Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:110

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
12-02-2019
Datum publicatie
14-02-2019
Zaaknummer
18/00848
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:485
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs. Art. 9.2 WVW 1994. Uit de gebruikte bewijsmiddelen, met name de verklaring van de verdachte dat hij zijn eerder door hem ingeleverde rijbewijs van het CBR heeft teruggekregen, kan niet zonder meer worden afgeleid dat "geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven". Conclusie plv. AG: vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 18/00848

Zitting: 12 februari 2019

Mr. D.J.M.W. Paridaens

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 22 februari 2018 door de enkelvoudige kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens “overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken.

  2. De verdachte heeft het cassatieberoep laten instellen. Namens de verdachte heeft mr. E.E.W.J. Maessen, advocaat te Maastricht, een schriftuur met eén middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel klaagt dat het bewezenverklaarde niet uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

  4. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

“hij op 27 oktober 2016 te Prinsenbeek, gemeente Breda, terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, A16, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.”

5. De bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd:

“In de hieronder opgenomen bewijsmiddelen wordt verwezen naar het proces-verbaal van de Politie eenheid Oost-Nederland, District IJsselland, registratienummer PL0400/271020160226003815, in de wettelijke vorm opgemaakt en gesloten op 9 december 2016 door [verbalisant], hoofdagent van politie, met bijlagen, bestaande uit een in wettige vorm opgemaakte proces-verbaal en een geschrift.

I. Het proces-verbaal artikel 9 [WVW] Proces-verbaal, voor zover inhoudende als verklaringen en bevindingen van de verbalisanten [verbalisant]:

Op 27 oktober 2016 reed ik, [verbalisant] over de A16, bij Prinsenbeek. Ik zag dat verdachte aldaar een personenauto Opel Astra, met kenteken [kenteken] bestuurde.

Ter controle op de juiste naleving van de bij - of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 gegeven voorschriften heb ik het motorrijtuig doen stilhouden en een onderzoek ingesteld. Voor het besturen van bovenstaand motorrijtuig is een rijbewijs vereist van de categorie B. Na onderzoek bleek dat deze bestuurder een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen dan wel voor een gedeelte van de geldigheidsduur ongeldig is verklaard.

Uit het geautomatiseerde systeem van de politie bleek dat het rijbewijs van verdachte op 7 oktober 2010 ongeldig is verklaard.

De verdachte verklaarde: ‘ik heb vastgezeten en heb destijds mijn rijbewijs ingeleverd en daarna 3 jaren niet gereden. Ik heb mijn rijbewijs teruggekregen van het CBR.’

II. Een geschrift, zijnde een besluit van 30 september 2010 van het CBR, nummer 2010009114, tot ongeldigverklaring van het rijbewijs, voor zover inhoudende:

In het besluit van 14 juli 2010 heeft het CBR de heer [verdachte] geboren op [geboortedatum] 1987, een onderzoek opgelegd naar zijn geschiktheid. U heeft de kosten van dit onderzoek niet of niet op tijd betaald. Hierbij delen wij mee welk besluit wij hierop hebben genomen.

Besluit:

Uw rijbewijs is ongeldig vanaf de zevende dag na dagtekening van dit besluit (het hof begrijpt aldus: met ingang van 7 oktober 2010).”

6. Het middel klaagt in het bijzonder dat het hof heeft bewezen verklaard (i) dat de verdachte wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard en (ii) dat na de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs aan de verdachte geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie was afgegeven.

7. Allereerst bespreek ik de tweede klacht. Het hof heeft bewezen verklaard dat aan de verdachte na de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs “geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven”. Dit onderdeel kan inderdaad niet uit de gebruikte bewijsmiddelen worden afgeleid. Met name kan dit niet zonder meer worden afgeleid uit de door het hof voor het bewijs gebruikte verklaring van de verdachte dat hij zijn (eerder door hem ingeleverde) rijbewijs van het CBR heeft teruggekregen. Deze klacht acht ik daarmee gegrond en deze gegrondheid moet tot cassatie leiden.

8. Daarmee behoeft het middel voor het overige geen bespreking meer. Voor de verdere afdoening van de zaak wijs ik er ten overvloede op dat het inmiddels bestendige rechtspraak van de Hoge Raad is, dat de wetenschap dat het vereiste rijbewijs ongeldig is verklaard, niet zonder meer kan worden gebaseerd op het feit dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld wegens – kort gezegd – autorijden terwijl het daarvoor vereiste rijbewijs ongeldig is verklaard. Ook aan de wetenschap van een dergelijke onherroepelijke veroordeling kan niet zonder meer de wetenschap worden verbonden van de feiten ter zake waarvan de verdachte onherroepelijk is veroordeeld, ook niet indien de verdachte de straf heeft ondergaan.1

9. Het middel is terecht voorgesteld.

10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv. AG

1 Vgl. HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3703 r.o. 2.5. Zie ook HR 26 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:995. Terwijl deze zaken betrekking hebben op een ontzegging van de rijbevoegdheid, zijn vergelijkbare overwegingen ten grondslag gelegd aan zaken die, net als de onderhavige, betrekking hebben op een ongeldig verklaard rijbewijs. Zie: HR 26 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:991; HR 13 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:259 en HR 10 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2587.