Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:1128

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-09-2019
Datum publicatie
06-11-2019
Zaaknummer
18/00111
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1704
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Aanwezigheidsrecht verdachte. Afwijzing verzoek om terugwijzing naar Rb opdat verdachte gebruik kan maken van het recht op behandeling in twee feitelijke instanties. Middel over oordeel Hof dat er voor de Pr geen aanleiding bestond om de dagvaarding nietig te verklaren dan wel de zaak aan te houden. Welke inspanningsverplichting rust op de autoriteiten om te waarborgen dat verdachte op de hoogte is van een tegen hem lopende strafzaak? CAG staat stil bij de hoofdlijnen van EHRM-rechtspraak. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/00111

Zitting 17 september 2019

CONCLUSIE

A.E. Harteveld

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 30 november 2017 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens “diefstal” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken.

  2. Namens de verdachte is cassatieberoep ingesteld en mr. P.D. Popescu, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel klaagt dat het oordeel van het hof dat de dagvaarding in eerste aanleg geldig was, onbegrijpelijk is dan wel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.

3.1

In het aan de Hoge Raad toegezonden dossier bevinden zich de volgende relevante stukken:

(i) Een proces-verbaal van een politieverhoor van de verdachte van 2 september 2014. Dit proces-verbaal houdt onder meer in:

“ “V: Waar woont u?

“ A: Ik woon in [woonplaats 1].

“ V: Heeft hij u adres in Nederland?

“ A: Ik woon hier in Nederland in [woonplaats 2], ik weet zo het adres niet. Ik heb dat op een boete staan die ik bij me heb.”

(ii) Een ‘ID-staat conform SKDB’ van 19 september 2014, waarin geen adressen van de verdachte staan opgenomen;

(iii) Een op 19 september 2014 gedateerde dagvaarding met een daaraan gehechte akte van uitreiking. Op deze akte is ‘ja’ aangekruist bij de tekst ‘De woon- of verblijfplaats van de geadresseerde is niet bekend’. Daarnaast blijkt uit de akte dat op 22 september 2014 de betreffende akte is uitgereikt aan de griffier;

(iv) Een aantekening mondeling vonnis van 2 september 2014 waaruit blijkt dat de verdachte bij verstek wegens “diefstal door twee of meer verenigde personen” is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken;

(v) Een proces-verbaal van de zitting in hoger beroep van 16 november 2017, met onder meer de volgende inhoud:

“De raadsman van verdachte verklaart, zakelijk weergegeven:

De politierechter had de dagvaarding in eerste aanleg nietig moeten verklaren, dan wel de zaak moeten aanhouden, omdat de dagvaarding niet is betekend op het adres van mijn cliënt. Tijdens zijn verhoor bij de politie heeft mijn cliënt op de vraag of hij een adres in Nederland heeft, geantwoord dat hij wel een adres in Nederland heeft, maar dat hij dit adres niet uit zijn hoofd weet en dat dit op een boete staat vermeld die hij bij zich heeft. Op de politie rust dan een inspanningsverplichting om in de fouillering van de verdachte naar dit adres te zoeken. Ik verzoek u dan ook de zaak naar de politierechter terug te wijzen, zodat mijn cliënt gebruik kan maken van het recht op een behandeling in twee feitelijke instanties.

De advocaat-generaal verklaart, zakelijk weergegeven:

De dagvaarding is uitgereikt aan de griffier. Verdachte heeft tijdens zijn verhoor aangegeven dat hij zijn adres in Nederland niet weet. Er was ook geen ander adres van verdachte bekend waar de dagvaarding had kunnen worden betekend. Aldus is de dagvaarding op juiste wijze betekend.

Nadat het hof in raadkamer heeft beraadslaagd deelt de voorzitter mee dat het hof van oordeel is dat de dagvaarding in eerste aanleg op juiste wijze is betekend. De dagvaarding in eerste aanleg is op 22 september 2014 uitgereikt aan de griffier. Van de verdachte was op dat moment geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland bekend. Voorts heeft de verdachte tijdens zijn verhoor in de onderhavige strafzaak geen adres in Nederland opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden, als bedoeld in artikel 588a van het Wetboek van Strafvordering. Het in het algemeen verwijzen naar een adres op een boete die de verdachte bij zich zou hebben, kan niet als zodanig worden aangemerkt. Gelet hierop had er geen afschrift van de dagvaarding naar dat adres hoeven worden verzonden. De omstandigheid dat de verdachte in een andere strafzaak bij een politieverhoor wel een adres zou hebben opgegeven, maakt dit niet anders. Aldus bestond er geen aanleiding voor de politierechter om de dagvaarding nietig te verklaren, dan wel de zaak aan te houden. Het verweer van de raadsman van de verdachte wordt dan ook verworpen.

