Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:1150

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
12-11-2019
Datum publicatie
12-11-2019
Zaaknummer
19/00253
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:4
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Veroordeling voor de moord op ex-vriendin. Cassatiemiddelen verdachte over de bewezenverklaarde voorbedachte raad slagen volgens de AG niet. De AG gaat nog in op door het hof verleende toestemming aan de ex-partner van het slachtoffer tot kennisname van de processtukken en het oordeel van het hof dat de benadeelde partij gedeeltelijk niet-ontvankelijk is in zijn vordering. Het cassatieberoep dient volgens de AG te worden verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/00253

Zitting 12 november 2019

CONCLUSIE

A.E. Harteveld

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 25 januari 2019 door het gerechtshof 's‑Hertogenbosch wegens “moord”, veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr. Voorts is gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld, met verpleging van overheidswege. Het hof heeft de vordering van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] deels toegewezen en heeft schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, een en ander zoals nader in het arrest omschreven.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. L.E.G. van der Hut, advocaat te 's-Gravenhage, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Namens [betrokkene 1] , als wettelijk vertegenwoordiger van de benadeelde partij [benadeelde 2] , heeft W.N. Ramnun, advocaat te Breda, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.

  4. De verdachte in deze zaak heeft zijn ex-vriendin, de 28-jarige [slachtoffer] , op 10 augustus 2015 om het leven gebracht. Het slachtoffer liep na afloop van haar dienst in het Tweesteden ziekenhuis te Waalwijk naar de parkeerplaats bij het ziekenhuis en is aldaar in haar auto gestapt. Daar heeft de verdachte drie kogels op haar afgevuurd die haar in haar hoofd en nek hebben geraakt, ten gevolge waarvan zij is overleden. Hij heeft zich een dag later bij het politiebureau gemeld. Het slachtoffer laat een zoontje na, [benadeelde 2] .

5 Het eerste middel van de verdachte

5.1.

Dit middel klaagt dat de bewezenverklaarde voorbedachte raad ontoereikend is gemotiveerd en dat het hof onvoldoende heeft gerespondeerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 415 lid 1 Sv jo. art. 359 lid 2 Sv met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van getuige [getuige 2] en de bruikbaarheid daarvan voor het bewijs van het ten laste gelegde, in het bijzonder van de ten laste gelegde voorbedachte raad.

5.2.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:

“op 10 augustus 2015 te Waalwijk [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met een vuurwapen kogels op het hoofd en het lichaam van die [slachtoffer] afgevuurd, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.”

5.3.

Het door het hof bevestigde (Promis)vonnis houdt met betrekking tot de voorbedachte raad – zonder vermelding van voetnoten – het volgende in:

“Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachten rade' moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij het gewicht moet worden bepaald van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten.

De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat.

Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

- Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht moord bewezen.

- Het scenario van verdachte

Verdachte heeft verklaard dat hij op 10 augustus 2015 van plan was om zelfmoord te plegen voor de ogen van zijn ex-vriendin [slachtoffer] . Hij is naar eigen zeggen, toen hij met zijn auto achter de auto van [slachtoffer] is gaan staan, uitgestapt met het wapen in zijn handen en naar de auto waar [slachtoffer] op dat moment in zat, gelopen. Links van haar auto is hij op enige meters afstand stil gaan staan. Hij heeft toen het vuurwapen onder zijn kin gezet. Volgens verdachte deed [slachtoffer] toen haar duim omhoog en maakte een gebaar alsof ze wilde zeggen: “Doe het maar.” Vervolgens is er iets bij hem geknapt. Hij kwam in een waas en heeft toen kennelijk op [slachtoffer] geschoten.

Verdachte ontkent [slachtoffer] met voorbedachten rade te hebben gedood.

- Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt het volgende vast.

Door [slachtoffer] en [betrokkene 2] werden al langere tijd voorafgaande aan het gebeuren op 10 augustus 2015 telefoongesprekken en WhatsApp-gesprekkén opgenomen. Deze gesprekken zijn bewaard gebleven en zijn toegevoegd aan het dossier. In een gesprek op 2 augustus 2015 heeft [betrokkene 2] tegen [slachtoffer] gezegd: “... hij zei ik ga een ding kopen, ik ga mijn auto verkopen, ik ga een ding aanschaffen en ik knal [slachtoffer] neer, leg [benadeelde 2] neer en daarna mezelf neer..... ”. Uit de context van dit gesprek maakt de rechtbank op dat met “hij” verdachte wordt bedoeld.

Op 3 augustus 2015 heeft [betrokkene 2] met [betrokkene 3] gebeld. [betrokkene 2] heeft in dat gesprek gezegd dat [verdachte] zijn auto weg wilde doen, een pistool wilde kopen en [slachtoffer] en [benadeelde 2] neer wilde knallen. [betrokkene 2] heeft gezegd dat het een serieuze bedreiging is. Op 9 augustus 2015 omstreeks 17.40 uur (de rechtbank concludeert uit de context van dit gesprek dat dit gesprek op 10 augustus 2015 omstreeks 17.40 uur was) heeft [betrokkene 2] naar het telefoonnummer van verdachte gebeld. Zij kreeg een vrouw aan de lijn en zij vertelt die vrouw dat verdachte had gezegd “ik pak ze echt, als ik naar beneden ga, gaat zij met me mee” en hij heeft haar neergeknald.

Op 10 augustus 2015 omstreeks 21.32 uur heeft [betrokkene 2] gebeld met een collega. Zij heeft verteld dat verdachte [slachtoffer] heeft dood geschoten. Volgens [betrokkene 2] had verdachte gisteravond gezegd dat hij een pistool ging kopen en dat het dan klaar was. Hij zou iedereen naar beneden trekken. [betrokkene 2] heeft gezegd dat het er dik in zit dat verdachte iedereen wat aan gaat doen en dan zichzelf.

In de elektronische agenda (“calendar”) in de mobiele telefoon van verdachte stond op 10 augustus 2015 vermeld: ‘‘ [slachtoffer] vakantie voorbij”.

Verdachte heeft over de gebeurtenissen op 10 augustus 2015 verklaard dat hij eerst naar Tilburg was gereden omdat hij dacht dat [slachtoffer] die dag in het ziekenhuis in Tilburg zou werken. Toen hij merkte dat haar auto daar niet geparkeerd stond, is hij naar het ziekenhuis in Waalwijk gereden. Hij zag aldaar de auto van [slachtoffer] op het parkeerterrein bij het ziekenhuis staan. Hij is toen met zijn auto verderop in de wijk gaan staan. Even vóór 16.30 uur is hij weer vanuit de wijk richting ziekenhuis gereden. Het was volgens hem tegen 16.30 uur, omdat hij wist dat [slachtoffer] ook wel eens tot 16.30 uur werkte. Hij heeft toen zijn auto geparkeerd in een parkeervak, op een afstand van en met zicht op de personeelsuitgang van het ziekenhuis en met zicht op de auto van [slachtoffer] . Toen hij [slachtoffer] naar buiten zag lopen, is hij naar de parkeerplaats waar de auto van [slachtoffer] stond gereden.

Verdachte heeft verklaard dat hij het vuurwapen met daarop de demper, dat hij in zijn hand had toen hij op 10 augustus 2015 naar de auto van [slachtoffer] liep, een aantal dagen vóór 10 augustus 2015 had gekocht.

