan die in [woonplaats] . Wat betreft de door de moeder gestelde reistijd van Voorburg naar haar werk, stelt de vader dat de moeder met de auto de 17 km kan afleggen in 30 minuten. Dit speelt alleen op één maandag per twee weken.

5.3 Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 1:253a lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechter worden voorgelegd. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De rechter dient bij zijn beslissing alle relevante feiten en omstandigheden van het geval in acht te nemen.

5.4 Op basis van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden, die het hof na eigen afweging en waardering overneemt en tot de zijne maakt, de vader vervangende toestemming heeft verleend om de minderjarige in te schrijven op basisschool [B]7 te Voorburg. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Het hof overweegt hierbij dat alle belangen in ogenschouw nemende het belang van de minderjarige het meest gediend is als er geen wijziging wordt gebracht in haar school en zij in Voorburg naar school blijft gaan. In het beroepschrift noch ter terechtzitting zijn feiten en/of omstandigheden aannemelijk gemaakt waaruit blijkt dat de huidige school tekort schiet of dat de minderjarige daar niet op haar plaats is. Bovendien is dit de school die partijen, toen zij nog een relatie hadden, samen voor ogen hadden voor de minderjarige en is zij daar mede naar toe gegaan omdat er voor haar bekende kinderen ook naar toe zijn gegaan, zoals ook blijkt uit de e-mail van de moeder (…). Inmiddels is de minderjarige op deze school gewend en heeft hier al haar vriendjes. Dat de moeder stelt dat zij inmiddels door de reistijd, die het gevolg is van de schoolkeuze, een burn-out heeft gekregen, doet aan het oordeel van het hof niet af. De vader heeft deze stelling gemotiveerd weersproken en de moeder heeft nagelaten haar stelling dat de burn-out wordt veroorzaakt door de reisafstand voldoende, met verificatoire bescheiden, te onderbouwen. Het hof zal dan ook, gelet op vorenstaande, de bestreden beschikking ten aanzien van de vervangende toestemming bekrachtigen.”

1.9 De moeder heeft op 15 april 2019 en daarmee tijdig beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het middel bevat eerst een inleiding. Vervolgens wordt een klacht gericht tegen rov. 5.4, hiervóór weergegeven in 1.8. Het middel klaagt dat de daar gegeven overwegingen onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd zijn, omdat het hof niet, althans niet zonder nadere motivering:

a. het oordeel van de rechtbank heeft kunnen overnemen dat de schoolkeuze van partijen moet worden gevolgd die zij hebben gemaakt toen zij nog bij elkaar waren, ook al zijn zij nu uit elkaar;

b. het oordeel van de rechtbank heeft kunnen overnemen dat de verhuizing van de moeder met de minderjarige naar [woonplaats] , met name gelet op de uitgebreide zorgregeling, niet van belang is;

c. het oordeel van de rechtbank heeft kunnen overnemen dat van de moeder mag worden gevergd meer tijd te overbruggen omdat zij naar [woonplaats] wilde verhuizen; en

d. heeft geoordeeld dat in hoger beroep geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.

2.2

Het middel licht deze klachten vervolgens puntsgewijs nader toe. Met betrekking tot de klacht onder a (“schoolkeuze tijdens samenwoning”) stelt het middel dat de schoolkeuze ten tijde van de samenwoning van partijen niet bepalend of medebepalend kan zijn voor de schoolkeuze die moet worden gemaakt, nu partijen uit elkaar zijn en in een andere stad wonen en zij allebei de keuze voor een andere school hebben bepleit. Dat partijen destijds voor de school in de woonplaats van de vader hebben gekozen, mede omdat daar bekende kinderen naar toe gaan, kan volgens middel niet bepalend of allesbepalend zijn, omdat handhaving van de status quo meebrengt dat de minderjarige wordt belemmerd in het creëren van een sociaal netwerk.

