Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:1118

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-09-2019
Datum publicatie
06-11-2019
Zaaknummer
18/00075
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1694
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag ex art. 94 Sv op geldbedrag en elektronische gegevensdragers onder klager t.z.v. verdenking van strafbare feiten in België. 1. Ongegrondverklaring klaagschrift t.a.v. inbeslaggenomen geldbedrag. 2. Ongegrondverklaring klaagschrift t.a.v. inbeslaggenomen gegevensdragers.

Ad 1. HR herhaalt maatstaf die moet worden toegepast bij beoordeling van klaagschrift van beslagene gericht tegen ex art. 94 Sv gelegd beslag. Rb heeft haar oordeel dat het belang van strafvordering zich verzet tegen opheffing van het beslag op het geldbedrag erop gegrond dat het gelet op de omstandigheden waaronder dat geldbedrag is aangetroffen, en op de verdenking t.z.v. van in België gepleegde strafbare feiten niet hoogst onwaarschijnlijk is dat m.b.t. dit geldbedrag t.z.t. een verbeurdverklaring dan wel een daarmee gelijk te stellen straf of maatregel door de strafrechter in België zal worden opgelegd. Dat oordeel getuigt, mede in aanmerking genomen dat het belang van strafvordering niet is beperkt tot het Nederlandse strafvorderlijke belang (vgl. ECLI:NL:HR:2016:385), niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Ad 2. Klacht behoeft gelet op beslissing van HR in ECLI:NL:HR:2019:1693, waarin cassatieberoep van klager in die zaak is verworpen, geen bespreking. Volgt verwerping. Samenhang met 18/00224 B en 18/00225 B.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/00075

Zitting 17 september 2019

CONCLUSIE

A.E. Harteveld

In de zaak

[klager 1] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,

hierna: de klager.

  1. De rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, heeft in haar beschikking van 2 januari 2018 het klaagschrift dat strekt tot teruggave van de bij klager inbeslaggenomen voorwerpen, ongegrond verklaard.

  2. Er bestaat samenhang met de zaken 18/00224 B en 18/00225 B. Ook in deze zaken zal ik vandaag concluderen.

  3. Namens de klager is cassatieberoep ingesteld en mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

  4. Het middel bevat de klacht dat de ongegrondverklaring van het klaagschrift onjuist is dan wel onvoldoende met redenen is omkleed, (a) nu de rechtbank verzuimd heeft vast te stellen wat de grondslag is van het beslag en (b) nu gelet op de klachten die zijn aangevoerd in de samenhangende zaak 18/00225 B de beslissing tot ongegrondverklaring ten onrechte is.

4.1 De raadsvrouw van de klager heeft tijdens de behandeling in de raadkamer, blijkens haar pleitnota, onder meer het volgende aangevoerd:

“Geld

Voor wat betreft het geld nog een nadere toelichting: waarheidsvinding kan om de hier al eerder genoemde gronden geen reden zijn om het geld niet terug te geven. Blijft alleen nog de mogelijkheid over dat uw rechtbank beslist dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat het geld te zijner tijd wordt verbeurd verklaard. Dan moet daarvoor wel een concrete aanleiding zijn. De Belgische autoriteiten hebben in hun rechtshulpverzoek uitsluitend aangegeven dat zij de cashgelden ten behoeve van het onderzoek inbeslaggenomen wensen te zien (p. 10 van het rechtshulpverzoek van 21 april 2017). Het woord verbeurdverklaring of een vergelijkbare Vlaamse term komt daarin niet voor. De inbeslagneming kan een dergelijke verbeurdverklaring aldus niet tot doel hebben gehad en heeft dat nu ook (kennelijk) niet. En het gaat te ver om verbeurdverklaring maar 'in te lezen'. In die zin zijn we toch afhankelijk van de omvang van hetgeen waarom middels het rechtshulpverzoek wordt gevraagd.

Er is verder ook geen zelfstandige bevoegdheid van de Nederlandse autoriteiten tot inbeslagneming, er loopt hier in Nederland geen onderzoek tegen hem dus een verbeurdverklaring door de Nederlandse rechter is hoogst onwaarschijnlijk. Voortduring van de inbeslagneming kan daarom ook daarop niet worden gebaseerd.

Ik verzoek u daarom het geld aan cliënt te retourneren.”

