Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:11

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-01-2019
Datum publicatie
06-03-2019
Zaaknummer
17/05739
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:296
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Poging tot doodslag bij kortdurende (manische) psychose. Culpa in causa staat in de weg aan volledige schulduitsluiting wegens een stoornis op grond van art. 39 Sr. Een beroep op art. 39 Sr slaagt niet reeds uitsluitend omdat verdachte redelijkerwijs niet kan voorzien dat zijn middelengebruik tot een intoxicatie kan leiden die de aanleiding vormt voor een stoornis van geestvermogens. Voldoende is gelet op de aanzienlijke hoeveelheid genuttigde alcohol en inname van twee medicijnen de wetenschap dat de middelen een ontremmende werking hebben. Het feit wordt verdachte door het hof sterk verminderd toegerekend. De AG adviseert de namens verdachte voorgestelde middelen te verwerpen. Nu niet blijkt dat de benadeelde partij voor de zitting van het hof is opgeroepen, slaagt het middel dat namens de benadeelde partij is voorgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/05739

Zitting: 8 januari 2019 (bij vervroeging)

Mr. P.C. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het hof Amsterdam heeft bij arrest van 20 oktober 2017 de verdachte wegens 1. “poging tot zware mishandeling” en 2. “poging tot doodslag” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr. Voorts heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 1] (gedeeltelijk) toegewezen tot een bedrag van €5.246 respectievelijk €3.470,05 en daarbij aan de verdachte betalingsverplichtingen opgelegd, een en ander zoals nader in het arrest is vermeld.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. R.J. Baumgardt en P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, hebben drie middelen van cassatie voorgesteld. Het beroep heeft geen betrekking op de vrijspraak van feit 1 primair.1

3. Namens de benadeelde partij [benadeelde 1] heeft mr. D.N. de Jonge, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

4. De middelen van de verdachte betreffen de motivering van de bewezenverklaring van beide feiten alsmede van de verwerping van een beroep op niet strafbaarheid op grond van art. 39 Sr. Het middel van de benadeelde partij klaagt over het ontbreken van (onderzoek naar) de oproeping van de benadeelde partij voor de terechtzitting in hoger beroep.
De middelen namens de verdachte

5. Ten behoeve van de bespreking van het eerste en tweede middel van de verdachte volgen hieronder eerst de bewezenverklaring en de bewijsoverwegingen van het hof.

6. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“1:

hij op 10 december 2015 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [benadeelde 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen met zijn hand en met zijn arm de keel en/of hals van [benadeelde 2] heeft vastgepakt en vervolgens de keel van voornoemde [benadeelde 2] heeft dichtgeknepen en dichtgeknepen heeft gehouden;

2:

hij op 10 december 2015 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [benadeelde 1] van het leven te beroven, met dat opzet met zijn handen de keel en/of hals van [benadeelde 1] heeft vastgepakt en vervolgens de keel van voornoemde [benadeelde 1] met kracht heeft dichtgeknepen en dichtgeknepen heeft gehouden.”

7. Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring het volgende overwogen:

Bewijsoverwegingen
(…)

Het hof overweegt als volgt.

Feiten en omstandigheden

Op 10 december 2015 had de verdachte tegen betaling seks met aangeefster [benadeelde 2] toen zij in de spiegel zag dat de verdachte zijn condoom afdeed. [benadeelde 2] schreeuwde naar de verdachte en draaide haar hoofd in zijn richting, waarop de verdachte haar direct met kracht een klap in haar gezicht gaf. Vervolgens greep de verdachte haar met kracht bij haar keel en kneep deze dicht. [benadeelde 2] voelde pijn en verstikking door het handelen van de verdachte. Het lukte [benadeelde 2] zich los te rukken en op de alarmknop te duwen, waarna zij de straat oprende. Op het moment dat de verdachte leek te zijn gekalmeerd, ging zij terug naar binnen. Binnen liep de verdachte weer op [benadeelde 2] af, trok aan haar haar, greep haar wederom bij haar keel en sloeg zijn rechterarm om haar nek. [benadeelde 2] voelde weer verstikking en schreeuwde om hulp. Omstanders hebben de verdachte van [benadeelde 2] afgetrokken en mee naar buiten getrokken. Bij [benadeelde 2] was een striemvormige verwonding op het voorhoofd zichtbaar alsmede een kleine bloeduitstorting in de hals.
De verdachte rende vervolgens, gekleed in slechts een spijkerbroek, in de richting van de Stoofsteeg. Hier ging hij bij een tweede prostituee, [benadeelde 1] , naar binnen. Nadat hij haar zei dat hij een weddenschap had met vrienden om die nacht een meisje dood te maken, greep hij haar bij haar keel en begon haar met twee handen te wurgen. [benadeelde 1] schreeuwde en het lukte haar om met haar voet het alarm in te drukken. [benadeelde 1] begon onwel te raken. Twee collega’s van [benadeelde 1] schoten te hulp, maar zij konden niets uitrichten tegen de verdachte. De verdachte kneep met kracht de keel van [benadeelde 1] dicht en haar stem klonk hees en piepend. De greep van de verdachte leek op slot, als bevroren.
De collega’s riepen de hulp in van twee mannen. [benadeelde 1] lag op het bed en de verdachte zat bovenop haar en wurgde haar. De verdachte had zijn handen om de nek van [benadeelde 1] . Het lukte de twee mannen niet om [benadeelde 1] te bevrijden van de verdachte; de verdachte deed zijn hele hand om de nek van [benadeelde 1] en pakte haar nog steviger en harder vast. De mannen pakten de verdachte bij zijn benen en sleepten hem mee tot aan de straat; de verdachte liet daarbij de nek van [benadeelde 1] niet los, waardoor ook zij werd meegesleept. Bij [benadeelde 1] waren aan de voorzijde van haar hals rondom rode striemen zichtbaar en aan de achterzijde van haar nek was rondom een dikkere rode striem zichtbaar.

