Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:1109

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
05-11-2019
Datum publicatie
07-11-2019
Zaaknummer
18/02307
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:504
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie P-G over voorhanden hebben van vuurwapens en munitie. De zeventienjarige verdachte is na haar komst om twee uur 's nachts aldaar enkele uren later bij een doorzoeking aanwezig in de slaapkamer van de bewoner waar de hem toebehorende wapens met munitie zich bevinden. Bewijs dat zij de wapens heeft aangeraakt. Hof heeft vrijgesproken van medeplegen. P-G bepleit opfrisbeurt voor het criterium "zich in meer of mindere mate bewust zijn van" voor de bepaling van voorhanden hebben. P-G acht in dit geval de beschikkingsmacht van de verdachte onvoldoende gemotiveerd en adviseert een vrijspraak om doelmatigheidsredenen en een aanpassing van de grondslag van de onttrekking aan het verkeer van een patroon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2020/66 met annotatie van Oort, C. van
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/02307 J

Zitting 5 november 2019

CONCLUSIE

J. Silvis

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 17 januari 2018 door het Gerechtshof Amsterdam wegens “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”, veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van zes uur, subsidiair drie dagen jeugddetentie, met aftrek. Het hof heeft voorts de onttrekking aan het verkeer bevolen van 1 patroon 5252247.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. D.N.A. Brouns, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het gaat in deze zaak om het volgende. Verdachte, destijds 17 jaar, is in de nacht van 12 op 13 september 2016 naar de woning van haar toenmalige vriend gegaan om daar te overnachten. Zij is rond twee uur daar aangekomen en naar de slaapkamer gegaan. Verdachte heeft verklaard daar twee wapens op de grond te hebben zien liggen naast het bed. Zij heeft deze wapens naar eigen zeggen weggeschoven onder het bed en is toen bij haar vriend in bed gaan liggen zonder iets tegen hem te zeggen. ’s Ochtends rond zes uur viel de politie binnen. In de slaapkamer werden drie vuurwapens aangetroffen, een op een kastje naast het bed, een op de grond naast het bed, en een aan het voeteneind van het bed op de vloer. Verdachte en haar vriend werden aangehouden. Op de vuurwapens op de grond naast het bed respectievelijk op het kastje is DNA van verdachte aangetroffen. Verdachte is veroordeeld wegens het voorhanden hebben van die drie wapens met munitie.

  4. Namens verdachte zijn twee middelen voorgesteld. Het eerste middel klaagt dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip ‘voorhanden hebben’ als bedoeld in artikel 26 WWM, althans dat het hof zijn beslissing ontoereikend en/of onbegrijpelijk heeft gemotiveerd. Het tweede middel klaagt over overschrijding van de inzendtermijn in cassatie.

  5. Voordat ik de middelen bespreek ga ik nader in op de vraag naar de inhoud van de vereisten om tot een veroordeling ter zake van het voorhanden hebben van een wapen of munitie in de zin van artikel 13 of artikel 26 WWM te kunnen komen.

  6. Deze conclusie is als volgt opgebouwd. Eerst volgt een bespreking van de vereisten voor een veroordeling voor het voorhanden hebben van een (vuur)wapen en/of munitie. Daarna volgt een overzicht van de bewezenverklaring, de bewijsvoering en de bewijsoverwegingen. Ten slotte bespreek ik de middelen.

    Voorhanden hebben van een (vuur)wapen en/of munitie

  7. Voor een veroordeling ter zake van het voorhanden hebben van een (vuur)wapen en/of munitie in de zin van artikel 13 of artikel 26 WWM is volgens vaste jurisprudentie vereist dat de verdachte zich in meer of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van dat (vuur)wapen of die munitie1 (In het vervolg wordt ook kortweg over “wapen” gesproken, het voorvoegsel “(vuur)” en “munitie” worden niet telkens apart vermeld). Daarnaast moet de verdachte een zekere beschikkingsmacht over het wapen hebben gehad.2 De criteria aanwezigheid, machtsrelatie en bewustheid staan doorgaans niet los van elkaar; ze worden in de praktijk vaak in samenhang bekeken.3

8. Hieronder ga ik nader in op de criteria aanwezigheid, machtsrelatie en bewustheid, en op de samenhang daartussen. Vragen die ik bespreek zijn onder meer in hoeverre de machtsrelatie een rol speelt indien de verdachte wetenschap of het vermoeden heeft van de aanwezigheid van een wapen, de rol van de drie criteria bij het bewijs van medeplegen, hoe meerdere of mindere mate van bewustheid zich verhoudt tot opzet (dolus) en schuld (culpa), en wat de ondergrens is van de “meer of mindere mate van bewustheid”.
Voorts ga ik in op het gebruik van het criterium “meer of mindere mate van bewustheid” in zaken betreffende het (opzettelijk) aanwezig hebben van drugs in de zin van art. 2 onder C juncto art. 10 lid 3 Opiumwet en art. 3 onder C juncto art. 11 lid 2 Opiumwet.


Aanwezigheid, machtsrelatie, en bewustheid


Aanwezigheid

9. Er moet sprake zijn van een wapen bij of in de directe omgeving van de verdachte. Dit hoeft niet (te) letterlijk worden genomen. Indien de verdachte wordt aangehouden op zijn werk, en vervolgens bij huiszoeking blijkt dat hij in zijn woning een wapen had liggen, dan sluit dat een veroordeling wegens voorhanden hebben niet uit. De aanwezigheid van een wapen krijgt immers pas strafrechtelijke consequenties in relatie tot een mate van beschikkingsmacht over dat wapen en het in meer of mindere mate bewust zijn van de aanwezigheid van het wapen. De aanwezigheid van een wapen in de eigen woning, eigen auto of het eigen bedrijf van de verdachte maakt het waarschijnlijker dat hij zich bewust is van deze aanwezigheid en dat hij erover kan beschikken, maar dit is daarmee nog niet zonder meer het geval. In een zaak die aan de orde was in een arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2011 werd een wapen aangetroffen in een opbergdoos in een kast in de kantoorruimte in de rijwielhandel van verdachte.4 De Hoge Raad achtte het oordeel van het hof dat verdachte het wapen voorhanden had niet zonder meer begrijpelijk, in aanmerking genomen wat namens verdachte was aangevoerd m.b.t. de vindplaats van het wapen en de vele momenten dat andere personen, ook op momenten dat verdachte niet aanwezig was, toegang hadden tot de plek waar het wapen lag. Vergelijk voorts de zaak die ten grondslag lag aan een uitspraak van de Hoge Raad van 23 april 2019.5 In de ouderslaapkamer in de woning van verdachte was een rode tas met opdruk Dirk van den Broek aangetroffen. In deze tas zaten twee dozen met daarin 100 patronen. Het hof had vastgesteld dat verdachte moet hebben geweten dat die rode tas in de slaapkamer van hem en zijn vriendin stond, en dat ook indien deze tas verdachte niet bekend was voorgekomen, het op zijn weg had gelegen onderzoek te doen naar de inhoud van die tas. De Hoge Raad oordeelde dat de enkele omstandigheid dat verdachte zo’n onderzoek achterwege heeft gelaten niet met zich brengt dat verdachte zich ook in meerdere of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van (zich in die tas bevindende) munitie en daarmee die munitie voorhanden heeft gehad. Het kantoor van het eigen bedrijf respectievelijk de ouderslaapkamer van de eigen woning, maar het wapen/de munitie zat in een doos/boodschappentas en was dus niet direct zichtbaar, en bevond zich in een ruimte waar ook andere mensen toegang tot hadden.

10. In het geval van een verweer of van voorhanden hebben sprake is indien de verdachte zich (in het geheel) niet in de nabijheid van het wapen bevindt, kan toetsing aan het machtscriterium een uitweg bieden om tot een oordeel te komen.6, De plaats waar het wapen zich bevindt is dan niet doorslaggevend, zolang de verdachte maar beschikkingsmacht heeft over het wapen.