4.2

De bestreden beschikking houdt, voor zover van belang, het volgende in:

“Inleiding

Het klaagschrift strekt tot opheffing van het op 23 mei 2017 gelegde beslag op een geldbedrag, telefoons, laptops en een simkaart en de teruggave daarvan aan klager.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het feit dat in de periode van 11 januari 2015 tot en met 31 mei 2017 in totaal door de Belgische autoriteiten 77 rechtshulpverzoeken zijn gedaan en van de door de officier van justitie ingediende vordering ex artikel 552p van het Wetboek van Strafvordering tot het verlenen van verlof tot het ter beschikking stellen van onder andere op 23 mei 2017 onder klager inbeslaggenomen goederen aan de Belgische autoriteiten.

Het klaagschrift is op 19 december 2017 gelijktijdig met voornoemd verzoek ex artikel 552p van het Wetboek van Strafvordering en het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering van [klager 2] en [klager 3] , in openbare raadkamer behandeld. Klager is niet in raadkamer verschenen. Namens klager is de bepaaldelijk gemachtigde raadsvrouw, mr. J. Kuijper, in raadkamer verschenen. Tevens is belanghebbende [betrokkene 1] in raadkamer verschenen.

De rechtbank heeft in raadkamer kennisgenomen van hetgeen door de raadsvrouw en door de officier van justitie naar voren is gebracht. De raadsvrouw heeft aangegeven dat het geldbedrag dient te worden teruggegeven aan klager nu waarheidsvinding geen reden kan zijn om het geld niet terug te geven, de Belgische autoriteiten niet spreken over een te verwachten verbeurdverklaring van het geldbedrag en de Nederlandse autoriteiten geen zelfstandige bevoegdheid tot inbeslagneming hebben in deze zaak. De telefoons, laptops en simkaart dienen te worden teruggegeven aan klager omdat zij volgens de raadsvrouw de waarheidsvinding niet meer dienen nu de gegevens op een externe gegevensdrager zijn opgeslagen. Ook ten aanzien van deze goederen voert de raadsvrouw aan dat verbeurdverklaring door de Belgische autoriteiten niet is genoemd en dus hoogst onwaarschijnlijk is.

[betrokkene 1] heeft verzocht om teruggave van onder klager inbeslaggenomen en aan [betrokkene 1] toebehorende goederen.

De officier van justitie verzet zich tegen teruggave van de goederen en het geldbedrag. Ten aanzien van het geldbedrag acht de officier van justitie, gelet op de aanwezige verdenking tegen klager, te zijner tijd verbeurdverklaring niet hoogst onwaarschijnlijk. Ten aanzien van de goederen merkt de officier van justitie op dat het beslag gehandhaafd dient te blijven in verband met de waarheidsvinding, namelijk onderzoek aan de goederen in België. Bovendien acht de officier van justitie voortduring van het beslag op de telefoons noodzakelijk voor de veiligheid van de bij het onderzoek betrokken infiltrant. De officier van justitie wijst er op dat niet aangenomen kan worden dat de gegevens van telefoons en laptops op een externe gegevensdrager zijn opgeslagen en hiermee blijft verstrekking van deze goederen aan België van belang.

De beoordeling

Het klaagschrift is tijdig ingediend, immers binnen twee jaren na genoemde inbeslagneming.

De rechtbank is van oordeel dat het belang van strafvordering zich verzet tegen opheffing van het beslag op de inbeslaggenomen goederen en het inbeslaggenomen geldbedrag. Klager wordt verdacht van betrokkenheid bij de in de rechtshulpverzoeken genoemde gepleegde strafbare feiten in België. Klager zou hebben deelgenomen aan een criminele organisatie en betrokken zijn bij invoer, uitvoer, handel en bezit van verdovende middelen. Gelet op deze verdenking acht de rechtbank het niet hoogst onwaarschijnlijk dat betreffende het inbeslaggenomen geldbedrag te zijner tijd een verbeurdverklaring dan wel een daarmee gelijk te stellen straf of maatregel door de strafrechter in België opgelegd zal worden. Dat de Belgische autoriteiten een verbeurdverklaring van het geldbedrag of een daarmee gelijk te stellen straf of maatregel niet nadrukkelijk in de rechtshulpverzoeken hebben genoemd doet hier niets aan af.

De rechtbank is ten aanzien van de andere zaken waarop het klaagschrift ziet van oordeel dat, gelet op voornoemde verdenking, voortduring van het beslag noodzakelijk is in verband met de waarheidsvinding. Deze zaken zijn van belang voor het strafrechtelijk onderzoek in België. De rechtbank is van oordeel dat uit de stukken niet is gebleken dat er kopieën zijn gemaakt van gegevensdragers die bij klager inbeslaggenomen zijn en nog niet zijn teruggeven aan klager. Dit betekent dat het beslag op de originele gegevensdragers van belang is voor de waarheidsvinding en dient voort te duren.

