Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:1147

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
11-10-2019
Datum publicatie
08-11-2019
Zaaknummer
18/01665
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Vermogensrecht algemeen. Heeft PostNL onrechtmatig gehandeld, althans is zij ongerechtvaardigd verrijkt, door geen omruilmogelijkheid (meer) te bieden voor ongeldig verklaarde guldenpostzegels? Klachten van postzegelhandelaren dat sprake is van inbreuk op bestaand recht; kwalificatie van (bezit van) postzegel als vermogensrecht; passeren essentiële stellingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

18/01665

mr. G.R.B. van Peursem

11 oktober 2019

Conclusie inzake:

1. [eiser 1],

2. [eiser 2],

3. [eiser 3],

4. [eiseres 4] B.V.,

5. [eiser 5],

6. [eiser 6],

7. [eiser 7],

8. [eiseres 8] B.V.,

9. [eiser 9],

10. [eiser 10],

(hierna gezamenlijk: [de handelaren] of: de Handelaren),

eisers tot cassatie,

verweerders in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

adv.: mr. J. van Weerden,

tegen

1. Koninklijke PostNL B.V.

2. PostNL N.V.,

(hierna gezamenlijk: PostNL),

verweerders in cassatie,

eiseressen in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

adv.: mr. W.H. van Hemel.

Deze zaak gaat over de ongeldigverklaring van de guldenpostzegels in 2013 door PostNL en de vermeende onrechtmatigheid daarvan jegens eisers-bezitters van guldenpostzegels, in onze zaak op [eiser 10] na (beroeps)filatelisten.

Na de invoering van de chartale euro in 2002 zijn door PostNL geen guldenzegels meer uitgegeven. In verband met die invoering van de euro en de daarmee samenhangende uitgifte van eurozegels is aanvankelijk de mogelijkheid van omwisseling van guldenzegels overwogen, maar daar heeft PostNL van afgezien. Vóór 2002 uitgegeven guldenzegels bleven hun geldigheid als frankeermiddel eerst voor onbepaalde tijd behouden. Een grootschalige fraude met vervalste guldenpostzegels volgde, die niet dan tegen buitenproportionele kosten in de toekomst zou kunnen worden uitgebannen, waarna PostNL op 28 januari 2013 kenbaar maakte dat de guldenzegels vanaf 1 november 2013 ongeldig zouden worden als frankeermiddel bij de verzending van poststukken. Naast fraudebestrijding was daarvoor redengevend een efficiëntere en doelmatige controle van de frankering van 13 tot 19 miljoen poststukken per werkdag.

In deze procedure vorderen de Handelaren dat PostNL moet faciliteren dat de ongeldig verklaarde guldenzegels alsnog kunnen worden omgewisseld voor eurozegels. Zonder die omruilmogelijkheid is sprake van onrechtmatig handelen door PostNL jegens hen, althans van ongerechtvaardigde verrijking, zo stellen de Handelaren. Dat is overigens in 2013 door de Nederlandse Vereeniging van Postzegelhandelaren (NVPH, een vakorganisatie voor de beroepspostzegelhandel) ook al in kort geding tevergeefs geprobeerd.

Rechtbank en hof zijn hier ook in deze bodemzaak niet in meegegaan. Geoordeeld is dat PostNL zonder rechts- en normschending tot bedoelde ongeldigverklaring heeft kunnen overgaan, terwijl evenmin sprake is van ongerechtvaardigde verrijking. Dat wordt volgens mij tevergeefs bestreden in cassatie.

1. Feiten en procesverloop 1

1.1 Vóór 1989 was de Staat exclusief bevoegd tot en belast met het vervoer van brieven tegen een vergoeding. Dit vervoer werd door de Staat verricht door het Staatsbedrijf der Posterijen, Telegrafie en Telefonie (PTT). In 1989 werd het Staatsbedrijf der PTT verzelfstandigd. In het kader van de verzelfstandiging is PTT Nederland N.V. opgericht en aangewezen als exclusieve houder van de bevoegdheid tot het verrichten van de in de Postwet 1988 genoemde handelingen, waaronder de uitgifte van guldenzegels (postzegels met een frankeerwaarde in guldens of gulden-centen). PTT Nederland N.V. heeft vanaf 1989 deze concessie, ten aanzien van het postvervoer, feitelijk laten uitvoeren door haar dochtermaatschappij PTT Post B.V. (thans Koninklijke PostNL B.V., verweerster in cassatie in het principaal beroep/eiseres in cassatie in het voorwaardelijk incidenteel beroep sub 1). Na deze verzelfstandiging in 1989 is met de invoering van de Postwet 2009 de postmarkt verder geliberaliseerd. Hierbij is PostNL belast met de universele postdienst. Uit hoofde daarvan geeft zij - onder andere - postzegels uit, die kunnen worden gebruikt als frankeermiddel voor de door haar te verrichten postvervoersdiensten.

1.2 De Algemene Voorwaarden voor de Universele Postdienst 2010 van PostNL (hierna: de AVP 2010) vermelden in dit verband:

(inleiding 2 en artikel 1.2) dat de AVP 2010 van toepassing zijn op de dienstverlening door PostNL voor de uitvoering van de universele postdienst;

(artikel 1.1.n) dat door middel van een door PostNL verkrijgbaar gestelde postzegel de voor de uitvoering van de universele postdienst verschuldigde bedragen kunnen worden voldaan;

(artikel 5.1) dat PostNL de tarieven voor de diensten vaststelt;

(artikel 14.2, onder 2); “Ongebruikte, geldige, door Koninklijke TNT Post uitgegeven postzegels kunnen niet worden teruggenomen.”

(artikel 14.2, onder 3) “Koninklijke TNT Post bepaalt welke postzegels verkrijgbaar zijn en welke, niet meer verkrijgbare, postzegels niet meer geldig zijn. Tevens wordt bekend gemaakt gedurende welke periode niet meer geldige, ongebruikte postzegels tegen geldige postzegels kunnen worden ingewisseld.”

1.3 Sinds 2011/20122 is voormeld artikel 14.2, onder 3 niet meer opgenomen in de Algemene Voorwaarden voor de Universele Postdienst van PostNL.

1.4 De handelaren (met uitzondering van [eiser 10] die op enig moment een postzegelverzameling heeft geërfd) zijn (beroeps)filatelisten en houden zich onder meer bezig met de handel daarin. Een deel van hen is lid van de NVPH.

1.5 Na de invoering van de chartale euro op 1 januari 2002 zijn door PostNL geen postzegels meer uitgegeven met een frankeerwaarde in guldens c.q. gulden-centen (hierna: guldenzegels). In verband met de invoering van de euro en de daarmee samenhangende uitgifte van eurozegels is aanvankelijk omwisseling van guldenzegels overwogen. Hiervan is afgezien. De vóór 2002 uitgegeven guldenzegels, die niet al eerder hun geldigheid hadden verloren, bleven hun geldigheid als frankeermiddel behouden. Dit is tevoren met (ook) NVPH besproken (zie ook hierna in 1.6 de brief van 26 april 2001).

1.6 Onder meer in april 2001 heeft PostNL een aantal malen met NVPH gesproken over de invoering van zegelwaarden met waardevermelding in euro en de eventuele consequenties daarvan voor (de geldigheid van) zegelwaarden met een waardeaanduiding in guldens. In dat kader is gesproken over de rol van NVPH bij de indertijd voorziene omwisselprocedure.

Bij brief van 26 april 2001 aan NVPH heeft PostNL onder meer geschreven:

“(…)

3. Direct aan u aangekondigd en zoals besproken tijdens ons constructieve overleg van vrijdag 13 april jl. heeft PTT Post besloten dat zegelwaarden met een waardevermelding in guldens/centen voor onbepaalde tijd geldig zullen blijven voor frankering. (Dit betreft zegelwaarden vanaf 1977 en/of de serie Juliana Regina).

4. Tijdens ons overleg van 23 april jl. hebben PTT Post en de N.V.P.H. over de consequenties van bovenstaande ontwikkeling gesproken en overeenstemming bereikt over een alternatieve vorm van samenwerking, zulks in afwijking van de eerdere besprekingen over de omwisselprocedure.

5. U heeft de weergave van onze bespreking van 23 april 2001 gelezen en, naar ik begrijp, geaccordeerd. Volledigheidshalve voeg ik een kopie van het verslag bij. (….)

8. Het verheugt PTT Post dat zij met de N.V.P.H., ter vervanging van hetgeen in het kader van de omwisselprocedure is besproken, thans tot de hierboven en in het verslag gerelateerde afspraken heeft gemaakt.(…)”

1.7 Op 28 januari 2013 heeft PostNL – door middel van een persbericht – haar besluit kenbaar gemaakt dat de guldenzegels vanaf 1 november 2013 ongeldig zijn als frankeermiddel bij de verzending van poststukken.

1.8 De Handelaren hebben bij brief van 24 januari 2014 PostNL gesommeerd tot vergoeding van de schade als gevolg van het besluit tot ongeldigverklaring van de guldenzegels. PostNL heeft de aansprakelijkheid op 28 januari 2014 schriftelijk afgewezen.

1.9 De NVPH heeft in kort geding gevorderd dat PostNL B.V. ook na 1 november 2013 guldenzegels zou blijven accepteren, subsidiair heeft zij omwisseling van de guldenzegels gevorderd. De Haagse voorzieningenreechter heeft de vordering bij vonnis van 12 juni 2013 afgewezen. Bij arrest van 24 september 2013 heeft het hof Den Haag het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd.

1.10 De handelaren hebben vervolgens de onderhavige procedure aanhangig gemaakt tegen PostNL. Zij hebben daarbij na wijziging van eis – samengevat – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het volgende gevorderd:

primair:

PostNL hoofdelijk te bevelen om, gedurende een termijn van 36 maanden, dan wel gedurende een door de rechtbank te bepalen termijn, door elk van de handelaren bij PostNL in te leveren originele, postfrisse en onbeschadigde postzegels met waardeaanduiding in guldens en/of guldencenten, (voor de eerste keer) uitgegeven na 1 januari 1977 of behorend tot de serie ‘Juliana Regina’ of ‘cijferzegels type Crouwel’, welke guldenzegels door PostNL per 1 november 2013 ongeldig zijn verklaard, om te ruilen voor postzegels, die per datum vonnis voor onbepaalde duur geldig zijn en waarvan de totale frankeerwaarde gelijk is aan het totaal van de frankeerwaarde van de door elk van de handelaren ingeleverde guldenzegels en voornoemd(e) (pakket aan) geldige zegels aan de betreffende handelaar beschikbaar te stellen binnen een termijn van één maand na de dag waarop het equivalent aan guldenzegels is ingeleverd bij PostNL, een en ander op straffe van een dwangsom van € 5.000 voor iedere dag waarop PostNL hiermee in gebreke is met een maximum van € 1.000.000;

dan wel (subsidiair):

PostNL hoofdelijk te bevelen om de aan ieder van de handelaren op 28 januari 2013 geldige en aan hem of haar toebehorende, originele, postfrisse en onbeschadigde postzegels met waarde aanduiding in guldens en/of guldencenten, welke postzegels in totaal een frankeerwaarde hebben van de hieronder per handelaar aan te geven waarde, om te ruilen voor een totaal aan postzegels die per datum vonnis voor onbepaalde duur geldig zijn en waarvan de totale frankeerwaarde gelijk is aan de hierna (per handelaar) te noemen bedragen en aan ieder van de handelaren beschikbaar te stellen binnen een termijn van één maand na de dag waarop voornoemde guldenzegels zijn ingeleverd bij PostNL, een en ander op straffe van een dwangsom van € 5.000 voor iedere dag waarop PostNL hiermee in gebreke is met een maximum van € 1.000.000;

[eiser 1] € 167.100

[eiser 2] € 192.000

[eiser 3] € 187.940

[eiseres 4] B.V. € 243.530

[eiser 5] € 118.450

[eiser 6] € 247.000

[eiser 7] € 110.270

[eiseres 8] B.V. € 176.210

[eiser 9] € 135.000

[eiser 10] € 13.130

primair en subsidiair:

PostNL hoofdelijk te veroordelen in de kosten van het geding.

1.11 De handelaren hebben hun vorderingen in de eerste plaats (primair) gebaseerd op art. 6:162 BW (onrechtmatige daad) en in de tweede plaats (subsidiair) op art. 6:212 BW (ongerechtvaardigde verrijking). Daartoe hebben zij primair het volgende gesteld. Het door PostNL ongeldig verklaren van guldenzegels zonder het tegelijkertijd aanbieden van een (redelijke) inruilfaciliteit is in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt en derhalve onrechtmatig. De wettelijke basis aan een ongeldigverklaring van postzegels door een privaatrechtelijke rechtspersoon ontbreekt. De beslissing om de zegels ongeldig te verklaren zonder inruilfaciliteit is in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder de beginselen van zorgvuldigheid, rechtszekerheid, het voorkomen van willekeur en van voldoende motivering. De ongeldigverklaring moet aldus ook als een inbreuk op een recht worden aangemerkt. De vorderingen strekken tot opheffing van het onrechtmatig handelen van PostNL.

De subsidiaire grondslag (ongerechtvaardigde verrijking) is de volgende. De waarde van de guldenzegels is door de ongeldigverklaring nihil geworden. Er vindt een vermogensverschuiving plaats, die door niets wordt gerechtvaardigd en onder de werking van art. 6:212 BW dient te worden gecompenseerd.

1.12 De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank, kort samengevat [door het hof, A-G], overwogen:

(i) dat het geschil beoordeeld moet worden tegen de achtergrond van eerdere ongeldigverklaringen van postzegels, het beleid van (de rechtsvoorganger van) PostNL daarover en de mededelingen van PostNL aan NVPH bij de brief van 26 april 2001 (na de overleggen voorafgaand aan de invoering van de Euro) [vgl. rov. 4.3, A-G],

(ii) dat sinds 1899 postzegels met een zekere regelmaat ongeldig werden verklaard en dat daarbij geen omruilmogelijkheid in het leven werd geroepen [vgl. rov. 4.4 en 4.8, A-G],

(iii) dat in de beleidsregel uit 1968 met ‘onbepaalde’ geldigheidsduur van de postzegel niet wordt bedoeld ‘onbeperkte’ geldigheidsduur, maar een “nog niet bepaalde termijn” en uit niets blijkt dat PostNL na 1968 op enigerlei wijze aan het begrip “onbepaald” een andere uitleg heeft gegeven [vgl. rov. 4.63 en 4.11, A-G],

(iv) dat PostNL in 2001 uitdrukkelijk heeft overwogen om de omruil van postzegels mogelijk te maken én dat zij daartoe niet heeft besloten [vgl. rov. 4.10, A-G],

(v) dat PostNL bevoegd was om op 28 januari 2013 te beslissen om de guldenzegels ongeldig te verklaren, althans zonder de handelaren een inruilmogelijkheid te bieden [vgl. rov. 4.13, A-G],

(vi) dat PostNL daartoe ook voldoende zwaarwegende redenen had [vgl. rov. 4.144, A-G],

(vii) dat de handelaren er niet gerechtvaardigd op hebben mogen vertrouwen dat de guldenzegels onbeperkt geldig zouden blijven, dan wel dat bij ongeldigverklaring een inruilmogelijkheid zou worden geboden [vgl. rov. 4.15-4.17, A-G],

(viii) dat, mede gelet op het feit dat na vijf jaar 99% van alle postzegels voor frankering is gebruikt, niet gezegd kan worden dat PostNL tot een andere afweging had moeten komen, zeker niet nu de bezitter van guldenzegels nog negen maanden de tijd had om de zegels ‘weg te plakken’ [vgl. rov. 4.18, A-G],

(ix) dat van strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geen sprake is [vgl. rov. 4.19, A-G].

Op basis van het voorgaande heeft de rechtbank geconcludeerd dat van onrechtmatig handelen geen sprake is geweest, terwijl de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking is afgewezen, reeds omdat voor de gestelde verrijking een rechtvaardiging bestond [vgl. rov. 4.20-4.21, A-G].

1.13 Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en daartoe als volgt overwogen:

De gestelde onrechtmatige daad van PostNL

3. Het hof begrijpt uit de stellingen van partijen over en weer dat bedoeld is dat het hof recht doet op de vorderingen als weergegeven onder 2.8 [vgl. hiervoor in 1.10, A-G]. Weliswaar vermeldt de appeldagvaarding slechts de primaire vordering en de memorie van grieven ‘tot persistit’, maar duidelijk is zowel uit de toelichting op de grieven als uit de memorie van antwoord (onder meer nummers 562 t/m 569) dat beide partijen het oog hebben zowel op deze aldus weergegeven primaire als ook op de subsidiaire vorderingen.

4. De grieven I tot en met XIV, die zich richten tegen de afwijzing van de vordering op de primaire grondslag onrechtmatige daad, lenen zich voor gezamenlijke behandeling. In dit verband gaat het in de kern om het verwijt dat PostNL onrechtmatig heeft gehandeld jegens de Handelaren door de guldenzegels in 2013 ongeldig te verklaren zonder het bieden van een inruilmogelijkheid. De Handelaren willen (in de vorm van opheffing van de onrechtmatigheid) dat hun gedurende drie jaar de mogelijkheid wordt geboden om guldenzegels tegen de nominale waarde ervan in te ruilen voor thans geldige postzegels.

5. Los van de vraag of een dergelijke vordering zich verdraagt met artikel 6:168, eerste lid BW en los van talloze andere (procestechnische) weren, is het hof van oordeel dat er geen sprake is van onrechtmatig handelen van PostNL jegens de Handelaren – anders dan de Handelaren wellicht beogen betreft deze vordering alleen henzelf –, zodat de vordering terecht is afgewezen. Hiertoe wordt als volgt overwogen.