2.3

Bij de beoordeling stel ik voorop dat het bestreden oordeel sterk is verweven met een aan het hof voorbehouden waardering van de feiten en omstandigheden. Het kennelijke betoog van de klacht dat voor het oordeel van het hof (mede)bepalend is geweest dat partijen de schoolkeuze ten tijde van hun samenwoning reeds hadden gemaakt, mist feitelijke grondslag. Het woord “Bovendien” in de bestreden passage vormt hiervoor reeds een aanwijzing. Uit de bestreden overweging kan niet anders worden afgeleid dan dat een belangrijke, zo niet beslissende factor voor het oordeel van het hof is geweest het feit dat de minderjarige ten tijde van het geven van de bestreden beschikking reeds een aantal maanden op basisschool [B] zat, dat zij op deze school is gewend, dat niet is gebleken dat zij daar niet op haar plaats is en zij daar al haar vriendjes heeft. Dit was ten opzichte van de situatie ten tijde van de beschikking van de rechtbank een nieuw gegeven; de minderjarige ging toen immers nog niet naar school. Het betoog dat handhaving van de status quo meebrengt dat de minderjarige wordt belemmerd in het creëren van een sociaal netwerk miskent naar mijn mening dat kinderen - door de week en in het weekend - een sociaal netwerk langs verschillende wegen kunnen opbouwen, zowel op en in verband met school (klasgenoten) als daarbuiten, zoals buurtkinderen in beide woonplaatsen die naar een andere school gaan.

2.4

Ter toelichting op de klacht onder b (“verhuizing in samenhang met zorgregeling”) stelt het middel voorop dat de door het hof vastgestelde zorgregeling meebrengt dat de minderjarige in veertien dagen negen nachten bij de moeder en vijf nachten bij de vader overnacht, dat de moeder de minderjarige de ene week vier keer naar school brengt en de andere week drie keer, en dat de minderjarige op de drie overige schooldagen, gerekend met veertien dagen, vanuit het huis van de vader naar school gaat. De eerder door de rechtbank vastgestelde regeling bracht mee dat de minderjarige in veertien dagen acht nachten bij de moeder verbleef en zes nachten bij de vader, en dat de moeder de minderjarige de ene week vier keer naar school in Voorburg zou moeten brengen en de andere week twee keer. Het middel betoogt dat, omdat de verdeling van de zorg over de minderjarige door de beslissing van het hof minder evenwichtig is geworden en het hof deze wijziging niet heeft besproken, de beslissing van het hof om “de verhuizing in combinatie met die zorgregeling niet van belang te achten”, niet in stand kan blijven. Volgens het middel is de bestreden overweging des te meer onbegrijpelijk dan wel des te minder goed gemotiveerd gelet op de overweging in rov. 5.9 dat het noodzakelijk dan wel wenselijk is dat de minderjarige ook bij de moeder een sociaal netwerk kan opbouwen en aan wekelijkse activiteiten kan deelnemen. Het middel stelt ter toelichting dat het hof niet uiteen heeft gezet waarom met de in rov. 5.9 genoemde aanpassing in de zorgregeling aan het belang van de minderjarige (voldoende) tegemoet is gekomen om in de buurt van de moeder een sociaal netwerk op te kunnen bouwen. Het middel betoogt dat het hof temeer was gehouden een nadere motivering op dit punt te geven, omdat dit volgens de moeder niet voldoende mogelijk is.

2.5

Bij de beoordeling stel ik voorop dat het hof het in hoger beroep door de moeder gedane verzoek met betrekking tot de zorgregeling, inhoudende dat de minderjarige de ene week van donderdagmiddag na school tot en met maandagochtend naar school bij de vader verblijft en de andere week van donderdagmiddag na school tot vrijdagavond na het eten, heeft toegewezen. Zo al met het middel kan worden gezegd dat de verdeling van de zorg over de minderjarige door de beslissing van het hof “minder evenwichtig” is geworden, moet worden opgemerkt dat de moeder zelf om de gegeven beslissing heeft verzocht. Anders dan het middel betoogt, heeft het hof de zorgregeling wel “besproken” en heeft het daarbij mede de verhuizing van de moeder en de minderjarige in zijn oordeel betrokken. Voorts heeft het hof daarbij expliciet het belang van de minderjarige in ogenschouw genomen. Het hof overweegt namelijk in rov. 5.9 in het kader van de aanpassing van de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling dat “het in het belang van de minderjarige is dat zij ook bij de moeder een sociaal netwerk kan opbouwen en daar in de buurt wekelijkse activiteiten kan ondernemen”. Wat het middel in wezen voor ogen staat is dat een aanpassing van de zorgregeling in die zin dat de minderjarige feitelijk langer bij de moeder verblijft dan eerder is vastgesteld, zou moeten meebrengen dat de minderjarige ook bij haar in de buurt naar school dient te gaan. Deze gevolgtrekking gaat evenwel niet op, temeer daar de minderjarige ook een ruime omgangsregeling (zorgregeling) met de vader heeft. Zoals gezegd kan een sociaal netwerk ook via een andere weg dan school (klasgenootjes) worden opgebouwd, zoals met buurtkinderen en/of in het verband van verenigingen.