De verklaring van verdachte dat hij zijn auto heeft geparkeerd in een parkeervak met zicht op de auto van [slachtoffer] , die op de parkeerplaats van het ziekenhuis stond, wordt ondersteund door de verklaring van getuige [getuige 1] , die op 10 augustus 2015 omstreeks 16.44 uur op de Maylaan in Waalwijk liep. Hij zag toen op een parkeerplaats een blauwe auto staan met daarin een man met een getatoeëerde linker arm. Het betrof een blanke man van ongeveer 35 jaar. Omstreeks 17.15 uur kwamen ambulances en toen was die blauwe auto weg. De auto stond met de neus in de richting van het ziekenhuis.

Op de door de getuige [getuige 1] aangewezen parkeerplaats trof de politie drie filter sigarettenpeuken aan van het merk Marlboro. Deze peuken zijn opgepakt en veiliggesteld. Deze peuken zijn vervolgens gewaarmerkt en voorzien van de SIN‑nummers AAIE3810NL, AAIE3811NL en AAIV3327NL.

Het papier dat om de filter van de peuken zat is bemonsterd en onderworpen aan een vergelijkend DNA-onderzoek waarbij het DNA-profiel van verdachte is betrokken. Dit onderzoek gaf als resultaat dat het celmateriaal van de 3 bemonsteringen afkomstig kan zijn van het DNA-profiel van verdachte met een matchkans kleiner dan 1 op 1 miljard.

De rechtbank leidt hieruit af dat de peuken afkomstig zijn van verdachte en dat hij op de parkeerplaats aan de Maylaan, voorafgaande aan het schietincident in elk geval 3 sigaretten heeft gerookt. Uit de verklaring van verdachte en van getuige [getuige 1] leidt de rechtbank voorts af dat verdachte in elk geval een half uur op de parkeerplaats aan de Maylaan geparkeerd heeft gestaan, voordat hij de parkeerplaats waar de auto van [slachtoffer] stond, is opgereden.

De rechtbank stelt verder vast dat getuige [getuige 2] , de enige ooggetuige van het schietincident en tevens degene die de eerder genoemde 112-melding heeft gedaan, op 10 augustus 2015, minder dan twee uur na deze gebeurtenis, heeft verklaard dat de bestuurder van de auto op 10 augustus 2015, omstreeks 17.00 uur, uitstapte en met een getrokken wapen op de auto afliep waar die bestuurder achter stil was gaan staan. Die bestuurder had een pistool met een geluiddemper erop in zijn hand en schoot drie keer op de inzittende aan de bestuurderskant van dat voertuig.

Op 11 augustus 2015 heeft [getuige 2] zijn verklaring gepreciseerd. Hij heeft toen verklaard dat hij zag dat de bestuurder het pistool in zijn rechterhand had en dat pistool met zijn linkerhand ondersteunde. Toen de bestuurder naar de auto van het latere slachtoffer liep, zag hij dat de bestuurder het wapen redelijk ver gestrekt naar voren gericht hield. [getuige 2] heeft vervolgens verklaard: “Toen reed ik ter hoogte, net voor de achterkant van zijn auto en ik zag dat de man bij de bestuurderskant van de auto stond waar hij achter tot stilstand was gekomen. Ik zag dat de man in de auto keek en vervolgens met twee handen gericht in de auto vuurde. Op dat moment zag ik de man aan zijn rechterkant waar hij het pistool vasthield. Ik zie die man voor dat raam staat er ik heb drie knallen gehoord en ik heb glas horen breken.“ en “In mijn ogen zie ik hem kijken in de auto en zie ik hem een soort van draaien met zijn pistool in de auto en hoorde ik nog twee schoten. Er zat wat meer tijd tussen het eerste en tweede schot. Het tweede en derde schot kwam direct achter elkaar.’ en “Zijn houding van een beetje gebukt, het eerste schot was rechtdoor en daarna heeft hij zich en beetje gedraaid en loste nog twee schoten.” Voorts heeft [getuige 2] verklaard dat de bestuurder handschoenen droeg.

De raadsman heeft ten aanzien van de verklaringen van [getuige 2] aangevoerd dat hij achteraf dingen heeft gereconstrueerd en dat het goed mogelijk is dat hij heeft gemist dat verdachte het vuurwapen kort op zichzelf gericht heeft.

De rechtbank is hieromtrent van oordeel dat er geen reden is om te denken dat de hiervoor aangehaalde verklaringen van de getuige [getuige 2] “gereconstrueerd” zouden zijn. Deze verklaringen zijn immers vlak na het gebeuren afgelegd en zijn op belangrijke onderdelen gedetailleerd en consistent. Voorts worden met name de verklaring van 11 augustus 2015 over het aantal schoten en de wijze van schieten ondersteund door andere bewijsmiddelen, zoals het hiervoor genoemde sectierapport en de hierna nog te vermelden verklaring van [betrokkene 4] . Wat betreft de mogelijkheid dat [getuige 2] zou hebben gemist dat verdachte het wapen onder zijn kin heeft gezet, merkt de rechtbank op dat [getuige 2] op 19 november 2015, nadat blijkbaar in de krant had gestaan dat verdachte eerst het pistool op zijn kin had gezet voordat hij [slachtoffer] doodde, uit zichzelf naar de politie heeft gebeld met de mededeling dat dat een leugen was en dat verdachte helemaal niet het pistool op zijn kin heeft gezet. Volgens [getuige 2] was verdachte rechtstreeks naar de auto van [slachtoffer] gelopen met het wapen recht voor zich.

Dit duidt er naar het oordeel van de rechtbank op dat [getuige 2] in zijn waarnemingen niets heeft gemist.

[betrokkene 4] heeft op 11 augustus 2015 omstreeks 20.40 uur een verklaring afgelegd. [betrokkene 4] heeft verklaard dat zij op maandagmorgen 10 augustus 2015 telefonisch contact heeft gehad met verdachte waarbij verdachte tegen haar heeft gezegd dat hij misschien die dag nog naar haar zou komen. Die avond is verdachte naar haar woning gekomen. Hij heeft toen tegen haar gezegd dat hij [slachtoffer] had neergeschoten. Verdachte liet haar vervolgens een vuurwapen en een demper zien. Verdachte heeft haar verteld dat [slachtoffer] in haar eentje het ziekenhuis uit kwam lopen en in haar auto stapte. Hij had daar al geruime tijd staan wachten. Hij wist dat zij om 16.30 uur of 17.00 uur klaar was met werken. Hij heeft haar klemgereden en is uitgestapt. Vanuit de bestuurderskant heeft hij geschoten. De eerste kogel was langs haar nek af. Hij wist niet of deze kogel raak was. Hij dacht van wel maar dacht dat hij haar niet had gedood. De tweede kogel was door haar hoofd en toen was ze dood. Hij heeft een derde kogel afgevuurd, maar verdachte zei dat die eigenlijk niet nodig was. Hij zei dat bij de tweede kogel haar hoofd omlaag hing en dat ze dus al dood was. Verdachte had handschoenen aan toen hij had geschoten.