(…)

De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig zijn pleitaantekeningen, die aan het hof zijn overgelegd en aan dit proces-ver.baal zijn gehecht.”

(vi) Uit het voornoemde proces-verbaal blijkt daarnaast dat de raadsman het woord heeft gevoerd overeenkomstig zijn pleitaantekeningen. Deze houden het volgende in:

““Volgens het Europese Hof is het uitgangspunt van art. 6 EVRM dat een verdachte het recht heeft om bij zijn berechting tegenwoordig te zijn. Het Hof vindt dat dit recht in het geheel van art. 6 EVRM besloten ligt, in het bijzonder omdat de uitoefening van de in het derde lid sub c, d en e gegarandeerde rechten niet goed denkbaar is in afwezigheid van de verdachte. Het mag daarbij niet aan de verdachte worden, overgelaten om [n] op de hoogte te raken van de datum van de terechtzitting: bij de overheid rust het initiatief om hem te informeren. Het uitgangspunt van het Straatsburgse Hof is dat de overheid in alle zaken de plicht heeft om[ ]zich daadwerkelijk in te spannen teneinde de verdachte te bereiken en in te lichten. Het Hof eist bovendien dat de informatie door een min of meer formele procedure ter kennis van de verdachte komt. Het Hof toetst in het concrete geval of de inspanningen van de overheid om de verdachte te bereiken en te informeren reëel zijn geweest. Bij die toetsing speelt mogelijk ook de zwaarte van de bedreigde straf een rol. Naarmate er voor de verdachte minder op het spel staat wordt eerder geoordeeld dat aan de inspanningsverplichting is voldaan".1

Cliënt is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken.

Het openbaar ministerie had het verstek gevorderd dat is verleend door de politierechter, maar men heeft zich niet voldoende ingespand om cliënt in eerste aanleg te bereiken en te informeren door middel van de dagvaarding.

In zijn verhoren is cliënt niet gevraagd naar zijn adres in Roemenië.

Op de vraag of cliënt een adres had in Nederland heeft hij het volgende geantwoord, zie p. 11 :

"Ik woon hier in Nederland in [woonplaats 2], ik weet zo het adres niet. Ik heb dat op een boete staan die ik bij me heb”.

Niet blijkt dat de politie de moeite heeft genomen om te kijken in de fouillering van cliënt.

Uit de ID-staat van cliënt d.d. 22 september 2014 blijkt wel zijn laatst opgegeven verblijfplaats:

[a-straat 1] [postcode]

[woonplaats 2]

In de visie van de verdediging betekent dit dat de politierechter de zaak had moeten aanhouden of de dagvaarding nietig had moeten achten. Nu de zaak werd behandeld is art. 6 EVRM geschonden. Cliënt heeft geen gebruik kunnen maken van het recht aanwezig te zijn en/of zich door een advocaat te laten vertegenwoordigen. De verdediging verzoekt u zodoende de zaak naar de politierechter terug te verwijzen opdat cliënt gebruik kan maken van het recht op een behandeling in twee feitelijke instanties.”

(vii) In reactie op dit verweer heeft het hof in zijn arrest het volgende overwogen:

“De raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de politierechter de dagvaarding in eerste aanleg nietig had moeten verklaren, dan wel de zaak had moeten aanhouden, omdat de dagvaarding niet is betekend op het adres van de verdachte. Tijdens zijn verhoor bij de politie heeft de verdachte op de vraag of hij een adres in Nederland heeft, geantwoord dat hij wel een adres in Nederland heeft, maar dat hij dit adres niet uit zijn hoofd weet en dat dit op een boete staat vermeld die hij bij zich heeft. Op de politie rust dan een inspanningsverplichting om in de fouillering van de verdachte naar dit adres te kijken, zo stelt de verdediging.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

