Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:1161

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
15-10-2019
Datum publicatie
15-11-2019
Zaaknummer
19/03261
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1949, Contrair
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

WSNP. Weigering van tussentijdse beëindiging toepassing schuldsaneringsregeling. Art. 351 lid 5 Fw. Is bewindvoerder ontvankelijk in het cassatieberoep? Toerekenbare tekortkomingen van de schuldenaar. Beoordelingsruimte art. 350 lid 3 Fw. Is de beslissing van het hof om de schuldsaneringsregeling niet te beëindigen voldoende begrijpelijk?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 19/03261 mr. G.R.B. van Peursem

Zitting: 15 oktober 2019 Conclusie inzake:

K.F. Petridis, in haar hoedanigheid van

bewindvoerder van [verweerder]

(hierna: “de bewindvoerder”)

verzoekster tot cassatie

adv. mrs. R.R. Verkerk en A. Stortelder

tegen

[verweerder] (hierna: “ [verweerder] ”)

verweerder in cassatie

niet verschenen

In deze zaak gaat het om een verzoek van de bewindvoerder tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling van [verweerder] . De reden is vooral dat [verweerder] wegens het plegen van een misdrijf (winkeldiefstal) gedetineerd is geweest. Zowel de rechtbank als het hof oordelen dat [verweerder] zijn uit de regeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren is nagekomen en de uitvoering van de regeling heeft belemmerd (art. 350 lid 3 sub c Fw). Anders dan de rechtbank, acht het hof tussentijdse beëindiging in dit geval een te zware sanctie. Volgens het hof loopt de regeling pas korte tijd, is snel na de aanvang beschermingsbewind uitgesproken en zal op korte termijn een psychiatrisch behandeltraject aanvangen. Het hof is er voldoende van overtuigd dat [verweerder] alles in het werk stelt om zijn misstap te corrigeren. Wel verlengt het hof de looptijd met de duur van de detentieperiode. De bewindvoerder komt in cassatie. Hij betoogt dat bij het toerekenbaar begaan van dit soort misdrijven als hard and fast rule geldt dat de regeling (behoudens zwaarwegende of bijzondere omstandigheden) moet worden beëindigd. Volgens mij bestaat die algemene regel niet. De rechter heeft een discretionaire bevoegdheid om de sanctie van beëindiging al dan niet toe te passen. Verder acht ik het oordeel van het hof toereikend gemotiveerd. Ik concludeer dan ook tot verwerping.

1. Feiten en procesverloop 1

1.1 Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 30 augustus 2018 is ten aanzien van [verweerder] de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard. Als bewindvoerder trad eerst V.T. Raats op, daarna M.A.T. Noordzij en nu K.F. Petridis (allen werkzaam bij Noordzij bewindvoerders)2. Zij worden kortweg aangeduid als “de bewindvoerder”.

1.2 De bewindvoerder heeft de rechter-commissaris (hierna: “r-c”) verzocht de schuldsaneringsregeling voor tussentijdse beëindiging voor te dragen. Op 25 februari 2019 heeft de r-c met dit verzoek ingestemd.

1.3 Bij vonnis van 25 april 2019 heeft de rechtbank de schuldsaneringsregeling beëindigd omdat [verweerder] zijn uit de regeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren is nagekomen en hij door zijn doen of nalaten de uitvoering van de schuldsaneringsregeling frustreert. De rechtbank heeft overwogen dat [verweerder] een misdrijf (winkeldiefstal) heeft gepleegd tijdens de schuldsaneringsregeling, hetgeen in strijd is met het wezen en de doelstellingen van deze regeling. Bovendien heeft hij zich verwijtbaar aan het risico blootgesteld dat hij, ingeval van bestraffing, de uitvoering van de schuldsaneringsregeling zou kunnen belemmeren dan wel frustreren, welk risico zich heeft verwezenlijkt, gelet op de detentie van [verweerder] .

1.4 De rechtbank heeft verder het volgende overwogen. Uit hetgeen de bewindvoerder naar voren heeft gebracht, vloeit voort dat [verweerder] zich weinig aantrekt van de regels van de schuldsaneringsregeling. Zo stond hij in januari 2019 op het punt om zonder voorafgaand overleg of toestemming naar Curaçao te vertrekken en heeft hij zonder toestemming een auto op zijn naam laten zetten. Dat de tekortkomingen [verweerder] niet aan te rekenen zijn, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk geworden. [verweerder] heeft er onvoldoende van blijk gegeven zich in het vervolg wel aan de verplichtingen te kunnen houden en een saneringsgezinde houding aan te nemen om de regeling tot een goed einde te brengen, aldus de rechtbank.

