Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:1127

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-09-2019
Datum publicatie
06-11-2019
Zaaknummer
18/03714
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1696
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Hond betrokken bij bijtincident met twee slachtoffers aan te merken als gevaarlijk dier a.b.i. art. 425.2 Sr? HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2019/184 met annotatie van Oort, C. van
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/03714

Zitting 17 september 2019

CONCLUSIE

A.E. Harteveld

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,

hierna: de verdachte.

1. De verdachte is bij arrest van 6 februari 2018 door het gerechtshof Den Haag wegens 2. “onvoldoende zorg dragen voor het onschadelijk houden van een onder zijn hoede staand gevaarlijk dier”1, veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 300,00, subsidiair zes dagen hechtenis met een proeftijd van twee jaren. Het hof heeft ook beslissingen genomen ten aanzien van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven honden, een en ander zoals nader in het arrest omschreven. Ook heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partij en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, zoals in het arrest omschreven.

2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. J. Biemond, advocaat te 's-Gravenhage, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het gaat in deze zaak om het volgende. Op 30 oktober 2016 liet de verdachte een niet-aangelijnde hond, type herder met de naam [naam], uit toen de hond [betrokkene 1] in zijn arm en daarna [betrokkene 2] in zijn zij beet. De verdachte is vervolgd en veroordeeld voor het niet voldoende zorg dragen voor het onschadelijk houden van een onder zijn hoede staand gevaarlijk dier, hetgeen een overtreding oplevert.2

4. Het middel klaagt over de bewezenverklaring. Het hof heeft het onder 2 ten laste gelegde feit bewezenverklaard, zonder acht te slaan op, althans uitdrukkelijk, begrijpelijk en consistent te beslissen op een gevoerd verweer.

4.1

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 30 oktober 2016 te 's-Gravenhage geen voldoende zorg heeft gedragen voor het onschadelijk houden van een onder zijn hoede staand gevaarlijk dier, te weten een hond type Herder naam [naam], immers heeft voornoemde hond, een persoon genaamd, [betrokkene 1] in diens arm gebeten en een persoon genaamd [betrokkene 2] in diens zij gebeten.”

4.2

De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 23 januari 2018, inhoudende:

Op 30 oktober 2016 liet ik de herdershond [naam] uit. Ik ben niet de eigenaar van deze hond maar ik had deze hond wel onder mijn hoede. Bij het uitlaten heeft [naam] aangever [betrokkene 1] gebeten en daarna aangever [betrokkene 2]. [naam] was op dat moment onrustig. Achteraf gezien was het beter geweest als ik [naam] had aangelijnd.

2. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 30 oktober 2016 van de Politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2016302499-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (pagina 21 en 22):

als de op 30 oktober 2016 afgelegde verklaring van [betrokkene 1]:

Op 30 oktober 2016 liep ik over de [a-straat] te 's-Gravenhage. Ik zag een hond rennen en ik zag een man uit een portiekdeur komen. Ik zag dat de hond niet aangelijnd was. Ik zag dat de man een hondenriem in zijn handen droeg. Ik zag dat deze hond mijn kant op kwam rennen en ik zag dat de hond mij beet in mijn linker arm. Ik voelde dat de hond los liet. Ik zag dat de hond naar een andere man liep. Ik zag dat de hond die andere man in zijn zij beet. Ik hoorde dat de eigenaar van de hond niets tegen de hond zei. De man riep de hond niet terug op het moment dat de hond mij of die andere man beet.

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

3. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 30 oktober 2016 van de Politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2016302576-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (pagina 26 en 27):

als de op 30 oktober 2016 afgelegde verklaring van [betrokkene 2]:

Op 30 oktober 2016 was ik aan het lopen op de [a-straat] te 's-Gravenhage. Ik zag een man lopen met een hondenriem in zijn hand. Ik zag dat er een hond naar mij toe kwam rennen. Ik had de indruk dat de hond raar gedrag vertoonde. Ik zag dat de man met de hondenriem achter de hond liep op ongeveer 15 meter afstand. Ik schreeuwde tegen de man: "Roep je hond, roep je hond". Ik riep dit in het Engels. Ik zag dat de hond mij in mijn linker zij beet. Ik voelde dat dit pijn deed. Door deze beet is mijn jas gescheurd en heb ik nu nog steeds pijn in mijn zij.