De dagvaarding in eerste aanleg is op 22 september 2014 uitgereikt aan de griffier. Van de verdachte was op dat moment geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland bekend. Aldus is de dagvaarding in eerste aanleg op juiste wijze betekend. Voorts heeft de verdachte tijdens zijn verhoor in de onderhavige strafzaak geen adres in Nederland opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden, als bedoeld in artikel 588a van het Wetboek van Strafvordering. Het in het algemeen verwijzen naar een adres op een boete die de verdachte bij zich zou hebben, kan niet als zodanig worden aangemerkt. Gelet hierop had er geen afschrift van de dagvaarding naar dat adres hoeven worden verzonden. De omstandigheid dat de verdachte in een andere strafzaak bij een politieverhoor wel een adres zou hebben opgegeven, maakt dit niet anders. Aldus bestond er geen aanleiding voor de politierechter om de dagvaarding nietig te verklaren, dan wel de zaak aan te houden. Het verweer van de raadsman van de verdachte wordt dan ook verworpen. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.”

3.2

In cassatie wordt de vraag aan de orde gesteld welke inspanningsverplichting rust op de autoriteiten om te waarborgen dat de verdachte op de hoogste is van een tegen hem lopende strafzaak. Volgens de steller van het middel had de overheid meer moeten doen om de verdachte in eerste aanleg te bereiken en te informeren door middel van een dagvaarding. Daarbij wordt erop gewezen dat de verdachte tijdens een politieverhoor heeft aangegeven in [woonplaats 1] (Roemenië) te wonen en een adres te hebben in Nederland, welk adres vermeld stond op een boete die hij op dat moment bij zich had. De politie had naar het Roemeense adres moeten vragen, dan wel bij de fouillering moeten kijken naar het Nederlandse adres dat vermeld stond op de boete. Ter onderbouwing hiervan is verwezen naar een citaat uit inmiddels al oudere literatuur, waarin de uit art. 6 EVRM voortvloeiende inspanningsverplichting die op de Staat rust om de aanwezigheid van de verdachte te waarborgen wordt belicht.2 Meer handen en voeten heeft het verweer in hoger beroep niet gekregen. Ook in cassatie ontbreekt een verdere onderbouwing. Nu hetgeen dat is aangevoerd ziet op de kaders die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) heeft uitgezet, sta ik eerst stil bij de hoofdlijnen van de Straatsburgse rechtspraak.

3.3

Het EHRM heeft veelvuldig benadrukt dat de verdachte er aanspraak op heeft om aanwezig te zijn op ‘zijn’ strafzitting.3 In het doel en de strekking van art. 6 EVRM ligt besloten dat op de Staat de plicht rust om het recht van de verdachte om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, te waarborgen. Dit recht wordt als één van de essentiële eisen van een eerlijk proces gezien.4 Weliswaar vermeldt de genoemde verdragsbepaling dit aanwezigheidsrecht niet uitdrukkelijk, maar het is volgens het Straatsburgse Hof anders moeilijk voorstelbaar hoe de uitoefening van de in het derde lid van art. 6 EVRM onder sub c (het recht zich zelf te verdedigen), sub d (het (doen) ondervragen van getuigen) en sub e (het zich kosteloos doen bijstaan door een tolk) gewaarborgde rechten uitgevoerd kunnen worden, zonder de aanwezigheid van de verdachte.5 Bovendien biedt de aanwezigheid van de verdachte de mogelijkheid “to verify the accuracy of his statements and compare them with those of the victim – whose interests need to be protected – and of the witnesses”.6

3.4

De verdachte kan afstand doen van zijn aanwezigheidsrecht. Dit kan zowel expliciet als impliciet gebeuren. Een dergelijke ‘waiver’ moet wel voldoen aan de eis dat deze ‘knowing and intelligent’ tot stand is gekomen.7 Indien niet kan worden vastgesteld dat de verdachte afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht, brengt dit niet reeds daarom mee dat sprake is van een schending van art. 6 EVRM. In het strafproces spelen immers ook andere belangen een rol. Indien het aanhouden van een zaak bijvoorbeeld het risico op verjaring meebrengt, of bewijsmateriaal verloren dreigt te gaan, kunnen die belangen meer gewicht in de schaal leggen dan de aanwezigheid van de verdachte.8 Daar staat tegenover dat indien de wet het mogelijk maakt om iemand bij verstek te veroordelen, de verdachte die op de hoogte raakt van zijn veroordeling de mogelijkheid moet krijgen voor een nieuwe berechting ten gronde (‘a fresh determination of the merits of the charge’).9 Bij dit alles moet wel in ogenschouw worden genomen dat ook hier het casuïstische karakter van de Straatsburgse rechtspraak van belang is. Ook in gevallen waarin niet uitdrukkelijk gebleken is van een ‘waiver’ en ook niet gezegd kon worden dat een nieuwe berechting ten gronde tot de mogelijkheden behoorde, heeft het Hof geoordeeld dat geen sprake was van een schending van art. 6 EVRM.10 Uit deze rechtspraak kan worden afgeleid dat ook van de verdachte de nodige inspanningen kunnen worden verwacht om zich bereikbaar te houden.11