1.5 [verweerder] heeft op 3 mei 2019 hoger beroep ingesteld. De grieven komen er op neer dat de tekortkomingen [verweerder] , gelet op zijn intellectuele capaciteiten, niet kunnen worden toegerekend en dat geen sprake is van onwil maar van onkunde. [verweerder] is van oktober 2016 tot juni 2017 opgenomen geweest bij Delta (psychiatrisch ziekenhuis). De rapporterend psychiater heeft in het kader van een trajectconsult op 14 maart 2019 opgemerkt dat er, ondanks indicatie daartoe, nog geen behandeling is gestart. Die behandeling zal binnenkort kunnen aanvangen. Als gevolg van zijn beperkingen heeft [verweerder] er niet bij stilgestaan dat hij de bewindvoerder had moeten informeren over zijn voornemen om naar Curaçao te gaan. Het betrof overigens een door zijn familie betaalde vakantie, die uiteindelijk niet is doorgegaan. De auto die hij op zijn naam heeft laten registreren, is ook betaald door zijn familie, die hem verder zou ondersteunen met de kosten van onderhoud en gebruik, zodat hij meer mobiel zou zijn. Er is geen concreet nadeel te verwachten van het feit dat [verweerder] gedetineerd is geweest en wellicht nog een eerder opgelegde straf moet ondergaan (tegen het strafvonnis is hoger beroep ingesteld), omdat hij nog is vrijgesteld van de sollicitatieverplichting en een bijstandsuitkering ontvangt. Voor het geval door de detentie nieuwe schulden zijn of zullen ontstaan, verzoekt [verweerder] de schuldsanerings-regeling te verlengen met de tijd van de detentie, zodat hij die schulden kan aflossen.

1.6 De bewindvoerder heeft bij brief van 13 juni 2019 verweer gevoerd. Hij stelt zich op het standpunt dat het plegen van misdrijven in strijd is met het wezen en de doelstellingen van de schuldsaneringsregeling. Reeds door het plegen van een misdrijf is [verweerder] zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling niet nagekomen. Daarnaast is door de detentie een huurachterstand van twee maanden ontstaan. Van bijzondere omstandigheden die de verlenging van de regeling rechtvaardigen, is geen sprake. Dat de detentie niet heeft geleid tot een concreet nadeel voor de schuldeisers omdat [verweerder] is vrijgesteld van de sollicitatieverplichting, doet er niet aan af dat hij door die detentie niet in staat is geweest te werken aan zijn herstel en/of re-integratie, waardoor niet is voldaan aan de inspanningsverplichting. [verweerder] heeft er onvoldoende blijk van gegeven zich in het vervolg wel aan de verplichtingen te kunnen houden en een saneringsgezinde houding aan te nemen, zo stelt de bewindvoerder.

1.7 Op 25 juni 20193 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Vervolgens heeft het hof Den Haag op 2 juli 2019 arrest gewezen. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de looptijd van de schuldsaneringsregeling met zeven maanden verlengd tot 30 maart 2022. De overwegingen van het hof kunnen samengevat worden weergegeven als volgt.

1.8 Het hof overweegt in rov. 4 dat het, net als de rechtbank, van oordeel is dat [verweerder] zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren is nagekomen doordat hij wegens het plegen van een misdrijf voor een periode van vier maanden gedetineerd is geweest. Dit druist in tegen het wezen en de doelstellingen van de schuldsaneringsregeling en vormt alleen al voldoende aanleiding voor tussentijdse beëindiging van de regeling. Bovendien is [verweerder] als gevolg van zijn detentie vier maanden zijn inspanningsverplichting (herstel en/of re-integratie) niet nagekomen en is een nieuwe huurschuld ontstaan van € 1.055,84 aan Havensteder4. Dat de tekortkomingen niet toerekenbaar zijn, is niet aannemelijk geworden.

1.9 Rov. 5 luidt als volgt:

“5. Niettemin is er in dit geval aanleiding voor een uitzondering. Het hof is er voldoende van overtuigd geraakt dat [verweerder] alles in het werk stelt om zijn misstap te corrigeren en alsnog tot een succesvolle sanering van zijn schuldenlast te komen. [verweerder] ziet in dat hij in de schuldsaneringsregeling niet zijn eigen koers kan varen en dat hij (onder andere) de bewindvoerder steeds, zowel gevraagd als uit eigen beweging, dient te informeren over zaken die van belang kunnen zijn voor (het verloop van) de schuldsaneringsregeling. Het hof neemt voorts in aanmerking dat in geval van beëindiging van de schuldsaneringsregeling [verweerder] tien jaar geen beroep meer kan doen op die regeling, terwijl er ten tijde van de toelating kennelijk signalen waren dat zijn situatie zich juist had gestabiliseerd en dat hij op de goede weg was. Voorts is kort na aanvang van de schuldsaneringsregeling, in oktober 2018, het beschermingsbewind uitgesproken en zal, zo begrijpt het hof, binnenkort het psychiatrisch behandeltraject aanvangen.

Bij deze stand van zaken acht het hof een tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling een te zware sanctie, ook omdat de regeling nog maar kort liep toen [verweerder] de fout inging. Een verlenging van de looptijd is echter wel op zijn plaats. Voor de termijn daarvan zal het hof uitgaan van de periode waarin sprake is geweest van een tekortkoming in de verplichtingen, te weten de detentieperiode van 4 maanden, en de duur van een eerdere voorwaardelijk opgelegde straf (65 dagen en 6 weken) die mogelijk nog ten uitvoer zal worden gelegd. Die termijn, afgerond op 7 maanden, dient [verweerder] ook te benutten om de huurachterstand bij Havensteder in te lopen.”