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot. het plegen van het feit.”

4.3

Het hof heeft een in hoger beroep voorgedragen verweer van de raadsman als volgt samengevat en verworpen:

“De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat de verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe naar voren gebracht dat het draait om de vraag of [naam] vóór de bijtincidenten op 30 oktober 2016 als een gevaarlijk dier te beschouwen was, waarop de verdachte diende te anticiperen. De raadsman heeft betoogd dat een hond alleen als gevaarlijk beschouwd kan worden indien deze reeds eerder bij bijtincidenten betrokken is geweest, hetgeen in de onderhavige zaak niet aan de orde was.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat [naam] onrustig was door een eerder bezoek door zijn eigenaresse en dat hij niet verwacht had dat [naam] bij hem zou weglopen. Verdachte heeft ter zitting erkend dat hij de hond achteraf gezien wel beter had kunnen aanlijnen.

Het hof stelt in de eerste plaats vast dat artikel 425, tweede lid, van het wetboek van strafrecht niet vereist dat het betreffende dier zijn potentieel gevaarlijke karakter reeds tevoren heeft geopenbaard door een mens of ander dier aan te vallen. De omstandigheid dat [naam] op 30 oktober 2016 in ieder geval twee mensen heeft gebeten is voldoende om hem als "gevaarlijk dier" in de zin van voormelde bepaling te kwalificeren. Voorts staat vast dat de verdachte niet in staat is geweest de loslopende hond onder controle te krijgen toen [naam] wegliep, waardoor de bijtincidenten zich konden voordoen. Deze omstandigheden zijn voldoende om tot een bewezenverklaring te komen. Daar komt nog bij dat verdachte verweten kan worden dat hij, wetende dat de hond onrustig was, [naam] niet aangelijnd heeft gehouden. Dat het gedrag van [naam] onvoorspelbaar en zelfs agressief te noemen was, vindt bovendien bevestiging in de rapportage van de Universiteit van Utrecht d.d. 23 december 2016 betreffende een risico-inschatting van [naam].

Het hof is - gelet op het vorenstaande - van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte onvoldoende zorg heeft gedragen voor het onschadelijk houden van de hond [naam] die onder zijn hoede stond. Het hof verwerpt daarom het verweer.”

4.4

Volgens de steller van het middel maakt het hof niet duidelijk op grond van welke feiten of omstandigheden de hond van de verdachte vóór de bijtincidenten die plaatsvonden op 30 oktober 2016 als gevaarlijk in de zin van art. 425 aanhef en onder 2° Sr moest worden aangemerkt. Dat oordeel is volgens het middel onjuist althans (volkomen) onbegrijpelijk.

4.5

Art. 425 Sr luidt:

“Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft:

1°. (…);

2°. hij die geen voldoende zorg draagt voor het onschadelijk houden van een onder zijn hoede staand gevaarlijk dier.”

4.6

In de memorie van toelichting is bij deze – sinds de invoering van het Wetboek van Strafrecht in 1886 onveranderd gebleven – bepaling opgemerkt dat onder een ‘gevaarlijk dier’ moet worden verstaan:3

“2°. (…) elk dier, waarvan schade voor lijf of goed te duchten is. Daarbij maakt het geen verschil, of deze eigenschappen aan alle exemplaren van die soort of alleen aan het corpus delicti eigen was, en evenmin of men met eene voortdurende eigenschap of met eene ziekte te doen heeft. Ook kwaadaardige of dolle honden zijn dus in de bepaling begrepen.”

4.7

Door de Commissie van voorbereiding werd voorgesteld het woord ‘gevaarlijk’ uit de wettekst te halen. De regering stond erop het woord ‘gevaarlijk’ in de wettekst te laten staan:4

“2°. Gevaarlijk. (…) “gevaarlijk” moet blijven. Anders zou bijv. ook het feit van art. 515 [458] onder dit artikel begrepen zijn. Overigens is in de Memorie van Toelichting duidelijk uitgedrukt, dat men hier niet met eene abstracte, maar met eene concrete eigenschap te doen heeft, zoodat bijv. ook honden onder deze dieren kunnen begrepen zijn.”

