Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:1092

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-09-2019
Datum publicatie
29-10-2019
Zaaknummer
18/00468
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1641
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Ontucht met minderjarige dochter, art. 245 Sr. Middelen over 1. ondervragingsrecht, art. 6 EVRM, doordat het hof verklaringen van aangeefster voor het bewijs heeft gebezigd, terwijl de verdachte haar in geen enkel stadium van het geding heeft kunnen (doen) ondervragen, en 2. Aanwezigheid van onvoldoende steunbewijs is, zodat niet is voldaan aan art. 342.2 Sv, unus testis. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/00468

Zitting 10 september 2019

CONCLUSIE

P.C. Vegter

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 20 december 2017 door het gerechtshof Den Haag wegens 1. “met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam” en 2. “een gegevensdrager, bevattende afbeeldingen van een ontuchtige handeling, waarbij een mens en een dier zijn betrokken of schijnbaar zijn betrokken, in bezit hebben, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met bijzondere voorwaarden als in het arrest vermeld. Verder heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. J.S. Nan, advocaat te
    's-Gravenhage, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Beide middelen richten zich tegen de bewijsvoering van het onder 1 bewezenverklaarde. Daarom geef ik hierna eerst de bewezenverklaring, de gebezigde bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen van het hof weer.

  4. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 28 december 1995 tot en met 27 december 1999 te [...] en/of in de Biesbosch en/of nabij Slot Loevestein, althans in Nederland met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien had bereikt, te weten met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 1983), buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het

-brengen van een vinger in de vagina van die [slachtoffer] en

-betasten van de vagina van die [slachtoffer] en

-betasten van de borsten van die [slachtoffer] en

-brengen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] en

-likken aan en/of kussen van de vagina van die [slachtoffer] ”.

5. Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 2 oktober 2005, nummer PL 1852/05-506966, opgenomen als pagina 239 tot en met 242 in het voornoemd proces verbaal, inhoudende als relaas van de verbalisant:

(pag. 240)

Op woensdag 18 mei 2005, te 10:00 uur vond er een intakegesprek plaats met [slachtoffer] , geboren (…) op [geboortedatum] 1983 en wonende [a-straat 1] te [plaats] . Zij vertelde tussen haar 12e en 16e jaar misbruikt te zijn door haar vader.

(...)

(pag. 241)

Wat is er (globaal) gebeurd:

Misbruik door de vader van het slachtoffer tussen haar 12de en 16de levensjaar.

Dit misbruik bestond uit het likken van de vagina, het vingeren van [slachtoffer] en het strelen van haar borsten en lichaam.

Nu betast [slachtoffer] ' s vader haar, tijdens het stoeien, nog steeds aan haar borsten maar vertelt dan dat dit per ongeluk ging.

Het slachtoffer vertelt ongeveer 40 keer misbruikt te zijn door haar vader tussen de leeftijd van 12 en 16 jaar oud.

(...)

Waar is het gebeurd:

Zowel thuis als in de Biesbos is [slachtoffer] diverse malen misbruikt door haar vader.

(...)

(pag. 242)

Zijn er getuigen :

De moeder van [slachtoffer] , genaamd [betrokkene 1] , zou volgens [slachtoffer] , op de hoogte zijn geweest van het misbruik van vader. Haar vader zou toenmalig aan haar moeder gevraagd hebben hem in de gaten te houden zodat het misbruik zich niet zou herhalen.

(...)

Is er met anderen over gesproken en zo ja met wie : Ja, op de hoogte van het misbruik zijn:

- Haar pleegouders uit [...] , die behoren bij [B] de vrije evangelische kerk (slachtoffer wil nog niet aan namen van de pleegouders)

- Psychiatrische inrichting Parnassia den Haag (is ze in behandeling geweest voor haar zelfmoordneigingen);

- [betrokkene 2] en [betrokkene 3] , Kennissen uit [plaats]. Telefoonnummer zou het slachtoffer nog opzoeken;

- Haar huisarts, [betrokkene 4] ;

- Psychiatrische inrichting Emergis te Goes;

- [betrokkene 5] , de vriendin die bij haar was voor en na de intake, (…);

- Haar moeder;- Haar psychiater, [betrokkene 6] , (…).