1.10 In rov. 6 benadrukt het hof dat [verweerder] zich geen enkele misstap meer kan permitteren. Indien de verplichtingen niet stipt worden nagekomen en de bewindvoerder niet onverwijld wordt voorzien van alle relevante informatie, kan dat alsnog leiden tot beëindiging van de regeling dan wel het weigeren van de schone lei.

1.11 Tegen deze uitspraak richt zich het op 10 juli 2019 ingestelde cassatieberoep. Er is geen verweerschrift ingekomen. Op 21 augustus 2019 hebben de advocaten van de bewindvoerder bericht dat het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 25 juni 2019 geen aanleiding geeft om aanvullende cassatieklachten te formuleren.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel bestaat uit een inleiding, die geen klachten bevat, en één onderdeel. Het onderdeel valt uiteen in twee subonderdelen.

2.2

Het cassatieberoep is volgens mij ontvankelijk. Op grond van art. 351 lid 5 Faillissementswet (“Fw”) kan de in het ongelijk gestelde partij gedurende acht dagen in cassatie komen tegen een arrest waarbij in hoger beroep is beslist op een verzoek tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling5. In onze zaak heeft de bewindvoerder beëindiging van de regeling verzocht. Het hof heeft niet de beëindiging uitgesproken, maar de looptijd van de regeling met zeven maanden verlengd. De bewindvoerder kan om die reden worden aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij. Het cassatieberoep is tijdig, namelijk binnen acht dagen na het arrest, ingesteld.

2.3

In subonderdeel 1.1 wordt het volgende aangevoerd. De Wet schuldsanering natuurlijke personen (“WSNP”) is per 1 januari 2008 herzien. De wetgever beoogde strenger op te treden bij de toegang tot de schuldsaneringsregeling. Om de rechter te ontlasten, bestond behoefte aan hard and fast rules6. Sindsdien gelden strenge en imperatieve afwijzingsgronden. In het verlengde hiervan is de tekst van art. 350 lid 3 Fw over de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling aangepast. De beoordelingsruimte van de rechter is hierdoor beperkt. De bewindvoerder verwijst naar aantekening 1 bij art. 350 Fw in T&C Insolventierecht. Het plegen van misdrijven tijdens de schuldsanering wordt algemeen beschouwd als het niet nakomen van verplichtingen in de zin van art. 350 lid 3 sub c Fw7. In onze zaak is sprake van toerekenbaar tekortschieten, bestaande uit een (vermogens)misdrijf dat heeft geleid tot detentie en het ontstaan van een nieuwe huurschuld. Dan geldt als hard and fast rule dat de schuldsaneringsregeling (behoudens zwaarwegende of bijzondere omstandigheden) moet worden beëindigd. De door het hof genoemde gronden zijn onvoldoende voor het maken van een uitzondering, aldus het subonderdeel.

2.4

Bij de bespreking hiervan zal ik eerst ingaan op de gronden voor beëindiging van de schuldsaneringsregeling en daarna op de beoordelingsruimte van de rechter bij het al dan niet toepassen van de sanctie van beëindiging.

Gronden voor beëindiging schuldsaneringsregeling

2.5

De gronden voor tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling zijn opgenomen in art. 350 lid 3 Fw. Het betreft een limitatieve opsomming8. De rechter kan onder meer overgaan tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling indien de schuldenaar zijn verplichtingen niet goed nakomt, hij zijn schuldeisers tracht te benadelen of indien hij bovenmatige schulden laat ontstaan. Volgens de memorie van toelichting gaat het daarbij in wezen om gedrag dat als niet te goeder trouw kan worden gekenschetst en is sprake van een stok achter de deur voor de schuldenaar9.

2.6

In deze zaak gaat het om art. 350 lid 3 sub c Fw. Dit vermeldt als grond voor beëindiging dat de schuldenaar één of meer van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt. Sinds de herziening van de WSNP per 1 januari 200810 benoemt deze bepaling ook het geval dat de schuldenaar door zijn doen of nalaten de uitvoering van de schuldsaneringsregeling anderszins belemmert dan wel frustreert. Het artikel heeft mede betrekking op wangedrag11.

2.7

Een tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling op grond van art. 350 lid 3 sub c Fw kan worden uitgesproken indien gebleken is dat de tekortkoming in het licht van de overige omstandigheden van het geval een duidelijke aanwijzing vormt dat bij de schuldenaar de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling ontbreekt. Hierin ligt het vereiste besloten dat aan de betrokken schuldenaar te dien aanzien een verwijt is te maken12.

2.8

In onze zaak staat niet ter discussie dat deze beëindigingsgrond zich voordoet. Het hof overweegt in rov. 4 immers dat het, net als de rechtbank, van oordeel is dat [verweerder] zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren is nagekomen en die regeling heeft belemmerd, dat er voldoende aanleiding is voor tussentijdse beëindiging van de regeling en dat niet aannemelijk geworden is dat de tekortkomingen niet toerekenbaar zijn. Deze oordelen zijn in cassatie onbestreden.