2.6

Ter toelichting op de klacht onder c (“door de moeder te overbruggen reistijd”) stelt het middel dat het hof “niet heeft uitgelegd” waarom de langere reistijd van de moeder in het belang is van de minderjarige en dat het hof “de moeder daarentegen juist een verwijt van de verhuizing en de daardoor ontstane langere reistijd lijkt te maken, zonder deze aan de belangen van de minderjarige te relateren”. Volgens het middel mag “deze overweging” daarom geen factor van belang zijn. Het middel klaagt verder dat, als het hof “het door de moeder veroorzaken van vergroting van de reistijd” wel als omstandigheid in zijn beschouwing mocht betrekken, deze overweging onvoldoende is gemotiveerd, aangezien het hof niet is ingegaan op de stelling van de moeder dat haar keuze om te verhuizen hier geen rol behoort te spelen en dat de minderjarige “niet behoort te worden gestraft door haar met een langere reistijd te belasten”.8 Volgens het middel is het hof “van het omgekeerde uitgegaan” in die zin “dat de keuze van de moeder om te verhuizen ten nadele van de door haar bepleite schoolkeuze kan worden gebracht”. Het middel betoogt dat het hof daarom had moeten uitleggen waarom dit zo is “en waarom de minderjarige met de gevolgen van die keuze kan worden belast”. Daarbij komt, aldus nog steeds het middel, dat het hof tot het geven van een nadere toelichting was gehouden omdat de minderjarige vanwege de vastgestelde zorgregeling (rov . 5.9) vaker vanuit de moeder naar school gaat dan vanuit de vader, zodat de door de vergroting van de reistijd veroorzaakte belasting met nog eens een dag wordt verlengd.

2.7

De klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag, waar het betoogt dat het hof de moeder een verwijt van de verhuizing en de daardoor ontstane langere reistijd lijkt te maken. Het hof heeft de verhuizing van de moeder naar [woonplaats] en de daardoor ontstane langere reistijd als een vaststaand gegeven beschouwd en heeft daaraan geen waardeoordeel gehecht. De rechtbank heeft met betrekking tot de inschrijving van de minderjarige op [B] onder meer overwogen dat van de moeder mag worden gevergd dat zij meer tijd overbrugt voor het halen en brengen van en naar school van de minderjarige, omdat zij ervoor heeft gekozen om te verhuizen naar [woonplaats] . Het hof heeft dit oordeel overgenomen. Anders dan het onderdeel betoogt, betreft dit oordeel geen waardeoordeel. Onbegrijpelijk is het oordeel in ieder geval niet. De rechtbank heeft verder overwogen dat [B] meer op de route van de moeder naar haar werk in Leiden ligt dan op de route van de vader naar zijn werk in Den Haag en dat de moeder onvoldoende heeft onderbouwd dat haar reistijd langer zou zijn dan die van de vader in verband met files, of dat haar reistijd naar Leiden onredelijk zou worden verlengd door het omrijden via Voorburg. Ook dit oordeel heeft het hof, met inachtneming van de stellingen van partijen in hoger beroep, overgenomen. Tegen dit oordeel wordt in cassatie niet opgekomen. Dat het hof mede acht heeft geslagen op de onderlinge reistijd van partijen is niet onbegrijpelijk. Ik merk daarbij in een wat ander verband nog op dat de vader, die in Den Haag werkt, in de feitelijke instanties heeft aangevoerd dat, als er iets op school gebeurt, dat veel gemakkelijker is te herstellen als de minderjarige in Voorburg naar school gaat dan als zij in [woonplaats] naar school gaat.9 Tot slot zij nogmaals opgemerkt dat de bekrachtiging door het hof van het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het verlenen van vervangende toestemming om de minderjarige in te schrijven op [B] te Voorburg, op verschillende gronden is gebaseerd. Dat de reistijd naar school, bezien vanuit de moeder, langer is dan vanuit Voorburg, staat vast. Dit is evenwel slechts één van de factoren die het hof diende mee te nemen in de beoordeling. Het hof heeft in rov. 5.4 duidelijk uiteengezet welke factoren (klaarblijkelijk) beslissend zijn geweest. Zie ook onder 2.3 hiervóór. Het oordeel is verweven met een waardering van feitelijke aard. Het gegeven oordeel is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.