3.5

Deze uitzonderingen doen er niet aan af dat de hoofdregel is dat de verdachte zijn aanwezigheidsrecht moet kunnen benutten. Dit recht kan door verschillende omstandigheden gefrustreerd worden, bijvoorbeeld doordat de verdachte in het buitenland gedetineerd is.12 In deze zaak draait het om de inspanningen die van de autoriteiten gevergd kunnen worden om een verdachte te informeren over zijn strafzaak. Uit de rechtspraak blijkt dat de wetgever maatregelen moet nemen “to discourage unjustified absences”.13 Wat betreft de inspanningsverplichting kan gewezen worden op de zaak Colozza tegen Italië. Tegen Colozza was aangifte gedaan van onder meer fraude. Er wordt een gerechtelijke kennisgeving uitgestuurd om de verdachte te informeren over de strafrechtelijke vervolging. Colozza blijkt onvindbaar voor de autoriteiten en krijgt de status ‘latitante’, een term die gereserveerd is voor personen die zich bewust aan justitie onttrekken. Vervolgens wordt hij bij verstek veroordeeld en op een later moment in zijn huis gearresteerd. Een verzetprocedure tegen de verstekveroordeling loopt op niets uit. Hij beklaagt zich in Straatsburg over een schending van art. 6 EVRM. Het Hof komt tot een schending en overweegt onder meer:

“28.

In the instant case, the Court does not have to determine whether and under what conditions an accused can waive exercise of his right to appear at the hearing since in any event, according to the Court's established case-law, waiver of the exercise of a right guaranteed by the Convention must be established in an unequivocal manner (see the Neumeister judgment of 7 May 1974, Series A no. 17, p. 16, para. 36; the Le Compte, Van Leuven and De Meyere judgment of 23 June 1981, Series A no. 43, p. 25–26, para. 59 NJ 1982, 602; the Albert and Le Compte judgment of 10 Febr. 1983, Series A no. 58, p. 19, para. 35).

In fact, the Court is not here concerned with an accused who had been notified in person and who, having thus been made aware of the reasons for the charge, had expressly waived exercise of his right to appear and to defend himself. The Italian authorities, relying on no more than a presumption, inferred from the status of ‘latitante’ which they attributed to Mr. Colozza that there had been such a waiver.

In the Court's view, this presumption did not provide a sufficient basis. Examination of the facts does not disclose that the applicant had any inkling of the opening of criminal proceedings against him; he was merely deemed to be aware of them by reason of the notifications lodged initially in the registry of the investigating judge and subsequently in the registry of the court. In addition, the attempts made to trace him were inadequate: they were confined to the flat where he had been sought in vain in 1972 (via Longanesi) and to the address shown in the Registrar-General's records (via Fonteiana), yet it was known that he was no longer living there. The Court here attaches particular importance to the fact that certain services of the Rome public prosecutor's office and of the Rome police had succeeded, in the context of other criminal proceedings, in obtaining Mr. Colozza's new address; it was thus possible to locate him even though — as the Government mentioned by way of justification — no data-bank was available. It is difficult to reconcile the situation found by the Court with the diligence which the Contracting States must exercise in order to ensure that the rights guaranteed by Art. 6 are enjoyed in an effective manner (see, mutatis mutandis, the Artico judgment of 13 May 1980, Series A no. 37, p. 18, para. 37).

In conclusion, the material before the Court does not disclose that Mr. Colozza waived exercise of his right to appear and to defend himself or that he was seeking to evade justice. It is therefore not necessary to decide whether a person accused of a criminal offence who does actually abscond thereby forfeits the benefit of the rights in question.”