4.8

In de jurisprudentie van de Hoge Raad zijn enkele aanwijzingen te vinden voor de uitleg van de term ‘gevaarlijk’ in de zin van art. 425 aanhef en onder 2° Sr.

4.9

In HR 10 maart 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC8999, NJ 1992/571 ging het over een loslopende hond, een aan het type pitbullterriër verwant type, die bij een voetbalvereniging ballen had stukgebeten. De rechtbank had de verdachte vrijgesproken van het onvoldoende zorg dragen voor een onder zijn hoede staand gevaarlijk dier, omdat zij kennelijk van opvatting was dat een bepaalde hond eerst dan als gevaarlijk kan worden beschouwd, indien hij door zijn gedrag heeft laten blijken gevaarlijk te zijn voor mens of dier. Die opvatting is volgens de Hoge Raad niet juist,

“6.2 (…) aangezien ook een hond die zich niet op de door de rechtbank bedoelde wijze heeft gedragen, maar waarvan op grond van andere feiten of omstandigheden kan worden aangenomen dat hij gevaren oplevert welke voormelde wetsbepaling in het algemeen heeft willen voorkomen, als gevaarlijk in de zin van die bepaling moet worden aangemerkt.”

4.10

Ook in HR 22 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM3642, NJ 2010/378 werd het verweer gevoerd dat niet is gebleken dat de honden gevaarlijk waren vóór de overtreding werd gepleegd. Het hof had onder meer het volgende in zijn overwegingen meegenomen om tot het oordeel te komen dat de hond gevaarlijk in de zin van art. 425 aanhef en onder 2° Sr is:

“Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat Cha Cha een onzuivere Rottweiler, te weten een kruising tussen een Rottweiler en een herder, is en dat zij een waakhond is die normaal gesproken niet los loopt. Verdachte heeft tevens verklaard dat zij de hond in haar zenuwen, omdat zij onverwachts naar de dierenarts moest, is vergeten en deze op het terrein heeft achtergelaten, terwijl zij wist dat de hond dit niet gewend was omdat zij deze tijdens haar afwezigheid in de regel binnenshuis bracht. Volgens verdachte waren de hekken van het terrein waarop de hond zich bevond niet door middel van sloten afgegrendeld en was het terrein voor een ieder vanaf de openbare weg toegankelijk. Verdachte heeft op 2 augustus 2007 bij de politie verklaard dat haar bijstaat dat in het verleden met de hond een politietraining is gedaan. Daarnaast heeft de verdachte op 2 augustus 2007 verklaard dat Cha Cha volgens haar een felle hond is en dat de hond, wanneer deze op het erf loopt en er iemand aan komt, veel agressie vertoont. De agressie blijkt volgens verdachte uit het grommen en blaffen en het overeind zetten van de haren. Ook maakt de hond zich op een dergelijk moment groot, ontbloot deze haar tanden en trekt de hond de mondhoeken naar achteren.”

4.11

Volgens de Hoge Raad gaf het oordeel van het hof dat de hond reeds vóór de overtreding gevaarlijk voor personen kon zijn en derhalve een gevaarlijk dier in de zin van art. 425 aanhef en onder 2° Sr is, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en was het oordeel toereikend gemotiveerd.

4.12

HR 15 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3579, NJ 2016/43 betrof een hond, type Amerikaanse stafford, die een hond, type chihuahua, meerdere malen heeft gebeten waardoor deze is overleden. De verdachte had voor het hof verklaard dat de Amerikaanse stafford een mishandelde en verwaarloosde hond was en dat zij na het vroegtijdig afbreken van trainingen kennelijk nog steeds mentaal onzeker/niet weerbaar was en op straat in conflictsituaties geraakte. Een getuige had verklaard dat de hond kort voor het bijtincident gedrag vertoonde dat als ‘opgefokt’ werd aangeduid. De Hoge Raad liet het oordeel van het hof in stand:

“2.4. Met juistheid heeft het Hof geoordeeld dat een hond niet eerst dan als ‘gevaarlijk’ in de zin van art. 425 Sr kan worden aangemerkt als die hond bij eerdere bijtincidenten betrokken is geweest. Ook een hond waarvan op grond van andere feiten of omstandigheden kan worden aangenomen dat hij gevaren oplevert welke voormelde wetsbepaling in het algemeen heeft willen voorkomen, moet als gevaarlijk in de zin van die wetsbepaling worden aangemerkt. (Vgl. HR 10 maart 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC8999, NJ 1992/571.)