Beschikkingsmacht

11. Zoals hierboven al aangegeven worden de eerder genoemde criteria aanwezigheid, macht en bewustheid in de praktijk doorgaans in samenhang met elkaar bekeken. Zo kan in een grensgeval rond onmiddellijke nabijheid of juist in het geheel niet in de nabijheid van het wapen verkeren toetsing aan beschikkingsmacht een oplossing bieden. Voor beschikkingsmacht is niet vereist dat de verdachte eigenaar of bezitter is van het wapen.7 Het gaat om de vraag of de verdachte over het wapen kon beschikken: lag het in zijn macht om het wapen te gebruiken, het weg te gooien, het cadeau te doen, of er op een andere wijze iets mee te doen.

12. Al in een uitspraak van 4 maart 1980 heeft de Hoge Raad overwogen: ”Het middel gaat er terecht van uit dat het louter door iemand kortstondig onder bereik hebben van een vuurwapen dat door een derde bij hem is achtergelaten, terwijl hij zich van de aanwezigheid van dat wapen niet bewust is, nog niet kan worden aangemerkt als het 'voorhanden hebben' van dat wapen in de zin van art. 3 Vuurwapenwet 1919”, maar vervolgde ten aanzien van die concrete zaak met: “Uit niets blijkt evenwel dat zulks door het Hof is miskend, zodat het middel faalt”.8 De conclusie van AG Remmelink werpt wat meer licht op de onderliggende casus en ook op de beschikkingsmacht van de verdachte: “I.c. heeft de Rb. echter de voor het begrip 'voorhanden hebben' noodzakelijke relatie wel kunnen 'aannemen'. Ik verwijs daartoe naar de door het Hof voor het bewijs gebezigde verklaringen van requirant, afgelegd ter zitting en tegenover de politie, waaruit het Hof geredelijk heeft kunnen afleiden, dat requirant willens en wetens het wapen van zaterdag op zondag — dus niet bepaald 'kortstondig' — in zijn woonwagen zodanig aanwezig heeft gehad dat hij daarover direct kon beschikken. Mij dunkt, dat in zo'n geval wel van voorhanden hebben gesproken kan worden”. De verdachte had het wapen van een ander zodanig in zijn woning aanwezig dat hij er direct over kon beschikken: hij had dus beschikkingsmacht en daarmee had hij het wapen voorhanden.

13. Zie voor een zaak waar de door het hof vastgestelde beschikkingsmacht niet voldoende bleek voor “voorhanden hebben” een uitspraak van de Hoge Raad van 7 december 2010.9 In een door de verdachte gehuurde opslagbox waren in een doos een riotgun met bijbehorende munitie aangetroffen. Het hof had overwogen dat voor bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorhanden hebben' als bedoeld in art. 26 van de Wet wapens en munitie vereist is dat de dader over het wapen en/of de munitie kan beschikken. Het hof oordeelde dat, gelet op de verklaring van verdachte dat hij de beschikking over de opslagbox en de inhoud van de box heeft gehad, verdachte over het wapen en de munitie kon beschikken en hij die dus voorhanden had. Dat ook anderen, waarvan de verdachte de namen niet heeft willen noemen, toegang tot de opslagbox hadden, deed hier volgens het hof niet aan af. De Hoge Raad ziet dit anders. Hij stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van het voorhanden hebben van een wapen of munitie in de zin van art. 26 Wet wapens en munitie vereist is dat sprake is geweest van een meer of mindere mate van bewustheid bij de verdachte omtrent de aanwezigheid van dat wapen of die munitie (vgl. HR 26 januari 1999, LJN ZD1169, NJ 1999/537). De Hoge Raad vindt, gelet hierop, het oordeel van het hof dat de verdachte het wapen en de munitie voorhanden had omdat hij daarover kon beschikken, in het licht van de niet door de bewijsmiddelen weersproken verklaring van de verdachte dat ook anderen dan hijzelf de sleutel hadden van de opslagbox waar het vuurwapen en de munitie zijn aangetroffen, niet zonder meer begrijpelijk. Weliswaar was de verdachte in deze zaak de huurder van de box en had hij de beschikking over die box en daarmee over de inhoud van die box, maar dat wil niet zonder meer zeggen dat verdachte daarmee zich ook bewust was van alles wat aanwezig was in de box.

14. De vraag of er beschikkingsmacht was kan ook een rol spelen als het gaat om medeplegen: het machtscriterium wordt dan gebruikt om de bewuste, nauwe samenwerking of de gezamenlijke uitvoering te onderbouwen. In een eerdere conclusie van 7 december 201010 schreef ik dat de relatie tussen de verdachte en de wapens niet slechts wordt bepaald door het op een gegeven moment opzettelijk vertoeven in het gezelschap van een bezitter waarvan de verdachte zich niet distantieert. Ik merkte daarbij op dat als distantiëren wel geboden is om van medeplegen van voorhanden hebben van een vuurwapen verwijderd te blijven daartoe wel voldoende gelegenheid moet zijn geweest. In de zaak die aan die conclusie ten grondslag lag ging het om medeplegen van voorhanden hebben van een wapen. Het betrof wapens die boven in de slaapkamer van het huis van verdachte waren aangetroffen. Die wapens waren daar door haar ex-vriend neergelegd, met wie verdachte een tijd in haar huis had samengewoond. De ex-vriend (medeverdachte) werd in haar huis aangehouden, waarna de wapens in de slaapkamer werden aangetroffen. Ik verstond het oordeel van het hof dat sprake was van medeplegen aldus dat het voor medeplegen vereiste element van gezamenlijkheid schuilt in het feit dat verdachte ondanks haar beschikkingsmacht, blijkens de feitelijke omstandigheden, kennelijk heeft aanvaard dat de wapens van de medeverdachte in haar woning werden bewaard. De Hoge Raad heeft deze zaak afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.11

15. Voor een voorbeeld waarbij de door het hof vastgestelde beschikkingsmacht niet voldoende is voor medeplegen wijs ik op een arrest van de Hoge Raad van 23 november 2010.12 De verdachte was opgepikt van haar werk door haar vriend. De vriend reed naar een parkeerterrein. Hij liet de verdachte een vuurwapen met munitie zien dat hij net had aangeschaft. De verdachte mocht het wapen ook even vasthouden. Het Hof achtte bewezenverklaard dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander een vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad, waarbij het hof overwoog dat de verdachte gedurende enige, zij het korte tijd, mede de beschikkingsmacht over het wapen en de munitie heeft gehad. De Hoge Raad oordeelde dat uit de omstandigheid dat de verdachte dat vuurwapen korte tijd heeft vastgehouden toen haar vriend haar dat wapen en de munitie in de auto liet zien niet zonder meer kan volgen dat zij "tezamen en in vereniging met een ander" het wapen en de munitie voorhanden heeft gehad. Ook anderszins kan uit de bewijsvoering niet worden afgeleid dat voldaan is aan het vereiste van een - op het voorhanden hebben van die voorwerpen gerichte - bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en de mededader. De Hoge Raad betrekt de beschikkingsmacht bij de vraag of sprake is van medeplegen. AG Vellinga betrekt in zijn aan dit arrest voorafgaande conclusie van 14 september 201013 de beschikkingsmacht bij de vraag naar het “voorhanden hebben”: “Uit louter het even mogen vasthouden van het wapen in een door de eigenaar van het wapen bestuurde auto valt niet af te leiden dat verdachte enige macht van betekenis had. In de omstandigheden van het geval kon zij het niet weggooien, verstoppen, meenemen, verkopen of iets dergelijks. Het oordeel van het Hof geeft dus blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip "voorhanden hebben" als bedoeld in art. 26 WWM dan wel is onvoldoende gemotiveerd”. Vervolgens gaat AG Vellinga apart in op het bewezenverklaarde medeplegen en overweegt: “Zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt immers niet in te zien hoe uit het enkel uit handen van de eigenaar van het wapen even vasthouden van dat wapen en die munitie kan worden afgeleid dat verdachte met het oog op dat voorhanden hebben van dat wapen en die munitie bewust en nauw met de eigenaar van het wapen en de munitie heeft samengewerkt”.