6. Na de privatisering van de PTT en de verdere liberalisering van de postmarkt is uiteindelijk de rechtspersoon PostNL belast met de universele postdienst. Uit hoofde daarvan geeft zij postzegels uit, primair met de bedoeling dat deze worden gebruikt als frankeermiddel voor de door haar te verrichten postvervoerdiensten. De postzegel is geen algemeen betaalmiddel, maar wel een (eenmalig te gebruiken) betaalmiddel in het verkeer met PostNL. De koper van de postzegel of de latere bezitter mag er echter niet zonder meer op vertrouwen dat PostNL de postzegel als frankeermiddel zal aanvaarden. Een postzegel geeft geen recht op een met PostNL te sluiten vervoerovereenkomst en doet evenmin een vervoerovereenkomst tot stand komen; hij bewijst slechts dat de vrachtprijs van een te sluiten vervoerovereenkomst geheel of gedeeltelijk is voldaan. Een postzegel kan bovendien door PostNL ongeldig worden verklaard. Het hof verwerpt dan ook het (te absolute) betoog van de Handelaren dat een postzegel een algemeen betaalmiddel is, zodat ongeldigverklaring ervan een inbreuk op hun bezitsrecht zou zijn. Dat PostNL tot ongeldigverklaring bevoegd is vloeit voort uit de bijzondere aard van de rechtsverhouding tussen PostNL (die postzegels voor haar vervoersdiensten uitgeeft) en de koper van de postzegel, althans uit de redelijkheid en billijkheid. Overigens is tussen partijen niet langer in geschil dat PostNL bevoegd was de guldenzegels in dit geval ongeldig te verklaren. PostNL had bovendien zwaarwegende redenen om tot ongeldigverklaring over te gaan. Het hof verwijst hiertoe naar rechtsoverweging 4.145 van het bestreden vonnis die het hof onderschrijft. De Handelaren achten het evenwel onrechtmatig dat hun bij de ongeldigverklaring per 1 november 2013 geen omruilmogelijkheid is geboden.

Het achterwege laten van omruilmogelijkheid onrechtmatig?

7. In hoeverre een omruilmogelijkheid moet worden geboden hangt af van de omstandigheden van het geval, bezien tegen de achtergrond van het ongeschreven recht. Anders gezegd: het gaat hierbij om de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer door PostNL betracht moet worden jegens de opvolgend bezitters van guldenzegels (in dit geval de Handelaren, onder wie [eiser 10]). Het hof neemt bij de beoordeling hiervan de volgende omstandigheden (in rechtsoverwegingen 8 tot en met 12 weergegeven) in aanmerking.

8. In dit concrete geval gaat het niet om de 99% van de van PostNL gekochte guldenzegels die binnen vijf jaar na aankoop als frankeermiddel voor postdiensten zijn gebruikt. Het gaat om guldenzegels die de Handelaren kennelijk niet rechtstreeks van PostNL hebben gekocht – de laatste guldenzegel is in 2001 uitgebracht –, maar later (uit verzamelingen en dergelijke) hebben verworven (door PostNL de ‘secundaire handel’ genoemd). Het hof gaat er vanuit, gelet op de uitvoerige – niet deugdelijk bestreden – onderbouwing door PostNL, dat de betreffende guldenzegels waarvan de Handelaren thans inruil wensen, door hen onder de nominale waarde zijn verworven (dan wel tezamen met andere zegels zijn geërfd), zodat reeds hierom omruiling tegen de nominale waarde onredelijk is.

9. In het verleden is in Nederland vaker sprake geweest van ongeldigverklaring van postzegels, steeds zonder dat een mogelijkheid tot omruil werd geboden.

10. Vóór de invoering van de euro (en de eurozegel) is in 2001 overleg gevoerd met de branchevereniging, waarvan een deel van de Handelaren lid is. Aanvankelijk is toen gesproken over inruilmogelijkheden. Blijkens de nadien door PostNL aan NVPH gezonden (en geaccordeerde) brief van 26 april 2001 (zie rechtsoverweging 2.6 [vgl. hiervoor in 1.6, A-G]) is toen afgezien van inwisseling maar is in plaats daarvan besloten tot verlenging van de geldigheidsduur van de guldenzegels voor onbepaalde tijd. Zoals PostNL met juistheid opmerkt is ‘onbepaalde duur’ iets anders dan ‘onbeperkte duur’. Op enig moment kan de geldigheidsduur wel degelijk worden beëindigd. Aan de omschrijving ‘onbepaald’ in deze brief hebben de Handelaren niet gerechtvaardigd het vertrouwen kunnen ontlenen dat de guldenzegels onbeperkt geldig zouden blijven (en dus nooit ongeldig verklaard zouden worden, ook niet wanneer er aan de zijde van PostNL zwaarwegende redenen voor zouden zijn). Ook het feit dat in 2001 van omwisseling is afgezien en in plaats daarvan is gekozen voor verlenging van de geldigheidsduur, rechtvaardigt niet het vertrouwen dat na 12 jaar alsnog kan worden omgeruild, zeker niet nu meer dan een decennium na ongeldigverklaring de guldenzegels voor frankering konden worden gebruikt. In dit verband wijst het hof er bovendien nog op dat de Handelaren zich op deze brief beroepen, hoewel zij geen directe partij bij deze afspraken zijn.

11. De Handelaren hebben zich nog beroepen op artikel 14.2, onder 3 van de AVP 2010, welke bepaling ook zou hebben gegolden in 2001, inhoudende: “Koninklijke TNT Post bepaalt welke postzegels verkrijgbaar zijn en welke, niet meer verkrijgbare, postzegels niet meer geldig zijn. Tevens wordt bekend gemaakt gedurende welke periode niet meer geldige, ongebruikte postzegels tegen geldige postzegels kunnen worden ingewisseld.”.

Ook dit beroep faalt. In de eerste plaats verdient opmerking, zoals gezegd, dat de aankoop of het bezit van een postzegel geen recht geeft op een vervoerovereenkomst met PostNL en evenmin een dergelijke vervoerovereenkomst tot stand doet komen (zie rechtsoverweging 2.2 [vgl. hiervoor in 1.2, A-G]). In zoverre zijn de AVP 2010 niet rechtstreeks van toepassing op degene die guldenzegels bezit, zolang geen vervoerovereenkomst met PostNL is aangegaan. In de tweede plaats geeft de betreffende passage geen onvoorwaardelijk recht op inwisseling van ongeldige ongebruikte postzegels, zeker niet nu in 2001 terzake concrete andersluidende (voor handelaren voordelige) afspraken zijn gemaakt. In de derde plaats bevatten de nadien, ten tijde van de ongeldigverklaring geldende, algemene voorwaarden van PostNL de betreffende passage niet meer, zodat niet gezegd kan worden dat toen op basis van de algemene voorwaarden van PostNL (in enige vorm van reflexwerking) het vertrouwen in een omruilfaciliteit werd gewekt.

12. Tot slot verdient opmerking dat PostNL met kracht van argumenten heeft aangetoond dat de door Handelaren gewenste omwisselactie feitelijk nauwelijks mogelijk is en tot bovenmatige (uiteindelijk weer ten laste van gebruikers van vervoerdiensten komende) kosten zou leiden. Anders dan de Handelaren stellen, acht het hof de belangen van PostNL in dit concrete geval aanzienlijk zwaarwegender dan die van de Handelaren.

13. Alles afwegende komt het hof tot het oordeel dat de zorgvuldigheid in het maatschappelijk verkeer niet met zich meebrengt dat door PostNL aan de Handelaren in 2013 een mogelijkheid tot omruilen had moeten worden geboden. Er was geen grond voor gerechtvaardigd vertrouwen dat deze mogelijkheid zoveel jaren na de laatste uitgifte van de guldenzegels en de verlengde frankeermogelijkheid ervan alsnog zou worden geboden, terwijl evenmin andere omstandigheden naar voren zijn gekomen die PostNL daartoe hadden moeten noodzaken.

14. Overigens is gesteld noch gebleken wanneer de guldenzegels door de Handelaren zijn verworven, terwijl evenmin concreet is aangegeven welke guldenzegels men per 28 januari 2013, respectievelijk per 1 november 2013 bezat. Voorts ontbreekt bij de becijfering in het petitum elke onderbouwing. Ook dit staat aan toewijzing van de omruilvorderingen in de weg. Het bij pleidooi gedane aanbod van de Handelaren (pleitnota 42) om de relevante administratie over te leggen, is niet alleen te laat gedaan – schriftelijke bescheiden dienen meteen, althans aanmerkelijk eerder in de procedure, overgelegd te worden – maar bovendien heelt dit aanbod en het (te vage) aanbod om de boekhouder, administrateur of accountant te doen horen niet de tekortkomingen in de stelplicht. De grieven I t/m XIV worden verworpen, althans hoeven verder niet meer apart besproken te worden.

Het beroep op ongerechtvaardigde verrijking, grief XV

15. Ook deze grief faalt. Zoals PostNL bij pleidooi in hoger beroep onweersproken heeft betoogd, zijn de ontvangsten van door haar verkochte guldenzegels in het bedrijfsresultaat van het betreffende jaar verwerkt en vervolgens verdisconteerd in de (lagere) prijs van de postzegels in de jaren daarop. PostNL is niet verrijkt door geen omruilfaciliteit te bieden. Bovendien had PostNL blijkens het voorgaande een rechtvaardiging voor haar handelwijze. Reeds hierom kan van ongerechtvaardigde verrijking niet worden gesproken.

Grief XVI

16. Dit is een zogenaamde “veeggrief” en hoeft niet apart besproken te worden.

Slotsom

17. Uit het voorgaande vloeit voort dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Het hof komt niet toe aan bespreking van de overige stellingen en weren. Aan bewijslevering wordt evenmin toegekomen, aangezien verder geen terzake dienend, voldoende concreet, bewijsaanbod is gedaan. De Handelaren zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.”

1.14 [de handelaren] hebben tijdig cassatieberoep ingesteld. PostNL heeft verweer gevoerd, haar standpunt schriftelijk laten toelichten en voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. [de handelaren] hebben hiertegen verweer gevoerd.

2 Bespreking van het cassatieberoep

Inleiding

2.1

Het cassatiemiddel in principaal beroep bestaat uit vier onderdelen, in de procesinleiding in cassatie “klachten” genoemd.

Klacht 1 richt zich tegen het oordeel in rov. 6 dat het niet bieden van een omruilmogelijkheid geen strijd met een recht in de zin van art. 6:162 BW lid 2 oplevert. In onderdelen A tot en met D wordt geklaagd dat dit onjuist of onbegrijpelijk is.

Klacht 2 bestrijdt rov. 8 tot en met 13, waarin het hof oordeelt dat met het niet bieden van een omruilmogelijkheid evenmin maatschappelijke zorgvuldigheidsnormen zijn geschonden, zodat ook op die grond geen sprake is van onrechtmatig handelen door PostNL. In onderdelen A tot en met G wordt dit uitgewerkt met rechts- en motiveringsklachten.

Klacht 3, met als kopje “Becijferd petitum”, valt over rov. 14, waarin het hof oordeelt dat sprake is van schending van [de handelaren]’ stelplicht met betrekking tot wanneer de postzegels door hen zijn verkregen en welke guldenzegels men op 28 januari 2013 respectievelijk 1 november 2013 bezat, terwijl ook geen onderbouwing is verschaft van de becijfering in het petitum, waarmee het hof klaarblijkelijk doelt op de subsidiaire vordering na eiswijziging. Volgens de klacht is dit onjuist, berust het op een onbegrijpelijke lezing van het petitum of is sprake van onvoldoende motivering.

In klacht 4 worden rechts- en motiveringsklachten gericht tegen het oordeel in rov. 15 dat geen sprake is van ongerechtvaardigde verrijking.

2.2

Ik bespreek eerst hoe rov. 14 van het bestreden arrest moet worden opgevat. PostNL betoogt onder meer bij s.t. 32 dat dit schending stelplicht-oordeel de afwijzing van alle vorderingen zelfstandig draagt, zodat bij het niet opgaan van klacht 3 geen belang bestaat bij de overige klachten.

2.3

Dat lijkt mij hooguit op te kunnen gaan voor het oordeel dat het gewraakte niet bieden van een omruilmogelijkheid bij de ongeldigverklaring van de guldenzegels geen onrechtmatige daad oplevert, nu het hof in rov. 14 op het eind de grieven I tot en met XIV verwerpt, waarvan het in rov. 4 aangeeft dat die gericht zijn tegen afwijzing van de vordering op de primaire grondslag onrechtmatige daad. Bij klacht 4 tegen rov. 15 over afwijzing van de vordering op de subsidiaire grondslag ongerechtvaardigde verrijking bestaat ook dan nog wel degelijk belang.

2.4

Maar het lijkt mij niet buiten kijf dat rov. 14 de op onrechtmatige daad gegronde vorderingen zelfstandig draagt, ook al luidt de derde volzin zo: “Ook dit staat aan toewijzing van de omruilvorderingen in de weg.” Naast het hiervoor besproken aspect dat dit alleen kan gelden voor de omruilvorderingen gestoeld op de grondslag onrechtmatige daad, kan het ook zijn dat het hof hier als het ware ten overvloede de subsidiaire vorderingen die na eiswijziging zijn toegevoegd (voor zover gebaseerd op onrechtmatige daad) nog afwijst op schending van de stelplicht van de handelaren. De redenering van het hof is dan: die zijn “overigens” onvoldoende gesubstantieerd – maar worden ook al getroffen door de afwezigheid van een onrechtmatige daad opleverende rechts- of normschending in de ogen van het hof, zoals overwogen in rov. 6 tot en met 13.

Omdat deze laatste lezing mij voor de hand lijkt te liggen, bespreek ik de klachten na de verdere inleiding in de voorgedragen volgorde.

Juridische duiding van postzegels

2.5

In de tweede plaats geef ik ter inleiding hier de dragende overwegingen weer uit het hofarrest in de eerdergenoemde kortgedingzaak6 die de NVPH in 2013 had aangespannen met een vergelijkbare inzet als onze bodemzaak, omdat daarin op heldere wijze een aantal elementen naar voren komt over het juridische karakter van postzegels, elementen die ook in onze cassatiezaak van belang zijn [onderstrepingen A-G]:

“2.4 Wanneer iemand een brief wil laten vervoeren naar een ander kan hij daartoe naar een postkantoor gaan en de brief ter bezorging aanbieden. Nadat het daarvoor verschuldigde tarief is betaald, zal de brief worden voorzien van een zegel (of etiket) als bewijs van betaling van het tarief, waarna PostNL de brief zal bezorgen. Aldus wordt duidelijk wat de functie van een postzegel is: het is een betalingsbewijs of kwijting. Voor wie vaak een brief heeft te versturen is het niet efficiënt om telkens een gang naar een postkantoor te moeten maken. Voor een dergelijke persoon is het praktischer om zich al bij voorbaat een aantal postzegels te verschaffen en om de brieven, voorzien van een geldige postzegel, in een brievenbus van PostNL te doen. Aan de hand van de postzegel kan PostNL vaststellen dat het verschuldigde tarief is voldaan.

2.5

Wie zich een of meer postzegels heeft verschaft, is niet gehouden om deze te gebruiken als frankeermiddel. Hij kan deze ook in een verzameling onderbrengen, aan een ander ten geschenke geven, wegbergen (in de hoop om in de toekomst postfrisse exemplaren te kunnen verkopen tegen een hoger bedrag dan de aanschafprijs) of er anderszins een bestemming aan geven, bij voorbeeld verkoop aan een postzegelhandelaar. Het gebruik van de postzegel als frankeermiddel is evenwel het meest gangbaar: volgens een niet bestreden mededeling van PostNL wordt 95% van de 'verkochte' postzegels binnen één jaar en 99% binnen vijf jaar voor dat doel gebruikt. De laatste guldenzegels zijn in 2001 uitgegeven.

2.6

NVPH c.s. heeft het zich verschaffen van postzegels uitgelegd als een koop en verkoop. Daargelaten of deze uitleg juist is – veeleer lijkt er sprake van een overeenkomst sui generis –, is deze rechtshandeling voltooid met het voldoen van de nominale waarde van de gewenste zegels enerzijds en het overhandigen van de zegels anderzijds. Het hof volgt NVPH c.s. niet in de visie dat uit die overeenkomst voor PostNL de verbintenis voortvloeit om de postzegels mettertijd als frankeermiddel te aanvaarden. Bij het sluiten van een concrete postvervoersovereenkomst zal PostNL wel een bij voorbaat aangeschafte, geldige postzegel beschouwen als een geldig betaalmiddel ter voldoening van het verschuldigde tarief (naast chartaal of giraal geld) en de postzegel heeft dan tevens de functie van kwijting. Dat vloeit voort uit de aard van de postzegel, die, in termen van overeenkomstenrecht, ook is uit te leggen als een aanbod (onder voorwaarden) tot het aangaan van een postvervoersovereenkomst. Hieruit volgt dat het hof de stelling van NVPH c.s. verwerpt dat PostNL niet de bevoegdheid heeft de koopovereenkomst eenzijdig te verbreken althans niet na te komen door postzegels ongeldig te verklaren. Van een zodanige situatie is hier geen sprake.

2.7

Daarmee komt het hof bij de stelling van NVPH c.s., inhoudend dat de ongeldigverklaring van de guldenzegels in de omstandigheden van het geval een onrechtmatige daad vormt, tegenover de bezitters van guldenzegels en in het bijzonder de verzamelaars van postzegels. Deze laatsten, althans hun eventuele erfgenamen, wordt daardoor de mogelijkheid ontnomen om, wanneer zij hun collectie op enig moment te gelde zouden willen maken, voor de guldenzegels nog (een deel van) de nominale waarde te verkrijgen. Daarvoor is een termijn van negen maanden (tot 1 november 2013) te kort, hetgeen al blijkt uit het 'instorten' van de markt na het besluit tot ongeldigverklaring. Bovendien heeft PostNL geen mogelijkheid in het leven geroepen om de guldenzegels in te ruilen tegen thans geldige zegels. Aldus NVPH c.s..