2.5.

Gelet op de gebezigde bewijsmiddelen, waaronder de verklaring van de verdachte, geeft het oordeel van het Hof dat de hond reeds vóór de overtreding gevaarlijk voor personen kon zijn en derhalve een gevaarlijk dier in de zin van art. 425, aanhef en onder 2º, Sr is, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het toereikend gemotiveerd.”

4.13

Uit deze jurisprudentie kan worden afgeleid dat het gevaarlijke karakter van een dier eerder gebleken moet zijn dan op het moment van het incident.5 Dat heeft ook wel een zekere logica: pas daarna ontstaat de zorgplicht voor het onschadelijk houden van het dier. Uit de hierboven aangehaalde memorie van toelichting en jurisprudentie volgt echter ook dat het gevaarlijke gedrag van een dier – in het bijzonder een hond – niet slechts komt vast te staan doordat eerder een bijtincident heeft plaatsgevonden, maar ook uit andere feiten en omstandigheden kan worden afgeleid dat het dier gevaren oplevert.

4.14

Voor zover het hof in zijn hierboven aangehaalde overwegingen heeft gesteld dat ‘[d]e omstandigheid dat [naam] op 30 oktober 2016 in ieder geval twee mensen heeft gebeten voldoende [is] om hem als "gevaarlijk dier" in de zin van voormelde bepaling te kwalificeren’

lijkt mij dat een overweging die niet goed is te verenigen met de hierboven uit de genoemde bronnen te destilleren wetsuitleg. Het hof heeft echter bij zijn oordeel nog meer van belang geacht, en wel dat:

(i) de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat [naam] onrustig was door een eerder bezoek door zijn eigenaresse;

(ii) de verdachte [naam] desondanks niet had aangelijnd;

(iii) de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft erkend dat hij [naam] achteraf gezien wel beter had kunnen aanlijnen;

(iv) de verdachte niet in staat is geweest [naam] onder controle te krijgen toen hij wegliep;
en voorts nog overwogen

(v) “dat het gedrag van [naam] onvoorspelbaar en zelfs agressief te noemen was, vindt bovendien bevestiging in de rapportage van de Universiteit van Utrecht d.d. 23 december 2016 betreffende een risico-inschatting van [naam].”

4.15

Gelet op deze feiten en omstandigheden geeft het oordeel van het hof dat hond [naam] een gevaarlijk dier in de zin van art. 425 aanhef en onder 2° Sr is, uiteindelijk niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het toereikend gemotiveerd. In het middel wordt weliswaar nog aangevoerd dat de als laatste genoemde rapportage van de Universiteit Utrecht dateert van na het incident met de hond, en daaraan geen ‘terugwerkende kracht’ kan worden toegekend, maar die klacht miskent de vrijheid die de feitenrechter toekomt bij de waardering van het voorhanden zijnde bewijsmateriaal.

4.16

Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De door mij (AEH) gecursiveerde passage is in de kwalificatiebeslissing van het hof niet opgenomen. Gelet op de bewezenverklaring, waarin deze passage wel voorkomt, merk ik de omissie van het hof aan als een kennelijke misslag die zich leent voor verbeterde lezing.

2 Art. 425 aanhef en onder 2° Sr.

3 H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht (1881-1886), Deel III, Rotterdam: Haarlem: Tjeenk Willink 1891, p. 176.

4 Verslag van de Tweede Kamer met Regeeringsantwoord; zie H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht (1881-1886), Deel III, Haarlem: Tjeenk Willink 1891, p. 177.

5 Vgl. A.J. Machielse in Noyon/Langemeijer/Remmelink, aant. 2 bij art. 425 Sr, actueel t/m 26 mei 2015.