16. Het is ook mogelijk dat twee verdachten ieder voor zich als pleger worden veroordeeld voor het voorhanden hebben van dezelfde wapens op hetzelfde tijdstip op dezelfde plaats, terwijl zij beiden aanwezig zijn op die plaats, in het geval een bewuste en nauwe samenwerking niet bewezen kan worden. De vraag is hoe in de onderhavige zaak de vrijspraak voor medeplegen zich verhoudt tot de bewezenverklaring van plegen door verdachte. Het hof heeft vrijgesproken van medeplegen, op de grond dat het dossier onvoldoende steun voor bewezenverklaring van medeplegen bevatte, nu niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en haar vriend die gericht was op het gezamenlijk voorhanden hebben van de vuurwapens met bijbehorende munitie. Het hof overweegt voorts: “Dat medeplegen niet is te bewijzen, sluit echter niet uit dat zowel de verdachte als [betrokkene 1] , ieder voor zich, zich in meer of mindere mate bewust waren van de aanwezigheid van de wapens en munitie op verschillende plaatsen in de slaapkamer waarin zij zich bevonden en dat zij allebei daarover konden beschikken”. Ik kom hierop terug bij de bespreking van de middelen.

17. Beschikkingsmacht is, denk ik, een gradueel begrip dat zich in het licht van vaststellingen daaromtrent, leent voor een oriëntatie op wat van een persoon gevergd kan worden in de omstandigheden van een geval. Voor een bewezenverklaring van voorhanden hebben is bij de verdachte wel een ondergrens vereist van bewustheid van aanwezigheid dan wel bewustheid van de in de omstandigheden van het geval voor de hand liggende mogelijkheid van aanwezigheid van een wapen. Hoe kan die eis tot uitdrukking worden gebracht? Daar ga ik nu op in.


Meer of mindere mate van bewustheid

18. Bij misdrijven geldt dat die een subjectief bestanddeel bevatten dat in de delictsomschrijving is opgenomen of daarin wordt ingelezen. Het subjectieve bestanddeel kan bewuste schuld in de zin van culpa, of opzet betreffen. Volgens vaste jurisprudentie is voor veroordeling ter zake van het voorhanden hebben van een wapen in de zin van art. 26 Wet wapens en munitie vereist dat de verdachte zich “in meer of mindere mate” bewust is geweest van de aanwezigheid van het wapen. Deze omschrijving lijkt zowel dolus/opzet als culpa/bewuste schuld te omvatten.14

Bewustheid van aanwezigheid van middelen in Opiumwetzaken

19. Het kan zinvol zijn eerst aandacht te besteden aan het gebruik van het criterium “zich in meer of mindere mate bewust zijn” in zaken die het opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen betreffen, voordat de aandacht wordt gericht op wapens. Zie bijvoorbeeld HR 15 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1175, NJ 1999/203. Het hof had verdachte veroordeeld voor (o.a.) opzettelijk handelen i.s.m. art. 3 onder C Opiumwet:

“4.3. De primaire klacht faalt.

Het bewezenverklaarde steunt op de bewijsmiddelen 13 tot en met 16. Gelet op de hoeveelheid van de blijkens die bewijsmiddelen in de woning van de vader van de verdachte aangetroffen verdovende middelen en op de in bewijsmiddel 16 vervatte verklaring van de verdachte dat hij bij zijn vader inwoont en gebruik maakt van de gehele woning, heeft het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de verdachte zich in meerdere of mindere mate bewust moet zijn geweest van de aanwezigheid van die middelen in de desbetreffende woning (cursivering door mij, JS).

In dat oordeel ligt de weerlegging van het in de subsidiaire klacht bedoelde verweer – dat er op neerkomt dat aannemelijk is dat de verdachte van de bedoelde aanwezigheid geen weet had – besloten, zodat dat verweer het Hof niet noopte tot een nadere motivering van de bewezenverklaring.

Ook de subsidiaire klacht treft dus geen doel.”

20. In deze zaak gebruikt de Hoge Raad het criterium “in meerdere of mindere mate bewust” voor de bepaling van voorwaardelijk opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen. Artikel 3 onder C Opiumwet is op grond van art. 11 lid 2 Opiumwet een misdrijf wanneer het opzettelijk wordt begaan.

21. Zie ook HR 17 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9914:

“4.4. Dat de verdachte de amfetamine opzettelijk aanwezig heeft gehad, kan niet uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid. Daaruit kan immers niet volgen dat de verdachte wetenschap had omtrent die aanwezigheid en evenmin dat hij zich van die aanwezigheid in meer of mindere mate bewust moet zijn geweest, gelet op de betrekkelijk geringe hoeveelheid aangetroffen amfetamine, en in aanmerking genomen dat die bewijsmiddelen niets inhouden omtrent de plaats waar en de omstandigheden waaronder die amfetamine in de woning van de verdachte is aangetroffen.”

Uit deze uitspraak lijkt nog sterker dan uit de uitspraak uit 1999 te volgen dat ook een “meerdere of mindere mate van bewustheid” zou kunnen volstaan voor opzettelijke overtreding van art. 2 onder C Opiumwet.

22. AG Hofstee heeft er in zijn conclusie van 2 juli 2019, ECLI:NL:PHR:2019:697 (onder 40.) evenwel op gewezen dat voor opzet “in meer of mindere mate bewust zijn” van aanwezigheid niet voldoende is:

“Ingevolge art. 10, derde lid, Opiumwet levert het “opzettelijk” aanwezig hebben van een op lijst I bij de Opiumwet genoemd middel een misdrijf op. Voor dit opzet is vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanwezigheid van het middel, althans de aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard dat dit middel in zijn machtssfeer aanwezig is. De door het hof in zijn bewijsoverwegingen gebruikte maatstaf dat “de verdachte zich in meer of mindere mate bewust moet zijn geweest van de aanwezigheid” volstaat daartoe eigenlijk niet. Weliswaar leest de Hoge Raad dit subjectieve bestanddeel zelf in bij art. 26, eerste lid, WWM – de strafbaarstelling van het voorhanden hebben van wapens en/of munitie –, maar die ruimte is er in dat verband omdat die strafbepaling geen subjectief bestanddeel in de zin van opzet of culpa vermeldt, ook al betreft het een misdrijf. In de onderhavige zaak gaat het echter, en als gezegd, om een misdrijf in de zin van de Opiumwet en het “opzettelijk” aanwezig hebben. Aangenomen wordt evenwel dat een soort bewuste schuld voor de vervulling van “in meer of mindere mate bewust zijn” voldoende is. Dát de verdachte in meerdere of mindere mate bewust moet zijn geweest van de aanwezigheid van xtc-pillen in zijn woning wil derhalve nog niet zeggen dat hij daarmee ook zonder meer de aanmerkelijke kans op die aanwezigheid bewust heeft aanvaard”.

23. De Hoge Raad casseerde daarop met de volgende overweging15:

“2.3 Het oordeel van het Hof dat de verdachte de in de bewezenverklaring genoemde verdovende middelen opzettelijk aanwezig heeft gehad is, mede gelet op hetgeen ten verwere is aangevoerd, niet zonder meer begrijpelijk. Het Hof heeft zijn oordeel, dat de verdachte de in dit verband vereiste bewustheid had van de aanwezigheid van de vier XTC-tabletten in het keukenkastje, immers slechts erop gebaseerd “dat verdachte reeds gedurende langere tijd de hoofdbewoner van de woning was en toegang had tot alle in de woning aanwezige ruimten en plaatsen waar de verdovende middelen zijn aangetroffen”. Die motivering is niet toereikend.”