Beoordelingsruimte van de rechter

2.9

Dan kom ik toe aan de beoordelingsruimte van de rechter bij het toepassen van de sanctie van beëindiging. Art. 350 lid 3 Fw begon voor de herziening van de WSNP met de zinsnede: “Een beëindiging bedoeld in het eerste lid kan geschieden indien (…)”. Sinds de herziening vangt art. 350 lid 3 Fw als volgt aan: “Een beëindiging als bedoeld in het eerste lid geschiedt indien (…)”. Daarom is de vraag gerezen of de rechter de schuldsaneringsregeling bij aanwezigheid van een beëindigingsgrond moet beëindigen en dus geen beoordelingsruimte meer heeft.

2.10

In de literatuur wordt aangenomen dat de rechter ook na de herziening van de WSNP beoordelingsruimte toekomt bij het toepassen van de sanctie van beëindiging. Daarvoor worden drie redenen genoemd. (1) Art. 350 lid 1 Fw, waarnaar art. 350 lid 3 Fw verwijst, bepaalt dat de rechtbank de schuldsaneringsregeling kan beëindigen. Daarin ligt een discretionaire bevoegdheid besloten13. (2) In de parlementaire stukken wordt op de (tekstuele) wijziging van art. 350 lid 3 Fw in het geheel niet ingegaan14, hetgeen erop wijst dat geen inhoudelijke verandering is beoogd. (3) Bij de herziening van de WSNP is een nieuw art. 349a Fw toegevoegd. Op grond van lid 3 van dit artikel kan de rechter in het kader van art. 350 Fw de termijn van de schuldsaneringsregeling verlengen15. Het bestaan van die bevoegdheid duidt erop dat de rechter niet verplicht is om de schuldsaneringsregeling te beëindigen als zich één van de in art. 350 lid 3 Fw genoemde beëindigingsgronden voordoet16.

2.11

Uit de door de bewindvoerder aangehaalde aantekening uit Tekst & Commentaar Insolventierecht komt, als ik het goed zie, eenzelfde beeld naar voren17:

“Art. 350 regelt de mogelijkheid van de tussentijdse beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling naast de mogelijkheden daartoe die zijn voorzien in art. 312 lid 2 en art. 340 lid 1 . Ook buiten die gevallen bestaat behoefte de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds te kunnen beëindigen. Lid 3 somt de gronden daartoe op. Per 1 januari 2008 is art. 350 gewijzigd. Voorheen was bepaald dat de rechter de toepassing van de schuldsaneringsregeling in de daar genoemde gevallen tussentijds ‘kan’ beëindigen. Uit de woorden ‘geschiedt indien’ lijkt te volgen dat de rechter geen (of veel minder) ruimte voor een beoordeling heeft. In de toelichting (MvT, Kamerstukken II 2004/05, 29942, 3 (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-29942-3.html), p. 33 e.v.) en overige parlementaire stukken wordt op deze wijziging niet ingegaan. Uit het later toegevoegde art. 349a lid 3, waarbij de rechtbank in het kader van een tussentijdse beëindigingszitting de bevoegdheid tot wijziging van de looptijd is toegekend, kan worden afgeleid dat de rechter een beoordelingsvrijheid heeft.”

2.12

A-G De Bock concludeerde in 2018 in het licht van de literatuur en de wetsgeschiedenis ook dat de rechter een discretionaire bevoegdheid heeft bij de beslissing over tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling18:

“3.4 In de literatuur wordt er vanuit gegaan dat dat [ontbreken beoordelingsruimte, A-G] niet het geval is en dat de rechter een discretionaire bevoegdheid heeft bij de beslissing tot tussentijdse beëindiging. Uit het feit dat art. 349 lid 3 Fw de rechter die over een tussentijdse beëindiging op grond van art. 350 Fw moet oordelen de mogelijkheid geeft om de schuldsaneringsregeling (ambtshalve dan wel op voordracht van de rechter-commis-saris) te verlengen en daarmee dus een discretionaire bevoegdheid heeft, is af te leiden dat de rechter ook bij de beslissing over de tussentijdse beëindiging beslissingsruimte heeft. Tot de wetswijziging van 1 januari 2008 was in ieder geval sprake was van een discretionaire bevoegdheid (‘kan beëindigen’) en uit de parlementaire geschiedenis kan niet worden afgeleid dat op dit punt een aanpassing is beoogd, nu een toelichting op de gewijzigde bewoordingen ontbreekt. Aan te nemen is derhalve dat ook indien zich een van de beëindigingsgronden voordoet, de rechter onder omstandigheden kan oordelen dat er onvoldoende aanleiding is om de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen.”

Uw Raad verwierp het cassatieberoep in die zaak met toepassing van art. 81 RO.