De rechtbank merkt tenslotte op dat nu de waarheidsvinding in het geding is voor de beoordeling van het klaagschrift niet van belang is wie rechthebbende van de onder klager inbeslaggenomen en in de vordering genoemde goederen is.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het klaagschrift ongegrond verklaren.”

4.3

De Belgische autoriteiten hebben in de periode van 11 januari 2015 tot en met 31 mei 2017 Nederland om rechtshulp verzocht vanwege een strafrechtelijk onderzoek naar onder meer de klager. [klager 1] wordt samen met anderen verdacht van deelname aan een criminele drugsorganisatie. Er bestaan verdenkingen ter zake van in- en uitvoer, handel en bezit van verdovende middelen. Uit het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming blijkt dat bij de klager verschillende (deels buitenlandse) geldbedragen in beslag genomen, die zijn aangetroffen in een portemonnee, een bundel in de badkamer en achterin een tv op de slaapkamer van de klager.1 [klager 1] heeft verzocht om teruggave van deze geldbedragen. Daarbij is erop gewezen dat de Belgische autoriteiten in hun rechtshulpverzoek uitsluitend aangegeven hebben dat zij cashgelden ten behoeve van het onderzoek inbeslaggenomen wensen te zien. Niet blijkt dat het beslag dient tot verbeurdverklaring. De rechtbank heeft in haar beschikking overwogen dat gelet op de bestaande verdenking, zij het niet hoogst onwaarschijnlijk acht dat ten aanzien van het betreffende inbeslaggenomen geldbedrag te zijner tijd een verbeurdverklaring dan wel een daarmee gelijk te stellen straf of maatregel door de strafrechter in België opgelegd zal worden. Dat de Belgische autoriteiten een verbeurdverklaring van het geldbedrag of een daarmee gelijk te stellen straf of maatregel niet nadrukkelijk in de rechtshulpverzoeken hebben genoemd doet hier niets aan af, aldus de rechtbank.

4.4

Volgens de steller van het middel heeft de rechtbank bij de beoordeling van het klaagschrift verzuimd vast te stellen van de grondslag is voor het beslag. Hierdoor kan niet worden vastgesteld welk beslissingsschema de rechtbank had moeten hanteren. Daarnaast zou het oordeel van de rechtbank onbegrijpelijk dan wel onvoldoende met redenen zijn omkleed, omdat niet blijkt dat de Belgische autoriteiten een verbeurdverklaring zouden wensen en ook van de Nederlandse zijde niet blijkt dat de oplegging van deze maatregel in de rede ligt. Over deze klachten kan het volgende worden opgemerkt.

4.5

De door de rechtbank aangelegde maatstaf, te weten of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de Belgische rechter te zijner tijd een verbeurdverklaring dan wel een daarmee gelijk te stellen straf of maatregel zal bevelen, drukt uit dat de rechtbank van oordeel is dat het beslag is gelegd op de voet van art. 94 Sv.2 Het belang van strafvordering dat gediend is bij de voortzetting van het beslag, zou volgens de rechtbank gelegen zijn in een mogelijke verbeurdverklaring. De vraag is of het hof daarmee het juiste toetsingskader heeft aangelegd.

4.6

De doorzoeking in de woning van klager vond plaats naar aanleiding van rechtshulpverzoeken. In het toentertijd toepasselijke art. 552h lid 2 Sv werd onder rechtshulpverzoeken onder meer “het toezenden van documenten, dossiers of stukken van overtuiging” verstaan. Naar aanleiding van een rechtshulpverzoek kunnen dergelijke stukken in beslag worden genomen.3 Dit betekent dat de inbeslagnemingsbevoegdheid in principe4 beperkt is tot stukken van overtuiging. Dit betreffen op voet van art. 94 lid 1 Sv de stukken die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen.5 Een en ander brengt mee dat een Belgische rechtshulpverzoek geen ingang kan bieden voor het leggen van beslag ten behoeve van een eventueel later op te leggen verbeurdverklaring. Daarvoor dient een andere weg genomen te worden, namelijk art. 13 en verder WOTS of via de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van strafvorderlijke bevelen (art. 552jj e.v. (oud) Sv).6