2.8

Vooreerst legt gewicht in de schaal dat PostNL voldoende en geldige motieven had om tot ongeldigverklaring van de guldenzegels over te gaan. Zij heeft als zodanig onder meer genoemd dat deze zegels veel gemakkelijker dan moderne postzegels vervalst kunnen worden en dat vrij recent grootschalige vervalsingen aan het licht zijn gekomen. Daarnaast brengt volgens PostNL een efficiënte en doelmatige controle van de frankering van de circa tien miljoen poststukken, die PostNL gemiddeld per werkdag te verwerken heeft, met zich dat het aantal geldige postzegels beperkt blijft c.q. wordt. Het hof acht de onderbouwing die PostNL omtrent een en ander in de gedingstukken heeft gegeven, toereikend.

2.9

Het hof stelt verder voorop dat bij (beroeps)filatelisten (maar ook bij het 'gewone' publiek) bekend mag worden geacht dat Nederlandse postzegels geen onbeperkte geldigheidsduur hebben. Voor tal van postzegels is al bij de uitgifte bekendgemaakt hoe lang zij geldig waren. Voor vele andere zijn later besluiten publiek gemaakt waarin is bepaald wanneer de geldigheid afliep. Verzamelaars van postzegels zullen zich dus, voor zover zij al in de frankeergeldigheid van postzegels geïnteresseerd zijn, realiseren dat (postfrisse) zegels na verloop van jaren niet meer als geldig frankeermiddel kunnen worden gebruikt, en sommigen zal dat welkom zijn omdat dat een positief effect op de waarde van de verzameling kan hebben.

2.10

Het is mitsdien geen ongewoon verschijnsel dat PostNL een besluit heeft genomen om de geldigheidsduur van de guldenzegels af te schaffen, al gebeurde het na de privatisering van de PTT blijkbaar voor het eerst dat een dergelijk besluit viel. Ook het tijdstip waarop het besluit bekend werd gemaakt, kan nauwelijks verwondering wekken: het lag in de rede dat meer dan tien jaar na het afschaffen van de gulden als betaalmiddel ook de guldenzegels op enig moment hun geldigheid als betaal- en frankeermiddel bij het aangaan van een postvervoersovereenkomst zouden verliezen. Het hof volgt PostNL dan ook in het verweer, dat een periode van ruim tien jaar voldoende geacht kan worden om zich van guldenzegels te ontdoen. Daarbij komt dat een mogelijk argeloze bezitter van guldenzegels nog negen maanden extra de tijd heeft gekregen om de zegels op te maken of van de hand te doen.

2.11

Deze periode van ruim tien jaar plus negen maanden brengt tevens met zich dat van PostNL niet verlangd kan worden dat zij een mogelijkheid tot omruil van guldenzegels tegen thans geldige zegels biedt.

2.1 2

Wie zich postzegels verschaft met een andere intentie dan om deze op termijn op poststukken te plakken of wie zich postzegels verschaft in een grotere hoeveelheid dan hij gewoonlijk in de hierboven sub 2.5 genoemde periode van vijf jaar als frankeermiddel nodig heeft, aanvaardt het risico dat in die periode (of op een later tijdstip) een besluit tot ongeldigverklaring valt en de postzegels niet meer als geldig kunnen worden gebruikt.

2.13

Het hof begrijpt dat in de afgelopen jaren een handel in guldenzegels is ontstaan doordat handelaars deze aankopen van verzamelaars, tegen een fractie van de nominale waarde, en de zegels vervolgens met winst, maar nog altijd onder de nominale waarde, doorverkopen aan afnemers zoals webshops en verenigingen, die willen besparen op kosten van porti. Deze vorm van handel is geoorloofd maar staat ver af van de primaire functie van de postzegel: een documentje waarmee op eenvoudige wijze kan worden aangetoond dat de kosten van het bezorgen van een poststuk zijn voldaan. Aan deze handel zijn de risico's verbonden die gelden voor elke vorm van handel: de omstandigheden kunnen zich wijzigen en men zal daarop moeten inspelen door tijdig de koers te verleggen. PostNL kan niet verweten worden dat als sequeel van de ongeldigverklaring van de guldenzegels ook aan deze handel (vooralsnog) een einde komt. Te verwachten is dat de postzegelhandel op zoek zal gaan naar nieuwe afzetmogelijkheden voor interessante collecties.

2.14

NVPH c.s. hebben nog aangevoerd, dat postzegelverzamelaars ervan mochten uitgaan dat guldenzegels te allen tijde een bodemwaarde ter hoogte van de nominale waarde zouden behouden. Het hof kan daarin niet meegaan. Gewone consumenten zullen, geruime tijd na de invoering van eurozegels, guldenzegels als regel niet van hen willen overnemen uit onwetendheid of onzekerheid over de geldigheid ervan. Handelaren zijn, zo valt af te leiden uit het beweerde 'instorten' van de markt na 28 januari 2013, slechts tot overname bereid zolang zij er handel in zien en zijn dan nog slechts bereid tot het betalen van een fractie van de nominale waarde (in de gedingstukken worden percentages tot 55% van de nominale waarde genoemd). De bedoelde bodemwaarde bestond dus alleen nog voor verzamelaars die bereid en in staat waren de guldenzegels zelf als geldig frankeermiddel toe te passen. Voor wie daartoe niet in staat was c.q. is geldt hetgeen hierboven sub 2.12 is overwogen.

2.15

Op grond van deze overwegingen komt het hof tot de conclusie dat het besluit tot ongeldigverklaring een toets in een bodemgeschil waarschijnlijk zal doorstaan. Het hof acht geen grond tot het treffen van een ordemaatregel aanwezig.”

2.6

Over postzegels is weinig recente juridische literatuur of rechtspraak voorhanden7. Oudere literatuur dateert van (ver) voor de privatisering van de PTT en de gefaseerde liberalisering van de postmarkt. Een groot gemis lijkt dat niet voor onze zaak, omdat centraal staat wat vroeger de PTT deed en nu PostNL doet: het hanteren van postzegels als frankeermiddel in het kader van de universele postdienst.

2.7

Een postzegel, waarvan het de bedoeling is dat die wordt vastgehecht aan poststukken, heeft als functie een eenmalig gebruik bij vervoer van een bepaald poststuk tegenover de administratie van de concessiehouder van de universele postdienst. Wanneer de postzegel is (af)gestempeld, heeft deze zijn functie vervuld8.

2.8

De postzegel kan worden gezien als onderdeel van een vervoerovereenkomst tussen de gebruiker van de postzegel en in ons geval PostNL.

2.9

Volgens Valkhoff gaat het bij brievenpost “om een overeenkomst betreffende een bepaald stuk (van een bepaalde soort, met een bepaald gewicht, enz.), van een bepaalde afzender als medecontractant van de PTT (en aan deze vaak volkomen onbekend), aan een bepaalde geadresseerde, tussen bepaalde plaatsen, in een bepaald rayon, op een bepaald moment”. De vervoerovereenkomst komt volgens hem tot stand door de terpostbezorging9. Dat sluit aan bij de regeling uit de door PostNL gehanteerde algemene voorwaarden voor de universele postdienst10.

2.10

Wolff de Beer trekt een parallel met een spoorkaartje/vervoerbiljet en ziet in het publiceren van posttarieven door de PTT een openbaar aanbod, waar men bij koop/betaling van een postzegel toe “toetreedt”. Het opplakken van de zegel en het ter post bezorgen van dit beplakte stuk bepaalt de inhoud van de overeenkomst nader en hij ziet in de afstempeling van de postzegel een bevestiging van de overeenkomst zijdens de Posterijen. Na het opplakken van de zegel en de ter post bezorging wordt de afzender rechthebbende op briefvervoer11. De postzegel zou volgens hem ook een optierecht tot vervoer kunnen vertegenwoordigen, die wordt uitgeoefend door het plakken van de postzegel op een geadresseerde envelop12. Hij bestrijdt ook de opvatting van Valkhoff dat een postzegel geen kwitantie of legitimatiepapier kan zijn. Wolff de Beer ziet de postzegel niet als een (relatief) betaalmiddel, maar als een bewijs van betaling13.

2.11

De verkoop van een postzegel kan volgens een andere visie ook als een verbintenis uit overeenkomst tot een doen worden gezien (art. 3:307 BW). De postdienst zou zich dan verplichten tot verzending van een nog nader te bepalen hoeveelheid post. Tegen betaling bestaat het recht om het vooruitbetaalde bedrag, waarvan de postzegel het bewijs levert, enig moment voor verzending van een poststuk te gebruiken14.

2.12

Deze laatste twee visies lijken mij nodeloos complicerend.

Ik onderschrijf de zienswijze dat de koop en levering van een postzegel op zich geen contractuele rechten creëert in de vorm van een recht op het sluiten van een briefvervoerovereenkomst of een andere prestatie van de verlener van de universele postdienst15. Dat lijkt de hoofdstroom in de door mij onderzochte literatuur en is volgens mij ook de sleutel voor de oplossing van de problemen in onze zaak. Volgens Hartkamp in zijn in de laatste voetnoot bedoelde “legal opinion” bewijst een postzegel dat de vrachtprijs van een te sluiten vervoerovereenkomst geheel of ten dele is betaald, maar schept het geen contractuele rechten. We zagen het Haagse hof in het kortgedingarrest in rov. 2.6 tot eenzelfde analyse komen. Die lijkt (ook) mij het meeste recht te doen aan het vorenbedoelde sui generis-karakter en daarom juist. Valkhoff zegt het zo: “de postzegel [is] niet (…) een waardepapier, niet een legitimatiepapier en niet een kwijting (quitantie). Wat is hij dan wel? Betaalmiddel in het verkeer met de PTT als zodanig 16.” Ook Kohler ziet de postzegel als niet meer dan een relatief betaalmiddel jegens de concessiehouder van de universele postdienst17. Evenzo Molengraaff18.

2.13

Dat de postzegel als een relatief betaalmiddel moet worden gezien, vindt steun in een oude strafuitspraak van Uw Raad uit 1938, waarin postzegels onder het begrip “geldswaardig papier” in de zin van art. 359 Sr woren begrepen, omdat zij krachtens art. 24 van de toenmalige Postwet bestemd zijn tot betaling van bepaalde diensten of rechten en dus als zodanig in het verkeer de functie vervullen, die haar tot geldswaardig papier bestempelt19.

2.14

Moet een postzegel dan niet als een waardepapier20 gezien worden (d.w.z. een vordering aan toonder in dit geval)? Volgens Valkhoff21 niet, die zich daarbij afzet tegen Star Busmann22, die de postzegel als waardepapier in de vorm van toonderpapier ziet, omdat het bezit niet een bepaalde persoon, maar een ieder legitimeert. Dat haakt volgens Valkhoff, in het voetspoor van Kohler, Molengraaff en Wittewaal, te zeer aan bij een vervoersbiljet en een postzegel heeft volgens hem andere kenmerken.

Bezien wij dit kort nader. Er geldt in Nederland geen gesloten stelsel van order- en toondervorderingen; het staat partijen in beginsel vrij om dergelijke vorderingen te scheppen. Dat gebeurt meestal in deze vorm: de debiteur tekent een akte, waarin staat dat de rechthebbende op de vordering zal zijn degene die het papier toont (vordering aan toonder), of dat rechthebbende zal zijn een met name genoemde persoon of diens order, zodat hij een andere met name genoemde persoon middels een endossement in zijn plaats kan stellen (vordering aan order). Een akte is wettelijk niet verplicht; art. 3:93 BW (levering rechten aan toonder of order) veronderstelt alleen maar dat er papier gebruikt wordt. In tegenstelling tot het buitenland, waar in de regel een min of meer gesloten stelsel van waardepapieren geldt, bestaat er naar Nederlands recht dus, behoudens inperkingen door de wet, vrijheid voor partijen om hun vordering aan order of toonder te stellen23.

Een voorbeeld van een waardepapier is een bankbiljet. De vordering op De Nederlandsche Bank wordt door middel van het papier overgedragen24.

Volgens een conclusie voor een fiscaal arrest uit 1998 geldt dat wanneer waardepapieren begrepen moeten worden als order- en toonderpapieren, daar postzegels niet onder vallen. Postzegels worden hier vergeleken met legitimatiepapieren, zoals plaatsbewijzen voor het openbaar vervoer25. Postzegels worden geduid als bewijzen van betaling die recht geven op een prestatie en die, hoewel in feite overdraagbaar, niet met die bedoeling zijn uitgegeven. De aankoop van postzegels vormt volgens deze fiscale conclusie in omzetbelasting-termen een vooruitbetaling (art. 13 lid 2 Wet OB 1968)26.

2.15

Genuanceerd is Valkhoff over het karakter van een postzegel als waardepapier in het geval de verlener van de universele postdienst overgaat tot openlijke intrekking van gangbare postzegels, waardoor deze zegels hun functie en karakter als relatief betaalmiddel verliezen. Dan lijkt hij precies te betogen wat de Handelaren in onze zaak aanvoeren:

“[Dan] zou de postzegel een papier kunnen zijn, waaruit een schuldvordering voortspruit en waarin een vorderingsrecht belichaamd is. De eigenaar van een postzegel zou dan een vorderingsrecht op de postadministratie op een equivalente waarde kunnen hebben. De PTT zou verplicht kunnen zijn hem gelijkwaardige nieuwe zegels te verschaffen tegen inlevering van de oude krachtens eenzijdige verklaring ingetrokken zegels. Dan zou de postzegel bij uitzondering “Obligationspapier”, “Forderungspaier”, “Inhaberpapier” zijn.”27

De postzegeleigenaar zou in dat geval volgens Valkhoff een vorderingsrecht op de postadministratie op een equivalente waarde kunnen hebben en verplicht kunnen zijn hem gelijkwaardige nieuwe zegels te verschaffen tegen inlevering van de oude eenzijdig ingetrokken zegels. De postzegel zou in die zin bij uitzondering een waardepapier zijn.

Valkhoff gebruikt op deze plaats volgens mij bewust de potentialis als werkwoordsvorm, omdat hij vervolgens een vergelijking trekt met bankbiljetten, die juridisch wel als waardepapieren gelden en in tegenstelling tot postzegels geen relatief, maar een algemeen betaalmiddel zijn. In de destijds geldende Bankwet 1948 was een wettelijke plicht tot inwisseling van ongeldige bankbiljetten tegen geldige opgenomen28 en Valkhoff benadrukt dat zo’n wettelijke omruilplicht voor postzegels niet bestond destijds:

“In Nederland bevat noch de Postwet, noch het Postbesluit bepalingen betreffende een omwisselingsplicht van de PTT bij intrekking. Hier bestaat geen duidelijk omschreven vorderingsrecht van de houder op de postadministratie. Wel wordt, indien een postzegel buiten gebruik wordt gesteld, het publiek, zo enigszins mogelijk, gedurende een ruim tijdvak in de gelegenheid gesteld om de buiten gebruik gestelde zegels op te gebruiken en zo nodig nog gedurende een bepaalde beperkte tijd de mogelijkheid geboden de niet meer geldige postegels tegen geldige exemplaren om te wisselen.29

2.16

Daarmee belanden we bij de kern van de problematiek in onze zaak. Het door Valkhoff in 1952 geschetste ontbreken van een wettelijke grondslag tot een aanspraak op omruiling van eenzijdig door de verlener van de universele postdienst ongeldig verklaarde postzegels, gaat ook vandaag nog op: deze grondslag ontbreekt in de in onze zaak toepasselijke postwetgeving eveneens. Gelet op de hantering van voornoemde potentialis en deze anders dan bij bankbiljetten voor postzegels ontbrekende wettelijke grondslag, geloof ik dat de besproken uitzondering waar Valkhoff mee begint in ons geval geen opgeld doet. Met andere woorden: zo’n vorderingsrecht, van de houder van een ongeldig verklaarde postzegel, op de verlener van de universele postdienst op een equivalente waarde bestaat hier volgens mij niet – maar dat is natuurlijk wel een beslispunt in deze zaak.

2.17

Eigenlijk zijn we er nu al, maar ik beschouw de postzegel als relatief betaalmiddel nog even nader in vergelijking met het algemene betaalmiddel geld. Afgezien van het hiervoor bedoelde verschil in wettelijke grondslag voor een omruilverplichting springt één belangrijk verschil daarbij ook meteen in het oog: geld heeft het doel om te blijven circuleren, terwijl een postzegel alleen bedoeld is als relatief en in beginsel eenmalig betaalmiddel jegens de verlener van de universele postdienst voor het éénmalig versturen van post. Nadat de postzegel is (af)gestempeld, kan deze niet meer als betaalmiddel worden gebruikt.

2.18

Hier aanbeland dringt de vraag zich op of postzegels in de vorm van relatieve betaalmiddelen als vermogensrechten moeten worden gezien. Immers, pas als een postzegel als een vermogensrecht kan worden gekwalificeerd, kan er mogelijk sprake zijn van inbreuk op een recht in de zin van art. 6:162 lid 2 BW.

2.19

Ik meen dat postzegels in ieder geval zo lang deze hun geldigheid hebben behouden, inderdaad als vermogensrecht in de zin van art. 3:6 BW zijn te zien (vorderingsrecht als relatief werkend vermogensrecht)30, maar na ommekomst van hun geldigheid in beginsel niet meer. Ik benadruk nogmaals het juridische sui generis karakter van postzegels, dat ook deze kwestie ingewikkeld maakt. De aanschaf van een postzegel roept volgens de door mij onderschreven overheersende zienswijze geen contractuele rechten in het leven, zo hebben we gezien. Dat geeft namelijk geen aanspraak op het sluiten van een (brief)vervoerovereenkomst of enige andere prestatie van de verlener van de universele postdienst, zoals het altijd moeten blijven accepteren van die postzegels als frankeermiddel. De postzegel geldt verder als relatief betaalmiddel tegenover die concessiehouder, maar alleen totdat in ons geval PostNL de geldigheid van de betreffende postzegel (bevoegdelijk) herroept. Bij gebreke van een wettelijke omruilplicht, zoals die wel bij bankbiljetten bestaat, bestaat ook geen aanspraak op omruiling bij ongeldigverklaring. Dus in die zin is er dan geen sprake (meer) van een vermogensrecht na ongeldigverklaring (omgeven met de nodige waarborgen als ongeldigverklaring pas lange tijd na laatste uitgave (in ons geval meer dan 11 jaar later) en een vooraankondiging met een “wegplaktermijn” (in ons geval 9 maanden)). Daarop kan dan in mijn visie ook geen inbreuk worden gemaakt. Dat lijkt mij de crux van onze zaak31.