2.13

Op deze gronden kom ik eveneens tot de slotsom dat de rechter beoordelingsruimte toekomt bij toepassing van de sanctie van beëindiging. Er bestaat geen algemene regel die inhoudt dat de schuldsaneringsregeling bij het begaan van toerekenbare misdrijven (behoudens zwaarwegende of bijzondere omstandigheden) moet worden beëindigd. Dat is naar mijn mening ook terecht. Het gaat namelijk niet alleen om de gedraging van de schuldenaar, maar ook om zijn persoon en de omstandigheden waarin hij verkeert. Voor het aanvaarden van de bepleite hard and fast rule zie ik vanuit dat perspectief geen noodzaak.

2.14

In dat licht had het hof de vrijheid om in dit geval niet de sanctie van beëindiging van de regeling toe te passen, maar de looptijd te verlengen. Subonderdeel 1.1 faalt.

2.15

Subonderdeel 1.2 bevat een motiveringsklacht tegen het oordeel dat in deze zaak aanleiding is voor het maken van een uitzondering. Deze klacht is verder uitgewerkt in de subonderdelen 1.2 onder a tot en met 1.2 onder e. In subonderdeel 1.2 onder a stelt de bewindvoerder dat het plegen van een misdrijf in de regel leidt tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling. Met het oog op de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid moet dan worden gemotiveerd waarom verlenging in plaats van beëindiging geïndiceerd is. De overwegingen van het hof zouden hiervoor ontoereikend zijn.

2.16

Het plegen van een misdrijf, zoals winkeldiefstal, zal dikwijls resulteren in een tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling. Die constatering maakt het oordeel van het hof in deze zaak echter nog niet onbegrijpelijk. Het hof heeft in zijn beoordeling de specifieke persoonlijke omstandigheden van [verweerder] betrokken: het hof overweegt dat hij ten tijde van de toelating kennelijk op de goede weg was, dat er sindsdien slechts een korte tijd is verstreken, dat in oktober 2018 het beschermingsbewind is uitgesproken en dat binnenkort het psychiatrische behandeltraject van [verweerder] zal aanvangen. Die omstandigheden kunnen het oordeel dragen dat beëindiging in dit geval een te zware sanctie is. Verder ligt aan het oordeel ten grondslag dat het hof er voldoende van overtuigd is geraakt dat [verweerder] alles in het werk stelt om zijn misstap te corrigeren en alsnog tot een succesvolle sanering van zijn schuldenlast te komen. Deze overweging – die mede zal berusten op de indruk die het hof bij de mondelinge behandeling van [verweerder] heeft gekregen – is vanwege het feitelijke en (deels) intuïtieve karakter in cassatie niet toetsbaar. Bovendien heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat tekortkomingen, zoals hier aan de orde, niet zonder gevolgen blijven. Het hof heeft de looptijd van de regeling met zeven maanden verlengd en overwogen dat [verweerder] zich geen misstap meer kan permitteren (rov. 6). Dit alles overziend, meen ik dat het hof zijn oordeel toereikend heeft gemotiveerd.

2.17

Volgens subonderdeel 1.2 onder b valt niet in te zien welke betekenis toekomt aan de door het hof genoemde algemene regel dat bij tussentijdse beëindiging gedurende tien jaar geen beroep meer kan worden gedaan op de schuldsaneringsregeling. Kennelijk heeft het hof deze – uit art. 288 lid 2 sub d Fw volgende – regel betrokken bij de vraag of tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling in dit geval een passende sanctie is. Dat stond het hof vrij. Dit geldt ook in het licht van de door de bewindvoerder aangehaalde bedoeling van de wetgever om te voorkomen dat de schuldsaneringsregeling een “draaideur” wordt “waardoor naar believen in- en uitgelopen kan worden”19. Dat risico is hier niet aan de orde; het hof geeft [verweerder] juist een (laatste) kans om in de schuldsanering te blijven.

2.18

Subonderdeel 1.2 onder c stelt dat het onbegrijpelijk is dat [verweerder] naar het oordeel van het hof ten tijde van de toelating tot de schuldsaneringsregeling “op de goede weg was”. Volgens de bewindvoerder heeft [verweerder] na de toelatingszitting, maar voor het toelatingsvonnis, twee nieuwe boetes voor zwartrijden gekregen (vonnis, p. 3) en heeft hij daarna diverse misstappen begaan20. Deze omstandigheden hadden, als zij destijds bekend waren, in de weg moeten staan aan toelating tot de regeling.

2.19

Ook deze klacht treft geen doel. Op grond van art. 288 lid 1 sub c Fw wordt het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen als voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen om zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven21. Dit betekent dat er ten tijde van de toelating van [verweerder] signalen moeten zijn geweest dat hij op de goede weg was.

2.20

De twee nieuwe boetes voor zwartrijden zouden, indien bij de rechter bekend, volgens mij niet zonder meer verandering in dat beeld hebben gebracht en in de weg hebben gestaan aan de toelating van [verweerder] tot de schuldsaneringsregeling.

Een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling moet worden afgewezen indien de schuldenaar schulden heeft die voortvloeien uit een veroordeling terzake van een misdrijf en deze veroordeling in de periode van vijf jaar voor het verzoek onherroepelijk is geworden (art. 288 lid 2 sub c juncto art. 358 lid 4 Fw). In onze zaak gaat het om strafbeschikkingen (zie vonnis, rov. 2). Strafbeschikkingen kwalificeren niet als een strafrechtelijke veroordeling in de zin van art. 288 lid 2 onder c Fw22.