Verdachte heeft erkend dat hij op 10 augustus 2015 in de ochtend telefonisch contact heeft gehad met [betrokkene 4] en dat hij toen gezegd heeft dat hij die dag misschien naar haar toe zou komen.

Op het moment dat [betrokkene 4] haar verklaring op 11 augustus 2016 aflegde was nog geen gedetailleerde informatie bekend over de schietpartij, anders dan dat er op de auto van [slachtoffer] was geschoten en dat ze dood was. De details over de wijze van schieten die volgens [betrokkene 4] door verdachte aan haar zijn verteld, waren op dat moment nog niet bekend en het betreft derhalve daderinformatie. Deze informatie blijkt later ook naadloos overeen te komen met de inhoud van het sectierapport en de verklaring van ooggetuige [getuige 2] .

De rechtbank acht deze verklaring van [betrokkene 4] dan ook betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.

De rechtbank merkt tevens op dat [betrokkene 4] niet heeft verklaard dat verdachte op de avond van 10 augustus 2015 tegen haar heeft gezegd dat hij zelfmoord wilde plegen voor de ogen van [slachtoffer] .

De rechtbank concludeert uit hetgeen hierboven is vermeld en overwogen, dat het scenario van verdachte, dat hij van plan was zelfmoord te plegen voor de ogen van [slachtoffer] , niet wordt ondersteund door enig bewijsmiddel en dat daarentegen contra-indicaties voor dit scenario aanwezig zijn. Hierbij overweegt de rechtbank tevens dat verdachte pas tijdens zijn 6e verhoor op 17 september 2015, dus ruim 5 weken na zijn arrestatie, met dit scenario is gekomen. Ook is het op 10 augustus 2015 (midden in de zomer) schieten met een vuurwapen met daarop een geluiddemper en met handschoenen aan de handen, moeilijk te verenigen met het idee om zelfmoord te plegen. Verdachte heeft daar geen bevredigende verklaring voor gegeven.

De rechtbank concludeert samenvattend:

- dat verdachte al vanaf 2 augustus 2015 aan [betrokkene 2] te kennen heeft gegeven dat hij een vuurwapen ging kopen en [slachtoffer] (en [benadeelde 2] ) van het leven ging beroven;

- dat verdachte op 10 augustus 2015 over een pistool met een daarop passende geluiddemper en 6 patronen beschikte;

- dat verdachte op maandagochtend 10 augustus 2015 met [betrokkene 4] had afgesproken om misschien die dag naar haar toe te komen en ook daadwerkelijk die dag in de avond nadat hij [slachtoffer] had doodgeschoten, naar haar toe is gegaan;

- dat verdachte wist dat de vakantie van [slachtoffer] op 10 augustus 2015 was geëindigd;

- dat verdachte vanaf zijn woonplaats naar het werkadres van [slachtoffer] is gereden;

- dat verdachte ongeveer een half uur geparkeerd heeft gestaan op een parkeerplek aan de Maylaan, vlakbij het parkeerterrein van het ziekenhuis waar [slachtoffer] werkte, alwaar hij zicht had op haar auto;

- dat verdachte 3 sigaretten heeft gerookt op die parkeerplek;

- dat verdachte, op het moment dat [slachtoffer] uit het ziekenhuis kwam gelopen, met hoge snelheid het parkeerterrein van het ziekenhuis is opgereden;

- dat verdachte de auto van [slachtoffer] klem heeft gereden;

- dat verdachte toen hij uit zijn auto stapte en naar de auto van [slachtoffer] liep het pistool met de geluiddemper in zijn hand(en) had en dat hij op dat moment handschoenen droeg;

- dat hij met het pistool gestrekt voor zich naar de bestuurderszijde van haar auto is gelopen en daar drie maal gericht heeft geschoten;

- dat [slachtoffer] ten gevolge van die schoten is overleden.

Op grond van het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank het door verdachte geschetste zelfmoordscenario niet aannemelijk geworden. Integendeel. De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen volgt dat er bij verdachte sprake was van een vooropgezet plan om [slachtoffer] te doden. Verdachte heeft op 10 augustus 2015, op diverse momenten de tijd en de gelegenheid gehad om op zijn voornemen terug te komen. Dat heeft hij niet gedaan.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg [slachtoffer] van het leven heeft beroofd.”

5.4.

Het eerste middelonderdeel wordt in de toelichting op het middel opgesplitst in twee deelklachten. Ten eerste wordt gesteld dat het hof ontoereikend heeft gemotiveerd dat de verdachte zich, ondanks zij psychische gesteldheid, feitelijk heeft kunnen beraden op het genomen besluit. Ten tweede heeft het hof op ontoereikende dan wel onbegrijpelijke gronden het verweer verworpen dat de verdachte zelfmoord wilde plegen voor de ogen van het slachtoffer. Deze deelklachten zal ik gezamenlijk bespreken.

5.5.

Voor bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.1

5.6.

Met de eerste deelklacht beoogt de steller van het middel – als ik het goed begrijp – tot uitdrukking te brengen dat de psychische gesteldheid van de verdachte een contra‑indicatie vormt voor het aannemen van voorbedachte raad. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het naar het oordeel van de Hoge Raad bij uitstek om een weging en waardering van omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten.2 De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Bij het bestaan van contra‑indicaties kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat.

5.7.

Het hof heeft uit de bewijsmiddelen afgeleid dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Dat heeft het hof onder meer afgeleid uit de tijd die is verstreken tussen het moment waarop de verdachte zijn auto heeft geparkeerd op een parkeerplek vlakbij het parkeerterrein van het ziekenhuis en het moment waarop hij de auto van het slachtoffer klemreed en op haar heeft geschoten. Het hof heeft in de bewijsmiddelen geen aanwijzingen gezien voor het door de verdachte geschetste scenario dat hij van plan was voor ogen van het slachtoffer zelfmoord te plegen, maar er door een handgebaar van het latere slachtoffer iets bij hem knapte, waarna hij in een waas op haar heeft geschoten. Dat scenario achtte het hof ook niet aannemelijk. De in de toelichting op het middel onder de tweede deelklacht genoemde omstandigheden, die wijzen op de suïcidale gedachten van de verdachte, zouden dat scenario onderschrijven. Het is aan die rechter voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht.3 Deze beslissing inzake die selectie en waardering, die – behoudens bijzondere gevallen – geen motivering behoeft, kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Die selectie kan in cassatie slechts op haar begrijpelijkheid, en daarmee dus zeer beperkt, worden getoetst. Het hof heeft de door de verdediging genoemde omstandigheden waaruit de suïcidale gedachten van de verdachte zouden blijken niet van belang geacht, naar ik aanneem omdat dit noch de bewezenverklaring ondersteunt, noch het scenario van de verdachte onderschrijft. Suïcidale gedachten sluiten immers niet uit dat de verdachte het plan had om het latere slachtoffer van het leven te beroven. Ander bewijs maakt het door de verdachte geschetste scenario overigens ook onwaarschijnlijk. Ik wijs op de geluidsdemper en de handschoenen die de verdachte – in augustus – aanhad.

5.8.