4.7

Uit het voorgaande blijkt dat geld slechts als stuk van overtuiging kan dienen – en dus vatbaar is voor beslag – om de waarheid aan het licht te brengen in de procedure waarop het rechtshulpverzoek betrekking heeft.7 De rechtbank heeft de geldbedragen niet als stuk van overtuiging beschouwd, maar als voorwerp dat vatbaar is voor beslag met het oog op een eventueel op te leggen verbeurdverklaring in een Belgische procedure. Naar ik meen verzet de wettelijke regeling zich niet tegen dat oordeel. Uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken blijkt namelijk niet dat het geld in beslag is genomen ter uitvoering van het rechtshulpverzoek. Het huis van de klager is naar aanleiding van een rechtshulpverzoek doorzocht. Tijdens die doorzoeking zijn grote geldbedragen aangetroffen. Bij de inbeslagname is dus voortgebouwd op de toepassing van de bevoegdheid om het huis te doorzoeken. Een dergelijke ‘voortgezette toepassing’ van dwangmiddelen is sinds lange tijd aanvaard door de Hoge Raad.8 De inbeslagneming kan in zoverre dan ook los worden gezien van het rechtshulpverzoek. Dat blijkt ook uit de samenhangende art. 552p-verlofprocedure (zie de zaak 18/00225 B). De desbetreffende geldbedragen zijn geen onderdeel van het verlof dat is verleend om voorwerpen over te dragen aan de Belgische autoriteiten. De situatie dat via een art. 552p-procecudure de regelingen voor verbeurdverklaringen worden omzeild doet zich dan ook niet voor.9

4.8

Het oordeel van het hof dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de Belgische rechter op een later moment de verbeurdverklaring van de betreffende geldbedragen zou gelasten, acht ik ook niet onbegrijpelijk en is voldoende met redenen omkleed. Daarmee is voldoende aangegeven dat er sprake is van een belang van strafvordering dat het voortduren van het beslag vorder; dat is niet beperkt tot het Nederlandse strafvorderlijke belang.10 Voorts blijkt dat klager onderwerp is in een Belgisch drugsgerelateerd onderzoek. Vervolgens zijn bij een doorzoeking grote hoeveelheden geld aangetroffen, waarvan een deel was gebundeld in de badkamer en achterin een tv zat op de slaapkamer van de klager. Onder die omstandigheden kon de rechtbank, ook zonder dat de Belgische autoriteiten kenbaar hebben gemaakt dat zij aansturen op een verbeurverklaring, tot haar bestreden oordeel komen.

4.9

De tweede deelklacht verwijst naar en bouwt voort op hetgeen is aangevoerd in de samenhangende art. 552p-zaak. Op de gronden die ik heb vermeld in de conclusie in die zaak (18/00225 B), faalt deze klacht.

4.10

Het middel faalt in al zijn onderdelen.

5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Blijkens het proces-verbaal zijn in een portemonnee 10 biljetten van € 50; in de badkamer 2 biljetten van € 100, 52 biljetten van € 50 en 10 biljetten van € 20 en achterin een tv op de slaapkamer 5 biljetten van € 500, 1 biljet van € 200, 111 biljetten van € 100, 200 biljetten van € 50, 36 biljetten £ 50, 590 biljetten van £ 20, 410 biljetten van € 10 en 180 biljetten van £ 5 aangetroffen.

2 Vgl. HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3104 en HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:747.

3 Art. 552o lid 3 (oud) Sv. Dit artikel luidde als volgt: “Vatbaar voor inbeslagneming zijn stukken van overtuiging die daarvoor vatbaar zouden zijn, indien het feit in verband waarmede de rechtshulp is gevraagd, in Nederland was begaan en dat feit aanleiding kan geven tot uitlevering aan de verzoekende staat.”

4 Tenzij het verdrag voorziet in een ruimere basis, zoals het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, Trb. 1990, 94, art. 5 lid 2 (confiscatie) en art. 7 lid 2 (bewijsmateriaal).

5 A.L. Melai/A.H. Klip e.a. Wetboek van Strafvordering, IISS, III.5.7.3.2.

6 Zie T&C, aant. 3d bij art. 552n Sv en de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge, nr. 5.10 voorafgaand aan HR 29 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:1069.

7 Vgl. HR 2 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:493.

8 Vgl. HR 2 december 1935, ECLI:NL:HR:1935:146, NJ 1936/250 m.nt. Pompe.

9 Zie de waarschuwing van mijn ambtgenoot Knigge in zijn conclusie (nr. 5.10) voorafgaand aan HR 29 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:1069.

10 HR 8 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:385.