2.20

Maar hier kan ook anders over gedacht worden. Wanneer de postzegel wordt gekwalificeerd als een waardepapier in de vorm van een toondervordering32 (de lijn Star Busmann en Wolff de Beer), of een soort optierecht op postvervoer (de parallel die Wolff de Beer trekt met het spoorkaartje) of als een verbintenis tot een doen (opvatting Smeehuizen in zijn overgelegde opinie) is het daarmee een vermogensrecht. Ik zie dat met de hoofdstroom in de door mij gevonden literatuur niet zo; in deze hoofdlijn vloeit op zichzelf geen verbintenis uit (het bezit van) de postzegel voort.

2.21

Van minder belang voor onze zaak is dat Valkhoff aangeeft dat ook gestempelde postzegels een marktwaarde kunnen hebben en dat (dergelijke) postzegels handelsobject vormen met marktwaarde33. Dat kwalificeert ook vandaag nog als een vermogensrecht, maar daar gaat onze zaak niet over; die handelt over wat in jargon heet “postfrisse” guldenzegels.

Klacht 1: inbreuk op een recht

Inleiding

2.22

Bij de onrechtmatigedaads-categorie rechtsinbreuk maakt de schadeveroorzaker door doen of nalaten inbreuk op een subjectief recht van de benadeelde. Dat zijn vooral absolute vermogensrechten ((intellectuele) eigendom en beperkt zakelijke rechten) en persoonlijkheidsrechten (lichamelijke integriteit, bescherming eer en goede naam, privacy; deze laatste categorie speelt in onze zaak geen rol)34. Niet alle vermogensrechten komen dus voor bescherming in aanmerkingen: persoonlijke rechten of vorderingsrechten vallen daar buiten.

Rechtsinbreuk wordt in principe (behoudens rechtvaardigingsgrond) onrechtmatig geacht; nader onderzoek naar eventuele overtreding van wettelijke of ongeschreven normen is niet aangewezen35. Vindt bij de toetsing aan ongeschreven zorgvuldigheidsnormen een onbeperkte belangenafweging plaats en spelen daar alle omstandigheden van het geval mogelijk een rol – waaronder de voorzienbaarheid van de belangenafweging – bij rechtsinbreuk zijn de beschermde belangen in eerste instantie niet aan afweging onderhevig36.

2.23

Een benadeelde heeft bij rechtsinbreuk een betere bewijspositie dan benadeelden van bij andere onrechtmatigheidscategorieën37. Zo’n inbreuk is prima facie onrechtmatig. Een benadeelde kan bij rechtsinbreuk volstaan met stellen en bewijzen dat er een subjectief recht is en dat daar inbreuk op is gemaakt. Behoudens tegenbewijs is bij een rechtsinbreuk de onrechtmatigheid gegeven. De aangesproken partij kan vervolgens met een beroep op een rechtvaardigingsgrond volgens art. 6:162 lid 2 BW stellen en zo nodig bewijzen dat haar gedraging toch geoorloofd was38.

2.24

Subjectieve rechten vormen geen gesloten stelsel en kunnen ook uit het ongeschreven recht worden afgeleid. Zo heeft de rechtspraak ook andere subjectieve rechten erkend. Het gaat dan om rechten die een exclusieve werking hebben en aan derden kunnen worden tegengeworpen en in die zin op één hoogte zijn te stellen met absolute vermogensrechten. Te denken valt aan rechten uit vergunning, rechten van huurders en pachters en voorrangsposities van schuldeisers39.

2.25

Het eigendomsbegrip uit art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (hierna: EP EVRM), heeft een veel ruimere strekking dan het eigendomsbegrip van ons nationale vermogensrecht40. Daar vallen in principe alle rechten en belangen onder die een reële vermogenswaarde vertegenwoordigen. We zagen dat vorderingsrechten in het kader van art. 6:162 BW juist niet als subjectief recht worden erkend, maar de eigendomsbescherming van art. 1 EP EVRM bestrijkt dit ook41. Volgens Barkhuysen en Van Emmerik vallen alle goederen in de zin van art. 3:1 BW (dus alle zaken en alle vermogensrechten) onder de bescherming van art. 1 EP EVRM. Een (soortgelijke) zaak als de onze is echter nog niet in Straatsburg berecht42. Overigens kan ook het ruime eigendomsrecht in de zin van art. 1 EP EVRM worden beperkt, als daar een rechtvaardigingsgrond voor is43.

2.26

Daar moet ook bij bedacht worden dat heersende leer is dat in verdragen verankerde grondrechten naar hun aard in beginsel alleen verticale werking hebben, tussen burger en overheid en dus geen horizontale werking tussen private partijen onderling44. De grondrechten in verdragen zijn doorgaans minder duidelijk omlijnd dan de bekende categorie subjectieve rechten, hetgeen aanleiding geeft tot een casuïstische belangenafweging die atypisch is voor de rechtsinbreuk-categorie en beter aansluit bij de categorie maatschappelijke zorgvuldigheidsschending. Hartkamp en Sieburgh pleiten ervoor om grondrechten alleen in verticale verhoudingen als subjectieve rechten te kwalificeren45. In horizontale verhoudingen is de heersende leer dat grondrechten slechts indirect doorwerken bij de invulling van subjectieve rechten46. In de visie van Hartkamp en Sieburgh is het mogelijk om grondrechten als richtsnoer te laten dienen bij de invulling van de maatschappelijke zorgvuldigheid. Zij geven er de voorkeur aan de bescherming van grondrechten in horizontale rechtsverhoudingen te laten verlopen via de zorgvuldigheidsnorm47. In het kader van het EVRM en het Europese Handvest betogen Van Maanen en Lindenbergh dat de waarborging van subjectieve rechten in deze verdragen een belangrijke bijdrage kan leveren aan de onderbouwing van het onrechtmatigheidsoordeel48.

De onderdelen uit klacht 1

2.27

Klacht 1 richt zich tegen het oordeel in rov. 6 (hiervoor weergegeven in 1.13) dat het niet bieden van een omruilmogelijkheid van de ongeldig verklaarde guldenzegels geen strijd met een recht in de zin van art. 6:162 BW lid 2 oplevert. In onderdelen A tot en met D wordt geklaagd dat dit onjuist of onbegrijpelijk is.

De kernklacht is dat met de passage uit rov. 6 dat, anders dan de Handelaren hebben gesteld, een postzegel geen algemeen betaalmiddel is, zodat ongeldigverklaring daarvan geen inbreuk op het bezitsrecht van de Handelaren is, het hof klaarblijkelijk de stelling van de Handelaren van de hand zou hebben gewezen dat sprake is van schending in de vorm van de categorie rechtsstrijd.

2.28

In de voorafgaande beschouwingen over het rechtskarakter van de postzegel is als overwegende leer geschetst dat de aanschaf (of het bezit) van een postzegel geen contractuele rechten schept en op zich geen recht geeft op het sluiten van een briefvervoerovereenkomst of enige andere prestatie van PostNL. Dat wordt ook onbestreden overwogen door het hof in rov. 6. Ook zagen we dat een postzegel geen algemeen, maar een relatief betaalmiddel is in het verkeer met PostNL, echter alleen zolang de betreffende zegel geldig is. Dat laatste is wat het hof in rov. 6 ook overweegt met de passages: “De postzegel is geen algemeen betaalmiddel, maar wel een (eenmalig te gebruiken) betaalmiddel in het verkeer met PostNL.” en: “Een postzegel kan bovendien door PostNL ongeldig worden verklaard.” Tegen deze passages uit rov. 6 is geen kenbare klacht gericht. Nu klacht 1 zich ook niet richt tegen het oordeel van het hof in rov. 6 dat de bevoegdheid van PostNL tot ongeldigverklaring voortvloeit uit de bijzondere aard van de rechtsverhouding tussen PostNL en de koper van de postzegel, althans uit de redelijkheid en billijkheid, dat tussen partijen niet langer in geschil is dat PostNL bevoegd was om de guldenzegels ongeldig te verklaren49 en dat PostNL bovendien zwaarwegende redenen had om tot ongeldigverklaring over te gaan (aangegeven door de rechtbank in rov. 4.14 (hiervoor weergegeven in voetnoot 4) en door het hof in rov. 6 onderschreven en overgenomen), kan klacht 1 alleen al om deze redenen niet tot cassatie leiden. Het betoog dat ongeldigverklaring van de postzegel (zonder het bieden van een omruilmogelijkheid) een rechtsinbreuk is, kan namelijk in ieder geval niet opgaan wanneer PostNL bevoegd is om tot ongeldigverklaring over te gaan. Daarmee is de rechtmatigheid van die gedraging immers gegeven50. Anders gezegd: als een postzegel geen contractuele rechten in het leven roept en alleen een relatief betaalmiddel is in het verkeer met PostNL totdat de geldigheid van de zegel (bevoegdelijk) door PostNL wordt herroepen, dan is er ook geen sprake van inbreuk op een (niet langer bestaand) vermogensrecht indien geen inruilmogelijkheid wordt geboden bij herroeping (en al helemaal niet ruim elf jaar of langer na uitgifte en met een wegplaktermijn van negen maanden na aankondiging, voor welke herroeping PostNL bovendien zwaarwegende redenen had – die zonodig zijn op te vatten als een rechtvaardigingsgrond).

2.29

Ik meen dat klacht 1 hier al in al zijn onderdelen op afketst en zou het hierbij kunnen laten, maar bespreek volledigheidshalve, zij het in mijn ogen ten overvloede, nog de afzonderlijke klachten uit de onderdelen A tot en met D.

2.30

Daarbij staat voorop dat het vaststellen van een rechtsinbreuk weliswaar een rechtsoordeel is dat aan cassatiecontrole is onderworpen, daar dat de kwalificatie van bepaald gedrag als inbreuk op een recht wel is verweven met waarderingen van feitelijke aard. Het gaat hier zodoende om een gemengd oordeel dat slechts beperkt vatbaar is voor toetsing in cassatie51.

2.31

Onderdeel A klaagt dat de in 2.27 bedoelde passage uit rov. 6 feitelijk onjuist is omdat [de handelaren], anders dan het hof heeft overwogen, niet hebben gesteld dat postzegels in algemene zin een betaalmiddel zijn (procesinleiding 1.1). [de handelaren] hebben gesteld dat postzegels in het verkeer met Post NL een betaalmiddel zijn (onder verwijzing naar mvg 552, dagvaarding 3653). Weliswaar hebben [de handelaren] het woord “bezit” gebruikt, maar niet in de door het hof bedoelde zin (mvg 654). [de handelaren] hebben met dat gebruik gedoeld op de intrinsieke waarde van een (geldige) postzegel: het vermogensrecht dat bezit van een postzegel in zich bergt (onder verwijzing naar mvg 12, 37, 38, 30 en 85), door hen bij grieven onder 8 “(vermogens)frankeerwaarde” genoemd.

Onderdeel B voegt daar aan toe dat voor zover het hof onder bezit heeft verstaan het enkele in bezit hebben van een postzegel, dat dan is miskend dat de Handelaren duidelijk het oog hadden op het vermogensrecht in de vorm van het beschikken over wat zij noemen de “(vermogens)frankeerwaarde”.

2.32

Voor zover deze onderdelen klagen dat het hof heeft miskend dat de Handelaren hebben gesteld dat postzegels een relatief betaalmiddel zijn jegens PostNL, kan het bij gebrek aan feitelijke grondslag niet slagen. Het getuigt van een te geïsoleerde lezing van de aangevallen passage uit rov. 6. Het hof heeft wel degelijk onderkend dat een postzegel geen algemeen, maar een relatief (eenmalig te gebruiken) betaalmiddel is in het (briefpost)verkeer met PostNL. Dat het hof het betoog van de Handelaren heeft opgevat als betrof het een met een algemeen betaalmiddel gelijk te stellen vermogensrecht, is het feitelijk prerogatief van het hof en gelet op de partijdiscussie goed te volgen.

Hetzelfde geldt voor het betoog in onderdeel B, dat het hof zou hebben miskend dat er sprake is van een inbreuk op een vermogensrecht van de Handelaren in de vorm van een recht op de (vermogens)frankeerwaarde. Het hof heeft die claim immers (impliciet) afgewezen. Volgens de kennelijk ook door het hof aangehangen heersende leer kan de postzegel, zo hebben we gezien, niet als waardepapier, maar waarschijnlijk wel als relatief vermogensrecht worden gekwalificeerd, nu het als relatief betaalmiddel kan worden gebruikt. Het is de vraag of inbreuk op dit relatieve recht voor bescherming van art. 6:162 BW in aanmerking komt, nu het geen absoluut vermogensrecht is. Een relatief betaalmiddel is niet met een absoluut vermogensrecht vergelijkbaar. Ook al zou de postzegel als relatief betaalmiddel wel onder de reikwijdte van art. 1 EP EVRM vallen – aangezien dat in beginsel alle rechten en belangen beschermt die een reële vermogenswaarde vertegenwoordigen – dan nog kunnen de Handelaren hier in het kader van rechtsinbreuk geen beroep op doen nu de bescherming van dit verdrag slechts tussen burger en overheid werkt (en PostNL geprivatiseerd is). Dit alles ligt naar mij voorkomt in het oordeel van het hof besloten en daar komen deze klachten tevergeefs tegen op.

Daar komt nog bij dat de kwalificatie van bepaald gedrag als inbreuk op een recht verweven is met waarderingen van feitelijke aard – zo heeft het hof rekening gehouden met de bevoegdheid van PostNL om tot ongeldigverklaring over te gaan en de zwaarwegende redenen die zij had om tot deze beslissing te komen; dat laatste zou overigens ook heel goed als een rechtvaardigingsgrond in de zin van art. 6:162 lid 2 BW kunnen zijn bedoeld door het hof. Dergelijke oordelen zijn, zoals we zagen, maar beperkt vatbaar voor toetsing in cassatie en ik denk dat zij deze toets kunnen doorstaan.

De klachten van onderdelen A en B gaan volgens mij dan ook niet op.

2.33

Onderdeel C klaagt dat nu het hof de in A en B bedoelde stellingen niet heeft behandeld in strijd met art. 24 Rv, dit alsnog moet gebeuren, zodat de beslissing niet in stand kan blijven.

Dit mist feitelijke grondslag, nu dit een en ander tenminste impliciet in het aangevallen hofoordeel besloten ligt.

De klacht faalt, zodat onderdeel C niet tot cassatie kan leiden.

2.34

Onderdeel D klaagt dat voor zover het hof van oordeel is geweest dat een postzegel dan wel bezit van een postzegel geen vermogensrecht is, het van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan.

Dat mist feitelijke grondslag, nu we bij de bespreking van de vorige klachten zagen dat het hof dit niet heeft miskend. Kernpunt is ook hier dat gegeven de (onbestreden) herroepingsbevoegdheid van PostNL van de geldigheid van postzegels er geen sprake is van inbreuk op een vermogensrecht met een door de Handelaren bedoelde inhoud – althans is een rechtvaardigingsgrond voorhanden.

De louter voortbouwende klacht uit 1.13 van de procesinleiding in cassatie dat hierom ook rov. 11 rechtens onjuist is, kan dan evenmin slagen.

De overige passages van onderdeel D begrijp ik als in de eerste plaats aanhakend bij de in het voorgaande verworpen (en kennelijk evenmin door het hof aanvaarde) kwalificatie van een postzegel als een waardepapier55 en kunnen om die reden evenmin tot cassatie leiden. Er wordt ook een parallel getrokken op een arrest uit 2014 over beltegoeden56, maar zonder uitgewerkte redenering en een beslissing van de hoogste Duitse rechter57, waaruit volgt dat postzegels naar Duits recht inmiddels wel als waardepapieren worden gezien. Uit de beschouwingen over het rechtskarakter van de postzegel zal duidelijk zijn, dat dit niet de hoofdlijn in de besproken literatuur is en ik deze niet voorsta. In de tweede plaats gaat het vervolg van onderdeel D ervan uit dat een postzegel wel contractuele rechten schept (er zou zelfs sprake zijn van contractsdwang volgens de procesinleiding onder 1.29) in het kader waarvan (ook) opnieuw rov. 11 wordt aangevallen, namelijk de passage dat aankoop of bezit van een postzegel geen recht geeft op een vervoerovereenkomst met PostNL. Dat faalt, omdat dit een juist rechtsoordeel is, zo hebben we gezien.

Onderdeel D is daarmee tevergeefs voorgesteld.

2.35

Geheel terzijde kan de vraag worden opgeworpen in hoeverre het relativiteitsvereiste van art. 6:163 BW hier de Handelaren parten speelt58. Er lijkt geen verplichting voor PostNL te zijn om de Handelaren te behoeden voor de schade die zij stellen te hebben geleden. In cassatie speelt dit voor zover ik begrijp geen te bespreken rol, zodat ik dit verder laat rusten.

Klacht 2: schending maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm

2.36

Klacht 2 bestrijdt rov. 8 tot en met 13, waarin het hof oordeelt dat met het niet bieden van een omruilmogelijkheid evenmin maatschappelijke zorgvuldigheidsnormen zijn geschonden, zodat ook op die grond geen sprake is van onrechtmatig handelen door PostNL. In onderdelen A tot en met G wordt dit uitgewerkt met rechts- en motiveringsklachten.

2.37

Het hof toetst in rov. 7 tot en met 13 aan de hand van de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm of PostNL een omruilmogelijkheid had moeten bieden bij de ongeldigverklaring van guldenzegels.