In het oordeel van het hof ligt dus besloten dat het geen contra‑indicaties heeft gezien die zich verzette tegen de vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. De omstandigheid dat het hof – in het verband van de vraag of de verdachte strafbaar is ter zake van het bewezenverklaarde feit – heeft geoordeeld dat de persoonlijkheidsstoornis en de decompensatie van zijn narcistisch gecontroleerde psychologische afweer de keuze- en handelingsvrijheid in substantiële mate hebben ingeperkt, waardoor het bewezenverklaarde aan hem in verminderde mate is toe te rekenen, sluit niet uit dat sprake is van voorbedachte raad.4 Ook in het licht van die omstandigheid is de bewezenverklaring op het punt van de voorbedachte raad toereikend gemotiveerd.

5.9.

Het eerste middelonderdeel faalt derhalve.

5.10.

Het tweede middelonderdeel klaagt dat het hof onvoldoende heeft gerespondeerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 415 lid 1 Sv jo. art. 359 lid 2 Sv met betrekking tot de (on)betrouwbaarheid van de verklaringen van getuige [getuige 2] en de (on)bruikbaarheid daarvan. Volgens de steller van het middel in de toelichting, kan de bewezenverklaring van voorbedachte raad niet steunen op de verklaringen van [getuige 2] omdat door de verdediging beargumenteerd is aangevoerd dat die verklaringen onbetrouwbaar zijn. Zowel voor de rechtbank als voor het hof is door de verdediging de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 2] in twijfel getrokken.5 De rechtbank heeft dat verweer verworpen (zie onderdeel 6.2 hierboven).

5.11.

Volgens de toelichting op het middel heeft het hof – dat het oordeel van de rechtbank heeft overgenomen – op het standpunt van de verdediging ter zake van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 2] onvoldoende gerespondeerd. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 11 januari 2019 heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord gevoerd ter verdediging aan de hand van door hem aan het hof overgelegde pleitnotities. De steller van het middel wijst op de onderdelen 2.6 t/m 3.2, 3.5 en 3.6 van die pleitnotities, die luiden:6

“2.6 De Rechtbank hecht echter meer waarde aan de verklaringen van de vermeende ooggetuige [getuige 2] . Ik vraag mij ten zeerste af wat deze getuige wel en niet heeft waargenomen. Zo blijkt uit de 112-melding dat hij geen details geeft en roept hij dat hij geen kenteken en 'helemaal niks' heeft. Dit terwijl hem tot tweemaal toe expliciet gevraagd wordt om precies te vertellen wat hij heeft zien gebeuren.

2.7

In zijn latere verklaringen is [getuige 2] plotsklaps een stuk gedetailleerder in wat hij heeft gezien. En stellig. Ook bij de RHC. Opvallend, en niet alleen omdat hij bij de 112-melding wat vaag bleef. Het gehele incident speelde zich immers in seconden af. Bovendien was hij bang en reed hij snel door met zijn auto. [getuige 2] is voorbij komen rijden en ziet cliënt met een vuurwapen, rijdt door en hoort knallen. Hij rijdt naar de hoek van het parkeerterrein en gaat in zijn auto liggen. Vervolgens belt hij 112, kijkt hij op en vervolgens loopt hij naar de auto van [slachtoffer] toe. Dat is wat [getuige 2] heeft gezien en gedaan.

2.8

Het is wat mij betreft niet aannemelijk dat [getuige 2] stil is gaan staan naast de auto's van [verdachte] en [slachtoffer] om zodoende 'een vrij zicht' te hebben. Immers was [getuige 2] bang en juist snel doorgereden om in zijn auto weg te duiken. Deze, volstrekte logische, gevoelens en aansluitende handelingen, verhouden zich geenszins tot het scenario dat [getuige 2] heeft getracht zijn zicht vrij te maken.

2.9

[getuige 2] had bovendien zijn autoradio aanstaan en heeft [slachtoffer] pas gezien toen hij naar haar auto liep. Dit in samenhang met het voorgaande bezien, kan maar tot 1 conclusie leiden en die luidt dat [getuige 2] helemaal niet gezien of gehoord kan hebben of [slachtoffer] zich verbaal of non-verbaal tot [verdachte] richtte en vice versa.

3.0

Dat [getuige 2] het allemaal niet zo goed heeft kunnen zien als dat hij ons wil doen geloven volgt ook uit het signalement dat hij van de schutter geeft. Hij rept over een dikke man met gitzwart haar dat deels over zijn oren viel. Een groter contrast met cliënt kan bijna niet. In dit verband hecht ik dan ook weinig waarde aan het verwrongen gezicht en de 'jij bent van mij' uitstraling die [getuige 2] beschrijft.

3.1

Des te curieuzer wordt het wanneer [getuige 2] uit eigen beweging contact opneemt met de politie wanneer hij hoort dat cliënt heeft verklaard eerst een pistool onder zijn kin te hebben gezet. Als rechtsschapen burger wijst [getuige 2] de politie erop dat hij dit niet gezien heeft. Hij kon dit volgens mij ook niet zien. Dit betekent echter niet dat het niet gebeurd is!

3.2

Dat hij diezelfde dag ook ineens zeker lijkt te zijn over het op het raam tikken met het vuurwapen door [verdachte] , daar waar hij eerder twijfelde, acht ik opmerkelijk. Voorzitter, Edelgrootachtbaar college, naar mate de tijd verstrijkt zijn de verklaringen van [getuige 2] alleen maar gedetailleerder geworden. Hij is aan het invullen en hoewel dit, zo blijkt ook uit de rechtspsychologie, menselijk is, heeft het met waarheidsvinding niets van doen. Ja, [getuige 2] is een 'ooggetuige', maar gezien het zichtsveld dat hij had en het signalement dat hij beschrijft, kan ik niet anders dan concluderen dat hij een ooggetuige met gemankeerd zicht is. Ik concludeer dat zijn verklaringen het scenario van cliënt niet falsificeren en dat deze te onbetrouwbaar zijn om het door het OM gestelde, en het door de Rechtbank gevolgde, scenario te verankeren.

(…)

3.5

Ik had het al eerder over getuige [getuige 2] . Dat wat hij heeft verklaard dient niet als een uitputtende opsomming van handelen dat zich op de parkeerplaats heeft voorgedaan aangemerkt te worden. Hij zat in zijn auto, kwam van achteren, en alles speelde zich in split seconds af.

De verklaringen van [getuige 2] en [verdachte] spreken elkaar tegen, maar de verklaringen van [getuige 2] falsificeren de verklaringen van [verdachte] niet. En daar gaat het om. In dit kader wijs ik u op een uitspraak van het Hof Amsterdam van 3 maart 2017. Ik citeer:

'Het forensisch technisch onderzoek heeft niet geleid tot een eenduidige conclusie omtrent de feitelijke toedracht, zodat het hof zijn oordeel met name heeft te baseren op de verklaringen van de bij het incident betrokken personen in combinatie met het ter plaatse aangetroffen forensisch bewijs in de vorm van de verwondingen van [slachtoffer] en van de getuige [getuige 1], de kogels, hulzen en beschadigingen van de muren en vloer.

Het hof gaat hierna, bij het vaststellen van de feiten en omstandigheden, uit van de lezing van de gebeurtenissen zoals vanaf het begin in essentie consistent geschetst door de verdachte. Zijn verklaringen worden op onderdelen ondersteund door de verklaringen van de getuigen (...) De onderdelen van de verklaring van de verdachte die in de genoemde verklaringen geen ondersteuning vinden, kunnen op grond van hetgeen zich verder in het dossier bevindt evenmin als onaannemelijk terzijde worden geschoven.'