Wel zou de rechter de boetes voor zwartrijden, indien bekend, hebben meegewogen bij de beoordeling van het vereiste van goede trouw (art. 288 lid 1 sub b Fw) 23. De rechter zou zeer wel hebben kunnen oordelen dat deze boetes aan toelating tot de schuldsaneringsregeling in de weg staan. Art. 5.4.4 van de Landelijk uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsaneringsregeling24 bepaalt namelijk onder meer dat van goede trouw in beginsel geen sprake is als in een periode van vijf jaar vóór het verzoek schulden zijn ontstaan uit misdrijf of overtreding dan wel (substantiële) geldboetes zijn opgelegd ter zake van verkeersovertredingen. In de feitenrechtspraak wordt bij boetes van enige omvang regelmatig geoordeeld dat niet is voldaan aan het vereiste van goede trouw, welk oordeel dan in cassatie niet op juistheid toetsbaar is25. Dat de feitenrechter tot dit oordeel komt, is echter geen wet van Meden en Perzen. Uit de wetsgeschiedenis en de rechtspraak van Uw Raad blijkt dat het bij de beoordeling van goede trouw gaat om een weging van alle omstandigheden van het geval26. In onze zaak had in die afweging bijvoorbeeld ook meegewogen kunnen worden dat zwartrijden een relatief licht vergrijp is.

Bij deze stand van zaken kom ik, zij het met enige aarzeling, tot de slotsom dat de bewindvoerder niet kan worden gevolgd in zijn stelling dat de nieuwe boetes zonder meer verandering hadden gebracht in het beeld dat [verweerder] op de goede weg was en in de weg hadden moeten staan aan toelating tot de schuldsaneringsregeling.

2.21

De overige door de bewindvoerder genoemde misstappen – het plegen van een winkeldiefstal die heeft geleid tot detentie en het ontstaan van een nieuwe huurschuld, de tenaamstelling van een auto en de poging om naar Curaçao te reizen – dateren van na het toelatingsvonnis en konden daarom niet aan toelating in de weg staan.

2.22

Subonderdeel 1.2 onder d acht onbegrijpelijk dat betekenis toekomt aan het feit dat de “schuldsanering nog maar kort liep toen [verweerder] de fout in ging”. Volgens de bewindvoerder wijzen de vele ernstige tekortkomingen binnen korte tijd erop dat beëindiging van de regeling passend is. Ik begrijp het oordeel van het hof aldus dat [verweerder] kennelijk nog niet volledig was doordrongen van het regime van schuldsaneringsregeling, dat hij nog voldoende tijd heeft om zijn misstap te corrigeren en dat beëindiging van de regeling mede tegen deze achtergrond een te zware sanctie is. Zo gelezen, is de overweging van het hof in mijn ogen niet onbegrijpelijk.

2.23

Volgens subonderdeel 1.2 onder e valt niet in te zien waarom van belang is dat in oktober 2018 het beschermingsbewind is uitgesproken en dat binnenkort een psychiatrisch behandeltraject aanvangt. In deze zaak is namelijk niet aannemelijk geworden dat de tekortkomingen niet toerekenbaar zijn. Verder heeft het beschermingsbewind niet verhinderd dat [verweerder] is tekortgeschoten in zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling, zo betoogt de bewindvoerder.

2.24

Ook deze klacht slaagt naar mijn mening niet. De overwegingen over het beschermingsbewind en het psychiatrisch behandeltraject27 hebben geen betrekking op de geconstateerde tekortkomingen of de toerekenbaarheid. Het hof ziet het beschermingsbewind en het behandeltraject, alleszins begrijpelijk, als positieve stappen in de richting van een succesvolle sanering van de schuldenlast. Deze omstandigheden mocht het hof dan ook betrekken bij de beoordeling of in dit geval beëindiging dan wel verlenging van de regeling de meest aangewezen sanctie is.

2.25

Daarmee acht ik alle klachten ongegrond.

3 Conclusie

Ik concludeer tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Feiten en procesverloop zijn ontleend aan de overwegingen onder het kopje ‘het geding’ en rov. 1-3 van het bestreden arrest: hof Den Haag 2 juli 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:2227 en rov. 1 van het vonnis Rb. Rotterdam 25 april 2019.

2 Zie daarover ook voetnoot 1 van het verzoekschrift tot cassatie.

3 Het proces-verbaal van de zitting vermeldt kennelijk abusievelijk 11 juni 2019.

4 Havensteder is een Rotterdamse woningcorporatie.

5 Zie over deze bepaling: GS Faillissementswet (B.J. Engberts), art. 351 Fw, aant. 5 en Wessels, Insolventierecht IX (2017), nr. 9377b.

6 De bewindvoerder verwijst naar Kamerstukken II, 2004-2005, 29 942, nr. 3, p. 3-4 (MvT WSNP). De term “hard and fast rules” staat overigens op p. 5 van dit kamerstuk.