Bewustheid van voorhanden hebben van vuurwapens

24. In de zojuist besproken opiumwetzaken staat de vraag centraal of de bewezenverklaring van bewustheid van aanwezig hebben van middelen begrijpelijk is. In de aangehaalde meest recente uitspraken wordt de vereiste mate van bewustheid in dat verband feitelijk opgevat. Feitelijke bewustheid kan niet worden afgeleid van een al veronderstelde onderzoeksplicht.

25. In zaken betreffende vuurwapens en munitie gaat het om bewustheid van voorhanden hebben. Daarover stelt AG Knigge in zijn conclusie van 26 maart 2019, ECLI:NL:PHR:2019:245, onder punt 5.2:

“Voor een veroordeling wegens het voorhanden hebben van een wapen of munitie in de zin van artikel 26 WWM is vereist dat sprake is geweest van een meerdere of mindere mate van bewustheid bij de verdachte omtrent de aanwezigheid van dat wapen of die munitie. De ondergrens van het daarmee tot uitdrukking gebrachte subjectieve bestanddeel lijkt daarbij te liggen bij de bewuste schuld. Tenminste vereist is zo gezien dat de dader zich bewust is van de mogelijkheid dat het wapen of de munitie aanwezig was, zonder dat hij die mogelijkheid hoeft te hebben aanvaard.”

26. De Hoge Raad oordeelt in deze zaak (ECLI:NL:HR:2019:679), die hiervoor ook al is aangehaald, op 23 april 2019,:

“2.4. In de hiervoor onder 2.2.4 weergegeven overwegingen ligt als vaststelling van het Hof besloten dat de verdachte moet hebben geweten dat zich in de slaapkamer van de verdachte en zijn vriendin de rode tas met opdruk Dirk van den Broek bevond. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat ook indien deze tas de verdachte niet bekend was voorgekomen, het op zijn weg had gelegen naar de inhoud onderzoek te doen. De enkele omstandigheid dat de verdachte zo een onderzoek achterwege heeft gelaten, brengt echter niet met zich dat de verdachte zich ook in meerdere of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van (zich in die tas bevindende) munitie en daarmee die munitie voorhanden heeft gehad. De bewezenverklaring is derhalve ontoereikend gemotiveerd.”

27. Deze uitspraak van de Hoge Raad kan passen bij een feitelijke interpretatie van de in dit verband vereiste bewustheid in onderscheid van een meer normatieve. Dat kan een interessante keuze zijn. In beschouwingen over voorhanden hebben in 26 WWM zaken wordt algemeen gesteld dat “bewuste schuld” de ondergrens vormt voor de in dit verband vereiste bewustheid.16 Overtreding van art. 26 WWM wordt op basis van art. 55 jo. art. 56 WWM beschouwd als misdrijf. De ondergrens in geval van een misdrijf ligt dan bij schuld in de zin van culpa: een min of meer grove of aanmerkelijke schuld.17

28. Door de vereiste bewustheid voor voorhanden hebben op te vatten als ‘bewuste schuld” in de zin van culpa, dreigt het feitelijk aspect van bewust voorhanden hebben te worden gedomineerd door een normatief aspect. De minimaal vereiste bewustheid wordt dan een afgeleide van de norm dat een voorzichtig mens op zijn hoede moet zijn ervoor zorg te dragen geen vuurwapen voorhanden te hebben. Wie te weinig alert is op signalen van mogelijk voorhanden hebben van een wapen heeft dan “bewuste schuld” als het wapen bij hem wordt aangetroffen, ook als niet vaststaat dat hij zich daarvan feitelijk bewust was. Wanneer in een dergelijke omstandigheid gesteld wordt dat hij zich wel “bewust moet zijn geweest” van de aanwezigheid van het vuurwapen kan dat twee te onderscheiden betekenissen hebben. In de eerste plaats kan dat een manier zijn om een bewijsprobleem van voorhanden hebben weg te nemen door alledaagse gevolgtrekkingen te aanvaarden. In die zin is de oriëntatie nog wel gericht op het vaststellen van feitelijke bewustheid. In een tweede betekenis van “bewust moet zijn geweest” is de oriëntatie gericht op een norm van verwijtbare onvoorzichtigheid.

29. Ten aanzien van het begrip “het zich in meer of mindere mate bewust zijn van de aanwezigheid van het vuurwapen” maakt AG Harteveld in zijn conclusie van 18 februari 2014, 12/05958 (niet gepubliceerd)18 de aantekening dat “anders dan de steller van het middel lijkt te betogen” het niet om twee los van elkaar te hanteren varianten van de subjectieve component van voorhanden hebben gaat (een bestaande uit ‘meer’ en de ander uit ‘minder’) maar om een samengesteld begrip, dat afgezet moet worden tegen het zich geheel onbewust zijn van de aanwezigheid van het vuurwapen. AG Harteveld vervolgt met: “Het begrip ‘min of meer’ komt in ’s Hogen Raads lexicon trouwens vaker voor, zoals bij de culpa: “Onder schuld als delictsbestanddeel wordt een min of meer grove of aanmerkelijke schuld verstaan.” Min of meer grove schuld is daar: aanmerkelijke schuld. Het “zich in mindere of meerdere mate bewust zijn van” zou men kunnen vertalen met: in enigerlei mate bewust zijn. Waar het om gaat is dát er bewustheid is”.

30. De Hullu schrijft dat voor culpa ‘grove schuld’ vereist is. Het gaat er dan om dat je minder nadacht, wist of beleidvol was dan de mens in het algemeen.19 De kern zou liggen in verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid.20 Toegespitst op het voorhanden hebben van een wapen lijkt volgens De Hullu een soort ‘bewuste schuld’ te moeten worden bewezen.21

31. De vraag is, zo werp ik op, of bij de bepaling van de in dit verband vereiste bewustheid van het voorhanden hebben van een wapen wel een normatieve dimensie betrokken moet worden. Gaat het daarbij om een pure feitelijkheid of tegelijkertijd om het feit dat het voorhanden hebben van een wapen onbehoorlijk is en de betrokkene daarom een verwijt gemaakt kan worden? Waar bij bewuste schuld “had moeten beseffen” in normatieve zin relevant kan zijn, hoeft dat element bij de vaststelling van feitelijk voorhanden nog geen rol te spelen.

31. In HR 9 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0255 komt de hier besproken uitdrukking voor in de context van een verkeersdelict (Art. 9 lid 7 WVW 1994). De Hoge Raad overweegt:

“2.4. Voor zover de middelen berusten op de opvatting dat voor een bewezenverklaring ter zake van art. 9, zevende lid, WVW 1994 vereist is dat de verdachte ten tijde van het besturen dan wel doen besturen van het motorrijtuig opzet of schuld had ten aanzien van het ingevorderd zijn van het rijbewijs, falen zij, daar deze opvatting geen steun vindt in het recht. Uit de bewijsmiddelen behoeft derhalve ook niet te blijken dat de verdachte zich op bedoeld tijdstip in meerdere of mindere mate bewust was of had moeten zijn (onderstreping JS) van de omstandigheid dat zijn rijbewijs was ingevorderd.”