3.6

Ook cliënt heeft consistent verklaard en zijn zelfmoordplannen worden door meerdere getuigen in het dossier bevestigd. Wat betreft de feitelijke toedracht is het, kort gezegd, cliënt versus [getuige 2] . Cliënt heeft consistent verteld wat zich volgens hem op de PD heeft afgespeeld. [getuige 2] kon vanuit zijn positie helemaal niet zien dat [verdachte] het wapen eerst tot zichzelf richtte. Dat dit deel van zijn verklaring niet verankerd wordt door de verklaringen van [getuige 2] maakt daarmee nog niet dat het scenario zoals door cliënt beschreven als onaannemelijk ter zijde kan worden geschoven. De verklaringen van [getuige 2] falsificeren die van [verdachte] immers niet en dat sluit een bewezenverklaring van voorbedachte raad uit.”

5.12.

Het hof heeft, in afwijking van hetgeen door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd, het oordeel van de rechtbank over de betrouwbaarheid van de verklaringen van getuige [getuige 2] bevestigd. De rechtbank heeft bij haar oordeel dat er geen reden is om te denken dat de verklaringen van [getuige 2] gereconstrueerd zijn, in aanmerking genomen dat die verklaringen vlak na de gebeurtenis zijn afgelegd en de verklaringen op belangrijke onderdelen gedetailleerd en consistent zijn. De rechtbank heeft voorts overwogen dat met name de verklaring van 11 augustus 2015, waarin is verklaard over het aantal schoten en de wijze van schieten, wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. De rechtbank heeft ter motivering van de afwijking overwogen dat [getuige 2] , nadat in de krant had gestaan dat de verdachte eerst het pistool op zijn kin had gezet voor hij het latere slachtoffer doodde, uit zichzelf naar de politie heeft gebeld met de mededeling dat dat een leugen was en dat de verdachte het pistool helemaal niet op zijn kin had gezet. Aldus heeft het hof, dat door bevestiging van het vonnis van de rechtbank haar oordeel tot de zijne heeft gemaakt, ten aanzien van het door de verdediging naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, de redenen opgegeven, als bedoeld in art. 359 lid 2 Sv, die ertoe hebben geleid dat dit standpunt niet door het hof is aanvaard. De motiveringsplicht gaat niet zo ver dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. Het hof behoefde derhalve niet nader in te gaan op hetgeen door de raadsman is aangevoerd met betrekking tot specifieke onderdelen uit de verklaringen van de getuige.

5.13.

Waar in het middel voorts nog de klacht valt te ontwaren dat het hof, ter onderbouwing van zijn oordeel dat de door de getuige [getuige 2] afgelegde verklaringen betrouwbaar geacht moeten worden, een beroep heeft gedaan op feiten en omstandigheden die niet in enig bewijsmiddel zijn vermeld, wijs ik er op dat het recht een dergelijke eis niet stelt.7

5.14.

Het tweede middelonderdeel kan dus evenmin slagen, waardoor het eerste middel in zijn geheel dient te worden verworpen.

6 Het tweede middel van de verdachte

6.1.

Het middel richt zich tegen de beslissing van het hof om [betrokkene 1] toestemming te verlenen om op grond van art. 51b lid 1 Sv kennis te kunnen nemen van de processtukken die voor hem van belang zijn ter onderbouwing van een mogelijke vordering bij de burgerlijk rechter, ondanks dat hij naar het oordeel van het hof niet als slachtoffer in de zin van art. 51a lid 1 Sv kan worden aangemerkt. [betrokkene 1] is de ex-partner van het slachtoffer en de vader van de zoon van het slachtoffer, [benadeelde 2] .

6.2.

Het hof heeft zijn oordeel als volgt gemotiveerd:

“ [betrokkene 1] heeft in eerste aanleg een vordering als benadeelde partij ingediend. De rechtbank heeft echter ter terechtzitting van 11 februari 2016 geoordeeld dat hij niet als slachtoffer in de zin van artikel 51a Sv kan worden aangemerkt en ook niet als nabestaande in de zin van artikel 51e Sv. Ingevolge artikel 333 Sv is geoordeeld dat hij daarom kennelijk niet-ontvankelijk is in zijn vordering als benadeelde partij.

Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 11 juli 2017 heeft [betrokkene 1] bij monde van zijn raadsman bepleit dat hij zijn vordering als benadeelde partij handhaaft en als zodanig dient te worden aangemerkt.

Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 11 januari 2019 heeft [betrokkene 1] bij monde van zijn raadsman bepleit drie maal eerder in het verloop van de procedure in eerste aanleg op grond van artikel 51b Sv, als slachtoffer, te hebben verzocht om toezending en kennisneming van de processtukken, om zijn vordering te kunnen onderbouwen. Op zijn verzoeken is echter door het openbaar ministerie niet of negatief gereageerd. De vordering van [betrokkene 1] is dan ook in eerste aanleg en in hoger beroep niet nader onderbouwd en de diverse posten van het betreffende Schadevergoedingsformulier Misdrijven zijn dan ook pro memorie.

Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 11 januari 2019 heeft de raadsman bepleit zijn cliënt te erkennen als slachtoffer in de zin van het Wetboek van Strafvordering en verzocht om hem op zijn verzoek toestemming te verlenen om, op grond van artikel 51b lid 1 Sv (tweede volzin), kennis te kunnen nemen van de processtukken die voor het slachtoffer van belang zijn ter onderbouwing van een mogelijke vordering bij de burgerlijk rechter.

Voor wat betreft het verzoek van [betrokkene 1] tot erkenning van het zijn van slachtoffer in de zin van het Wetboek van Strafvordering en op zijn verzoek toestemming te verlenen om op grond van artikel 51b lid 1 Sv (tweede volzin) kennis te kunnen nemen van de processtukken, overweegt het hof het volgende.

Het hof stelt vast dat artikel 51b Sv, met diverse andere artikelen van de titel IIIA van het Eerste Boek van het Wetboek van Strafvordering, sinds de inwerkingtreding per 1 april 2017 van de Wet van 8 maart 2017, Stb. 2017, 90, op grond van artikel 415 lid 3 Sv van overeenkomstige toepassing is op het rechtsgeding voor het gerechtshof. Artikel 51b Sv tweede volzin stelt voor wat betreft de te nemen beslissing (voor zover i.c. van toepassing): ‘Tijdens het onderzoek op de terechtzitting wordt deze toestemming verleend door het gerecht in feitelijke aanleg, waarvoor de zaak wordt vervolgd (...)’. De vraag die voorligt is of [betrokkene 1] als slachtoffer in de zin van het Wetboek van Strafvordering kan worden aangemerkt en of aan hem derhalve processtukken mogen worden verstrekt.