2. Het proces-verbaal informatief gesprek zeden. d.d. 4 oktober 2013, nummer PL1850–2013089369–3, opgenomen als pagina 27 tot en met 30 in het voornoemd proces verbaal, inhoudende als relaas van de verbalisant:

(pag. 27/28)

Feiten en omstandigheden

Wat is er globaal gebeurd:

Benadeelde vertelt tussen haar 12e en 15e jaar te zijn betast aan borsten en vagina door haar vader. (...) Vader zou haar ook 3 maal hebben gepenetreerd met zijn penis in haar vagina. Deze voorvallen zouden zijn gebeurd thuis, maar ook buiten tijdens fietstochten met haar vader door de omgeving. Benadeelde vertelt dat haar vader 's avonds vaak bij de computer zat op zijn slaapkamer. Als zij naar haar eigen slaapkamer ging, riep hij haar bij zich om 'welterusten' te zeggen. Soms kwam vader ook op haar slaapkamer om haar welterusten te zeggen en kroop dan bij haar in bed. Met zijn hand ging hij daar in haar slipje en ook ging hij op haar liggen.

Volgens benadeelde was haar moeder dan beneden, maar zou die wel hebben geweten wat er boven gebeurde. Zij mocht van moeder namelijk niet alleen op een kamer met haar vader.

Het betasten van de borsten zou hebben bestaan uit strelen.

Aan de vagina zou vader haar hebben 'gevingerd'.

Volgens benadeelde zou vader geen zaadlozing hebben gehad omdat hij eerder stopte. Vader zou hebben gezegd dat zij zijn speciale vriendinnetje was en ook dat zij zo mooi was.

(...) Zij zegt veel last te hebben van herbeleving, vooral 's nachts, waardoor zij veel pijn voelt.

(…)

(pag. 28)

(...)

Waar is liet gebeurd:

[a-straat 1] , [postcode] [plaats] en andere plaatsten tijdens fietstochten.

Wanneer is liet gebeurd:

Van ongeveer 12e tot 15e jaar van benadeelde. (ongeveer 1996 tot 1999) en mogelijk ook eerder.

Hoe, waar en wanneer is het feit bekend geworden:

Een vriendin vroeg rond haar 12 jaar aan benadeelde of haar vader wel eens aan haar lichaam zat onder haar kleding. Benadeelde bevestigde dat. Tot die tijd dacht zij dat het normaal was dat dit gebeurde.

Daarna werd zij heel angstig voor haar vader. Zij was bang voor straf en slaag. Van voor haar 12 jaar kan benadeelde zich ook weinig herinneren wat er toen gebeurde. Haar herinneringen uit die tijd zijn niet specifiek.

Is er met anderen over het feit gesproken :

Ja, met vriendin [betrokkene 2] (hof: leest [betrokkene 2] ) [betrokkene 2] die nu in [plaats] woont.

3. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 29 oktober 2013, nummer PL1850-.2013089369-1, opgenomen als pagina 31 tot en met 61 in het voornoemd proces-verbaal, inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :

(pag. 31)

Op dinsdag 29 oktober 2013 verscheen voor ons in het politiebureau (...), een persoon die ons opgaf te zijn: [slachtoffer] , geboren [geboortedatum] 1983 (...)

Zij deed aangifte en verklaarde het volgende over incest/afhankelijkheid/ wilsonbekwame, wat plaats vond op de [a-straat 1] te [plaats] , binnen de gemeente [...] , tussen medio 1991 en medio 2004:

(pag. 32)

Waarom ben je op je 15e weggegaan thuis?

-Omdat papa aan mij zat. Ik ben toen weggelopen naar een vriendin.

[betrokkene 2] heeft toen mijn ouders gebeld en de voorganger van de kerk en toen moest ik weer thuis gaan wonen.

(pag. 34)

Je bent hier om aangifte te doen van misbruik, door wie is dat misbruik gepleegd met jou?

-Door mijn vader, [verdachte] .

Dat misbruik, wanneer is dat gebeurd.