33. Voor een bewezenverklaring ter zake van art. 9 lid 7 WVW 1994 is niet vereist dat verdachte ten tijde van het besturen dan wel doen besturen van het motorrijtuig opzet of schuld had ten aanzien van het ingevorderd zijn van het rijbewijs. Wel kan een mogelijk gebrekkige bewustheid van het ingevorderd zijn van het rijbewijs onder omstandigheden van belang zijn voor de beoordeling van een beroep op de strafuitsluitingsgrond afwezigheid van alle schuld. Wat hier opvalt is dat de Hoge Raad in de formulering een onderscheid maakt tussen “in meerdere of mindere mate bewust zijn” of “had moeten zijn”. Denkbaar is dan ook dat aangaande feitelijkheden de uitdrukking “in meerdere of mindere mate bewust zijn” niet insluit de omstandigheid dat iemand zich in normatieve zin “bewust had moeten” zijn.

34. Of dezelfde woorden een feitelijke of normatieve betekenis hebben kan van de context afhangen. Sackers gaat er van uit dat “ook de verdachte die zich (slechts) terloops van het voorhanden [hebben] van het wapen bewust moet zijn geweest” nog steeds het risico loopt op een bewezenverklaring22: “De verdachte heeft zich de mogelijkheid gerealiseerd dat hij een wapen bij zich had, maar heeft verder niet bij de consequenties stilgestaan. Dit is de situatie die in de handboeken ‘bewuste schuld’ wordt genoemd”. Ik merk op dat in de hiervoor aangehaalde formulering van Sackers de uitdrukking “bewust moet zijn geweest” geen normatieve inhoud hoeft te hebben maar de betekenis kan dragen van een bewijsoverweging in de trant van “in de gegeven omstandigheden kan het niet anders zijn dan…”.

35. Voor een zaak waar sprake was van medeplegen van voorhanden hebben onder meer omdat verdachte feitelijk “in meer of mindere mate bewust was” van de aanwezigheid van een wapen zie ook de conclusie van AG Bleichrodt van 27 maart 201823:


“20. Uit de bewijsvoering blijkt het volgende. De verdachte heeft verklaard dat zij erbij was toen ze de kinderen naar een tante in Groningen brachten, zodat de kinderen buiten schot zouden blijven. Daarna zijn ze naar Vinkhuizen gegaan en van daaruit teruggereden naar Delfzijl, naar huis (bewijsmiddel 8). [betrokkene 1] heeft verklaard dat ze met vier auto’s naar Delfzijl zijn gegaan en dat [medeverdachte] voorop reed, de verdachte daarachter, daar weer achter Douwe en als laatste hijzelf. Vervolgens zijn ze bij de [a-straat 1] in Delfzijl gezamenlijk naar binnen gegaan en heeft [betrokkene 1] gezien dat [medeverdachte] een tasje met camouflagekleuren pakte en een [vuurwapen uit het tasje pakte. Hij hield dat wapen gewoon] in zijn handen en legde het even later op de tas naast zich. [betrokkene 1] zag dat de patroonhouders aan elkaar waren getapet en ook dat er patronen in de houder zaten (bewijsmiddel 9). [betrokkene 3] heeft verklaard dat [medeverdachte] , toen zij terugkwamen in [medeverdachte] ’s huis, een wapen heeft laten zien dat hij in Groningen heeft opgehaald (bewijsmiddel 10). [betrokkene 2] heeft verklaard dat zij ergens heen gingen, dat [medeverdachte] ergens heen ging in Vinkhuizen en terugkwam met een legergroene tas die zij later ook heeft gezien bij [medeverdachte] thuis onder de eettafel en dat [medeverdachte] , toen zij thuiskwamen, hun het wapen heeft laten zien en het toen weer in het tasje heeft gedaan. Op dat moment waren [betrokkene 3], [medeverdachte], de verdachte en zijzelf in huis (bewijsmiddel 11). [betrokkene 2] heeft dit wapen als Skorpion herkend (bewijsmiddel 12). De Skorpion is uiteindelijk door de politie gevonden in de woning van ene [betrokkene 4] aan de [a-straat 1] (bewijsmiddel 13).
21. Het hof heeft kennelijk uit het voorafgaande afgeleid dat het wapen ook in het bijzijn van de verdachte is getoond. In dat oordeel ligt tevens besloten dat sprake is geweest van een meer of mindere mate van bewustheid van de verdachte ten aanzien van de aanwezigheid van dat wapen. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk. In het licht van het in hoger beroep gevoerde verweer, dat slechts inhoudt dat de verdachte nooit heeft geweten wat er in de tas zat, behoefde dit oordeel geen nadere motivering. Ook kon het hof gelet op het voorafgaande oordelen dat sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking ten aanzien van het voorhanden hebben van het vuurwapen in de woning van de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte].

36. Duker ziet de meer of mindere mate van bewustheid niet zonder meer als “een samengesteld begrip”.24 Hij meent dat de meerdere mate van bewustheid geen toegevoegde waarde heeft; waar het om gaat is het vaststellen van enige bewustheid van een mogelijke aanwezigheid van een wapen. Het redelijkerwijs moeten vermoeden dat wapens aanwezig zijn, is dan niet voldoende: “Het zou voor de praktijk verhelderend zijn indien de Hoge Raad over de betekenis van het subjectieve element uitsluitsel geeft en eventueel de verwarrende terminologie van een meerdere of mindere mate van bewustheid vervangt door een duidelijker criterium, bijvoorbeeld door te spreken van een feitelijk vast te stellen bewustheid van een mogelijke aanwezigheid van wapens”.25 Ik deel deze opvatting van Duker.

37. Voor het voorhanden hebben van een wapen is tenminste vereist dat de verdachte zich bewust is van de in de omstandigheden van het geval feitelijk voor de hand liggende mogelijkheid van aanwezigheid van een wapen.


Bewezenverklaring, bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen

38. Het hof heeft ten aanzien van verdachte bewezenverklaard dat:

“zij op 13 september 2016 te Amsterdam wapens van categorie III, te weten een pistool van het merk Intratec, kaliber 9x19 mm, en een pistool van het merk Glock, kaliber 9x19 mm, en een pistool van het merk ATAK-Arms Zoraki, kaliber 7,65 mm browning, en munitie van categorie III, te weten patronen van kaliber: 9x19 mm en patronen van kaliber 7,65 mm browning, voorhanden heeft gehad.”

39. Deze bewezenverklaring rust op de volgende bewijsmiddelen:

“1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 21 december 2017.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Het is nu anderhalf jaar geleden, dus ik weet niet meer precies hoeveel wapens daar lagen. Ik kwam midden in de nacht aan in de woning. Ik ben vervolgens naar de slaapkamer van [betrokkene 1] (het hof begrijpt: [betrokkene 1] ) gegaan. Ik zag wel wapens op de grond naast zijn bed liggen. Ik heb ze toen verschoven richting het bed. Ik heb daar toen niets over tegen [betrokkene 1] gezegd. Ik ben bij hem in bed gaan liggen. Ik besloot de volgende ochtend weg te gaan.


2. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 25 augustus 2017.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Ik zag in de kamer waar ik met [betrokkene 1] was, twee wapens liggen. Ik heb twee wapens met mijn vingertoppen verschoven. Ik heb ze onder het bed geschoven om ze niet meer te hoeven zien.


3. Een proces-verbaal met nummer 2016198237 van 13 september 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren T-357 en T-420, doorgenummerde pagina 3 010.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 13 september 2016 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van de verdachte:
Ik ben vannacht omstreeks 02.00 uur in de woning aangekomen waar ik vanmorgen werd aangehouden.


4. Een proces-verbaal met nummer 2016198237 van 14 september 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , doorgenummerde pagina 3 014.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 14 september 2016 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van de verdachte:
Ik denk dat ik twee vuurwapens heb gezien. Het wapen dat mij getoond wordt op foto 1 heb ik gezien aan de rechterkant van het bed. Ik heb het wapen met mijn vingertoppen naar het bed toe geschoven. Ik heb nog een groter pistool gezien dat naast het bed lag. Die heb ik ook weggeschoven met mijn vingers.