2.38

Het contextgebonden karakter van de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm is kenmerkend: op basis van de concrete omstandigheden van het geval moeten zorgvuldigheidsnormen van geval tot geval worden vastgesteld59. Dit behelst een belangenafweging. Hierbij gaat het enerzijds om het belang van de schadeveroorzaker om het eigen belang na te streven, en aan de andere kant het belang van de benadeelde om vrij te blijven van onrechtmatig toegebrachte schade60. Bij deze belangenafweging, waarmee de inhoud van de zorgvuldigheidsnorm wordt vastgesteld, is doorslaggevend welke gerechtvaardigde verwachting de justitiabele mag hebben61. Hartkamp en Sieburgh wijzen erop dat bij de behartiging van het eigenbelang het belang van anderen in acht moet worden genomen, voor zover mensen onderling in de maatschappij dat in redelijkheid van elkaar mogen verwachten62. Bij schending van de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm is de relativiteit als het ware ingebakken in de onrechtmatigheid. Dit omdat de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm op de omstandigheden van het geval en op de voorliggende belangenaantasting zijn afgestemd63.

2.39

De inhoud van de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm is nauw verbonden met de omstandigheden van het geval. Hoewel de rechter niet hoeft te formuleren hoe de geschonden zorgvuldigheidsnorm luidt, dient hij wel zijn oordeel nauwkeurig te motiveren. Naarmate de beslissing van de lagere rechter sterker is verweven met waarderingen van feitelijke aard, is toetsing in cassatie uiteraard beperkter mogelijk64. Nog meer dan bij de schending in de vorm van een rechtsinbreuk, is de kwalificatie van bepaald gedrag als schending van een maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm sterker verweven met waarderingen van feitelijke aard65.

2.40

Onderdeel A richt een motiveringsklacht tegen rov. 8, waarin het hof volgens de klacht op onbegrijpelijke of onvoldoende gemotiveerde wijze ervan uit is gegaan dat de guldenzegels waarvan de Handelaren inruil wensen door hen onder de nominale waarde zijn verworven, zodat reeds hierom omruiling tegen de nominale waarde onredelijk is. Dat is niet toereikend gemotiveerd tegen de achtergrond van de stelling van de Handelaren (plta hb 38) dat PostNL door het voordeel van de Handelaren niet wordt benadeeld, omdat zij haar koopprijs heeft ontvangen. Deze stelling heeft het hof niet (afdoende) behandeld. Het belang van die onbesproken stelling is dat zodoende uit niets van wat het hof heeft overwogen blijkt waarom het onredelijk zou zijn dat de Handelaren een voordeel zouden genieten door in geldige postzegels te handelen, zonder dat dit een nadeel voor PostNL oplevert.

2.41

Dit kan volgens mij niet slagen. Het hof overweegt in rov. 8 onder meer dat het er vanuit gaat, gelet op de uitvoerige – niet deugdelijk bestreden – onderbouwing door PostNL, dat de betreffende guldenzegels waarvan de Handelaren inruil wensen, door hen onder de nominale waarde zijn verworven (dan wel tezamen met andere zegels zijn geërfd), zodat reeds hierom omruiling tegen de nominale waarde onredelijk is. Dit is een omstandigheid die het hof meeneemt bij de beoordeling of de gedraging van PostNL (het ongeldig verklaren van de postzegels zonder omruilmogelijkheid te bieden) als onrechtmatig moet worden aangemerkt.

2.42

De Handelaren voeren bij plta hb 38 aan dat het verweer van PostNL dat de Handelaren hiermee eventueel bevoordeeld worden geen hout snijdt. Daar staat PostNL immers volledig buiten. Niet uit het oog moet worden verloren dat PostNL door het voordeel van de Handelaren immers niet wordt benadeeld. Zij heeft haar koopprijs al lang geleden ontvangen. Voor zover de Handelaren de te ontvangen geldige zegels tegen een hoger bedrag aan de gebruikers van de postzegels door zullen kunnen verkopen dan dezelfde frankeerwaarde aan guldenzegels, gaat dat PostNL niet aan. Wat PostNL betreft heeft de postzegel maar één functie, maar daar staat wel tegenover dat de uitoefening van die functie dan wel gegarandeerd zal moeten worden.

2.43

PostNL heeft bij mva 555 aangevoerd dat toewijzing van de vordering van de Handelaren in strijd zou zijn met een fundamenteel grondbeginsel van het civiele recht dat iemand niet meer vergoed krijgt dan zijn werkelijk geleden schade66. Toewijzing zou er immers toe leiden dat de Handelaren meer krijgen dan een vergoeding voor de schade die zij beweerdelijk zouden hebben geleden en voor dergelijke overcompensatie is in het Nederlandse schadevergoedingsrecht geen plaats. Bij mva 556 heeft PostNL betoogd dat de Handelaren kennelijk voor ogen hebben om 36 maanden lang de overgebleven guldenzegels voor lage prijzen op te kopen en om te ruilen tegen geldige postzegels. Een dergelijke vordering kan volgens PostNL niet worden toegewezen. Als er al sprake zou zijn van een onrechtmatige gedraging aan de zijde van PostNL als gevolg waarvan de Handelaren schade hebben geleden doordat zij met guldenzegens zijn blijven zitten, is een vergoeding van de werkelijk geleden schade de enige juiste remedie, hetgeen nu juist niet wordt gevorderd, behalve subsidiair met betrekking tot de grondslag van ongerechtvaardigde verrijking (mva 557-558).

2.44

Dit betoog van PostNL wordt door de Handelaren niet weerlegd. De Handelaren nemen als uitgangspunt dat PostNL geen nadeel heeft bij de toewijzing van de vordering van de Handelaren. Wat daar ook van zij – in rov. 12 overweegt het hof dat PostNL met kracht van argumenten heeft aangetoond dat de door Handelaren gewenste omwisselactie feitelijk nauwelijks mogelijk is en tot bovenmatige kosten zou leiden – hiermee gaan de Handelaren niet in op het standpunt van PostNL dat de Handelaren bij toewijzing van de vordering meer vergoed zouden krijgen dan hun daadwerkelijk geleden schade en waarom dit niet onredelijk zou zijn. Gelet hierop is het met de klacht aangevallen oordeel van het hof alleszins begrijpelijk in mijn ogen.

Onderdeel A faalt.

2.45

Onderdeel B richt zich tegen rov. 9, waar het hof volgens de klacht op onbegrijpelijke of onvoldoende gemotiveerde wijze van belang acht dat in het verleden in Nederland vaker sprake is geweest van ongeldigverklaring van postzegels, steeds zonder dat een mogelijkheid tot omruil werd geboden. Hiermee heeft het hof volgens de klacht het gestelde bij mvg 54 niet voldoende besproken, waarin onder meer dit naar voren is gebracht:

“(…) Een verwijzing naar eerdere ongeldigheidsverklaringen of een beleidsregel van 1968 ‘indien de omstandigheden dit wenselijk maakten’ kan daaraan immers niet afdoen, niet alleen omdat die ongeldigheidsverklaringen of beleidsregel van 1968 gebaseerd zijn op een wettelijke regeling, zoals hierboven uiteengezet, maar ook omdat die eerdere ongeldigheidsverklaringen en beleidsregel zonder inruilmogelijkheid, voor PostNL in ieder geval in 2001 geen reden was om de omwisselprocedure niet voor te stellen. Waarom dan wel in 2013?”

Het hof heeft hiermee niet de inconsistentie besproken waarop de Handelaren onmiskenbaar hebben gewezen, waar bij komt dat “altijd zo geweest” zijn geen rechtens relevante omstandigheid is, althans niet waar het erom gaat of sprake is van een rechtsplicht, aldus de nadere uitwerking van deze klacht.

2.46

Daargelaten dat het aangevallen oordeel in de sleutel staat van de maatschappelijke zorgvuldigheidstoets, niet in die van schending van een rechtsplicht, moet goed worden gezien dat het hof in rov. 13 overweegt dat er geen grond was voor gerechtvaardigd vertrouwen dat een omruilmogelijkheid zoveel jaren na laatste uitgifte van de guldenzegels en de verlengde frankeermogelijkheid ervan alsnog zou worden geboden, terwijl evenmin andere omstandigheden naar voren zijn gekomen die PostNL daartoe hadden moeten nopen. Het hof heeft in rov. 8-13 een belangenafweging gemaakt om de inhoud van de zorgvuldigheidsnorm vast te stellen. Daarbij is, zo hebben we gezien, doorslaggevend welke gerechtvaardigde verwachting de justitiabele mag hebben. De klacht dat “altijd zo geweest” zijn geen rechtens relevante omstandigheid is, ketst hier al op af.

2.47

De klacht dat het hof het gestelde bij mvg 54 niet voldoende heeft besproken gaat ook niet op. PostNL heeft aangevoerd dat het openstellen van een omruilmogelijkheid een te zware en kostbare belasting is voor de postvervoersdiensten van PostNL (mva 342). Daarnaast was er in 2001, toen de omwisselprocedure werd voorgesteld – maar uiteindelijk niet is doorgezet – nog geen sprake van fraude (mva 338-342). Gelet op dit betoog is het niet onbegrijpelijk dat het hof van belang acht dat in het verleden in Nederland vaker sprake is geweest van ongeldigverklaring van postzegels, steeds zonder dat een mogelijkheid tot omruil werd geboden.

Onderdeel B is daarmee tevergeefs voorgesteld.

2.48

Onderdeel C richt zich tegen rov. 10. De klacht is dat daarin door het hof op onbegrijpelijke of onvoldoende gemotiveerde wijze is overwogen dat ook het feit dat in 2001 van omwisseling is afgezien en in plaats daarvan is gekozen voor verlenging van de geldigheidsduur, niet het vertrouwen rechtvaardigt dat na 12 jaar alsnog kan worden omgeruild, zeker niet nu meer dan een decennium na ongeldigverklaring de guldenzegels voor frankering konden worden gebruikt. De overweging is volgens het onderdeel feitelijk onjuist en onbegrijpelijk omdat, althans zonder nadere, maar ontbrekende, motivering geen sprake is van een “verlengde frankeermogelijkheid”. PostNL heeft, zoals blijkt uit het citaat van het hof onder 1.6 van de brief van 26 april 2001, toentertijd namelijk afgezien van ongeldigverklaring (zodat geen omwisselregeling nodig was), zodat de toen bestaande geldigheid eenvoudigweg gehandhaafd bleef – en dus niet werd “verlengd”.

2.49

In rov. 10 overweegt het hof dat vóór de invoering van de euro (en de eurozegel) in 2001 overleg is gevoerd met de NVPH, waarvan een deel van de Handelaren lid is. Aanvankelijk is toen gesproken over inruilmogelijkheden. Blijkens de nadien door PostNL aan NVPH gezonden (en door NVPH geaccordeerde) brief van 26 april 2001 (vgl. rov. 2.6, hiervoor weergegeven in 1.6) is toen afgezien van inwisseling, maar is in plaats daarvan besloten tot verlenging van de geldigheidsduur van de guldenzegels voor onbepaalde tijd.

2.50

Zoals de s.t. PostNL 100 terecht opmerkt, heeft het hof met “verlenging van de geldigheidsduur” bedoeld dat de beslissing om de guldenzegels in 2001 ongeldig te verklaren destijds niet genomen is. Er is toen gekozen om de geldigheid te laten voortduren of de geldigheidsduur te verlengen. Dat het hof overweegt dat besloten is tot verlenging van de geldigheidsduur van de guldenzegels voor onbepaalde tijd is daarmee niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.

Onderdeel C faalt.

2.51

Onderdeel D richt zich ook tegen rov. 10. Het klaagt in 2.12 en 2.13 dat dit oordeel rechtens onjuist is omdat het hof heeft miskend dat het op termijn ongeldig verklaren van postzegels door PostNL zonder omruilmogelijkheid te bieden, erop neerkomt dat alle bezitters van Nederlandse postzegels, onder wie [de handelaren], gedwongen worden, op straffe van verval van geldigheid van de desbetreffende postzegels, binnen een door PostNL bepaalde tijd gebruik te maken van hun jegens PostNL uit te oefenen vermogensrechten. Dit betekent een contracteerplicht die naar Nederlands recht niet aanvaard kan worden, waarbij verwezen wordt naar het eerder besproken arrest van het BGH van 11 oktober 2005, XI ZR 395/04, NJW 2006, 54.

2.52

Een parallel met Duits recht gaat allereerst al niet op nu naar Duits recht de postzegel anders wordt gekwalificeerd dan volgens de hoofdlijn bij ons 9 (vgl. hiervoor in 2.34). Daarnaast merkt PostNL bij s.t. 109 terecht op dat bij de beslissing van het BGH meespeelt dat een omruilmogelijkheid in Duitsland in het verleden anders dan in Nederland wel steeds is geboden (rov. 27). Dat is vanzelfsprekend een relevant gegeven voor de hier besproken vertrouwensvraag. Bovendien ging het in de uitspraak van het BGH om een andere vraag dan in onze zaak speelt, namelijk of Deutsche Post AG zich kon beroepen op het verstrijken van de termijn van één jaar die voor omruil was bepaald, zie s.t. PostNL 110. De parallel die hier wordt getrokken met Duits recht gaat zodoende om een aantal redenen mank.

2.53

Daar komt bij dat de klacht over de “contracteerplicht” niet opgaat.

Daargelaten dat deze klacht uitgaat van, zoals we hiervoor hebben gezien, niet (meer) bestaande vermogensrechten, kaart PostNL bij s.t. 104 volgens mij terecht aan dat dit een ongeoorloofd novum in cassatie is; 2.12 van de procesinleiding in cassatie verwijst ook niet naar vindplaatsen uit de gedingstukken in feitelijke instanties.

Ook inhoudelijk klopt dit overigens niet. De bezitter van ongeldig verklaarde guldenzegels is niet verplicht om met wie dan ook te contracteren. Door het alternatief bieden van een periode om gebruik te kunnen blijven maken van de guldenpostzegels voor de datum van ongeldigverklaring, is PostNL tegemoet gekomen aan hen die na bijna 12 jaar nog in het bezit waren van guldenzegels.

De klachten uit 2.12 en 2.13 van onderdeel D kunnen daarom niet tot cassatie leiden.

2.54

De klachten uit 2.14 en 2.15 van onderdeel D kunnen dat ook niet. De aangevallen passages uit rov. 10 zijn volgens deze klachten onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd, omdat het hof de volgende passage bij grieven onder 54 niet (voldoende) in zijn overweging zou hebben betrokken:

“(…) De uitleg die de Rechtbank aan de brief van 26 april geeft, is dan ook onbegrijpelijk. Immers, als de guldenzegel later alsnog ongeldig zou worden verklaard, bestaat er geen enkele reden of aanleiding te vermoeden dat in dat geval niet opnieuw de inwisselprocedure aan de orde zou komen.”

De onmiskenbare stelling van de Handelaren is volgens de klacht dat het enkele bieden destijds van een omruilmogelijkheid aan het gestelde gerechtvaardigde vertrouwen heeft bijgedragen. Die stelling wordt met de verwijzing door het gerechtshof naar de termijn van 12 [bedoeld zal zijn: 12 jaar, terwijl het feitelijk ruim 11 jaar is, omdat de chartale euro per 1 januari 2002 is ingevoerd en de guldenpostzegels per 1 november 2013 ongeldig zijn verklaard, A-G] niet besproken of zelfs weerlegd, aldus dit onderdeel.

2.55

Ik zie dat als gezegd niet slagen.

In rov. 10 overweegt het hof dat gelijk PostNL met juistheid heeft opmerkt “onbepaalde duur” iets anders is dan “onbeperkte duur”67. Op enig moment kan de geldigheidsduur wel degelijk worden beëindigd. Aan de omschrijving “onbepaald” in deze brief hebben de Handelaren niet gerechtvaardigd het vertrouwen kunnen ontlenen dat de guldenzegels onbeperkt geldig zouden blijven (en dus nooit ongeldig verklaard zouden kunnen worden, ook niet wanneer daar aan de zijde van PostNL zwaarwegende redenen voor zouden zijn). Ook het feit dat in 2001 van omwisseling is afgezien en in plaats daarvan is gekozen voor verlenging van de geldigheidsduur, rechtvaardigt niet het vertrouwen dat na 12 jaar alsnog kan worden omgeruild, zeker niet nu meer dan een decennium na ongeldigverklaring de guldenzegels voor frankering konden worden blijven gebruikt. In dit verband wijst het hof er bovendien nog op dat de Handelaren zich op deze brief beroepen, hoewel zij geen directe partij bij deze afspraken zijn.

2.56

Tegen dat laatste (brief niet aan hen gericht) is geen klacht gericht. Het hof bedoelt hiermee kennelijk dat voor de vertrouwensvraag kwestieus is of een niet aan hen (maar wel aan de branchevereniging) gerichte brief hier wel vertrouwen kan scheppen. Ik acht dat overigens niet het sterkste argument.

Belangrijker lijkt mij dat na het overleg in 2001 waar in de brief op wordt gedoeld, juist is afgezien van een aanvankelijk als mogelijkheid onder ogen geziene omwisselprocedure, voor welke procedure dus niet is gekozen in afstemming met de NVPH in 2001. Hoe dàt dan vertrouwen zou moeten scheppen dat twaalf jaar later in 2013 wel een omruilmogelijkheid zou moeten worden geboden, is een lastig te nemen horde. En anders dan de klacht tot uitgangspunt neemt in 2.15, is de stelling van de Handelaren bij mva 54 niet dat een omruilmogelijkheid is geboden, maar dat een omruilmogelijkheid aan de orde is geweest68. Dat is iets heel anders in het kader van de vertrouwensvraag, nu destijds voor een alternatief voor omruiling is gekozen. Daarop ketsen deze klachten af.

Dat tekent het lot van onderdeel D, dat niet tot cassatie kan leiden.