3.6

Het Hof benadrukt in zijn arrest de serieuze inspanningen die de autoriteiten moeten verrichten om te achterhalen waar de verdachte verblijft. Deze inspanningsverplichting komt ook naar voren in de zaak M.T.B. tegen Turkije, waarin eveneens een schending van art. 6 EVRM werd geconstateerd. Tegen de klager was in 1999 aangifte gedaan wegens het uitgeven van een ongedekte cheque. Het lukte de autoriteiten niet om de verdachte te informeren over de strafzaak, waarna hij bij verstek werd veroordeeld. Nadat de verdachte wordt aangehouden, voert hij een procedure om de veroordeling terug te draaien, mede op de grond dat hij nooit geïnformeerd is over de strafzaak. Dit lukt uiteindelijk niet en hij wendt zich tot Straatsburg. Het EHRM overweegt ten aanzien van de inspanningen van de autoriteiten onder meer:

“51. As such, the Court should ascertain whether the trial court could be said to have shown sufficient diligence in its efforts to locate the applicant and to inform him about the criminal proceedings. In that connection, it makes the following observations. Firstly, although the applicant had issued the disputed cheque in his capacity as president of the executive board of his company, he was tried as an individual before the Bakırköy Criminal Court of First Instance. However, that court first sent a summons together with the indictment to the address of the company indicated by the applicant on the cheque. That summons was returned on the grounds that the company had left the address, leaving “PK. [post box] 5 Bakırköy” as the new address. At the same time, the trial court sought assistance from the prosecutor’s office, which in turn asked the police and the relevant district mayor to locate the applicant. They concluded that the applicant had abandoned the address written on the cheque. Thereafter, the trial court issued a detention order in absentia in respect of the applicant under Article 223 of the former Code of Criminal Procedure, with a view to bringing him before the court, and waited from 14 February 2000 to 13 October 2004 for that warrant to be executed. Lastly, the trial court decided to serve the summons at the address indicated on the cheque, pursuant to section 35 (4) of the Law of Notifications then in force.

52. The Court takes note of the trial court’s above-mentioned efforts. However, those efforts were limited to the address of the company indicated on the cheque. Significantly, the trial court never attempted to serve the indictment or the summons or its decision at the applicant’s place of residence, despite the fact that he was tried before that court as an individual. More importantly, the Bağcılar Criminal Court of First Instance, which is also situated in Istanbul, was able to serve a summons at the applicant’s home address on 11 October 2001, in relation to criminal proceedings in which he was a complainant (for an almost identical situation, see Colozza, cited above, § 28). Moreover, the Küçükçekmece public prosecutor’s office, which is also situated in Istanbul, indicated the applicant’s home address in its decision not to prosecute dated 16 July 2001, a decision made within the context of other criminal proceedings. At this point, the Court finds it important to reiterate that the police were also able to locate and arrest the applicant at his home address in 2006.

53. Having regard to the foregoing, and bearing in mind the prominent place which the right to a fair trial holds in a democratic society within the meaning of the Convention (see Hokkeling v. the Netherlands, no. 30749/12, § 62, 14 February 2017), the Court is unable to subscribe to the Government’s argument that the trial court showed the requisite due diligence in its efforts to locate the applicant (see, mutatis mutandis, Davran v. Turkey, no. 18342/03, § 45, 3 November 2009, and Büyükdağ v. Turkey, no. 28340/95, § 67 in fine, 21 December 2000). In such a case, the submission that the national courts served the decision in accordance with the domestic legal provisions, a fact that is disputed between the parties in the present case, is not sufficient of itself to relieve the State of its obligations under Article 6 of the Convention.”

3.7

Ook de Hoge Raad heeft stilgestaan bij het aanwezigheidsrecht van de verdachte. In 2002 heeft hij onder meer overwogen:14

“3.33.

Indien de dagvaarding van een verdachte die is ingeschreven in een GBA of wiens feitelijke woon‑ of verblijfplaats in Nederland of wiens adres in het buitenland bekend is, rechtsgeldig is betekend en de verdachte noch zijn raadsman op de terechtzitting is verschenen, kan de rechter – behoudens duidelijke aanwijzingen van het tegendeel – uitgaan van het vermoeden dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht.