7 Verwezen wordt naar M. van Bommel, Van schuldsanering tot schone lei, 2015, p. 183-184, T&C Insolventierecht (B.J. Engberts), art. 350 Fw, aant. 5, Hof ’s-Hertogenbosch 5 maart 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:773, Hof Arnhem 2 april 2009, ECLI:NL:GHARN:2009:BI0804 en Hof ’s-Hertogenbosch 3 juli 2008, ECLI:NL:GHSHE:2008:BD7672.

8 Kamerstukken II, 1992-1993, 22 969, nr. 3, p. 64 (MvT WSNP), GS Faillissementswet (B.J. Engberts), art. 350 Fw, aant. 7, Wessels, Insolventierecht IX (2017), nr. 9366 en A.J. Noordam (red.), Schuldsanering (ex-)ondernemers, 2013, nr. 6.2.1.

9 Kamerstukken II, 1992-1993, 22 969, nr. 3, p. 13 en 64 (MvT WSNP) en daarover onder meer A.J. Noordam (red.), Schuldsanering (ex-)ondernemers, 2013, nr. 6.2.1 en A.J. Noordam, Schuldsanering en goede trouw, diss., 2007, nr. 219.

10 Wet van 24 mei 2007 tot wijziging van de Faillissementswet in verband met de herziening van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, Stb. 2007/192.

11 Kamerstukken II, 2004-2005, 29 942, nr. 3, p. 35 (MvT Wijziging WSNP): “Het derde lid, onder c wordt aangevuld om de mogelijkheid te verruimen schuldenaren uit de regeling te zetten die, ook zonder dat zij de nakoming van de direct uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen verzuimen, toch zodanig gedrag vertonen dat zij niet in de regeling te handhaven zijn.” De wetgever verwijst naar HR 10 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0219, Tijdschrift Schuldsanering 2003/3, nr. 173. Zie ook: Kamerstukken II, 2005-2006, 29 942, nr. 7, blz. 89 (Nota n.a.v. het Verslag Herziening WSNP), GS Faillissementswet (B.J. Engberts), art. 350 Fw, aant. 7.3 en Wessels, Insolventierecht IX (2017), nr. 9371a.

12 Zie mijn conclusie vóór HR 7 oktober 2016, ECLI:NL:PHR:2016:963, NJ 2016/451 m. red. aant., punt 2.2, HR 12 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0455, NJ 2009/270, besproken door B.J. Engberts in WSNP Periodiek mei 2010, p. 16-18 en HR 4 november 2005, ECLI:NL:HR:2006:AY8310, NJ 2006/135). Daarover ook: Wessels, Insolventierecht IX (2017), nr. 9371b en A.J. Noordam (red.), Schuldsanering (ex-)ondernemers, 2013, nr. 6.2.2.1.

13 GS Faillissementswet (B.J. Engberts), art. 350 Fw, aant. 7 en Wessels, Insolventierecht IX (2017), nr. 9365.

14 GS Faillissementswet (B.J. Engberts), art. 350 Fw, aant. 4.2 met verwijzing naar Kamerstukken II, 2004-2005, 29 942, nr. 3, p. 33-35 (MvT Wijziging WSNP).

15 HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1203, NJ 2017/288, rov. 3.4.2: ”Ook bij de beoordeling of tussentijdse beëindiging is aangewezen (art. 350 Fw) of bij het einde van de looptijd (art. 352 Fw) kan de rechter de termijn verlengen tot ten hoogste vijf jaar (art. 349a lid 3 (https://www.navigator.nl/document/openCitation/ide036de67047aea057f16316569ef7807) Fw).”

16 GS Faillissementswet (B.J. Engberts), art. 350 Fw, aant. 4.2, Wessels, Insolventierecht IX (2017), nr. 9365 en B.J. Engberts, Het wetsontwerp Wsnp (deel 2)): De procedure, de beëindiging, de schone lei en het overgangsrecht, Tijdschrift Schuldsanering 2007/3, p. 11. Vgl ook: Hof Den Bosch 23 februari 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:684, rov. 3.11.3: “Dankzij artikel 349a Fw hoeft de rechter ook onder de werking van het huidige recht de wettelijke schuldsaneringsregeling dus niet per se tussentijds te beëindigen. Hij mag immers ook de materiële looptijd van de wettelijke schuldsanering verlengen. Zo bezien, beschikt de rechter evenals onder artikel 350 lid 3 (oud) Fw nog steeds over beleidsvrijheid, zij het dat die beleidsvrijheid in een andere vorm is gegoten en bovendien niet uitsluitend voor een tussentijdse beëindiging geldt: ook na het einde van de materiële looptijd kan artikel 349a Fw immers toepassing vinden. Of dat ook daadwerkelijk gebeurd [sic!] is een kwestie van maatwerk.”