Sinds de inwerkingtreding per 1 april 2017 van de Wet van 8 maart 2017, Stb. 2017, 90, geldt in hoger beroep eveneens het bij die wet aangepaste artikel 51a Sv. Onder slachtoffer wordt in dit artikel onder lid 1, onder a., onder 1e en 2e en onder b. - voor zover i.c. van toepassing - sindsdien verstaan:

‘a. Slachtoffer:

1°. degene die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit vermogensschade of ander nadeel heeft ondervonden. (...);

2°. nabestaande: familieleden van een persoon wiens overlijden rechtstreeks veroorzaakt is door een strafbaar feit.

b. Familieleden: de echtgenoot, de geregistreerde partner dan wel een andere levensgezel van het slachtoffer, de bloedverwanten in rechte lijn, de bloedverwanten in de zijlijn tot en met de vierde graad en de personen die van het slachtoffer afhankelijk zijn.’

Blijkens deze omschrijving wordt onder slachtoffer niet verstaan de voormalig partner met wie het slachtoffer eerder een relatie had en uit welke relatie een kind is voortgekomen. Ook kan verzoeker blijkens de jurisprudentie niet worden aangemerkt als degene die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit vermogensschade of ander nadeel heeft ondervonden, of zich dienaangaande als vader van het kind kan beroepen op een ‘afgeleid’ recht. Verzoeker kan op grond van deze bepaling niet worden aangemerkt als iemand die wordt getroffen in een belang dat wordt beschermd door het voorschrift dat is overtreden. Een vergelijk is in dezen te maken met de uitleg ter zake van de voeging van de benadeelde partij op grond van artikel 51f lid 1 Sv: eigen kosten van de wettelijk vertegenwoordiger kunnen niet als ‘rechtstreekse schade’ in de zin van art. 51a, eerste lid, Sv (oud) worden aangemerkt. Vgl. HR 2 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE2642 en HR 16 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2668. Op grond van deze regeling is verzoeker derhalve niet als slachtoffer aan te merken.

Blijkens de per 1 januari 2019 in werking getreden Wet van 11 april 2018, Stb. 2018, 132 (Wet vergoeding affectieschade) wordt de kring van ‘naasten’ aan wie op grond van artikel 6:108 BW de aansprakelijke voor het overlijden van een persoon mogelijk verplicht is tot vergoeding van een bedrag of bedragen voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, uitgebreid met onder andere lid 4, onder g, zijnde: ‘een andere persoon die ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij voor de toepassing van lid 3 als naaste wordt aangemerkt.’ Artikel 51f lid 2 Sv is dienaangaande eveneens aangepast en luidt sindsdien (voor zover i.c. van toepassing): ‘2. Indien de in het eerste lid genoemde persoon ten gevolge van het strafbare feit is overleden, kunnen zich voegen diens erfgenamen ter zake van hun onder algemene titel verkregen vordering en de personen, bedoeld in artikel 108, eerste tot en met vierde lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek ter zake van de daar bedoelde vorderingen. (...)’ Verzoeker zou blijkens deze wijziging wel als benadeelde partij kunnen worden aangemerkt. Echter, het hof merkt op dat de genoemde Wet van 11 april 2018, Stb. 2018, 132 in beginsel ziet op een regeling ter zake van affectieschade en dat deze, gezien het daarbij geldende overgangsrecht (toepassing geldend voor gevallen vanaf 1 januari 2019), niet toepasselijk is in de onderhavige zaak. Desalniettemin maakt de ontwikkeling in de wetgeving volgens het hof duidelijk dat de omvang van de toepasselijke rechten van slachtoffers en de kring van gerechtigden voor vergoeding van schade dienaangaande, in uitbreidende zin evolueert. Tevens kan aan de jurisprudentie van het Europese Hof inzake de positieve verplichtingen die voortvloeien uit het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens met betrekking tot met name artikel 2 EVRM worden ontleend dat de naaste familie van het slachtoffer (de ‘naasten’) in beginsel zodanig over de strafzaak geïnformeerd dient te worden voor zover noodzakelijk om zijn of haar wettelijke rechten te kunnen waarborgen (‘In all cases, the next of kin of the victim must be involved in the procedure to such an extent as is necessary to safeguard his or her legitimate interests’). Vgl. EHRM 4 augustus 2001, McKerr t. Verenigd Koninkrijk, nr. 28883/95, par. 115; EHRM 31 oktober 2014, Aliyeva en Aliyev t. Azerbeidzjan, nr. 35587/08, par. 70; EHRM 13 april 2017, Huseynovat. Azerbeidzjan, nr. 10653/10, par. 106. In deze zin ziet het hof dan ook geen belemmering om verzoeker aan te merken als slachtoffer in de zin van artikel 51 b Sv en zal het hof aan verzoeker toestemming verlenen om op grond van artikel 51 b lid 1 Sv (tweede volzin) kennis te kunnen nemen van de processtukken die voor hem van belang zijn ter onderbouwing van een mogelijke vordering bij de burgerlijk rechter. Daarbij worden de rapportages die over de verdachte zijn opgemaakt van kennisneming door verzoeker uitgesloten.”

6.3.

Vooropgesteld moet worden dat de verdachte, voor zover het zijn strafzaak in cassatie betreft, geen belang heeft bij de geformuleerde klacht. Op de uitkomst van de door het hof in de strafzaak gegeven beslissingen heeft de bestreden beslissing geen effect gehad – de betrokkene [betrokkene 1] heeft zich niet als benadeelde partij gevoegd in het strafgeding. Voor zover de beslissing van het hof er toe strekt om [betrokkene 1] toestemming te verlenen om kennis te kunnen nemen van de processtukken die voor hem van belang kunnen zijn ter onderbouwing van een mogelijke vordering bij de burgerlijk rechter is dat geen belang dat in de strafzaak aan de orde is. Bovendien – en dat is meer ‘down to earth’ – bij een nieuwe feitelijke behandeling kan de verleende toestemming niet ongedaan worden gemaakt. De klacht kan daarom niet tot cassatie leiden.

6.4.

Gelet op het feit dat de Wet affectieschade, waar het hof naar verwijst, nog geen jaar geleden in werking is getreden ga ik hierna, geheel ten overvloede, wel wat nader in op de sindsdien uitgebreide kring van benadeelde partijen.

6.5.

Het slachtofferbegrip is per 1 april 2017 uitgebreid in het kader van de implementatie van richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ.8 Die richtlijn had tot doel de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers, met name in het kader van strafprocedures, te versterken.9 Art. 51d Sv verklaart onder meer art. 51b Sv van overeenkomstige toepassing op de personen bedoeld in art. 51f lid 2 Sv (personen die zich als benadeelde partij kunnen voegen), waardoor door de officier van justitie ook aan die personen toestemming kan worden verleend om kennis te nemen van de processtukken. Door de wijziging van het slachtofferbegrip is deze schakelbepaling overbodig geworden voor nabestaanden. Nabestaanden kunnen nu ook als slachtoffer worden aangemerkt waardoor zij een rechtstreeks beroep kunnen doen op bepalingen als art. 51d Sv (kennisname van processtukken). Onder ‘nabestaanden’ wordt verstaan de ‘familieleden van een persoon wiens overlijden rechtstreeks veroorzaakt is door een strafbaar feit’10. Zoals het hof terecht heeft geoordeeld is een persoon met wie het slachtoffer een relatie had en uit welke relatie een kind is voortgekomen niet aan te merken als familielid. [betrokkene 1] kan dus niet als slachtoffer in de zin van art. 51a lid 1 Sv worden aangemerkt, ook niet onder de definitie die sinds 1 april 2017 geldt.

6.6.