Ook indien de dagvaarding van een persoon die geen bekende woon‑ of verblijfplaats heeft, overeenkomstig de wettelijke, hiervoor nader uiteengezette regels is betekend, mag de rechter overgaan tot berechting van de zaak. Het recht van de verdachte op berechting in zijn tegenwoordigheid moet dan worden afgewogen tegen het algemeen belang, in het bijzonder het belang van een behoorlijke rechtspleging, waaronder de afdoening van de zaak binnen een redelijke termijn. Dat belang zou immers in het gedrang kunnen komen in gevallen waarin de woon‑ of verblijfplaats van de verdachte die verstek heeft laten gaan, onbekend is. Daar komt bij dat indien in eerste aanleg de rechter in een dergelijke situatie tot berechting bij verstek is overgegaan, voor de verdachte steeds een rechtsmiddel openstaat, nadat hij van het vonnis in eerste aanleg op de hoogte is gekomen, zodat hij in de gelegenheid is zijn zaak opnieuw te laten beoordelen. Van hem mag dan, indien hij een rechtsmiddel aanwendt, worden verwacht dat hij de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen neemt om te voorkomen dat een dagvaarding voor die aanleg hem niet bereikt of de inhoud daarvan niet te zijner kennis komt.

3.34.

Het vorenoverwogene lijdt slechts uitzondering wanneer aan de stukken of het verhandelde ter terechtzitting duidelijke aanwijzingen kunnen worden ontleend dat de verdachte niet vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. Dan behoort het onderzoek ter terechtzitting, dat op grond van een dagvaarding die op wettige wijze is betekend, rechtsgeldig is aangevangen, te worden geschorst teneinde de verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek aanwezig te zijn.

Die schorsing behoort in de regel plaats te hebben:

a. in het geval dat op de terechtzitting blijkt dat de verdachte op dat moment uit anderen hoofde is gedetineerd.

b. in het hiervoren onder 3.23 behandelde geval dat de verdachte een postbus heeft.

c. in de hiervoren onder 3.20 sub d en 3.22 sub a behandelde gevallen waarin het adres van de verdachte in het buitenland bekend is, en hetzij blijkt dat bij de toezending van de dagvaarding aan de verdachte de ter zake geldende verdragsverplichtingen niet zijn nageleefd, hetzij het ernstige vermoeden bestaat dat de buitenlandse autoriteit of instantie geen uitvoering heeft gegeven aan het verzoek tot uitreiking van de dagvaarding.

In die gevallen dient het onderzoek ter terechtzitting te worden geschorst opdat het desbetreffende verzuim wordt hersteld, dan wel de gedetineerde verdachte alsnog in de gelegenheid wordt gesteld op een nadere terechtzitting aanwezig te zijn.”

3.8

Wat betekent het voorgaande voor de hier voorliggende zaak? Allereerst is het van belang een onderscheid te maken tussen de rechtsgeldigheid van de betekening van de dagvaarding en de vraag of het onderzoek ter terechtzitting moest worden geschorst om de verdachte in de gelegenheid te stellen om zijn aanwezigheidsrecht te effectueren. In cassatie staat niet ter discussie dat de dagvaarding in eerste aanleg rechtsgeldig is betekend. Wel wordt de geklaagd dat de autoriteiten zich meer hadden moeten inspannen voor de aanwezigheid van de verdachte.

3.9

Uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat de naleving van de wettelijke betekeningsregels bij een verstekveroordeling niet per definitie op één lijn gezet kan worden met de naleving van het in art. 6 EVRM besloten aanwezigheidsrecht van de verdachte. In het licht van de in art. 6 EVRM gewaarborgde rechten is het ook noodzakelijk om de inspanningsverplichting die op de schouders van de autoriteiten rust te onderzoeken. In hoger beroep en in cassatie wordt door de verdediging wat betreft deze inspanningen de nadruk gelegd op het (eerste) verhoor van de verdachte door de politie. De politie had meer moeten doen om een adres te achterhalen waarnaar een afschrift van de dagvaarding of een oproeping kon worden verzonden. Achteraf bezien was het uiteraard een kleine moeite geweest voor de politie om door te vragen naar verdachtes adres in Roemenië, of het op de boete vermelde adres te bekijken. Maar dat betekent nog niet dat reeds daarom de autoriteiten zich onvoldoende hebben ingespannen. Van belang lijkt mij dat de verdachte op 19 september 2014 is gedagvaard. Het betreffende politieverhoor dateerde van vóór deze datum. Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte in verzekering is gesteld of is voorgeleid aan de rechter-commissaris, zodat aangenomen kan worden dat op het moment van dagvaarden de verdachte op vrije voeten was. De mogelijkheid om de verdachte te bevragen naar zijn adres, was op dat moment dus gepasseerd. Ten tijde van het dagvaarden had de verdachte ook geen adres opgegeven bij de Nederlandse autoriteiten. Van enig ander aanknopingspunt om het adres van de verdachte te achterhalen, is ook niet gebleken. Daarbij wijs ik erop dat óók van de verdachte inspanningen worden verwacht om zijn aanwezigheidsrecht te effectueren. Van dergelijke inspanningen zijn niet gebleken.