2.57

Onderdeel E richt zich met een rechts- en motiveringsklacht tegen de eerste afwijzingsgrond van het beroep van de Handelaren op art. 14.2, onder 3 van de AVP 201069 in rov. 11 (aankoop of bezit van een postzegel geeft geen recht op een vervoerovereenkomst met PostNL en doet ook geen vervoerovereenkomst tot stand komen, zodat in zoverre de AVP 2010 niet rechtstreeks van toepassing zijn op degene die guldenzegels bezit, zolang geen vervoerovereenkomst is aangegaan). Onder verwijzing naar klacht 1 betogen de Handelaren dat PostNL steeds zonder meer is gehouden om ter bezorging aangeboden en voldoende gefrankeerde post te bezorgen70. Die algemene voorwaarden zijn daarom wel – “althans latent” volgens de klacht – steeds van toepassing (waar volgens de klacht ook PostNL van uitgaat gelet op het gestelde bij mva 27471). De klacht verwijst daartoe ook naar de precontractuele goede trouw bedoeld in de plta hb zijdens [de handelaren] 9 en 10. Het hof heeft er volgens de klacht dan ook aan voorbij gezien dat het onder meer de stelling van [de handelaren] is (grief VI) dat de (frankeer)vermogenswaarde van een postzegel wordt onderstreept in de - voorheen – in de algemene voorwaarden in het vooruitzicht gestelde inruilmogelijkheid. Anders gezegd, zo vervolgt de klacht: omdat het bezit van postzegels ten aanzien van de frankeringswaarde ervan een vermogensrecht betreft, waarvan zo nodig de aard en omvang door middel van uitleg moet worden vastgesteld en omdat PostNL met betrekking tot het voor gebruik als frankeringsmiddel van die postzegels algemene voorwaarden heeft uitgegeven, moet worden aanvaard dat [de handelaren] het besproken beroep op die algemene voorwaarden toekomt.

2.58

Voor zover deze klacht neerkomt op een herhaling van zetten van klacht 1, faalt deze op de bij de bespreking daarvan aangegeven gronden. We hebben daar gezien dat geen sprake is van inbreuk op een vermogensrecht in de door de Handelaren bedoelde zin, indien de geldigheid van de postzegels bevoegdelijk door PostNL is ingetrokken, althans dat sprake is van een rechtvaardigingsgrond.

In de tweede plaats miskennen deze klachten dat de overeenkomst tussen de gebruiker van een postzegel en PostNL tot stand komt op het moment dat de brief met postzegel in de brievenbus wordt gedaan of ter verzending wordt aangeboden op het postkantoor. De constructie om niettemin tot toepasselijkverklaring van de AVP 2010 te komen in dit geval (“althans latent”), vindt geen steun in ons recht. Van ontoereikende motivering is geen sprake. Onderdeel E faalt daarom.

2.59

Onderdeel F richt zich tegen de tweede en derde afwijzingsgronden voor toepasselijkheid van de ingeroepen bepaling uit de algemene voorwaarden uit rov. 11. De tweede is dat de betreffende passage uit de AVP 2010 geen onvoorwaardelijk recht geeft op inwisseling van ongeldige ongebruikte postzegels, zeker nu in 2001 terzake concrete andersluidende (voor handelaren voordelige) afspraken zijn gemaakt. De derde is dat de nadien, ten tijde van de ongeldigverklaring geldende, algemene voorwaarden van PostNL de betreffende passage niet meer bevatten, zodat niet gezegd kan worden dat toen op basis van de algemene voorwaarden van PostNL (in enige vorm van reflexwerking) het vertrouwen in een omruilfaciliteit werd gewekt.

2.60

De rechtsklacht hiertegen is dat dit onjuist is gelet op hetgeen bij klacht 1 is aangevoerd: door PostNL uitgegeven, verkochte postzegels vertegenwoordigen een vermogenswaarde die PostNL op straffe van schadeplichtigheid niet eigenhandig teniet kan doen.

Deze pure herhaling van zetten strandt op de gronden aangegeven bij de behandeling van klacht 1.

2.61

De motiveringsklachten behelzen in de eerste plaats de klacht het hof niet heeft uiteengezet waarom de afspraken uit 2001 voor de Handelaren gunstig zijn.

Dit lijkt mij te moeten falen. In het oordeel van het hof ligt besloten dat het gunstig is voor de Handelaren dat de geldigheid van de guldenzegels voortduurde, omdat de guldenzegels die zij toen in hun bezit hadden als gevolg daarvan ook na de invoering van de euro als frankeermiddel konden worden gebruikt72.

De motiveringsklacht dat het hof niet uiteenzet waarom de gunstige afspraken met zich brengen dat de Handelaren het gestelde nadeel moeten ondergaan73, kan volgens mij ook niet slagen. De rechtvaardiging voor het nadeel kan worden gevonden in het oordeel dat PostNL niet onrechtmatig handelt. Het betreft hier een bedrijfsrisico voor de Handelaren. Het beroep op de in de laatste voetnoot bedoelde passage uit de grieven onder 54 in dit verband is bij de behandeling van onderdeel D al ondeugdelijk gebleken (vgl. hiervoor in 2.56) en faalt ook hier.

2.62

Ten slotte klaagt het onderdeel nog dat de overwegingen onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd zijn doordat het hof niet het argument van de Handelaren heeft besproken (mvg 49) dat de onderhavige, heimelijke schrapping van de inruilmogelijkheid uit de algemene voorwaarden niet ziet op zegels met inruilfaciliteit die vanaf 1989 in het verkeer zijn gebracht. Oftewel: de wijziging doet niet het daaraan voorafgaand ontstane gerechtvaardigde vertrouwen teniet.

2.63

Ook deze laatste klacht uit onderdeel F kan niet tot cassatie leiden. De passage uit de algemene voorwaarden waarin staat dat tevens bekend wordt gemaakt gedurende welke periode niet meer geldige, ongebruikte postzegels tegen geldige postzegels kunnen worden ingewisseld, moet blijkens rov. 11 zo worden begrepen dat hieraan geen onvoorwaardelijk recht op inwisseling van ongeldige ongebruikte postzegels kan worden ontleend. De klacht ziet eraan voorbij, zoals PostNL bij s.t. 130 terecht aanvoert, dat naar het oordeel van het hof ook vóór de bedoelde wijziging al geen sprake was van enig gerechtvaardigd vertrouwen dat hoe dan ook een omruilfaciliteit zou worden geboden.

De klachten uit onderdeel F gaan zodoende niet op.

2.64

Onderdeel G richt een motiveringsklacht tegen rov. 12 (PostNL heeft met kracht van argumenten aangetoond dat de omwisselingsactie praktisch nauwelijks mogelijk is en tot bovenmatige, uiteindelijk weer ten laste van de gebruikers van postvervoersdiensten komende kosten zou leiden, op grond waarvan de belangen van PostNL in dit geval aanzienlijk zwaarder wegen dan die van de Handelaren). Dat is gelet op het gestelde bij grieven onder 112 niet toereikend gemotiveerd volgens deze klacht. Daar is dit aangevoerd:

“Tenslotte kunnen ook de kosten van de inruilregeling niet de onrechtmatigheid opheffen of als rechtvaardigingsgrond gelden. Sterker nog, in de algemene voorwaarden tot 2012 was de inruilregeling voor PostNL dwingend voorgeschreven, zodra een postzegel ongeldig werd verklaard. PostNL heeft dus al met deze kosten rekening gehouden of rekening moeten houden.”

Uit de overwegingen van het hof blijkt volgens de klacht niet waarom het, gelet op de algemene voorwaarden (en daarmee ook volgens PostNL zelf, zoals de Handelaren hebben gesteld) destijds wel van PostNL kon worden verlangd een omruilmogelijkheid te bieden en waarom dat nu niet meer kan.

Het hof maakt in rov. 12 duidelijk een belangenafweging die ten voordele van PostNL uitpakt. Een dergelijke belangenafweging is, zoals we hebben gezien, maar beperkt in cassatie toetsbaar, omdat deze feitelijk van aard is.

De klacht mist daarbij in die zin feitelijke grondslag, dat we al hebben gezien dat de inruilmogelijkheid niet dwingend was voorgeschreven en geen onvoorwaardelijk recht schiep. Ook beargumenteert de klacht niet waarom het belang van de Handelaren zwaarder zou moeten wegen en waar dit in feitelijke instanties is aangevoerd. De geciteerde passage uit de grieven volstaat daartoe niet.

Onderdeel G is dan ook eveneens tevergeefs voorgesteld.

Klacht 3: Becijferd petitum

2.65

Klacht 3, met als kopje “Becijferd petitum”, klaagt over rov. 14, waarin het hof oordeelt dat sprake is van schending van [de handelaren]’ stelplicht met betrekking tot wanneer de postzegels door hen zijn verkregen en welke guldenzegels men op 28 januari 2013 respectievelijk 1 november 2013 bezat, terwijl ook geen onderbouwing is verschaft van de becijfering in het petitum, waarmee het hof klaarblijkelijk doelt op de subsidiaire vordering na eiswijziging. Volgens de klacht is dit onjuist, berust het op een onbegrijpelijke lezing van het petitum of is sprake van onvoldoende motivering.

2.66

Hiervoor is in 2.2-2.4 al besproken hoe volgens mij rov. 14 moet worden opgevat. Indien die visie juist is, richt klacht 3 zich tegen een overweging ten overvloede, omdat zelfstandig draagt het in rov. 6 tot en met 13 gegeven oordeel dat geen sprake is van een onrechtmatige daad opleverende rechts- of normschending, welke oordelen in de voorafgaande klachten tevergeefs zijn bestreden. Ik zou het daarbij kunnen laten, maar voor het geval Uw Raad wel aan een inhoudelijke beoordeling van klacht 3 toekomt, heeft het volgende te gelden.

2.67

Ik begrijp deze klacht, die zich lastig laat lezen, als uiteenvallend in drie te onderscheiden hoofdklachten.

Het onderdeel maakt in de eerste plaats een punt van de toegekende relevantie aan de in rov. 14 genoemde data van 28 januari 2013 (de datum van het besluit van PostNL) en 1 november 2013 (de datum waarop de postzegels ongeldig werden, zie procesinleiding in cassatie 3.1, 3.5-3.9, 3.13-3.14).

In de tweede plaats richten de klachten van het onderdeel zich tegen het oordeel in rov. 14 dat bij de becijfering in het petitum elke onderbouwing ontbreekt (procesinleiding in cassatie 3.10-3.12).

In de derde plaats beroepen de Handelaren zich op een publiek belang (procesinleiding in cassatie 3.2-3.4 en 3.15-3.17).

2.68

Over de data 28 januari 2013 en 1 november 2013 is de klacht dat in de primaire vordering geen verband is aangebracht tussen bezit op een bepaalde datum en toewijsbaarheid van de vordering. De Handelaren verlangen een omruilmogelijkheid voor de originele, postfrisse en onbeschadigde postzegels die zij aan PostNL willen aanbieden. In zoverre is de samenvatting door het hof onder 474 van de vordering dus niet accuraat (procesinleiding 3.1)75.

2.69

Dit betoog gaat inhoudelijk niet op. Dat het hof van belang acht wanneer de guldenzegels door de Handelaren zijn verworven en welke guldenzegels men per 28 januari 2013, respectievelijk per 1 november 2013 in bezit had, maakt niet dat het hof de vordering niet accuraat heeft samengevat. Daarnaast miskent deze klacht dat er van onrechtmatig handelen door of een ongerechtvaardigde verrijking van PostNL geen sprake kan zijn wanneer de Handelaren de guldenzegels na 28 januari 2013 zouden hebben verkregen. Bij verkrijging zou dan al duidelijk zijn geweest dat het om zegels zou gaan die hun geldigheid per 1 november 2013 zouden verliezen76.

Op dit één en ander ketst deze klacht af.

Dat geldt ook voor de klacht in de procesinleiding in cassatie 3.7 dat zou zijn miskend dat in de subsidiaire eis de datum van 28 januari 2013 onmiskenbaar (alleen) van belang is voor de gerechtigheid (“toebehorende”) tot geldige, originele, postfrisse en onbeschadigde postzegels. Niet wordt toegelicht waaruit volgt dat en hoe het hof dit zou hebben miskend.

Deze klacht kan zodoende ook niet tot cassatie leiden.

Mutatis mutandis geldt het voorgaande ook voor de corresponderende klachten uit 3.8 en 3.9 van de procesinleiding in cassatie over de datum 1 november 2013.

Deze klachten zijn dus ook tevergeefs voorgesteld.

2.70

In 3.5 en 3.6 van de procesinleiding in cassatie wordt geklaagd dat wanneer het hof de primaire eis wel correct heeft gelezen, de afwijzing van die eis niet nader is gemotiveerd, nu de motivering onder rov. 8-12 in de ogen van het hof kennelijk geen argumenten vormen voor de afwijzing in rov. 14. De argumenten zijn volgens de klacht gelet op het gebruik van het woord “overigens” in rov. 14 aanvullende argumenten, waaruit niet valt op te maken waarom het niet toewijsbaar zou zijn dat PostNL verplicht wordt originele, postfrisse en onbeschadigde postzegels om te ruilen.

2.71

Het wordt een beetje eentonig, maar ook dit betoog gaat uit van een verkeerde lezing van rov. 14. Als aangegeven dragen rov. 6 tot en met 13 zelfstandig het oordeel dat geen sprake is van een onrechtmatige daad opleverende rechts- of normschending, welke dragende overwegingen in de voorafgaande klachten als daar aangegeven volgens mij tevergeefs zijn bestreden77.

2.72

Vervolgens klaagt het onderdeel in 3.13-3.14 van de procesinleiding in cassatie dat het hof onvoldoende aandacht heeft besteed aan dat wat de Handelaren bij grieven onder 116 hebben gesteld, samengevat dat de weigering van PostNL om de guldenzegels in te ruilen niet minder onrechtmatig is jegens de bezitter die pas na 28 januari 2013 de guldenzegels heeft aangeschaft, omdat sprake is van een voortdurende weigering van PostNL om een ruilfaciliteit te bieden. De Handelaren hebben dan ook benadrukt dat geen schade wordt gevorderd maar de opheffing van onrechtmatig handelen.

2.73

Dit betoog is door het hof verworpen na betwisting door PostNL. Volgens PostNL heeft te gelden dat alleen diegenen die op het moment van aankondiging (28 januari 2013) guldenzegels in bezit hadden en die niet in staat waren die binnen 9 maanden te verbruiken of te verkopen eventueel rechtstreeks worden getroffen door de ongeldigheid (mva 13, cva 70). De Handelaren vallen volgens PostNL niet binnen die categorie. Zij hebben niets gemotiveerd gesteld over de omvang van hun beweerde voorraad guldenzegels (mva 13). Toewijzing van de vordering zou de Handelaren in staat stellen om ook guldenzegels in te ruilen die zij nog niet op 28 januari 2013 in hun bezit hadden maar pas daarna hebben aangekocht - en mogelijk zelfs pas na 1 november 2013, het moment waarop de guldenzegels hun gelding al hadden verloren (cva 68-70, 291-302).

Het hof gaat in rov. 7-13 in op de vraag of het achterwege laten van een omruilmogelijkheid onrechtmatig is en komt tot de bevinding dat daarvan geen sprake is. Er was volgens dit oordeel geen grond voor gerechtvaardigd vertrouwen dat deze mogelijkheid zoveel jaren na de laatste uitgifte van de guldenzegels en de verlengde frankeermogelijkheid zou worden geboden, terwijl evenmin andere omstandigheden naar voren zijn gekomen die PostNL daartoe hadden moeten noodzaken. Daarmee is het hof ingegaan op de vraag of het achterwege laten van een omruilmogelijkheid onrechtmatig is, los van de vraag wanneer de postzegels (voor of na 28 januari 2013) zijn verkregen. Daarnaast concentreert het hof zich in het oordeel op het opheffen van het vermeende onrechtmatig handelen, namelijk het bieden van een omruilmogelijkheid in plaats van het betalen van een schadevergoeding.

Daar stuiten deze klachten op af.

2.74

Het onderdeel richt zich in 3.10-3.12 tegen de overweging van het hof dat bij de becijfering in het petitum elke onderbouwing onderbreekt. Het klaagt dat onbelangrijk is “wat de becijfering is van de in dat deel van het petitum genoemde bedragen”. Die bedragen zijn tenslotte expliciet als totaalbedragen genoemd. De daadwerkelijke waarde van de door PostNL te verstrekken geldige postzegels hangt (daardoor) alleen af van de nominale waarde van de door de Handelaren aan te bieden ongeldige verklaarde postzegels (plta hb 41) en is daarom voor de beoordeling van de toewijsbaarheid van de eis niet relevant. Dat onbelangrijk is wat de becijfering is van de in het subsidiaire deel van het petitum genoemde bedragen, volgt overigens ook uit de stellingen van PostNL, waaruit blijkt dat PostNL hoe dan ook zou weigeren brieven te verzenden die met ongeldige postzegels zouden zijn beplakt of ongeldige zegels te ruilen voor geldige (mvg 115, plta hb 39).

2.75

Deze klachten kunnen al niet slagen omdat daarin wordt miskend dat het hof heeft overwogen dat elke onderbouwing ontbreekt bij de becijfering. De klachten concentreren zich op de beweerdelijke irrelevantie van de becijfering, maar beargumenteren niet dat en waarom onderbouwing bij de becijfering niet zou ontbreken. Daar stuit dit deel van de klachten op af.

2.76

Het onderdeel doet ten slotte in 3.2-3.4 en 3.15-3.17 een beroep op een publiek belang. Dit belang brengt volgens deze klachten mee dat PostNL acties als de onderhavige niet behoort te kunnen frustreren met het argument dat de aandrager niet op tijd over (voldoende) postzegels beschikt om die actie te kunnen instellen, althans niet indien een dergelijke actie nut kan brengen aan alle bezitters van ongeldig verklaarde postzegels (3.2-3.4, onder verwijzing naar mvg 56 en 102)78.

Daarnaast betoogt het onderdeel in 3.15-3.17 dat het hof geen aandacht heeft besteed aan de stelling bij grieven onder 118, waarin is betoogd dat toewijzing van de eis ertoe zal leiden dat PostNL een algehele, ten opzichte van iedereen werkende inruilfaciliteit zal bieden, ter voorkoming van een massaclaim. Enerzijds is de relevantie van deze stelling dat de Handelaren hebben benadrukt dat voor een onoorbaar voordeel aan hun zijde bij toewijzing van eis niet behoeft te worden gevreesd. Anderzijds is de relevantie volgens de klacht dat het niet uitmaakt hoeveel postzegels de Handelaren bezitten en vanaf wanneer. Dit aantal kan nu eenmaal niet het aantal door PostNL uitgegeven verkochte postzegels overstijgen – PostNL kan er dus niet op achteruit gaan.