De positie van naasten van personen die ernstig letsel lijden of overlijden door toedoen van een ander is versterkt door inwerkingtreding van de Wet affectieschade (Stb. 2018, 132) met ingang van 1 januari 2019. Art. 51f lid 2 Sv luidt per die datum voor zover van belang:

“Indien de in het eerste lid genoemde persoon ten gevolge van het strafbare feit is overleden, kunnen zich voegen diens erfgenamen ter zake van hun onder algemene titel verkregen vordering en de personen, bedoeld in artikel 108, eerste tot en met vierde lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek ter zake van de daar bedoelde vorderingen. (…)”

6.7.

De leden 3 en 4 van art. 6:108 BW zijn met de inwerkingtreding van de Wet affectieschade toegevoegd en luiden als volgt:

“3 Voorts is de aansprakelijke verplicht tot vergoeding van een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag of bedragen voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, geleden door de in lid 4 genoemde naasten als gevolg van het overlijden.

4 De naasten, bedoeld in lid 3, zijn:

a. de ten tijde van de gebeurtenis niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot of geregistreerde partner van de overledene;

b. de levensgezel van de overledene, die ten tijde van de gebeurtenis duurzaam met deze een gemeenschappelijke huishouding voert;

c. degene die ten tijde van de gebeurtenis ouder van de overledene is;

d. degene die ten tijde van de gebeurtenis het kind van de overledene is;

e. degene die ten tijde van de gebeurtenis duurzaam in gezinsverband de zorg voor de overledene heeft;

f. degene voor wie de overledene ten tijde van de gebeurtenis duurzaam in gezinsverband de zorg heeft;

g. een andere persoon die ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij voor de toepassing van lid 3 als naaste wordt aangemerkt.”

6.8.

De in art. 51f lid 2 genoemde personen zijn niet per se ook slachtoffer in de zin van art. 51a Sv. Zij hebben dus nog wel belang bij de schakelbepaling van art. 51d Sv om toegang tot de processtukken te krijgen.

6.9.

In de Wet affectieschade is niet voorzien in overgangsrecht. Dat was blijkens de memorie van toelichting niet nodig omdat krachtens ‘artikel 68a van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek, gelezen in verband met artikel 69, onder d, van die wet, (…) het recht op vergoeding van affectieschade niet door het enkele in werking treden van het voorstel [zal] ontstaan, indien alle feiten die de wet daarvoor vereist, reeds voordien waren voltooid’.11 Ingeval de schadeveroorzakende gebeurtenis plaatsvindt vóór inwerkingtreding doch het slachtoffer pas ná inwerkingtreding ten gevolge van dat letsel komt te overlijden, bepaalt art. 173 lid 2, tweede volzin, van de Overgangswet dat dat de aansprakelijkheid wegens dat overlijden naar het tevoren geldende recht wordt beoordeeld. De voormalig partner van het slachtoffer in de onderhavige zaak komt dus geen beroep op art. 6:108 BW toe en daarmee ook niet op art. 51f lid 2 Sv. Hij kan zich niet als benadeelde partij in het strafproces voegen en aan hem kon op grond van de nationale wet geen toestemming worden verleend om kennis te nemen van de processtukken.

6.10.

Ik betwijfel of overgangsrecht in dit geval – gelet op hetgeen dat is komen vast te staan omtrent de relatie tussen het slachtoffer en [betrokkene 1] – tot een andere uitkomst had geleid. In de memorie van toelichting is uiteengezet welke gevallen de medewetgever bij ‘een andere persoon die ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene staat’ voor ogen had.12 Art. 6:108 lid 4 onder g BW wordt aangeduid als een hardheidsclausule, waarop slechts in uitzonderlijke gevallen een beroep kan worden gedaan.13 Er dient een hechte affectieve relatie te worden aangetoond, waarbij niet de formele maar de feitelijke verhouding beslissend is. Als voorbeeld van een nauwe persoonlijke betrekking wordt genoemd een relatie van broers of zussen die langdurig samenwonen en voor elkaar zorgen, of een langdurige, hechte LAT-relatie. In de memorie van toelichting is niet uitgesloten dat een omgekeerde situatie zich voordoet waarbij er op grond van de tekst van de wet ‘recht zou bestaan op vergoeding van affectieschade, terwijl dit, mede gelet op de relatie tussen de rechthebbende naaste en de gekwetste of overledene, zoals deze zich in de periode voorafgaand aan de schadeveroorzakende gebeurtenis heeft ontwikkeld, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht’. Als voorbeeld wordt genoemd het geval dat ‘deze echtgenoot voor het ongeval [of overlijden; AEH] al met de spreekwoordelijke Noorderzon was vertrokken, of reeds samenwoonde met iemand anders’. De rechter moet een dergelijk verweer ‘met de nodige terughoudendheid bezien’; van een uitzondering kan alleen in zeer uitzonderlijke gevalle sprake zijn.14 Welke gevallen concreet onder art. 6:108 lid 4 onder g BW vallen, zal in de (feiten)rechtspraak uitgekristalliseerd moeten worden. Het oordeel van het hof, dat de betrokken ex-partner onder de hardheidsclausule zou kunnen vallen, laat ik hier verder buiten bespreking.

6.11.

Het tweede middel kan bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden.

7 Het middel van de benadeelde partij [benadeelde 2]

7.1.

Dit middel klaagt over de motivering van de beslissing van het hof om de benadeelde partij [benadeelde 2] niet‑ontvankelijk te verklaren voor zover het betreft de post ‘schade kinderopvang extra (bijlage B)’.

7.2.

De beslissing van het hof ten aanzien van de vordering van deze benadeelde partij luidt als volgt:

“De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 51.692,00 ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet‑ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering, maar heeft deze ter terechtzitting op het onderdeel schade voor gederfd levensonderhoud aangepast en verlaagd naar € 29.503,00.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 2] als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag van € 29.503,00 aangaande schade voor gederfd levensonderhoud. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, te vermeerderen met de wettelijke rente en met een beslissing omtrent de kosten als hierna zal worden vermeld.

Het hof is van oordeel dat voor het overige de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren, aangezien de precieze grondslag van de berekening aangaande schade kinderopvang extra (bijlage B) onvolledig is. Zo is het hof niet duidelijk geworden wat de arbeidssituatie van [betrokkene 1] , de vader en wettelijk vertegenwoordiger van de benadeelde partij, was en is in de gevorderde periode en wat de doorwerking daarvan op de eventuele kinderopvangtoeslag is. De benadeelde partij kan daarom thans in zoverre in die vordering niet worden ontvangen en kan deze slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake tevens de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden. Verdachte is naar burgerlijke recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.”

7.3.

In het geval dat behandeling van een vordering van een benadeelde partij naar het oordeel van de rechter een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, kan de rechter ingevolge art. 361 lid 3 Sv bepalen dat een vordering geheel of gedeeltelijk niet‑ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen. Het hof heeft door te oordelen dat de vordering van [benadeelde 2] wat betreft de schade kinderopvang een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren, aldus de juiste maatstaf gehanteerd.

7.4.