Poging tot doodslag althans poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel

Mede gelet op het door de raadsvrouw op dit punt gevoerde verweer dient het hof de vraag te beantwoorden of het handelen van de verdachte ten aanzien van aangeefsters moet worden gekwalificeerd als een poging tot doodslag dan wel een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, daarin tevens begrepen de vraag of de verdachte - al dan niet voorwaardelijk - opzet op het gevolg heeft gehad.

Aangeefster [benadeelde 2]

Zoals blijkt uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden heeft de verdachte aangeefster tot tweemaal toe stevig vastgegrepen bij haar keel en heeft hij haar keel dichtgeknepen, waardoor aangeefster verstikking heeft gevoeld en enig letsel in haar hals heeft bekomen. Uit het dossier blijkt niet wat de intensiteit en de duur van het dichtknijpen van haar keel zijn geweest. Het letsel in haar hals geeft daarover geen uitsluitsel. Vast staat dat aangeefster in staat is geweest de alarmknop in te drukken, te schreeuwen en na de eerste aanval naar buiten te vluchten. Het feit dat aangeefster tijdens het door de verdachte dichtknijpen van haar keel schreeuwde, duidt er op dat de verwurging niet van dien aard was, dat zij geen lucht binnenkreeg. Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat een aanmerkelijk te achten kans heeft bestaan dat aangeefster ten gevolge van het bij haar keel vastpakken en dichtknijpen van haar keel zou komen te overlijden. De verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van de poging doodslag op aangeefster.

Wel volgt uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden dat de verdachte door het met kracht bij de keel pakken en het dichtknijpen van de keel van aangeefster zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij aangeefster zwaar lichamelijk letsel zou kunnen toebrengen. Het is een feit van algemene bekendheid dat zich in de keel gevoelige delen bevinden, waaronder het strottenhoofd, en dat de kans aanmerkelijk is dat deze bij krachtig samendrukken beschadigd raken. Het hof acht dan ook de ten laste gelegde poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel wettig en overtuigend bewezen.

Aangeefster [benadeelde 1]

Uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden blijkt dat de verdachte tegen deze aangeefster heeft gezegd dat hij een weddenschap had om die nacht een meisje te doden, waarna hij aangeefster met twee handen bij haar keel heeft gegrepen, haar keel heeft dichtgeknepen en niet meer heeft losgelaten.

Toen twee mannen hebben ingegrepen om aangeefster te ontzetten, heeft de verdachte de keel van aangeefster nog steviger en harder, als het ware in een ‘ijzeren’ greep, vastgepakt. De verdachte heeft derhalve de daad bij het door hem geuite woord gevoegd en wel op een wijze die zonder meer geschikt was om aangeefster van het leven te beroven. Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte (vol) opzet heeft gehad op de dood van [benadeelde 1] . Het hof acht de ten laste gelegde poging tot doodslag mitsdien wettig en overtuigend bewezen.”

8. Volgens het eerste middel zijn de bewijsoverwegingen van het hof onbegrijpelijk. In de kern is de klacht (schriftuur onder 1.3) dat er tegenstrijdigheid is tussen enerzijds de vaststelling van het hof (in het kader van de vrijspraak ter zake van feit 1 primair) dat niet blijkt wat de intensiteit was van het dichtknijpen van de keel en anderzijds de vaststelling van het hof dat sprake was van krachtig samendrukken van de keel.

9. Het krachtig samendrukken van de keel heeft het hof niet onbegrijpelijk kunnen ontlenen aan de aangifte van [benadeelde 2] (bewijsmiddel 1 van de aanvulling op het verkort arrest): “Ik voelde dat hij krachtig met zijn hand of met zijn twee handen mijn keel dichtkneep.” Het hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk gekozen voor samendrukken nu het hof onvoldoende bewijs aanwezig achtte voor een (volledig) dichtknijpen van de keel. De intensiteit van het krachtig knijpen stond immers voor het hof niet vast. Van onbegrijpelijkheid door tegenstrijdigheid is reeds hierom geen sprake.