2.8

De toelichting op klachtonderdeel d (“argumenten in hoger beroep die tot een ander oordeel leiden”) vangt aan met een weergave door het hof in rov. 5.1 van de stellingen van de moeder. Het hof heeft daar onder meer het volgende overwogen met betrekking tot die stellingen: “Ook de hoofdverblijfplaats van de minderjarige is bij de moeder, daarom is het van belang dat de school van de minderjarige dicht bij de woning van de moeder is. Dit is ook in het belang van de sociaal-emotionele ontwikkeling van de minderjarige (…).” Het middel klaagt dat het hof met de passage dat het voor de sociaal-emotionele ontwikkeling van de minderjarige van belang is dat haar school dicht bij de woning van de moeder is, onvoldoende scherp het standpunt van de moeder onder ogen heeft gezien dat de minderjarige, zolang zij naar de school bij de vader in de buurt gaat, onvoldoende in staat is bij de moeder in de buurt een sociaal netwerk op te bouwen.10 Het middel stelt dat deze stelling “enerzijds verklaart waarom het in het belang van de sociaal-emotionele ontwikkeling van de minderjarige is om in de buurt van de moeder naar school te gaan en anderzijds duidelijk maakt dat sprake is van een tekort in de sociaal-emotionele ontwikkeling van de minderjarige en dus niet enkel van een “wenselijk extra” wat in de overweging van het hof gelezen zou kunnen worden.” Het middel stelt dat de moeder de aanscherping van haar argument voor het eerst in hoger beroep heeft gegeven en dat zij derhalve, anders dan het hof overweegt, in die procedure wel een nieuw inzicht aan de orde heeft gesteld. Het middel stelt dat het hof in rov. 5.9 terecht heeft onderkend dat het opbouwen door de minderjarige van een sociaal netwerk in de woonomgeving bij de moeder van belang is, en dat dit maakt dat de hiervoor weergegeven, niet (voldoende) door het hof behandelde stelling van de moeder, relevant is. Het middel klaagt verder dat het oordeel in rov. 5.4 dat het belang van de minderjarige het meest gediend is als er geen wijziging wordt gebracht in haar school, geen of onvoldoende recht doet aan de genoemde stelling van de moeder. Het stelt in dat verband dat die stelling, gelet op het daaruit blijkende tekort in de sociaal-emotionele ontwikkeling van de minderjarige, te zeer van belang is “om met een spreekwoordelijke pennenstreek te kunnen worden afgedaan” en dat “uit die enkele pennenstreek logischerwijs niet blijkt waarom ofwel het door de moeder gesignaleerde tekort niet bestaat dan wel dat (en waarom) het aanvaardbaar is dat dit tekort blijft voortbestaan.” Om deze redenen kan volgens het middel ook de overweging dat de minderjarige inmiddels op de school in de buurt van de vader is gewend en daar al haar vriendjes heeft, geen stand houden. Evenmin kan daarom volgens het middel (doorslaggevend) belang worden gehecht aan al dan niet aannemelijk gemaakte feiten en/of omstandigheden waaruit blijkt dat de huidige school tekort schiet of dat de minderjarige daar niet op haar plaats is. Deze overwegingen doen volgens het middel namelijk niet af aan het door de moeder gesignaleerde tekort. Volgens het middel komt daarbij dat uit niets van hetgeen het hof heeft overwogen, blijkt dat de vriendjes en vriendinnetjes die de minderjarige heeft op de school in Voorburg, ondanks de (relatief lange) reistijd van school naar de woning van de moeder bij de minderjarige kunnen komen spelen op de schooldagen dat zij bij de moeder is. Het middel stelt dat het hof de speel(on)mogelijkheid had moeten bespreken, omdat als de schoolvriendjes en vriendinnetjes uit Rijswijk11 niet in [woonplaats] kunnen komen spelen, dit de behoefte van de minderjarige aan een sociaal netwerk in [woonplaats] benadrukt. Het middel stelt verder dat het hof heeft overwogen dat de minderjarige inmiddels op de school in de buurt van de vader is gewend en daar al haar vriendjes heeft, terwijl uit de vastgestelde zorgregeling volgt dat de minderjarige op schooldagen vaker bij de moeder is dan bij de vader. In het licht van deze omstandigheden en ingeval van een speelonmogelijkheid is volgens het middel niet (voldoende) duidelijk waarom de keuze van het hof voor behoud van de status quo het belang van de minderjarige het beste dient.

2.9

Het middelonderdeel verwijst voor de door de moeder in hoger beroep ingenomen stellingen allereerst naar het beroepschrift onder punt 18. Daar staat het volgende:

“Het is in het belang van [de minderjarige] dat zij in [woonplaats] naar school kan gaan. Daar woont zij. [de minderjarige] kan dan met de buurtkinderen naar school en heeft geen uitzonderingspositie ten opzichte van andere kinderen. Zij hoeft niet te reizen en hoeft ’s ochtends niet extra vroeg op te staan. Dit argument klemt te meer omdat [de minderjarige] als zij naar school gaat nog maar net 4 jaar is. Het is van algemene bekendheid en volgens de algemene ervaringsregels dat naar school gaan voor de meeste jonge kinderen inspannend is en een hele verandering van het dagritme met zich meebrengt.”