3.10

Namens de verdachte is tegen het verstekvonnis hoger beroep ingesteld. Een in het Roemeens vertaalde appeldagvaarding is vervolgens verzonden naar een bij het instellen van hoger beroep opgegeven adres van de verdachte in Roemenië. Ook zijn afschriften gestuurd naar verschillende, toen bekende, adressen van de verdachte. In een tussenarrest heeft het hof de dagvaarding in hoger beroep nietig verklaard, omdat sprake was van een incomplete Roemeense vertaling. Het adres van het hof was hierin niet vermeld. Ook de Roemeense aanduiding van het datum en tijdstip van de behandeling in hoger beroep ontbrak. Vervolgens is de verdachte opnieuw gedagvaard, met daarin herstel van de voornoemde gebreken. Op de zitting in hoger beroep was de verdachte niet aanwezig, maar wel diens gemachtigd raadsman. Deze raadsman heeft niet een aanhoudingsverzoek gedaan. Een en ander brengt mee dat de verdachte de mogelijkheid heeft gehad tot een ‘fresh determination of the merits of the charge’. Zoals eerder is besproken, komt onder die omstandigheden een schending van art. 6 EVRM bij een verstekvonnis in eerste aanleg niet in beeld.

3.11

Het oordeel van het hof dat er geen aanleiding bestond voor de politierechter om de dagvaarding nietig te verklaren, dan wel de zaak aan te houden, getuigt dan ook niet van een onjuiste rechtsopvatting, in het bijzonder niet van art. 6 EVRM en is ook niet onbegrijpelijk.

3.12

Het middel faalt en kan worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

4. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Groenhuijsen, M. S., & Knigge, G. (editors) (1999). Het onderzoek ter zitting: Eerste interimrapport onderzoeksproject Strafvordering 2001. Groningen: Drukkerij Rijksuniversiteit Groningen, p. 105 en 106. (bijzonder deel: berechting in aanwezigheid en betekening van de dagvaarding)

2 H.M.E. Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg, ‘Berechting in aanwezigheid en betekening van de dagvaarding’, in: M.S. Groenhuijsen & G. Knigge (red.), Het onderzoek ter zitting. Eerste interrimrapport onderzoeksproject Strafvordering 2001, Deventer: Gouda Quint 2001, p. 105 en 106.

3 Zie bijv. EHRM 23 november 2006, 73053/01 (Jussila/Finland), par. 40 en EHRM 25 juli 2000, 24954/94, 24971/94 en 24972/94 (Tierce e.a./San Marino), par. 94.

4 EHRM 24 maart 2005, 9808/02 (Stoichkov/Bulgarije), par. 56.

5 EHRM 18 oktober 2006, 18114/02 (Hermi/Italië), par. 58 en 59 en EHRM 1 maart 2006, 56581/00 (Sejdovic/Italië), par. 81 en 84.

6 EHRM 14 juni 2001, 20491/92 (Medenica/Zwitserland), par. 54.

7 Zie nader EHRM 1 maart 2006, 56581/00 (Sejdovic/Italië), par. 86-88.

8 Zie EHRM 12 februari 1985, 9024/80 (Colozza/Italië), par. 29.

9 EHRM 12 februari 2015, 66408/12 (Sanader/Kroatië), par. 78.

10 Vgl. EHRM 23 februari 1999, 34966/97, NJ 1999/641 (De Groot/Nederland) en EHRM 16 december 1992, 68/1991/320/292 (Hennings/Duitsland).

11 Zie hierover P.A.M. Mevis, J.H.J. Verbaan, m.m.v. L. Postma, Modaliteiten van betekening in rechtsvergelijkend perspectief, Den Haag: WODC, ministerie van Veiligheid en Justitie 2013, p. 154-156.

12 Zie hierover in het bijzonder EHRM 14 februari 2017, 30749/12 (Hokkeling/Nederland) en HR 14 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:709.

13 EHRM 23 november 1993, 14032/88 (Poitrimol/Frankrijk), par. 35.

14 HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317 m.nt. Schalken.