Volgens het recente overzichtsarrest van de Hoge Raad over de benadeelde partij moet de bepaling van art. 361 lid 3 Sv, mede in het licht van art. 6 lid 1 EVRM aldus worden uitgelegd ‘dat zij de strafrechter tot niet‑ontvankelijkverklaring verplicht indien hij niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om naar voren te brengen hetgeen zij ter staving van de vordering, onderscheidenlijk tot verweer tegen de vordering kunnen aanvoeren en, voor zover nodig en mogelijk, daarvan bewijs te leveren’.15 Met de bevoegdheid om een vordering (deels) niet‑ontvankelijk te verklaren moet overigens wel terughoudend worden omgegaan. De Hoge Raad benadrukte dat met het overzichtsarrest onder meer is beoogd te voorkomen dat de strafrechter vaker dan nodig gebruikmaakt van zijn bevoegdheid een benadeelde partij in haar vordering niet‑ontvankelijk te verklaren omdat hij vindt dat de behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. Als een benadeelde partij niet‑ontvankelijk wordt verklaard, kan hij zijn vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijk rechter. Daarmee verliest de benadeelde partij de voordelen die slachtoffers hebben bij de strafrechtelijke procedure, waaronder de regeling waarbij de staat toegewezen schadevergoedingen voorschiet.16

7.5.

Het oordeel dat (een deel van) een vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert is echter van feitelijke aard en kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.17 In het geval een verdachte de vordering van de benadeelde partij betwist, zoals in casu,18 zal de rechter aan de hand van de onderbouwing van de stellingen over en weer moeten beoordelen of de feiten en omstandigheden die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden in voldoende mate zijn komen vast te staan.19 De reden dat dit deel van de vordering door het hof nietontvankelijk is verklaard is erin gelegen dat de precieze grondslag van de berekening volgens hem onvolledig is. De hoogte van de schade kinderopvang is namelijk mede afhankelijk van het inkomen van de vader van de zoon van het slachtoffer. Het is het hof niet duidelijk geworden wat de arbeidssituatie van de vader is en zal zijn in de periode waarop de vordering betrekking heeft. In de toelichting op het middel klaagt de steller ervan dat het hof, ondanks die onzekerheid, niet is overgegaan tot schatting van het schadebedrag. De omvang van schade kan inderdaad, ingevolge art. 6:97 BW, worden geschat indien de omvang niet nauwkeurig kan worden vastgesteld. Die mogelijkheid kan uitkomst bieden voor gevallen waarbij de omvang van de schade zonder nader onderzoek dat een onevenredige vertraging van het strafgeding zou opleveren, niet nauwkeurig kan worden vastgesteld.20 Voor schatting zouden zich naar mijn oordeel wel kunnen lenen de kosten per uur kinderopvang, waarover blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof ook discussie bestond. Het inkomen van de vader van de zoon van het slachtoffer kan van grote invloed zijn op omvang van de schade en mede in aanmerking genomen de door de raadsman van de verdachte en door de A-G bij het hof aangevoerde bezwaren tegen toewijzing van de onderhavige vordering, lag schatting van de schade kinderopvang op dit punt niet in de rede. Het oordeel van het hof dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, is derhalve niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

8. Zowel de middelen van de verdachte als het middel van de benadeelde partij [benadeelde 2] falen en kunnen afgezien van het tweede middel van de verdachte, met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering worden afgedaan.

9. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

10. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963, NJ 2014, 156 m.nt. Keulen, r.o. 3.3. Vgl. HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:16, NJ 2014, 161 m.nt. Keulen, r.o. 2.3.

2 HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963, NJ 2014, 156 m.nt. Keulen, r.o. 3.3.

3 HR 13 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6250, r.o. 2.4.

4 Vgl. HR 5 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB4959, NJ 2008, 97.

5 Zie de onderdelen 2.3 t/m 2.8 en 3.3 van de aan het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank van 13 september 2015 gehechte pleitnotities van de raadsman, aan de hand waarvan hij blijkens dat proces-verbaal het woord heeft gevoerd.

6 Ik laat voetnoten achterwege.

7 Vgl. HR 23 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5851, NJ 2008, 69 m.nt. Borgers, rov. 3.6.

8 PbEU 2012, L 315. De per 1 april 2017 in werking getreden wetswijziging is ingevolge art. VI lid 1 van toepassing verklaard op alle op of na de datum van inwerkingtreding van de wet aanhangige strafzaken (Stb. 2017, 90).

9 Zie overweging 4 van de preambule.

10 Art. 51a lid 1 onder b Sv definieert familieleden als volgt: “de echtgenoot, de geregistreerde partner dan wel een andere levensgezel van het slachtoffer, de bloedverwanten in rechte lijn de bloedverwanten in de zijlijn tot en met de vierde graad en de personen die van het slachtoffer afhankelijk zijn”.

11 Kamerstukken II 2014/15, 34 257, nr. 3, p. 9.

12 Kamerstukken II 2014/15, 34 257, nr. 3, p. 14-15. Dit citaat betreft een toelichting op art. 6:107 lid 2 BW, waarin is gedefinieerd wie naasten zijn in de zin van art. 6:107 lid 1 onder b BW zijn. Ingevolge dat artikel kan aanspraak worden gemaakt op vergoeding van affectieschade indien een naaste ernstig en blijvend letsel heeft opgelopen. Bij de artikelsgewijze toelichting op art. 6:108 BW is verwezen naar de toelichting die op art. 6:107 lid 2 BW is gegeven omdat de kring van gerechtigden dezelfde is. Het begrip ‘nauwe persoonlijke betrekking’ wordt ook gehanteerd in art. 1:204 lid 3 BW en art. 1:377a lid 1 BW, waarbij het de erkenning van en omgang met een kind betreft.

13 Zie ook Kamerstukken I 2016/17, 34 257, nr. C (MvA), p. 6.

14 Kamerstukken II 2015/16, 34 257, nr. 6 (NnavV), p. 16 en Kamerstukken I 2016/17, 34 257, nr. C (MvA), p. 7.

15 HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, r.o. 2.1.

16 De Raad voor de rechtspraak heeft op 2 oktober 2019 een advies uitgebracht aan de minister van Justitie en Veiligheid inzake de Wijziging van het Wetboek van Strafvordering ter bevordering van innovatie van verschillende onderwerpen in het kader van de modernisering van het Wetboek van Strafvordering. Onderdeel van dat wetsvoorstel om de mogelijkheid te creëren dat de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding wordt afgesplitst van het hoofdgeding, zonder dat de benadeelde partij zelf een procedure moet starten bij de burgerlijk rechter. De Raad voor de rechtspraak heeft geadviseerd de voordelen die slachtoffers hebben in een strafrechtsprocedure, zoals de voorschotregeling, ook in de nieuwe procedure zoveel mogelijk te behouden (brief van voorzitter van de Raad voor de rechtspraak aan de minister van Justitie en Veiligheid van 2 oktober 2019, p. 9, online via www.rechtspraak.nl).

17 Vgl. HR 4 maart 2014 ECLI:NL:HR:2014:476, NJ 2014/281 m.nt. Schalken.

18 Zie de onderdelen 5.7 t/m 6.0 van de aan het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 11 januari 2019 gehechte pleitnotities van de raadsman, aan de hand waarvan hij blijkens dat proces-verbaal het woord heeft gevoerd.

19 HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, r.o. 2.8.2.

20 HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, r.o. 2.8.7.