10 Het eerste middel is kansloos.

11. Het tweede middel klaagt over het ontbreken van een gemotiveerde beslissing op het verweer dat de verdachte – voor zover het betreft feit 2 – geen opzet op de dood had. Ik neem maar aan dat wordt beoogd te klagen over het ontbreken van een toereikende reactie op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv.

12. Ik neem verder aan dat met ‘verweer’ wordt gedoeld op de volgende passage in de volgens het proces-verbaal van het hof van 6 oktober 2017 ter zitting voorgedragen en overgelegde pleitnotities:

“De jurisprudentie laat zien dat het per casus verschilt wanneer het bij de keel grijpen daadwerkelijk een aanmerkelijke kans op de dood met zich brengt. Er zal kritisch naar de concrete handelingen gekeken moeten worden. Uit de verklaringen blijkt dat beide vrouwen om hulp hebben geroepen, hebben kunnen roepen en na loslaten hebben kunnen schreeuwen, niet buiten bewustzijn zijn geweest, de tijdsduur is onduidelijk, bij [benadeelde 2] is het onduidelijk of er letsel is, bij [benadeelde 1] geen zwaar letsel.

Concluderend. Kijkend naar de jurisprudentie kom ik tot de conclusie dat niet kan worden vastgesteld dat er sprake is geweest van een aanmerkelijke kans dat de dood zou intreden. Ik verzoek u cliënt vrij te spreken van de tenlastegelegde poging doodslag.”

13. Voor zover hetgeen is aangevoerd is aan te merken als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, heeft het hof daarop gereageerd. Zie de onder randnummer 7 opgenomen overwegingen onder Poging tot doodslag althans poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel Aangeefster [benadeelde 1]. Ik licht toe waarom die reactie van het hof toereikend is. Door de verdediging is niet gesteld – het zou onzinnig zijn – dat er alleen zonder schreeuwen en met zwaar letsel een poging tot doodslag kan plaatsvinden. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte de keel van het slachtoffer niet op eigen initiatief heeft losgelaten, dat het slachtoffer weliswaar niet buiten bewustzijn raakte, maar wel onwel begon te raken en gelet op de in de overweging beschreven handelingen van de verdachte binnen en buiten kan het niet anders dan dat het dichtknijpen van de keel meer dan slechts enkele momenten heeft geduurd.

14. Ik wijs er tenslotte nog op dat de toelichting er naast zit door onder 2.5 van de schriftuur een uitvoerig overzicht te presenteren van de vereisten voor voorwaardelijk opzet. Daar gaat het niet om nu het hof overweegt dat de verdachte (vol) opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Dat lijkt mij juist. Ik volsta met op te merken dat van de verdachte gezegd kan worden dat hij de daad bij het woord heeft gevoegd.

15. Ook het tweede middel is kansloos.

16 Het derde middel luidt als volgt:

“Door de verdediging is uitdrukkelijk en (aan de hand van adviezen van meerdere gedragsdeskundigen) onderbouwd het verweer gevoerd dat (verkort zakelijk weergegeven) sprake is geweest van onvrijwillige intoxicatie bij verdachte; verdachte hierdoor volledig ontoerekeningsvatbaar was; voorts geen sprake is van culpa in causa, zodat het tenlastegelegde in het geheel niet aan verdachte kan worden toegerekend.

In het arrest heeft het hof vastgesteld dat sprake is geweest van intoxicatie zoals beschreven in het toxicologisch rapport en dat aannemelijk is dat verdachte zich tevoren niet bewust is geweest van de zeldzame uitwerkingen van de genoemde combinatie van middelen. In het arrest heeft het hof overwogen dat dit volgens hem echter niet betekent dat het bewezenverklaarde in het geheel niet aan verdachte kan worden toegerekend, aangezien de keuze van verdachte om middelen met een ontremmende werking te ‘stapelen’, zonder te weten wat de uitwerking van die combinatie (m.n. alcohol en propranolol) zou zijn, een bewuste, verkeerde en aan hem toe rekenen keuze is geweest.

Dit oordeel getuigt, onder meer gelet op de indringendheid van de door de verdediging gevoerde verweren en de (aanvullende) Pro Justitia rapportages, van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dit oordeel onbegrijpelijk, zodat de verwerping van het verweer en/of het oordeel omtrent de strafbaarheid van verdachte onjuist en/of onbegrijpelijk is/zijn en/of onvoldoende met redenen is/zijn omkleed.”

17. Het bestreden arrest houdt onder de kop “strafbaarheid van de verdachte” het volgende in:

“(…)
Het hof overweegt als volgt.