5. Een proces-verbaal verslag van aanhouding met nummer PL1300-2016198237-8 van 13 september 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar T-158, doorgenummerde pagina 3 001.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisant:
Op 13 september 2016 omstreeks 06.17 uur hield ik op de locatie [a-straat 1] te [woonplaats] als verdachte aan: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] .


6. Een proces-verbaal verslag van onderzoek met nummer D00-009, registratie: 2016198237, van 14 september 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] , doorgenummerde pagina’s.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisant:
Op 13 september 2016 werd een doorzoeking verricht in de woning gelegen aan de [a-straat 1] te [woonplaats]. Tijdens deze doorzoeking worden in een slaapkamer van de woning drie vuurwapens met munitie aangetroffen en inbeslaggenomen. Op 12 mei 2016 werden de inbeslaggenomen vuurwapens met munitie door mij nader onderzocht. Uit het voorlopig onderzoek bleek mij het volgende:

- een vuurwapen van het merk Intratec,, kaliber 9 mm x 19. Dit pistool is een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3e, gelet op artikel 2 lid 1, categorie III onder 1e van de Wet wapens en munitie. Dit vuurwapen heeft de uiterlijke vorm van een machinepistool maar is alleen bestemd om semi-automatisch te vuren.

- een vuurwapen van het merk Glock,, kaliber 9mm x 19. Dit pistool is een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3e, gelet op artikel 2 lid 1, categorie III onder 1e van de Wet wapens en munitie. In dit vuurwapen zijn tien 9 mm patronen aangetroffen, waarvan 9 patroonmagazijn en een in de kamer. Dit vuurwapen was daarom doorgeladen en voor direct gebruik gereed. De patroon is munitie in de zin van artikel 1, lid 1 onder 4e gelet op artikel 2, categorie III van de Wet wapens en munitie.

- een vuurwapen van het merk ATAK-Arms Zoraki, kaliber 7.65 mm br. Dit pistool is een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3e, gelet op artikel 2 lid 1, categorie III onder 1e van de Wet wapens en munitie. Voorzien van een uitneembaar patroonmagazijn met een capaciteit voor 7 patronen, voorzien van munitie. De patroon is munitie in de zin van artikel 1, lid 1 onder 4e gelet op artikel 2, categorie III van de Wet wapens en munitie.


7. Een geschrift, zijnde een rapport ‘Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een delict gepleegd in Amsterdam op 13 september 2016’ van het Nederlands Forensisch Instituut van 24 oktober 2016.
Dit rapport houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van dr. S. van Soest, vast gerechtelijk deskundige DNA analyse en interpretatie:
DNA-onderzoek

Onderstaand onderzoeksmateriaal is onderworpen aan een DNA-onderzoek:

AAKB9029NL#01 bemonstering (ruwe delen van pistool)

AAKB9032NL#01 bemonstering (ruwe delen van pistool Intratec)

AAKB9033NL#01 bemonstering (in een voorzijde loop van pistool Intratec)


Tabel 1 Resultaten, interpretatie en conclusie vergelijkend DNA-onderzoek

SIN beschrijving DNA-profiel/celmateriaal kan afkomstig zijn van


AAKB9029NL#01 DNA-mengprofiel van minimaal vier personen
[verdachte]
[betrokkene 1] ,


AAKB9032NL#01 en AAKB9033NL#01

DNA-mengprofiel van minimaal drie personen;
afgeleid DNA-hoofdprofiel:
[verdachte]


8. Een proces-verbaal samenvatting, ongenummerd, van 15 september 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar T-606, doorgenummerde pagina 1 003 en 1 004.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisant:
In de slaapkamer trof het arrestatieteam de bewoner [betrokkene 1] aan in bed met zijn vriendin [verdachte] . Bij het bed binnen handbereik van de verdachten lagen diverse vuurwapens. Op een kastje naast het bed lag een handvuurwapen. Op de grond direct naast het bed lag een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnd geladen automatisch of semi-automatisch vuurwapen en aan het voeteneind lag op de vloer bij het bed nog een geladen handvuurwapen.


Nadere bewijsoverwegingen


In de bewijsoverweging staat als tijdstip van aanhouding van de verdachte en [betrokkene 1] opgenomen 06.17 uur. Het is juist dat de verdachte op dat tijdstip is aangehouden, maar volgens het proces-verbaal van aanhouding met nummer D00-010 van 14 september 2016, moet het tijdstip van aanhouding van [betrokkene 1] zijn: 06.00 uur.


Het hiervoor vermelde bewijsmiddel 7 is, nu het een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5° van het Wetboek van Strafvordering betreft, slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.”

40. Het hof heeft in zijn arrest nog de volgende nadere bewijsoverwegingen opgenomen:”

Voorhanden hebben van vuurwapens en munitie

Door de verdediging is ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat geen sprake is geweest van het voorhanden hebben van vuurwapens en de bijbehorende munitie in de zin van artikel 26 van de Wet Wapens en Munitie tezamen en in vereniging met [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ). Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte slechts een aantal uren in een ruimte aanwezig geweest is waar de wapens lagen, dat die toebehoorden aan [betrokkene 1] en dat zij geen beschikkingsmacht over deze wapens heeft gehad. De verdachte dient daarom van het haar tenlastegelegde feit te worden vrijgesproken aldus de verdediging.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De verdachte bevond zich bij haar aanhouding op 13 september 2016 in de slaapkamer van [betrokkene 1] in een woning aan de [a-straat 1] te [woonplaats]. In deze slaapkamer zijn drie vuurwapens aangetroffen, te weten:

- een semi-automatisch 9 mm vuurwapen van het merk Intratec (hierna: Intratec), kaliber 9 mm x 19. Het patroonmagazijn bevat 9 x 19mm volmantelpatronen. De Intratec bevond zich direct naast het bed op de vloer.

- een handvuurwapen van het merk Glock (hierna: Glock), kaliber 9mm x 19. In dit vuurwapen zijn tien 9 mm patronen aangetroffen. De Glock bevond zich aan het voeteneind van het bed op de vloer en was doorgeladen.

- een handvuurwapen van het merk ATAK-Arms Zoraki (hierna: Zoraki), kaliber 7.65 mm br. In het patroonmagazijn bevond zich een onbekend aantal 7.65 mm patronen. De Zoraki bevond zich op een kastje naast het bed.

Op de bemonsteringen van de ruwe delen in en op de loop van de Intratec werd een DNA-mengprofiel aangetroffen van minimaal drie personen, met een afgeleid DNA hoofdproflel dat matcht met het DNA van de verdachte.

Op de ruwe delen van de Zoraki werd een DNA mengprofiel aangetroffen van minimaal vier personen, waaronder een profiel dat matcht met dat van de verdachte.

Op 14 september 2016 heeft de verdachte bij de politie verklaard dat zij denkt dat zij twee vuurwapens heeft gezien. Een vuurwapen, dat lijkt op een automatisch wapen (het hof begrijpt: de Intratec) heeft zij zien liggen aan de rechterkant van het bed. Ze heeft het wapen met haar vingertoppen aangeraakt en naar het bed toegeschoven. Ze heeft ook nog een groter pistool gezien, dat naast het bed lag. Dat heeft ze ook aangeraakt en weggeschoven.

Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat zij in de kamer waar zij met [betrokkene 1] was twee wapens heeft zien liggen en deze met haar vingertoppen heeft verschoven. Zij verklaart voorts dat zij de wapens onder het bed heeft geschoven om deze niet meer te hoeven zien.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat zij, gelet op het lange tijdsverloop, niet meer precies weet hoeveel wapens zij heeft gezien, maar dat zij wapens op de grond naast het bed heeft zien liggen op het moment dat zij de slaapkamer van [betrokkene 1] binnen kwam. Zij heeft ze toen verschoven richting het bed. Ze is in bed gaan liggen en heeft er niet met [betrokkene 1] over gesproken. De volgende ochtend wilde zij weer weggegaan.
Voor een bewezenverklaring van het voorhanden hebben van een wapen en/of munitie in de zin van artikel 26 van de Wet Wapens en Munitie (WWM) is onder meer vereist dat de verdachte zich in meer of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van het wapen (of de munitie). In dat kader worden doorgaans de volgende aspecten onderkend: een wapen bij of in de directe omgeving van de verdachte, de beschikkingsmacht van de verdachte over dat wapen en de bewustheid van de verdachte met betrekking tot dat wapen.

De verdachte is rond 02.00 uur ’s nachts op 13 september 2016 de slaapkamer in de woning aan de [a-straat 1] te [woonplaats] binnengegaan. Zij heeft daar vuurwapens naast het bed zien liggen en heeft deze aangeraakt om ze te verschuiven richting het bed. Vervolgens is zij bij [betrokkene 1] in bed gaan liggen en zijn zij beiden om 06.17 uur aangehouden door het arrestatieteam.

Naar het oordeel van het hof kan door het zien, het aanraken en door te verblijven in de directe nabijheid van de wapens met bijbehorende munitie worden vastgesteld dat de verdachte zich bewust is geweest van de aanwezigheid van alle drie aanwezige wapens met bijbehorende munitie in de slaapkamer en zij daarover ook de beschikking had.

Het feit dat de verdachte heeft verklaard dat zij zich denkt te herinneren dat zij enkel de twee wapens op de grond heeft gezien, doet hier niet aan af, nu zij bij de politie en ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat zij twee wapens naast het bed heeft zien liggen en op het derde wapen, dat is aangetroffen op het kastje naast het bed, de Zoraki, haar DNA is aangetroffen.
Het tenlastegelegde voorhanden hebben van de drie wapens en munitie in de zin van de WWM is op grond van het voorgaande naar het oordeel van het hof dan ook wettig en overtuigend bewezen, nu zij aan alle genoemde aspecten van het voorhanden hebben voldoet.
Medeplegen
Zoals de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep heeft betoogd, bevat het dossier onvoldoende steun voor een bewezenverklaring van het tenlastegelegde medeplegen, nu niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [betrokkene 1] die gericht was op het gezamenlijk voorhanden hebben van de vuurwapens met bijbehorende munitie. De verdachte zal dan ook van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.
Dat medeplegen niet is te bewijzen, sluit echter niet uit dat zowel de verdachte als [betrokkene 1] , ieder voor zich, zich in meer of mindere mate bewust waren van de aanwezigheid van de wapens en munitie op verschillende plaatsen in de slaapkamer waarin zij zich bevonden en dat zij allebei daarover konden beschikken.”

Bespreking van de middelen

41. Het eerste middel bevat de klacht dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip ‘voorhanden hebben’ als bedoeld in artikel 26 WWM, althans dat het hof zijn beslissing ontoereikend en/of onbegrijpelijk heeft gemotiveerd.

42. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat verdachte beschikkingsmacht had over de wapens en munitie. De bewezenverklaring is derhalve ontoereikend gemotiveerd. Voor zover het hof heeft geoordeeld dat de tot het bewijs gebezigde verklaringen van verdachte op zichzelf van dien aard zijn dat sprake is van beschikkingsmacht en daarmee ‘het voorhanden hebben van drie wapens en munitie’ bewezen kan worden verklaard, is dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk.

43. Uit de bewijsmiddelen volgt zonder meer dat de drie vuurwapens in de kamer lagen en dat verdachte zich van alle drie de wapens bewust was. In haar tot het bewijs gebezigde verklaringen zegt zij twee op de grond te hebben gezien en te hebben verschoven, en op het derde wapen op het kastje naast het bed is haar DNA aangetroffen op de ruwe delen. Hieruit heeft het hof kunnen afleiden dat verdachte alle drie de wapens, dus ook het wapen op het kastje naast het bed, heeft aangeraakt.

44. Het hof heeft geoordeeld dat door het zien, het aanraken en door te verblijven in de directe nabijheid van de wapens met bijbehorende munitie kan worden vastgesteld dat de verdachte zich bewust is geweest van de aanwezigheid van alle drie aanwezige wapens met bijbehorende munitie in de slaapkamer en zij daarover ook de beschikking had.

45. Uit de bewijsmiddelen valt af te leiden, zoals ook het hof in zijn bewijsoverwegingen heeft gedaan, dat verdachte om 2.00 u ’s nachts bij de woning van haar toenmalige vriend is aangekomen en naar diens slaapkamer is gegaan. In de slaapkamer zag zij drie wapens liggen. Twee op de grond bij het bed en een op het nachtkastje. Verdachte heeft alle drie de wapens aangeraakt. De twee op de grond heeft zij richting het bed geschoven. Wat betreft het derde wapen op het kastje naast het bed volgt uit het daarop aangetroffen DNA-profiel van verdachte dat zij ook dat wapen heeft aangeraakt. Zij heeft er niets over tegen haar vriend gezegd en is naast hem in bed gaan liggen.

46. Ik kan niet verhelen in de omstandigheden van deze zaak moeite te hebben om de vrijspraak van medeplegen te rijmen met de bewezenverklaring van voorhanden hebben. Uit de situatie, toegang verlenen aan de verdachte door de medeverdachte tot zijn woning en slaapkamer gedurende de nacht, spreekt onderling vertrouwen en openheid aangaande de aanwezigheid van wapens die direct zichtbaar waren in de ruimte waar verdachte en haar vriend gezamenlijk langere tijd doorbrengen. Voor zover de verdachte, een zeventienjarig persoon, beschikkingsmacht kon uitoefenen over de wapens is die volledig van zijn voorhanden hebben en haar toelaten tot zijn domein afhankelijk. Ik mis een motivering voor de beslissing dat er wel voldoende zelfstandige beschikkingsmacht is van de verdachte als basis voor het strafrechtelijke verwijt. De gedachte dat met de vaststelling van de bewustheid de culpa zou zijn gegeven, spreekt mij niet aan. Wat kan van een zeventienjarige in de vastgestelde omstandigheden worden verwacht? Dat ze de wapens uit het raam gooit, de politie belt, ’s nachts de straat weer op gaat?

47. Bij de stafmotivering overweegt het hof dat matiging van straf passend is “gelet op haar beperkte rol in het geheel”. Het hof komt vervolgens tot een strafoplegging van zes uur taakstraf met aftrek van ondergane jeugddetentie. De reden dat ik wat uitvoeriger op deze zaak ben ingaan ligt niet in het grote belang voor de verdachte, al is er wel een belang, maar strekt er vooral toe in het algemeen duidelijkheid te verkrijgen aangaande de eisen die actueel gesteld moeten worden aan de motivering van een bewezenverklaring van voorhanden hebben van wapens. De gevestigde uitdrukking “in meer of mindere mate bewust” komt in aanmerking voor een opfrisbeurt. In deze zaak is de bewustheid van verdachte van aanwezigheid van wapens geen probleem. Maar met die bewustheid is het strafrechtelijk te maken verwijt niet gegeven.

48. Ik vind de bewezenverklaring onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd.

49. Het middel slaagt.

50. Het tweede middel klaagt dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.

51. Op 23 januari 2018 is beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 11 september 2018 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dat is ruim zeven en een halve maand na het instellen van cassatie. De Hoge Raad kan deze overschrijding ook niet meer compenseren door een voortvarende behandeling. Ook de uitspraaktermijn van 16 maanden is reeds overschreden. Ik meen dat met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden kan worden volstaan en dat in die constatering voor de termijnoverschrijding voldoende compensatie is geboden.

52. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

53. Ik meen dat de Hoge Raad na vernietiging van het arrest, in zoverre het tenlastegelegde feit bewezen is verklaard, de verdachte om doelmatigheidsredenen vrij zou kunnen spreken. In dat geval rijst de vraag of terugwijzing nodig is om te beslissen over het inbeslaggenomen patroon. Het hof heeft de onttrekking van het voorwerp verbonden met de bewezenverklaring van het tenlastegelegde door de verdachte. Die grond zou vervallen, maar het hof heeft ook vastgesteld dat hetzelfde feit (26 WWM) door de medeverdachte [betrokkene 1] is begaan.26 Uitgaande van die vaststelling van een strafbaar feit kan het inbeslaggenomen patroon, een gevaarlijk voorwerp, ook bij het vrijspreken van de verdachte worden onttrokken aan het verkeer, namelijk op de voet van artikel 36b lid 1 aanhef en onder 3 Sr. Ik zie dan ook niet in waarom in dit geval bij vrijspraak om doelmatigheidsredenen een terugwijzing nodig zou zijn om te beslissen over het inbeslaggenomen voorwerp.

54. Deze conclusie strekt tot gegrondverklaring van het beroep, tot vernietiging van het arrest in zoverre het tenlastegelegde feit bewezen is verklaard en om doelmatigheidsredenen tot vrijspraak. Voorts kan de Hoge Raad verstaan dat de grondslag voor de onttrekking aan het verkeer van het patroon, in samenhang met artikel 36b lid 1 aanhef en onder 3 Sr, is gebaseerd op de vaststelling van het hof dat een strafbaar feit is begaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Vgl. HR 26 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1169; en een vroeg arrest met die strekking HR 10 juni 1986, NJ 1987/85, waarin de Hoge Raad overwoog dat voor de strafbaarheid van de in art. 3 lid 1 en art. 6 lid 1 van de Vuurwapenwet omschreven feiten “vereist is dat de dader zich in meerdere of mindere mate er van bewust is geweest, dat zijn gedraging(en) betrekking had(den) op vuurwapenen (of munitie) in de zin van art. 1 (…) van de Wet”.

2 H.J.B. Sackers, Wet wapens en munitie, Deventer: Kluwer 2012, p. 197; G. Knigge, Hoofdstuk 4: Delicten I: het voorhanden hebben van wapens en munitie, in: D.H. de Jong en H.G.M. Krabbe (red), De Wet wapens en munitie. Een strafrechtelijk commentaar, Alphen aan den Rijn: Samson H.D. Tjeenk Willink 1989, p. 82.

3 Sackers 2012, p. 198: “(…) in de praktijk kunnen zij in elkaars verlengde liggen of in elkaar overgaan. Directe aanwezigheid suggereert dikwijls een machtsrelatie. Is er een machtsrelatie dan valt de bewustheid niet eenvoudig te ontkennen”.

4 HR 14 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3804.

5 HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:679

6 Sackers 2012, p. 198/199. Zie voor twee duidelijke – zij het oudere - voorbeelden Knigge 1989, p. 83: in HR 12 september 1978, NJ 1979/84 had de verdachte op de zolder van een motorclub wapens verstopt, dit in overleg met de beheerder van die club. De beheerder beschikte over de sleutel van de zolder. De verdachte zou de sleutel krijgen als hij de wapens wilde pakken. De Hoge Raad oordeelde dat het hof op grond van de bewijsmiddelen had kunnen aannemen dat verdachte over de wapens ‘zo direct heeft kunnen beschikken’, dat van voorhanden hebben sprake was. Voor een geval van het zich geheel niet in de nabijheid van het wapen bevinden wijst Knigge op HMG van 4 december 1985, NJ 1986/304: een militair werd veroordeeld wegens het in Tilburg voorhanden hebben van een vuurwapen, hoewel hij op het in de tenlastelegging genoemde tijdstip op oefening was in Noorwegen. Het hof overwoog dat ‘beklaagde indien hij dat wilde, over genoemde goederen die elders waren verborgen kon beschikken, ook al ontbrak tijdelijk de feitelijke mogelijkheid zich naar de bergplaats te begeven’.

7 Knigge 1989, p. 84-85

8 HR 4 maart 1980, LJN AB7452, NJ 1980/435; deze uitspraak stamt overigens van voor de vaste formulering dat voor een veroordeling ter zake van het voorhanden hebben van een wapen of munitie in de zin van artikel 13 of artikel 26 WWM is vereist dat de verdachte zich in meer of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van dat wapen of die munitie.

9 HR 7 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN2370, NJ 2010/682.

10 Zaaknummer 09/01637, ECLI:NL:PHR:2011:BO7976 (niet gepubliceerd).

11 HR 1 februari 2011 ECLI:NL:HR:2011:BO7976 (niet gepubliceerd)

12 HR 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN7725.

13 ECLI:NL:PHR:2010:BN7725.

14 Marius Duker, “Het subjectieve element bij het voorhanden hebben van wapens”, in: Stijn Franken/ Thijs Kelder, “Sporen in het strafrecht; liber amicorum Jan Sjöcrona”, Deventer 2014, p. 49-59, p. 58/59. Sackers 2012, p. 212/213, al lijkt Sackers op p. 207/208 de indruk te wekken dat er sprake moet zijn van (voorwaardelijk) opzet. De Hullu, Handboek, 6e druk, 2015, p. 210: “In het uitzonderlijke geval dat de delictsomschrijving van een misdrijf geen subjectief vereiste kent, beperkt de Hoge Raad de aansprakelijkheid toch nogal eens door een dergelijk bestanddeel in de delictsomschrijving ‘in te lezen’. Een goed voorbeeld daarvan biedt het voorhanden hebben van een vuurwapen, waarbij voor ‘de strafbaarheid van de (…) misdrijven (…) vereist is dat de dader zich in meerdere of mindere mate er van bewust is geweest dat zijn gedragingen betrekking hadden op vuurwapenen’. Een soort ‘bewuste schuld’ lijkt derhalve minimaal te moeten worden bewezen.”

15 Hoge Raad 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1459.

16 Zie ook De Hullu, Handboek, 6e druk, 2015, p.263: “Voor culpa is ‘grove schuld’ vereist. Het is onvoldoende ‘dat men niet zóó nadacht, niet zóóveel wist als de meest nadenkende, de meest kundige, de meest voorzichtige mensch (culpa levis)’. Het gaat erom dat ‘men minder nadacht, wist, beleidvol was dan de mensch in het algemeen (culpa lata)’.” En (p. 264): “Er moet sprake zijn van ‘een min of meer grove of aanmerkelijke schuld’, de kern lijkt gelegen in verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid. De aanmerkelijkheid wordt meestal betrokken op de onvoorzichtigheid, maar er moet ook ‘voldoende verwijtbaarheid’ zijn. Daarom zou ook kunnen worden gesproken over aanmerkelijke verwijtbare onvoorzichtigheid”.

17 Machielse, Handboek Strafzaken, onder 36.1.1.2.

18 De Hoge Raad heeft deze zaak bij arrest van 15 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:2118, met de aan art. 81 RO ontleende motivering afgedaan.

19 De Hullu, Handboek, 6e druk, 2015, p.263.

20 De Hullu, Handboek, 6e druk, 2015, p.264.

21 De Hullu, Handboek, 6e druk, 2015, p.210.

22 Sackers 2012, p. 213.

23 ECLI:NL:PHR:2018:264; De Hoge Raad heeft in deze zaak het beroep op de voet van art. 81 RO afgedaan.

24 Duker 2014, p. 58.

25 Duker 2014, p. 59.

26 Anders dan in Hoge Raad 14 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:649, waarin verwijzing volgde omdat het hof geen strafbaar feit had vastgesteld.