2.77

Deze klachten miskennen dat dit een procedure is tussen de Handelaren en PostNL. Ook het hof heeft dit in rov. 5 al kenbaar gemaakt in een tussenzin (“anders dan de Handelaren wellicht beogen betreft deze vordering alleen henzelf”), hetgeen in cassatie niet is bestreden79. Deze klachten leiden tot niets, zeker niet tot cassatie in mijn optiek. Voor zover wordt aangevoerd dat het hof niet op bepaalde stellingen van de Handelaren heeft gerespondeerd in dit verband, is niet gesteld of gebleken dat dit essentiële stellingen waren. De klachten falen.

2.78

Daarmee acht ik alle punten uit klacht 3 tevergeefs voorgesteld.

Klacht 4: Ongerechtvaardigde verrijking 80

2.79

Voor aansprakelijkheid op grond van ongerechtvaardigde verrijking (art. 6:212 BW) is ten eerste vereist dat een verrijking heeft plaatsgevonden. Onder verrijking verstaat men elke toevoeging aan een vermogen. Ten tweede moet de verrijking ten koste van een ander zijn. Naar Nederlands recht is de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking een schadevergoedingsvordering, onderworpen aan de regels van afdeling 6.1.10 uit boek 6 BW. Dit betekent dat de rechter op vordering van de benadeelde schadevergoeding in andere vorm dan betaling van een geldsom kan toekennen (art. 6:103 BW), zoals een “omruilvordering” gelijk in onze zaak gevorderd. De schadevergoeding wordt verder beperkt door de hoogte van de verrijking en door de redelijkheid. Tegenover verrijking van de één staat verarming van de ander. Bestanddelen van het ene vermogen zijn dan als het ware toegevoegd aan het vermogen van de ander. Daarbij moeten de begrippen “vermogen” en “vermogensbestanddelen” ruim worden opgevat. De verrijking dient daarnaast ongerechtvaardigd te zijn. Een verplichting tot vergoeding van vermogensvermeerdering ontstaat pas indien voor het behouden daarvan geen redelijke oorzaak of rechtvaardigingsgrond aanwezig is.

2.80

Klacht 4 richt zich met rechts- en motiveringsklachten tegen rov. 15. Dragende redenering is daarin dat de grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank over ongerechtvaardigde verrijking faalt, nu PostNL bij pleidooi in hoger beroep onweersproken heeft betoogd dat de ontvangsten van door haar verkochte guldenzegels in het bedrijfsresultaat van het betreffende jaar zijn verwerkt en vervolgens verdisconteerd in de lagere prijs van de postzegels in de jaren daarop. PostNL is in de ogen van het hof niet verrijkt door geen omruilfaciliteit te bieden. Bovendien had PostNL als eerder in het arrest aangegeven een rechtvaardiging voor haar handelwijze. Reeds hierom kan van ongerechtvaardigde verrijking niet worden gesproken.

2.81

Uit rov. 15 één na laatste volzin volgt dat de verwerping van de grief tegen het oordeel dat geen sprake is van ongerechtvaardigde verrijking zelfstandig wordt gedragen door de door het hof aangenomen rechtvaardiging voor de ongeldigverklaring door PostNL. Daarmee wordt onmiskenbaar gedoeld op rov. 6 en de terugverwijzing daarin naar de door het hof onderschreven redenering van de rechtbank in rov. 4.14 op dit punt (voldoende zwaarwegende redenen in de vorm van fraudepreventie en efficiënte en doelmatige frankeringscontrole). Daarmee is in de ogen van het hof immers al geen sprake van ongerechtvaardigde verrijking (zo van verrijking al sprake van is, hetgeen volgens het hof blijkens de eerdere passages uit rov. 15 overigens niet het geval is – en nog daargelaten, zo valt daar aan toe te voegen, of sprake is van causale verarming van de Handelaren in de in art. 6:212 BW bedoelde zin).

2.82

In 4.1 wordt deze zelfstandig dragende afwijzingsgrond (er is sprake van een rechtvaardiging voor de ongeldigverklaring) uitsluitend bestreden met deze summiere toelichting/klacht, die verder niet is uitgewerkt: “Dat geen rechtvaardiging kan worden aangenomen, mag blijken uit de voorgaande klachten en toelichtingen.”

Daargelaten dat dat niet voldoet aan de aan een cassatieklacht te stellen precisie-eisen, is bovendien onder de hiervoor in deze conclusie besproken klachten geen afzonderlijke klacht te vinden tegen de door het hof in het voetspoor van de rechtbank aangenomen zwaarwegende redenen voor PostNL om tot ongeldigverklaring van de guldenzegels over te gaan (bijv. niet in klacht 1, gericht tegen rov. 6). Hooguit zou dat dan de vergeefse klachten kunnen betreffen tegen de door het hof verrichte belangenafweging in het voordeel van PostNL behandeld in onderdelen B en G van klacht 2. Nu de conclusie daar was dat die klachten niet opgingen en de nu besproken klacht tegen de zelfstandig dragende rechtvaardigingsgrond uit rov. 15 aldus geen andere handen en voeten krijgt in 4.1, dan hetgeen hiervoor werd geciteerd (geen rechtvaardiging, zie vorige klachten), moet die klacht uit 4.1 stranden, zodat de zelfstandig dragende afwijzingsgrond voor de ongerechtvaardigde verrijkingsgrondslag van een voorhanden rechtvaardiging overeind blijft.

2.83

Dat bezegelt vervolgens het lot van de in 4.2-4.5 van de procesinleiding in cassatie geformuleerde klachten, die allemaal zijn gericht tegen het non-verrijkingsoordeel in rov. 15. Nu de hiervoor besproken zelfstandig dragende afwijzingsgrond dat sprake is van een rechtvaardiging voor de ongeldigverklaring in deze onderdelen tegen het non-verrijkingsoordeel verder (ook) niet wordt aangevallen en de klacht uit 4.1 als besproken faalt, missen de Handelaren belang bij hun cassatieklachten over het verrijkingsaspect uit rov. 1581. Die kunnen dan ook onbesproken blijven.

2.84

Op dit één en ander loopt klacht 4 stuk.

2.85

Slotsom is dat het principale cassatieberoep tevergeefs is voorgesteld.

Voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep

2.86

Nu het principale cassatieberoep niet slaagt, kan het voorwaardelijk ingestelde incidenteel cassatieberoep in wezen onbesproken blijven. Voor het geval Uw Raad daar niettemin aan toe zou komen, bespreek ik dit beroep ten overvloede ook.

2.87

Het voorwaardelijk ingestelde incidentele cassatieberoep bestaat uit twee onderdelen.

2.88

Onderdeel 1 klaagt dat de overweging van het hof in rov. 2.3 (vgl. hiervoor in 1.3), onjuist is. Het hof overweegt hier dat het door hem in rov. 2.2 vermelde artikel 14.2 onder 3 “sinds 2012” niet meer is opgenomen in de Algemene Voorwaarden van PostNL. De Handelaren hebben bij grieven onder 45 gesteld dat het hier bedoelde artikel “tot en met 2011” in de bedoelde voorwaarden was opgenomen. Bij mva heeft PostNL deze stelling betwist en onderbouwd dat het artikel “per 1 januari 2011” niet meer in de algemene voorwaarden was opgenomen. Bij pleidooi in appel hebben [de handelaren] dit erkend, zie plta hb 22.

2.89

In voetnoot 2 ben ik al ingegaan op dit punt. Het lijkt er inderdaad op dat art. 14.2 onder 3 “sinds 2011” niet meer is opgenomen in de Algemene Voorwaarden van PostNL. Gegrondheid van deze klacht leidt echter niet tot een voor PostNL gunstigere beslissing. Daarom kan de klacht, hoewel gegrond, niet tot cassatie leiden.

2.90

Onderdeel 2 klaagt over het oordeel van het hof in rov. 2.4 dat [eiser 10] op enig – voor het hof niet bekend moment – een postzegelverzameling heeft geërfd. Dat is door PostNL bestreden en zijdens de Handelaren niet nader onderbouwd, aldus de klacht. Het hof had niet tot deze vaststelling kunnen komen zonder PostNL tot bewijslevering toe te laten.

2.91

Ik zie ook hierbij niet in tot welk gunstiger resultaat voor PostNL het eventuele slagen van deze klacht zou kunnen leiden. Daargelaten de gegrondheid van deze klacht, lijkt mij deze zodoende niet tot cassatie te kunnen leiden, zodat ik deze niet nader bespreek.

2.92

De klachten uit de twee onderdelen van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep zijn zodoende tevergeefs voorgesteld, zo men daar aan toe zou komen.

Nabeschouwing

2.93

Postzegels verzamelen is al enige tijd op zijn retour82. Vroeger werd de postzegel wel het “aandeel van de gewone man” genoemd, ze werden (ook) als belegging gekocht. Je had immers de zekerheid van de waardevastheid van de nominale waarde, je kon ze altijd nog wegplakken of tegen die waarde verkopen, maar je had tevens de mogelijkheid van waardevermeerdering op de markt van verzamelaars. Je betaalde voor abonnementen op series ongebruikte postzegels vanwege die meerwaardepotentie ook meer dan de nominale waarde (hogere marktwaarde als beleggingsobject). Daarom was “serieus” postzegels verzamelen vroeger iets anders dan bijvoorbeeld suikerzakjes, sigarenbandjes, luciferdoosjes of pennen sparen. Maar ook dat is op zijn retour. Postzegels verzamelen is uit de mode en verzamelaars sterven uit. De jeugd heeft er geen belangstelling voor en het aanbod is groot, de vraag niet. Verkopen tegen de nominale waarde lukt al niet meer (er worden ook steeds minder brieven verstuurd natuurlijk) – en al helemaal niet met winst, aan andere verzamelaars bijvoorbeeld. Hierover valt niet veel meer te zeggen dan dat dat het risico van het vak is. Ik vond een (grote) Engelse inkoper op internet die nu Engelse postzegels ver onder de nominale waarde inkoopt, zo rond de 45% of minder voor lagere waarden en rond de 50-70% voor hogere waarden83. Daarbij moet bedacht worden dat in het Verenigd Koninkrijk de pond sterling gewoon wettig betaalmiddel is gebleven, de euro is daar niet ingevoerd immers, zodat de problematiek van onze zaak als gevolg van “currency change” daar helemaal niet speelt.

Het belangrijkste aspect uit onze zaak lijkt mij dat de speculatie in Nederland met betrekking tot postzegels altijd al relatief riskant is geweest, indien men in de “secundaire” handel het oog had op het altijd kunnen terugvallen op het verkrijgen van de nominale waarde, gelet op de historie van bevoegdelijke intrekkingen van de geldigheid van in omloop gebrachte postzegels, zonder dat ooit in de praktijk daadwerkelijk een omruilmogelijkheid is verschaft tegen wel geldige postzegels door de Nederlandse verlener van de universele postdienst (anders dan in sommige buitenlanden).

Nog afgezien van de in 2.35 gememoreerde relativiteitsproblematiek, waar de feitenrechters in onze zaak niet eens aan toe zijn gekomen om dat te beoordelen (met of zonder correctie Langemeijer), zijn dit overpeinzingen die van enige afstand bezien ook maken dat met de uitkomst waar deze conclusie toe leidt volgens mij goed te leven valt.

3 Conclusie

Ik concludeer tot verwerping van het principale cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Ontleend aan rov. 2 van het bestreden arrest, Hof Den Haag 23 januari 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:15. In rov. 1 is een verwijzing opgenomen naar de feitenvaststelling van de rechtbank, zie rov. 2.1-2.8 van Rb. Den Haag 23 maart 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:2921, zaaknr. C-09-477078-HA ZA 14-1270 (gevoegd met de zaken C/09/481695/HA ZA 15-121 en C/09/482852/HA ZA 15/183 en C/09/494573/HA ZA 15-941). De feitenvaststelling door de rechtbank staat blijkens rov. 1 van het bestreden arrest niet ter discussie. In 1.1 van deze conclusie is ook een gedeelte van rov. 2.1 uit voornoemd rechtbankvonnis weergegeven, terwijl in de hierna volgende feitenopsomming ook rov. 2.7 en 2.8 uit het rechtbankvonnis zijn weergegeven (in 1.8 en 1.9).

2 In rov. 2.3 staat “Sinds 2012”. PostNL komt hier echter in haar voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep tegenop. De handelaren hebben bij grieven onder 45 gesteld dat het hier bedoelde artikel “tot en met 2011” in de bedoelde voorwaarden was opgenomen. PostNL heeft dit bij antwoord in appel betwist en onderbouwd dat het artikel “per 1 januari 2011” niet meer in de algemene voorwaarden was opgenomen. Bij pleidooi in appel hebben de handelaren dit erkend, plta hb 22. Het lijkt er dus inderdaad op dat het hier gaat om 2011.

3 Ik citeer deze overweging voor een beter begrip: “4.6. In 1968 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat, op voorstel van de directeur-generaal der Posterijen, Telegrafie en Telefonie, een beleidsregel vastgesteld teneinde het tot dan toe gemaakte onderscheid tussen gelegenheidszegels en zakenzegels te laten vervallen en de wijze van beperking van de geldigheidsduur zo veel mogelijk uniform te maken. Ook gelegenheidszegels werden vanaf toen uitgegeven met een onbepaalde geldigheidsduur, net als gold voor zakenzegels. In het voorstel van de directeur-generaal staat – voor zover relevant – het volgende: 1.Bijzondere postzegels, zoals Kinder-, Zomer- en Europazegels en andere postzegels die de PTT voor speciale doeleinden uitgeeft, zijn thans slechts geldig in het jaar van uitgifte en gedurende het daaropvolgende jaar. Hierbij kan zich de moeilijkheid voordoen dat het publiek onbewust gebruik maakt van ongeldig geworden zegels, hetgeen portheffing bij de geadresseerde of terugzending van het poststuk aan de afzender tot gevolg heeft. 2. In verband hiermede acht ik het wenselijk ten aanzien van de geldigheidsduur van postzegels geen onderscheid meer te maken tussen bijzondere zegels en zegels van de normale uitgifte. Dit betekent dat in het vervolg ook de bijzondere postzegels geen beperkte geldigheidsduur zullen hebben. Alleen indien de omstandigheden dit wenselijk maken, zullen zegels van bepaalde uitgiften of van bepaalde waarden – uiteraard met inachtneming van een ruime aankondigingstermijn – buiten gebruik worden gesteld. Ten einde de mogelijkheid hiertoe open te houden zal in de desbetreffende aankondiging niet van “onbeperkte” maar van “onbepaalde” geldigheidstermijn worden gesproken (…) [onderstreping rb]”.

4 “4.14 De rechtbank is van oordeel – ook in lijn met het oordeel van het hof bij eerdergenoemd arrest [gedoeld wordt op het kortgedingarrest in de NVPH-zaak, ECLI:NL:GHDHA:2013:3527, NJF 2013/430, A-G] – dat PostNL voldoende zwaarwegende redenen had om in januari 2013, ruim tien jaar na de afschaffing van de gulden als betaalmiddel en de uitgifte van de laatste guldenzegels, tot ongeldigverklaring van de guldenzegels over te gaan. Vast staat dat de guldenzegels veel gemakkelijker dan moderne postzegels vervalst kunnen worden en dat in 2010 grootschalige vervalsingen aan het licht zijn gekomen. Ook brengt – zoals PostNL in hoofdstuk 13 van de conclusie van antwoord heeft toegelicht – een efficiënte en doelmatige controle van de frankering van de ongeveer dertien tot negentien miljoen poststukken (alleen briefpost), die PostNL gemiddeld per werkdag te verwerken heeft, met zich dat het aantal soorten geldige postzegels beperkt blijft en/of wordt. Zonder disproportioneel dure maatregelen – waarvan de kosten uiteindelijk door de klanten van PostNL gedragen zullen worden – en aanzienlijke vertragingen in het postverwerkingsproces kan PostNL niet de aanwezigheid en vervolgens echtheid van iedere guldenzegel controleren. (vgl. arrest hof r.o. 2.8).”

5 Geciteerd in vt. 4.

6 Hof Den Haag 24 september 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:3527, NJF 2013/430.

7 Volgens Valkhoff is de postzegel “juridisch-dogmatisch voor het privaatrecht niet zo’n bijster belangwekkend papier”, vgl. J. Valkhoff, De Nederlandse postzegel privaatrechtelijk beschouwd, RM Themis 1952, afl. 1, p. 75-97; ik hanteerde zijn monografie in de vorm van een herziene en aangevulde tekst van dit artikel, die de PTT uitgaf in 1952 (’s-Gravenhage) ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van de postzegel in Nederland, pp. 6-36 als belangrijkste bron, naast het gezaghebbende artikel van J. Kohler, Die Briefmarke im Recht. Zugleich ein Beitrag zur Lehre von den Wertpapieren, Archiv für bürgerliches Recht. Bd.6, 1892, p. 316-345. Vgl. ook E.S. Hollander, Het brievenvervoer uit een privaatrechtelijk oogpunt beschouwd, diss. 1893; G. Wttewaall, Het toonderpapier. Een burgerrechtelijke Studie, 1893, p. 57-58; J. de Bosch Kemper, Handleiding tot de kennis van het Nederlandsche Staatsregt en Staatsbestuur, 1865, p. 512. W.S. Wolff de Beer, Het rechtskarakter van de Nederlandse postzegel, NJB 1952, afl. 32, p. 668-671 (die zich tegen Valkhoff afzet en het voetspoor volgt van Star Busmann, Toonder en Legitimatiepapieren, RM Themis 1906, p. 283 e.v.) vond in 1952 het rechtskarakter van de postzegel onduidelijk: economisch volkomen ingeburgerd, toen al 100 jaar - en onmisbaar - maar met een nog niet opgehelderd rechtskarakter (p. 671). Rechtspraak waaruit volgt dat sprake is van een privaatrechtelijke overeenkomst tussen (toen) PTT en de afzender: HR 20 juni 1873, Weekblad van het Regt 1873, nr. 3603, p. 1-2; HR 16 oktober 1857, nr. 1897, p. 1, HR 26 februari 1875, nr. 3824, p. 1-2.