Vast is komen te staan dat de verdachte op de avond van het ten laste gelegde de op doktersvoorschrift aan hem voorgeschreven middelen citalopram en propranolol had gebruikt. Citalopram is een antidepressivum dat aan de verdachte vanwege zijn angststoornis was voorgeschreven; propranolol is een middel dat de fysieke uitwerkingen van de angststoornis als blozen, zweten en hartkloppingen vermindert. Daarnaast is vast komen te staan dat de verdachte eerder die avond tien tot twaalf glazen alcohol, waaronder wijn en mix-drankjes, heeft genuttigd. Naar eigen zeggen is hij geen stevige drinker, maar had hij die avond veel te veel gedronken en was het de eerste keer dat hij propranolol in combinatie met alcohol had ingenomen. De verdachte had die avond een diner en had de propranolol ingenomen omdat hij zich meer op zijn gemak wilde voelen. De verdachte heeft verklaard dat hij die avond geen joint had gerookt en dat hij zich na het dansen in Coco’s tot aan het ontwaken in de politiecel niets kan herinneren.

Het hof heeft kennis genomen van het Pro Justitia rapport van 17 februari 2016, opgemaakt door psychiater H.S. Backer. Het hof ontleent aan dit rapport het volgende:

De combinatie van het vertoonde gedrag en de uitspraken van betrokkene wijzen op een ontremming van zowel seksuele als agressieve impulsen. Voor een dergelijke abrupte en explosieve ontremming zou een verband kunnen worden verondersteld met een psychische stoornis en/of met een intoxicatie. De sociale fobie is geen verklaring voor het geheugenverlies en ook niet voor de ontremming. Verder kan gesteld worden dat het gedrag van betrokkene, indien bewezen, verregaand inadequaat was en dat dit niet strookt met de persoonlijkheid van betrokkene. Intoxicatie (door een middel of een combinatie van middelen) kan een verklaring zijn, maar geeft maar zeer zeldzaam aanleiding tot vergelijkbaar gedrag. Hoewel betrokkene bekend moet worden verondersteld met de gevolgen van overmatig alcoholgebruik, en in die zin van culpa in causa, zijn er geen aanwijzingen (op grond van zijn eigen anamnese en de verklaringen van Emily, een vriendin van de betrokkene, en zijn behandelaar) dat hij had kunnen weten dat alcohol (in combinatie met de andere middelen) tot een dergelijk extreem gedrag aanleiding zou kunnen geven.

Voorts heeft het hof kennisgenomen van het aanvullende Pro Justitiarapport van 14 maart 2016, opgemaakt door psychiater-klinisch farmacoloog R.J. Verkes. Aan dit rapport ontleent het hof het volgende:

Er was sprake van een manisch ontremd toestandsbeeld met zeer waarschijnlijk symptomen van een psychose. Dit toestandsbeeld is van doorslaggevende invloed geweest op het agressieve gedrag dat ten laste wordt gelegd. De manisch ontremde toestand is een gevolg van een gecombineerde intoxicatie met de verschillende stoffen. Het mogelijke effect van de propranolol moet hierbij duidelijk worden meegenomen. De propranolol heeft betrokkene genomen op het voorschrift van zijn behandelaar. Men mag er van uit gaan dat het voor betrokkene duidelijk is geweest dat met het daarbij innemen van alcohol in zijn algemeenheid het risico op onverwachte effecten zal toenemen. De effecten die zijn opgetreden betreffen echter zeldzame effecten. Dit geldt ook voor cannabis, maar het is onduidelijk of dat in dit geval relevant is. Ten aanzien van het manisch-psychotische beeld dat is ontstaan, kan men stellen dat betrokkene deze ernstige complicatie niet had kunnen voorzien. Het gaat om effecten die slechts optreden bij daarvoor gevoelige individuen. Men mag veronderstellen dat het betrokkene niet bekend was dat hij tot die groep behoorde. Het ernstig ontregelde gedrag van betrokkene is dus het meest plausibel te verklaren vanuit een zeer ongelukkig en ook onvoorspelbaar samenkomen van effecten van het gecombineerd innemen van zijn voorgeschreven medicatie en alcohol. Het advies is om betrokkene ten aanzien van het tenlastegelegde als ontoerekeningsvatbaar te beschouwen.
Het hof heeft ook kennis genomen van het aanvullend psychiatrisch onderzoek van 1 juli 2016, opgemaakt door psychiater H.S. Backer. Aan dit rapport ontleent het hof het volgende:

Indien men aanneemt dat betrokkene geïntoxiceerd was door de beschreven middelen en deze intoxicatie aanleiding moet hebben gegeven tot een (manisch) psychotische ontremming met geheugenverlies, dan is dat een te volgen (en dus ‘plausibele’) conclusie. Daaruit volgt dan ook dat betrokkene die niet had kunnen voorzien en ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht. Indien de rechtbank strikt uitgaat van het waargenomen en vastgestelde, is het ontbreken van denk- of waarnemingsstoornissen, en van een alcoholspiegel een reden om ook andere verklaringen voor mogelijk te houden. Mede gezien het feit dat een intoxicatie met de beschreven middelen maar zelden aanleiding geeft tot seksueel en agressief (manisch) psychotisch gedrag met geheugenverlies. Dit zou de ‘voorzichtige’ zienswijze kunnen worden genoemd.