Daarnaast verwijst het middelonderdeel naar het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 22 november 2018, blz. 3 (midden). Daar staat dat de moeder heeft aangevoerd dat zij het zo leuk zou vinden als minderjarige bij haar een sociaal netwerk zou kunnen opbouwen, zoals afspraakjes maken met andere kinderen, en dat dat voor haar prioriteit heeft.

2.10

Ik meen dat in de hiervoor in 2.9 weergegeven stellingen van de moeder niet, althans niet expliciet dan wel in elk geval niet voldoende uitgewerkt, de stelling kan worden gelezen dat de minderjarige, zolang zij naar de school bij de vader in de buurt gaat, niet voldoende in staat is bij de moeder in de buurt een sociaal netwerk op te bouwen. Reeds tegen deze achtergrond dient het middelonderdeel te falen bij gebrek aan feitelijke grondslag. Als ik het goed zie, relateert het middel het opbouwen van een sociaal netwerk wederom uitsluitend aan de school van de minderjarige. Zoals gezegd kunnen kinderen ook buiten schoolverband een sociaal netwerk opbouwen. Weliswaar is aannemelijk dat klasgenoten uit Voorburg minder snel naar [woonplaats] zullen gaan na schooltijd, maar het onderdeel ziet over het hoofd dat contact na schooltijd tussen de minderjarige en klasgenoten wel (makkelijker) plaats kan vinden op de dagen dat de minderjarige bij de vader in Voorburg is. De minderjarige wordt in zoverre in staat gesteld om in beide woonplaatsen een sociaal netwerk op te bouwen.

2.11

Daarnaast merk ik op dat de weergave door het hof in rov. 5.1 van (een deel van) de stellingen van de moeder berust op een uitleg van de processtukken. De weergave is niet onbegrijpelijk in het licht van hetgeen de moeder heeft aangevoerd in punt 9 van haar appelschrift. Daar stelt zij, onder verwijzing naar een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, dat het in het belang van de sociaal-emotionele ontwikkeling van het kind wenselijk is om haar een school zo dicht mogelijk bij huis te laten bezoeken. Deze stelling wordt in het beroepschrift niet nader uitgewerkt. Uit de processtukken volgt in elk geval niet dat de stelling van het middelonderdeel dat de minderjarige onvoldoende in staat is bij de moeder in de buurt een sociaal netwerk op te bouwen zolang zij naar de school bij de vader in de buurt gaat, in verband moet worden gebracht met de stelling omtrent de sociaal-emotionele ontwikkeling van de minderjarige. Ook om deze redenen kan het middelonderdeel niet tot cassatie leiden.

2.12

Nu geen van de klachten slaagt, dient het cassatieberoep te worden verworpen. Dat kan mijns inziens met toepassing van art. 81 RO.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie voor de feiten de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 16 januari 2019, rov. 3.2 en 3.3.

2 De moeder heeft de rechtbank voorts verzocht een nader door haar te verzoeken kinderalimentatie vast te stellen. Zij heeft dit verzoek tijdens de mondelinge behandeling op 23 mei 2018 ingetrokken.

3 Zie de beschikking van de rechtbank Den Haag van 20 juni 2018, blz. 2, tweede alinea.

4 Voorts heeft de moeder aanvullend verzocht de minderjarige onder toezicht te stellen. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen en tegen dat oordeel is de moeder in hoger beroep niet opgekomen.

5 De rechtbank heeft voorts de moeder in haar verzoek tot ondertoezichtstelling van de minderjarige niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

6 Zij heeft daarbij tevens een incidenteel verzoek gedaan tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de verleende vervangende toestemming om de minderjarige in te schrijven op basisschool [B] te Voorburg. Het hof heeft dit verzoek afgewezen bij afzonderlijke beschikking van 15 augustus 2018.

7 Bedoeld zal zijn: [B] .

8 Het middel verwijst voor de stellingen van de moeder naar het beroepschrift, onder punt 12.

9 Verweerschrift tevens incidenteel appel, onder punt 8.

10 Het middelonderdeel verwijst naar het beroepschrift, onder punt 18, en het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 22 november 2018, blz. 3 (midden).

11 Ik ga ervan uit dat hier bedoeld is: Voorburg.