17 T&C Insolventierecht (B.J. Engberts), art. 350 Fw, aant. 1.

18 Conclusie A-G De Bock vóór HR 18 mei 2018, ECLI:NL:PHR:2018:475, RvdW 2018/635.

19 De bewindvoerder verwijst naar Kamerstukken II, 2004-2005, 29 942, nr. 3, p. 21 en 34 (MvT Herziening WSNP).

20 Verwezen wordt naar § B van de inleiding van het verzoekschrift tot cassatie.

21 GS Faillissementswet (B.J. Engberts), art. 288 Fw, aant. 7.4, Wessels, Insolventierecht IX (2017), nrs. 9066z en 9067a, M. van Bommel, Van schuldsanering tot schone lei, 2015, p. 30-32 en A.J. Noordam (red.), Schuldsanering (ex-)ondernemers, 2013, nr. 4.1.4.4. De bedoeling van deze toelatingseis is om schuldenaren, van wie ter zitting al duidelijk wordt dat ze zich niet zullen inspannen om de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen na te komen, niet tot de regeling toe te laten: Kamerstukken I, 2006-2007, 29 942, nr. C, p. 10 (MvA Herziening WSNP). De rechter mag bij alcoholverslaving of het in gebreke blijven met de aangifte- en administratieplicht oordelen dat niet aan deze toelatingseis is voldaan: HR 18 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2159, RvdW 2008/106 en HR 26 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3796, NJ 2008/522. Daarvoor is echter niet voldoende dat de schuldenaar is aangewezen op hulp van derden of (nog) niet in staat is om te werken: HR 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8174, NJ 2007/372 m.nt. P. van Schilfgaarde en HR 27 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8708, NJ 2011/256. Zie in dit kader ook de Landelijk uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsaneringsregeling (bijlage IV van het Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken 2019, Stcrt 2018/73037).

22 GS Faillissementswet (B.J. Engberts), art. 288 Fw, aant. 9 en 9.2, Wessels, Insolventierecht IX (2017), nr. 9067j, M. van Bommel, Van schuldsanering tot schone lei, 2015, p. 33-36 en B.J. Engberts, Het wetsontwerp Wsnp (deel 2): De procedure, de beëindiging, de schone lei en het overgangsrecht, Tijdschrift Schuldsanering 2007/3, p. 5-6.

23 Zie daarover Kamerstukken II, 2001-2002, 28 258, nr. 2, p. 2 (brief van 18 april 2002 van de toenmalige Minister van Justitie in het kader van de evaluatie WSNP): “Een categorale uitzondering waardoor iedere boete uit overtreding van toepassing van de Wsnp zou worden uitgesloten, acht ik daarom niet aan de orde. Ik benadruk dat de mogelijkheid blijft bestaan dat de rechter in een concrete situatie concludeert dat de schuldenaar ten aanzien van een of meerdere boetes uit overtreding niet te goeder trouw is, en om die reden in het geheel niet tot de wettelijke schuldsanering kan worden toegelaten. Dit kan zich met name voordoen indien het om meerdere boetes uit overtreding gaat.” In vergelijkbare zin: Kamerstukken II, 2004-2005, 29 942, nr. 4, p. 4 (Advies Raad van State en nader rapport Herziening WSNP).

24 Bijlage IV van het Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken 2019, Stcrt 2018/73037 (en destijds de op dit punt identieke versie 2013, Stcrt. 2012/26606).

25 Zie onder meer mijn conclusie vóór HR 15 april 2016, ECLI:NL:PHR:2016:237, RvdW 2016/526 en de conclusies van A-G Timmerman vóór HR 18 december 2015, ECLI:NL:PHR:2015:2331, RvdW 2016/120, vóór HR 17 april 2015, ECLI:NL:PHR:2015:490, RvdW 2015/562 en vóór HR 23 mei 2014, ECLI:NL:PHR:2014:328, RvdW 2014/756.

26 Kamerstukken II, 1993-1994, 22 969 nr. 6, p. 20 (MvA WSNP), HR 12 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5776, NJ 2000/567 m.nt. P. van Schilfgaarde, HR 26 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9668, NJ 2001/178 en HR 20 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0903, NJ 2007/242. De inhoud van het begrip “goede trouw” is met de wijziging per 1 januari 2008 niet veranderd. Zie: Kamerstukken II, 2006-2007, 29 942, nr. 7, p. 22-23 (Nota n.a.v. het Verslag Herziening WSNP), GS Faillissementswet (B.J. Engberts), art. 288 Fw, aant. 7.3.1 en Wessels, Insolventierecht IX (2017), nr. 9066u. Relevant kunnen zijn: de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt gemaakt kan worden dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald zijn gelaten, het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren.

27 Ik merk op dat een schuldenaar met psychosociale problemen in beginsel alleen tot de schuldsaneringsregeling wordt toegelaten, indien aannemelijk is dat deze problemen al enige tijd beheersbaar zijn (art. 5.4.3 Landelijk uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsaneringsregeling). Uit het dossier in deze zaak blijkt niets over de aard en ernst van de psychiatrische problematiek van [verweerder] . Evenmin wordt bepleit dat deze problematiek aan correcte nakoming van de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling in de weg zou staan of dat deze problematiek, ware zij bekend, reden zou zijn geweest om het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af te wijzen. Ik laat dit punt daarom verder rusten.