Het hof heeft tot slot kennis genomen van de aanvulling van 7 juli 2016 op het aanvullende Pro Justitiarapport van 14 maart 2016, opgemaakt door de psychiater- klinisch farmacoloog R.J. Verkes. Het hof ontleent aan dit genoemde rapport het volgende:

“Mijn mening over de antwoorden door rapporteur Backer op de aan hem gestelde vragen in zijn rapport is niet veranderd ten opzichte van hetgeen ik daar eerder in mijn rapport d.d. 14 maart 2016 over heb gezegd. Het tenlastegelegde is voortgekomen uit een manisch ontremd toestandsbeeld met zeer waarschijnlijk symptomen van een psychose. Bij het ontstaan van deze psychische ontregeling heeft de interactie tussen het hem voorgeschreven geneesmiddel propranolol en alcohol een doorslaggevende rol gespeeld. Men kan er niet vanuit kan gaan dat betrokkene het risico op deze bijwerking had kunnen voorzien. In de (Nederlandse) bijsluiter van propranolol treft men geen waarschuwing dat de combinatie met alcohol tot een hogere kans op bepaalde bijwerkingen leidt.”

Het hof overweegt over de toerekenbaarheid als volgt:

Op grond van het toxicologisch rapport, in samenhang met de door de verdachte en de getuige Emily Mc Gowan afgelegde verklaringen, is het hof met de deskundigen van oordeel dat het ervoor moet worden gehouden dat de verdachte geïntoxiceerd was door de in het toxicologisch rapport beschreven middelen, te weten citalopram, propranolol, alcohol en cannabis. Naar het oordeel van het hof is het aannemelijk dat deze intoxicatie, met name de interactie tussen alcohol en propranolol, aanleiding heeft gegeven tot een kortdurende (manisch) psychotische ontremming bij de verdachte die van invloed is geweest op de totstandkoming van diens gewraakte gedragingen. Dat de verdachte zich tevoren niet bewust is geweest van deze (zeldzame) uitwerking van de genoemde combinatie van middelen acht het hof aannemelijk.

Het voorgaande brengt echter naar het oordeel van het hof (anders dan door R.J. Verkes geadviseerd) niet mee dat het bewezenverklaarde de verdachte in het geheel niet kan worden toegerekend. Als algemeen bekend mag worden verondersteld dat het gebruik van alcohol tot ontremming kan leiden en dat in combinatie met medicatie voorzichtigheid met alcohol geboden is. De verdachte heeft die avond een voor zijn doen aanzienlijke hoeveelheid alcohol gedronken en daarnaast citalopram en propranolol genomen. Hoewel het hof ervan uitgaat dat de verdachte niet wist dat de combinatie van alcohol en propranolol tot agressie kan leiden, wist de verdachte wel dat citalopram en propranolol een ontremmende werking hebben. De keuze van de verdachte om middelen met een ontremmende werking ‘te stapelen’, terwijl hij bovendien niet wist wat de uitwerking van de combinatie van alcohol en propranolol bij hem zou zijn (hij had deze middelen niet eerder in combinatie met elkaar gebruikt), is een bewuste, verkeerde en hem aan te rekenen geweest. In die zin kan de verdachte ten dele verantwoordelijk worden gehouden voor zijn onder invloed van die middelen ontstane gedragingen. Het hof is daarom van oordeel dat het bewezenverklaarde de verdachte in sterk verminderde mate kan worden toegerekend.
Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.”

18. Mede gelet op de toelichting worden in het middel de vaststellingen van het hof dat er sprake was van een intoxicatie ten gevolge van het gebruik van medicatie (citalopram en propranolol), alcohol en cannabis alsmede dat met name de interactie tussen alcohol en propranolol aanleiding heeft gegeven tot een kortdurende (manisch) psychotische ontremming bij de verdachte die van invloed is geweest op de totstandkoming van diens gewraakte gedragingen, niet bestreden. Dat de verdachte zich tevoren niet bewust is geweest van deze (zeldzame) uitwerking van de genoemde combinatie van middelen is in cassatie ook geen punt van discussie.