8 J. Valkhoff, a.w, p. 10 en 22.

9 J. Valkhoff, a.w., p. 11, onder verwijzing naar HR 30 juni 1949, NJ 1949, nr. 495, p. 903-906 en de overwegingen van de rechtbank in die zaak, en pp. 12 en 24.

10 Vgl. voor nu art. 2.1 Algemene Voorwaarden voor de universele Postdienst 2018: overeenkomst komt tot stand door brievenbuspost voldoende gefrankeerd in een straatbrievenbus te deponeren dan wel poststukken tegen het vastgestelde tarief op een postvestiging af te geven. In de voor onze zaak geldende voorwaarden uit 2010 staat iets soortgelijks in art. 2.1: “De overeenkomst tot uitvoering van de universele postdienst komt tot stand door een poststuk in een straatbrievenbus te deponeren dan wel deze op een postvestiging af te geven. (…)”.

11 W.S. Wolff de Beer, a.w., p. 669. Hij vergelijkt het kopen van een postzegel met het kopen van een treinkaartje (vervoerbiljet). Daar zijn Valkhoff, a.w., p. 20 en Kohler, a.w., p. 317 het niet mee eens - en dat geldt (met mij) ook voor het Haagse hof in kort geding, zo hebben we gezien: het juridisch karakter lijkt eerder sui generis, vgl. rov. 2.6 van het kortgedingarrest.

12 W.S. Wolff de Beer, a.w., p. 671.

13 W.S. Wolff de Beer, a.w., p. 670.

14 In deze zin de “legal opinion” van Smeehuijzen, overgelegd door PostNL als prod. 77 in deze procedure.

15 J. Valkhoff, a.w., p. 24 e.v., op p. 28 onder verwijzing naar destijds gezaghebbende auteurs: G. Wittewaal, Het toonderpapier. Een burgerrechtelijke Studie, 1893, p. 58 en O.B.W. de Kat, Effectenbeheer. Rechtskundig, economisch en administratief handboek, 1932, p. 280-281. Valkhoff wordt met instemming aangehaald door Hartkamp in zijn door PostNL in deze zaak overgelegde onafhankelijk advies van 18 augustus 2018 (prod. 76), in voetnoot 3. Vgl. in gelijke zin J. Kohler, a.w., p. 324-325.

16 J. Valkhoff, a.w., pp. 14-15 (vgl. ook pp. 18, 20 en 34), onder verwijzing naar M. Polak, Handboek voor het Nederlandse Handels- en Faillissementsrecht, dl. II, Vervoer van goederen en personen, 1920, p. 117.

17 J. Kohler, a.w., p. 324.

18 W.L.P.A. Molengraaff, Leidraad bij de beoefening van het Nederlandsche handelsrecht, 1947, dl. I, p. 488: postzegels zijn geen waardepapier, omdat zij geen verplichting tot een prestatie inhouden, maar vormen een betaalmiddel jegens de postdienst.

19 HR 27 juni 1938, ECLI:NL:HR:1938:55, NJ 1939/123, m.nt. W.P.J. Pompe.

20 Met waardepapier wordt een vordering aan toonder of aan order bedoeld, zie R. Zwitser, Order- en toonderpapieren (Mon. BW nr. A28) 2017, p. 3. Voor onze zaak dringt zich mogelijk de vergelijking op met (het ongeldig verklaren van) cadeaubonnen of boekenbonnen. Deze worden als toonderpapieren gekwalificeerd, zie R. Zwitser, GS Vermogensrecht, art. 3:93 BW, aant. 8.

21 J. Valkhoff, a.w., p. 24.

22 C.W. Star Busmann, Toonder en Legitimatiepapieren, Rechtsgeleerd Magazijn 1906, p. 283 e.v. We zagen al dat Wolff de Beer, a.w, op dezelfde lijn zit als zijn leermeester Star Busmann.

23 R. Zwitser, Order- en toonderpapieren, Monografieën BW A28, 2017, p. 1 en p. 10-11 onder verwijzing naar HR 19 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1683, NJ 2002/456, m.nt. M.M. Mendel (Zurich/Lebosch).

24 A. van Oven, Handelsrecht. Leerboek ten gebruike bij universitaire en daarmee overeenstemmende studie, 1981, p. 207.

25 Onder verwijzing naar Van Oven (zonder exacte vindplaats, maar waarschijnlijk: A. van Oven, a.w. vorige vt., p. 207).

26 Conclusie voor HR 4 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2407, onder 6.2.

27 J. Valkhoff, a.w., p. 30 onder verwijzing naar J. Kohler, p. 335.

28 J. Valkhoff, a.w., p. 15 voetnoot 4.

29 J. Valkhoff, a.w., p. 30. Bij de overgang van de gulden naar de euro als algemeen betaalmiddel in 2001 konden consumenten hun guldenmunten nog kosteloos inleveren voor euro’s bij de Nederlandse Bank (DNB), vgl. https://www.volkskrant.nl/economie/staat-verdient-415-miljoen-aan-gulden-versterf~b6af4d05/?referer=https%3A%2F%2Fwww.google.com%2F. De meeste guldenbankbiljetten kunnen nog tot 2032 voor euro’s worden ingewisseld bij DNB, zie https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/geldzaken/vraag-en-antwoord/guldens-of-andere-oude-valuta-wisselen-voor-euro.

30 Vgl. over vermogensrechten in het algemeen Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/1-2, Pitlo/Reehuis & Heisterkamp, Goederenrecht, 2012, p. 4-5.

31 In vergelijkbare zin s.t. PostNL 82.

32 Zie over vorderingen op naam, aan order en aan toonder als vermogensrechten Pitlo/Reehuis & Heisterkamp, Goederenrecht, 2012, p. 16.

33 J. Valkhoff, a.w., p. 20. Postzegelverzamelen is weliswaar op zijn retour, maar postzegelhandel bestaat nog steeds.

34 K.J.O. Jansen, GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 3.1 en 4.2.4.

35 K.J.O. Jansen, GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 4.1.1.

36 K.J.O. Jansen, GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 4.1.4, onder verwijzing naar HR 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7537, NJ 2007/270 (Unocal c.s./Conoco c.s.).

37 Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015/47; K.J.O. Jansen, GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 4.1.3 en 4.1.4.

38 K.J.O. Jansen, GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 4.1.4 met verdere verwijzingen.

39 C.C. van Dam, Aansprakelijkheidsrecht. Deel I. Rechtsbescherming, rechtsmiddel en rechtsherstel, 2015, p. 28 en K.J.O. Jansen, GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 4.2.5.1.

40 K.J.O. Jansen, GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 4.3.1.3; T. Barkhuysen & M.L. van Emmerik, De eigendomsbescherming van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM en het Nederlandse burgerlijk recht: het Straatsburgse perspectief, Preadviezen 2005, p. 56.

41 K.J.O. Jansen, GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 4.3.1.3. Voor een uiteenzetting van dit brede scala zie T. Barkhuysen & M.L. van Emmerik, a.w., p. 56-57 met verwijzingen en C.C. van Dam, a.w., p. 32.

42 Gezocht via HUDOC met gebruikte zoektermen “stamps” en “timbre”, voor het laatst op 8 oktober 2019.

43 T. Barkhuysen & M.L. van Emmerik, a.w., pp. 60 en 62.

44 K.J.O. Jansen, GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 4.2.3.2 en 4.2.3.3. Zie hierover ook C.C. van Dam, a.w., p. 29 en T. Barkhuysen & M.L. van Emmerik, a.w., p. 48.

45 Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015/46. Zie ook K.J.O. Jansen, GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 4.2.3.2.

46 K.J.O. Jansen, GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 4.2.3, onder verwijzing naar Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015/71.

47 Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015/71.

48 G.E. van Maanen & S.D. Lindenbergh, in: J. Spier e.a., Verbintenissen uit de wet en Schadevergoeding, 2015/34. Zie ook G.E. van Maanen & S.D. Lindenbergh, EVRM en privaatrecht: is alles van waarde weerloos?, Preadviezen 2011. Vgl. J.M. Emaus, Handhaving van EVRM-rechten via het aansprakelijkheidsrecht diss., 2013, p. 109. Zij pleit voor de introductie van de fundamentele rechtsschending als afzonderlijke onrechtmatigheidsrubriek.

49 Vgl. plta hb Handelaren onder 3: “Het belang dat PostNL heeft bij het ongeldig verklaren van guldenzegels wordt zonder meer door appellanten onderkend. PostNL heeft belang bij een efficiënte en doelmatige controle en verwerking van de poststukken en zij heeft belang te voorkomen dat opnieuw grootscheepse fraude met onder meer de guldenzegels plaatsvindt.”

50 In gelijke zin s.t. PostNL 74 en 82.

51 Vgl. K.J.O. Jansen, GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 4.1.7.

52 “5. Met dit onderscheid vertroebelt PostNL het zicht op een juiste juridische analyse. Zoals ook prof. mr. A.S. Hartkamp in zijn advies aan PostNL schrijft (productie 76 zijdens PostNL, punt 1, eerste volzin) is een postzegel een betaalmiddel in het verkeer met PostNL. Elke (onderstreping door advocaat [de handelaren]) bezitter van (geldige, waarover later meer) postzegels kan jegens PostNL bij de verzending van het betreffende poststuk naar het aangegeven postadres aanspraak maken op betaling met postzegels (middels het ‘wegplakken’ daarvan op het betreffende poststuk). Sterker nog, er kan jegens PostNL bij de verzendovereenkomst alleen maar bevrijdend in postzegels betaald worden en niet in geld.”

53 “36. De postzegel is een specifiek betaalmiddel, dat zich laat vergelijken met bijvoorbeeld een cadeau- of boekenbon. Zo daar geen uitgiftedatum op staat (zoals ook bij de postzegel het geval is), is die onbeperkt geldig. Een specifieke prestatie is dan niet overeengekomen, de postzegel, net zoals de cadeaubon, is slechts een later te gebruiken betaalmiddel jegens de betreffende uitgever. PostNL is gehouden de postzegel als betaalmiddel te aanvaarden voor een op dat moment te sluiten postdienst jegens een ieder die de postzegel dan wel de cadeaubon aanbiedt. Eerst op het moment van het aanbieden van een voldoende gefrankeerd poststuk aan PostNL, ontstaat voor PostNL de verbintenis tot het leveren van een prestatie, te weten het (tijdig) bezorgen van het poststuk.”

54 “6. De kern is dat dit recht niet enkel is voorbehouden aan de persoon, die de postzegel (rechtstreeks) van PostNL heeft ‘gekocht’ en ontvangen, maar juist aan iedereen die in het bezit is van postzegels en deze op het poststuk kunnen plakken. Met andere woorden, er wordt bij de uitvoering van de overeenkomst tot verzending van een poststuk door PostNL geen onderscheid gemaakt tussen enerzijds bijvoorbeeld de (eerste) koper, die bij de balie door PostNL heeft gestaan om postzegels te kopen om daarmee zijn betalingsverplichting te kunnen voldoen, en anderzijds bijvoorbeeld de hobbyist, die bij wijze van spreken nooit een postkantoor van binnen heeft gezien, maar met (geldige) postzegels uit zijn postzegelverzameling de betalingsverplichting uit deze overeenkomst tot verzending, voldoet.”

55 Met een verwijzing naar R. Zwitser, Order- en toonderpapieren, Mon BW A28, 2017, nr. 7 (op het voetspoor van A. van Oven, Handelsrecht, 1980, p. 207), waar in één adem worden genoemd spoor- en tramkaartjes, plaatsbewijzen voor concerten, toneelvoorstellingen, bioscopen en postzegels als voorbeelden van papieren die in de praktijk overgedragen worden met de bedoeling een vordering over te dragen.

56 HR 21 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3325.

57 BGH 11 oktober 2005, XI ZR 395/04, NJW 2006/54.

58 Vgl. in gelijke zin de “legal opinion” van Hartkamp, prod. 76 PostNL, onder 3, onder verwijzing naar het kortgedingarrest van het hof (ECLI:NL:GHDHA:2013:3527, NJF 2013/430) rov. 2.13, hiervoor weergegeven in 2.5.

59 K.J.O. Jansen, GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 6.1.4.1, onder verwijzing naar J. Spier e.a. (red.), Verbintenissen uit de wet en Schadevergoeding, 2015/42; K.J.O. Jansen, Informatieplichten, 2012, par. 4.2.10, 2012, T. Hartlief, Zorgplichten in het onrechtmatige daadsrecht, in: S.C.J.J. Kortmann e.a. (red.), Onderneming en 10 jaar Nieuw Burgerlijk Recht, 2002, p. 490.

60 Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015/56-57; K.J.O. Jansen, GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 6.1.4.2.

61 K.J.O. Jansen, GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 6.1.5.

62 Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015/56.

63 K.J.O. Jansen, GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 6.1.8.

64 Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015/57, zie ook K.J.O. Jansen, GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 6.1.9.

65 K.J.O. Jansen, GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 6.1.16.

66 Onder verwijzing naar Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II, nr. 32.

67 De rechtbank zet in rov. 4.6-4.8 van haar vonnis mooi uiteen dat dit voortvloeit uit een beleidsregel van de toenmalige Minister van Verkeer en Waterstaat op voorstel van de directeur-generaal der Posterijen, Telegrafie en Telefonie waarin dit onderscheid bewust is gemaakt en met het hanteren van de term “onbepaalde” geldigheidstermijn in plaats van “onbeperkt” uitdrukkelijk de mogelijkheid wordt opengehouden om een aldus bepaalde “onbepaalde” geldigheidstermijn later als nog te kunnen beëindigen. Vgl de hiervoor in vt. 3 geciteerde rov. 4.6 van het rechtbankvonnis.

68 Zie ook s.t. PostNL 115.

69 “Koninklijke TNT Post bepaalt welke postzegels verkrijgbaar zijn en welke, niet meer verkrijgbare, postzegels niet meer geldig zijn. Tevens wordt bekend gemaakt gedurende welke periode niet meer geldige, ongebruikte postzegels tegen geldige postzegels kunnen worden ingewisseld.” Deze bepaling is als eerder besproken uit de latere door PostNL gehanteerde algemene voorwaarden verdwenen.

70 Er staat “bestellen” in de klacht, hetgeen ik lees als “bezorgen”.

71 Het is mij onduidelijk hoe deze vindplaats dit argument van de Handelaren ondersteunt. Hier staat namelijk: “Voorts staat buiten twijfel dat PostNL aan de (wijze van) frankering voorwaarden mag stellen in haar algemene voorwaarden (de AVP). Ter ondersteuning hiervan wijst PostNL onder meer op de Memorie van Toelichting bij art. 18 lid 2 Postwet 2009, waar het volgende wordt opgemerkt: “Van de verlener van de universele postdienst wordt verwacht dat hij postvervoerdiensten van de universele postdienst doelmatig uitvoert, teneinde de kosten voor de uitvoering van de universele postdienst zo laag mogelijk te houden. Om te kunnen komen tot een doelmatige uitvoering van de postdienst, kan de verlener van de universele postdienst eisen stellen in de algemene voorwaarden” (vindplaats: Kamerstukken II 2005/06, 30 536, nr. 3, p. 40.

72 In dezelfde zin s.t. PostNL 127.

73 Verwezen wordt opnieuw naar mvg 54, waar is aangevoerd dat zij er ook na de “verlengingsbeslissing” uit 2001 gerechtvaardigd op hebben mogen vertrouwen dat ingeval van ongeldigverklaring een inruiloptie zou worden geboden.

74 Dit kan ik niet plaatsen, zodat ik vermoed dat hier bedoeld is te verwijzen naar rov. 14.

75 Ik recapituleer dat de Handelaren in eerste instantie alleen hadden gevorderd wat in rov. 2.8 van het bestreden arrest als primaire vordering is opgenomen. Bij wijziging van eis bij de procedure in eerste aanleg hebben zij een subsidiaire eis toegevoegd waar de beperking is opgenomen dat alleen guldenzegels zouden moeten worden omgeruild die de Handelaren op 28 januari 2013 in hun bezit hadden.

76 Zie mva PostNL 12, 13, 393-409.

77 Vgl. in overeenkomstige zin s.t. PostNL 65.

78 Ik lees hier geen klacht in. Onduidelijk is op grond waarvan het hofoordeel op dit punt vernietigd zou moeten worden.

79 In gelijke zin s.t. PostNL 60.

80 Recent zijn twee dissertaties verschenen over dit onderwerp: T. van der Linden, Aanvullend verrijkingsrecht, diss., 2019 en M.M.C. van de Moosdijk, Unjust enrichment in European Union Law, diss, 2018. Zie verder Asser/Hartkamp & Sieburgh 2015/461-465 en 479.

81 In gelijke zin s.t. PostNL 167.

82 Zie: https://www.nrc.nl/nieuws/2017/05/26/waar-blijven-de-jonge-post-zegelaars-10220382-a1560488 : de Koninklijke Nederlandse Bond van Filatelieverenigingen had in 1980 nog 200.000 leden, in 2017 nog 17.000. De in 2017 grootste postzegelvereniging in Nederland (Haarlemmermeer) heeft 269 leden.

83 https://www.philatelink.co.uk/buying-prices-4-w.asp . Ook de ex-verzamelaar Cor in het NRC-artikel uit de vorige voetnoot spaarde o.m. als belegging: “Heel vroeger kocht ik postzegels als belegging. Tien of 25 op een vel. Die hebben we allemaal verkocht of weggeplakt. Het werd helemaal niet[s] meer waard. Het wordt steeds minder waard.”.