19. In cassatie gaat het om de consequenties die aan deze vaststellingen moeten worden verbonden. Met name staat de vraag centraal welke wetenschap is vereist om de gedragingen ondanks de intoxicatie aan de verdachte te kunnen toerekenen. Als ik het middel goed begrijp eist het daarvoor wetenschap van het concrete gevolg, dus - kennelijk in het voetspoor van de rapporterende deskundige Verkes - wetenschap van de verdachte dat als gevolg van het gebruik van de middelen een kortdurende (manisch) psychotische ontremming kon optreden. Mij is niet geheel duidelijk of de stellers van het middel voor ogen hebben dat bij afwezigheid van de wetenschap van het concrete gevolg de intoxicatie als onvrijwillig moet worden aangemerkt. Het hof acht de wetenschap van het concrete gevolg niet bepalend. Het hof toetst het voorstadium van het handelen van de verdachte in meer algemene zin en gebruikt in dat verband het woord ‘keuze’. Het hof kiest daarmee als uitgangspunt dat alle middelen door de verdachte vrijwillig zijn gebruikt. Ik lees in de schriftuur geen bestrijding van die vrijwilligheid van de inname van de middelen en het uitgangspunt van het hof is in zoverre in ieder geval juist. Immers nergens uit blijkt dat de middelen hem buiten zijn weten (heimelijk) of gedwongen zijn toegediend.

20. Ik vraag nog aandacht voor een andere feitelijke vaststelling van het hof. Dat de verdachte die avond alcohol heeft gedronken staat in cassatie vast. Ook de vaststelling dat de verdachte eerder die avond tien tot twaalf glazen alcohol, waaronder wijn en mix-drankjes, heeft genuttigd en naar eigen zeggen geen stevige drinker is, maar die avond veel te veel had gedronken wordt in cassatie niet betwist. De kwalificatie van de geconsumeerde hoeveelheid alcohol als een ‘aanzienlijke’ hoeveelheid wordt in de schriftuur onder 3.7 onbegrijpelijk geacht omdat er geen restanten alcohol in het bloed van de verdachte zijn aangetroffen en de agenten het gebruik van alcohol door de verdachte hebben bestempeld als ‘niet heel veel’. Het gaat hier om een waarderingskwestie en de waardering van de hoeveelheid als aanzienlijk acht ik in het licht van de onbestreden uit de verklaring van de verdachte afgeleide vaststelling van het hof niet onbegrijpelijk. Dat agenten kennelijk voor het gemiddelde uitgaanspubliek een andere maatstaf aanleggen en dat het (geruime tijd later plaatsvindende) bloedonderzoek geen restanten van alcohol aantoont, maakt dit niet anders. Naar de maatstaven van de verdachte was het veel te veel en dat wist hij.

21. Het hof noemt de intoxicatie de aanleiding tot een kortdurende (manisch) psychotische ontremming bij de verdachte die van invloed is geweest op de totstandkoming van diens gewraakte gedragingen. Door te spreken van een aanleiding die van invloed is geweest wordt een verband gelegd tussen de stoornis en de gedragingen van de verdachte, maar in ieder geval niet zonder meer een (beslissend) causaal verband. De kortdurende (manisch) psychotische ontremming wordt daarmee door het hof dus nog niet aangemerkt als een stoornis als gevolg waarvan de verdachte niet – zoals Bijlsma het uitdrukt – kon begrijpen dat het feit wederrechtelijk was of onvoldoende in staat was in overeenstemming met zijn begrip van de wederrechtelijkheid van het feit te handelen.2

22. Van niet strafbaarheid op grond van art. 39 Sr is volgens het hof geen sprake, omdat de intoxicatie weliswaar aanleiding was van de stoornis, maar kennelijk niet kan worden aangemerkt als de (enig bepalende) oorzaak van de gedragingen. In de zin van art. 39 Sr is voor niet toerekenbaarheid ‘wegens’ een stoornis geen sprake. Er is ook een (andere) aanleiding: het aan de intoxicatie voorafgaande (‘gestapelde’) gebruik van verschillende middelen: (een aanzienlijke hoeveelheid) alcohol waarvan algemeen bekend mag worden verondersteld dat het tot ontremming kan leiden en citalopram, propranolol waarvan de verdachte wist dat ze ontremmende werking hebben. De wetenschap van de verdachte dat alcohol en de genoemde medicatie ontremmende werking hebben wordt in cassatie niet bestreden. Het is niet onjuist of onbegrijpelijk dat het hof het gebruik van alcohol en medicatie waarvan de verdachte weet dat ontremming gevolg van het gebruik kan zijn in aanmerking neemt.3

23. Of voorafgaand ontremmend middelengebruik betekenis heeft voor het toerekenen wordt doorgaans in de sleutel van culpa in causa gezet. Het hof neemt de woorden culpa in causa niet met zoveel woorden in de mond. Op die culpa in causa kom ik zo terug. Dat het (mogelijk) ontremmende middelengebruik in de weg staat aan de volledige ontoerekeningsvatbaarheid maakt het hof in de overwegingen duidelijk en de mate waarin niet kan worden toegerekend wordt eveneens uitdrukkelijk vastgesteld. Dat is voldoende. Er wordt ook niet geklaagd over de toegepaste maatstaf. In welke mate het feit niet kan worden toegerekend is een feitelijke waardering en voor toetsing daarvan is in cassatie slechts zeer beperkt ruimte. Bovendien heeft het hof op de in de praktijk veelal gebruikte zogenaamde vijfpuntschaal van het toerekenen gekozen voor sterk verminderd. Het middelengebruik voorkomt daarmee maar net de volledige ontoerekeningsvatbaarheid.

24. Nog een enkele opmerking over culpa in causa mede omdat het middel in die sleutel is gezet. Indien er een verband bestaat tussen een bij de verdachte aanwezige stoornis en het door hem gepleegde delict, maar de verdachte die stoornis zelf verwijtbaar en vrijwillig bij zichzelf heeft doen ontstaan, zal een beroep op art. 39 Sr wegens culpa in causa (eigen schuld aan de oorzaak) niet slagen. Verwijtbaar betekent dat niet elke lichtzinnigheid meetelt en dat de schuld min of meer grof (“vermoedelijk inderdaad op zijn minst aanmerkelijke onvoorzichtigheid”4) moet zijn. Het beoordelingsmoment wordt naar voren geschoven; niet alleen de handeling zelf maar ook hetgeen daarvoor heeft plaatsgevonden, wordt bij de beoordeling of sprake is van culpa in causa betrokken.

25. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad omtrent de strafbaarheid ter zake van feiten gepleegd onder invloed van alcohol of drugs kan worden opgemaakt dat deze feiten de verdachte kunnen worden toegerekend indien de verdachte verwijtbaar is komen te verkeren in een toestand van ziekelijke storing van zijn geestvermogens.5 Het is immers een feit van algemene bekendheid dat de inname van geestverruimende middelen het functioneren en oordeelsvermogen van de gebruiker zodanig kunnen beïnvloeden dat daaruit riskant gedrag zou kunnen ontstaan. Bij herhaling is er op gewezen dat “een andere opvatting gezien haar consequenties niet aanvaardbaar is, omdat zij ertoe zou leiden dat het gebruik van alcohol en andere de geest beïnvloedende stoffen een ‘vrijbrief’ voor het plegen van delicten zou worden, alsmede dat wie deze middelen gebruikt en daarbij anderen blootstelt aan de gevolgen van zijn ongecontroleerde gedragingen, moet weten dat hij zich blootstelt aan bestraffing.”6

26. Intussen blijft het hiermee lastig om vast te stellen wanneer de onvoorzichtigheid aanmerkelijk genoeg is om culpa in causa aan te nemen bij drugs en medicatiegebruik. Als de gebruiker niet op de hoogte is van de aard en werking van een medicijn en daarvan ook niet op de hoogte behoeft te zijn (denk aan ongebruikelijke effecten) dan zal er geen sprake zijn van culpa in causa.7 In de hier in cassatie aan de orde zijnde zaak ligt het heel anders gelet op de vaststellingen van het hof: 1. Een aanzienlijke hoeveelheid alcohol die vanuit het perspectief van de verdachte ‘veel te veel’ voor hem is; 2. Gebruik van een tweetal medicijnen; 3. Cannabisgebruik, zij het dat het hof kennelijk meegaat met de verdachte dat het langer geleden heeft plaatsgevonden; 4. Wetenschap dat zowel de alcohol als de medicijnen ontremmend werken; 4. ‘Gestapeld’ gebruik van de middelen. In het oordeel van het hof ligt besloten dat het (anders dan de stellers van het middel voorstaan) bij die stand van zaken niet aankomt op de wetenschap van het concrete gevolg van het middelengebruik te weten een kortdurende (manisch) psychotische ontremming. Of specifiek de kortdurende (manisch) psychotische ontremming redelijk voorzienbaar was doet mijns inziens terecht hier niet erg ter zake, omdat de ontremming in het algemeen voor de verdachte voorzienbaar was. De verdachte was daarmee in de voorfase aanmerkelijk onvoorzichtig; gebruik van een aanzienlijke hoeveelheid alcohol is al behoorlijk onvoorzichtig en dat werd nog versterkt door het gebruik van medicijnen.

27. De slotsom is dat het hof het beroep op art. 39 Sr kon passeren (ook in verband met culpa in causa8) ondanks dat de verdachte het ontstaan van de stoornis – in dit geval de psychose – en de als gevolg daarvan gepleegde strafbare feiten redelijkerwijs niet kon voorzien of (welbewust) heeft aanvaard. Wetenschap of redelijke voorzienbaarheid van het concrete gevolg van het middelengebruik is niet vereist.

28. Het derde middel faalt.

Het middel namens de benadeelde partij

29. Het middel klaagt dat de benadeelde partij niet voor de terechtzitting van het hof is opgeroepen teneinde aldaar haar vordering mondeling toe te lichten.

30. Ik kan volstaan met te citeren uit een recent arrest9 waarin de feitelijke situatie voor wat betreft de oproeping van de benadeelde partij hetzelfde was:

“3.2. Ingevolge het tweede lid van art. 413 Sv, dient aan de benadeelde partij schriftelijk te worden medegedeeld op welke dag de zaak ter terechtzitting in hoger beroep zal worden behandeld. De strekking van dit wettelijk voorschrift is dat de benadeelde partij in de gelegenheid wordt gesteld de behandeling van haar vordering in hoger beroep bij te wonen, teneinde aldaar haar belangen te kunnen behartigen, bijvoorbeeld door overeenkomstig hetgeen is bepaald in het derde lid van art. 334 Sv, welke bepaling ingevolge art. 415 Sv van overeenkomstige toepassing is in hoger beroep, haar vordering mondeling toe te lichten. De rechter dient te onderzoeken of aan eerstgenoemd voorschrift is voldaan. Indien zulks niet het geval is behoort hij - tenzij de benadeelde partij ter terechtzitting is verschenen - het onderzoek ter terechtzitting te schorsen, opdat genoemde mededeling alsnog aan de benadeelde partij kan worden gedaan (vgl. HR 14 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0822, NJ 1998/156).

3.3.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is de benadeelde partij aldaar niet verschenen. De stukken houden niets in waaruit kan volgen dat de mededeling als bedoeld in art. 413, tweede lid, Sv aan de benadeelde partij is gedaan. Gelet daarop en op hetgeen hiervoor onder 3.2 is overwogen had het Hof ervan blijk moeten geven te hebben onderzocht of die mededeling was gedaan. De bestreden uitspraak houdt daaromtrent echter niets in. Het middel is terecht voorgesteld.”

31. Ik wijs er op dat de benadeelde partij hier verder de mogelijkheid is onthouden om zich in hoger beroep tot het oorspronkelijke bedrag van de vordering te voegen (art. 421 Sv). In de schriftuur wordt ook nog een beroep gedaan op slachtofferbelangen (vragen en verwerking), maar dat spreekt mij minder aan nu daarvoor tegenwoordig andere wegen openstaan.

32. Het middel namens de benadeelde partij slaagt.

33. De slotsom is dat de middelen voorgesteld namens verdachte falen en dat het eerste en tweede middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Het middel voorgesteld namens de benadeelde partij slaagt.

34. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

35. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de strafoplegging, de beslissing omtrent de schadevergoedingsmaatregel derhalve daaronder begrepen, tot terugwijzing van de zaak naar het hof teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het op 3 november 2017 onbeperkt ingestelde cassatieberoep is op 10 augustus 2018 partieel ingetrokken ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde (poging tot doodslag en poging tot moord op [benadeelde 2] ), waarvan het hof de verdachte heeft vrijgesproken. Deze beperking is op grond van art. 429 Sv en gelet op HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1610 toelaatbaar. Zie ook HR 24 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:507. Het beroep is gelet op art. 4.4.2 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden (Stb. 2017, 5928) tijdig (partieel) ingetrokken.

2 J. Bijlsma, Stoornis en strafuitsluiting, ac. prfs. VU, Oisterwijk: WLP 2016, p. 245. Zie voor de betekenis van middelengebruik zowel voor het opzet als het toerekenen verder ook de conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld van 17 maart 2015, ECLI:NL:PHR:2015:602.

3 Zie M.J.F. van der Wolf en J.W. Hummelen, Toerekeningsvatbaarheid en toerekenen, in: J.W. Hummelen, R.J. Verkes en M.J.F. van der Wolf, Forensische psychiatrie en de rechtspraktijk, Utrecht: De Tijdstroom 2018, p. 269-286 onder verwijzing naar J. Bijlsma, ‘Drank, drugs en culpa. Zelfintoxicatie en culpa in causa: pleidooi voor een voorzienbaarheidseis’, DD 2011/44.

4 Aldus J. de Hullu, Materieel Strafrecht, zevende druk, Deventer: Kluwer 2018, p. 354. Hij is voorzichtig in zijn formulering naar ik aanneem ook omdat het om een uiterst lastige kwestie gaat waarbij de omstandigheden van het geval gewicht in de schaal leggen.

5 HR 9 juni 1981, ECL:NL:HR:1981:AC0902, NJ 1983/412 m.nt. Van Veen.

6 Aldus AG C. Bleichrodt in zijn conclusie bij HR 12 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3797, NJ 2008/263 m.nt. Keijzer verwijzend naar de noot van Van Veen onder HR 9 juni 1981, ECLI:NL:HR:1981:AC0902, NJ 1983/412. Zo ook mijn ambtgenoot Aben in zijn conclusie van 11 december 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1359. Zie voor een andere benadering de noot van ’t Hart bij HR 28 juni 1983, ECLI:NL:HR:1983:AC8052, NJ 1984/53.

7 Voorbeeld ontleend aan de vermelde conclusie van C. Bleichrodt.

8 Zie: HR 12 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3797, NJ 2008/263 m.nt. Keijzer.

9 HR 12 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3121, NJ 2018/23.