-Ik wist eerst niet dat het fout was, dat het normaal was en toen ik 12 jaar oud was, kwam ik erachter dat het niet normaal was en toen heeft het nog geduurd tot mijn 15e.

Maar voor je 12e gebeurde het dan ook?

-Ja maar toen wist ik niet dat het fout was.

Wanneer is het begonnen, welke klas zat je bijvoorbeeld?

-Ik weet dat niet.

Welke plaatsen gebeurde het met jou?

-Op verschillende plaatsen.

Probeer eens die plaatsen te noemen?

-Toen we naar Slot Loevestein gingen fietsen, toen gebeurde het achter de bosjes op de terugweg.

Toen we naar de Biesbosch gingen met de fiets, toen gebeurde het ook in de bosjes. En ook thuis toen ik op mijn kamer aan het dansen was.

Je zegt dat het best een lange periode is geweest, van je 12e tot je 15e. Hoe vaak gebeurde er dan dingen waarvan je aangifte wilt doen.

-Hij is maar drie keer op mij geweest, tenminste wat ik nog weet.

Wat heeft je vader toen gedaan?

-Hij ging met zijn piemel in mijn vagina.

Dat is drie keer gebeurd?

-Ja dat ik weet.

Je noemde drie verschillende plaatsen, thuis, Biesbosch en onderweg naar Slot Loevestein. Wat is er op die plaatsen gebeurd?

-Wat ik net vertelde, dat hij op mij ging liggen en zijn piemel in mijn vagina deed. En verder zat hij alleen aan mij, en ging hij tongzoenen.

Wat deed jouw vader als hij aan je ging zitten?

-Aan mijn borsten zitten en in mijn onderbroek.

Waarmee deed hij dat?

-Met zijn vingers.

Als hij aan jouw borsten zat, wat deed hij dan?

-Gewoon strelen.

Was jij dan aangekleed of bloot of anders?

-Nee ik was aangekleed, maar hij ging onder mijn kleding.

En wat deed hij als hij in je onderbroek ging?

-Vieze dingen.

(pag. 35)

Wat versta jij onder vieze dingen?

-Gewoon dat ga je toch niet zeggen.

Waar was jij als hij aan je borsten zat?

-Dan was ik gewoon thuis, als hij mij op bed ging leggen. Dan stopte hij mij altijd in.

En wat gebeurde daar dan nog meer.

-Hij ging me kussen op mijn vagina.

Wat deed hij met zijn vingers aan je vagina ?

-Hij deed mij vingeren, hij zei er dan bij dat ik zo mooi was en zo speciaal en dat ik zijn speciale vriendin was.

Wat zei jij dan?

-Niks.

Wat liet jij hem merken hoe jij het vond?

-Helemaal niks. Ik lag daar gewoon en te wachten dat het voorbij was. Ik was alleen bang dat mama erachter kwam, want dan zou het mijn schuld zijn.

Kan je mij uitleggen waarom het jouw schuld zou zijn?

-Omdat ik altijd veel aandacht vroeg, ik was minderwaardig. En omdat mama mij had gezegd dat ik niet alleen met papa op de kamer mocht zijn en dat deed ik toch.

Maar jij zegt dat papa bij jou op de kamer kwam?

-Ja maar soms was ik wel bij papa op de kamer. Ik sliep op zolder. Ik moest dan langs de kamer waar de computer stond en waar papa zat. Dan riep hij mij en moest ik op zijn schoot gaan zitten. Toen deed hij ook dingen bij mij. En als niet naar papa luisterde dan kreeg ik straf.

Wat voor straf kreeg jij dan?

-Een pak slaag. Mijn vader sloeg mij dan op mijn billen.

(pag. 36)

En als jij dan naar boven ging en je ging langs de kamer, wat gebeurde er dan?

-Dan ging hij mij roepen en vroeg hij: "ga je mij geen avondkusje geven?". Ik zei dan, jawel en dan ging ik naar hem toe en trok mijn vader mij op schoot en ging hij mij tongzoenen.

Wat gebeurde hij dan als hij jou ging tongzoenen?

-Dan ging hij met zijn tong in mijn mond.

Wat deed hij nog meer als hij jou op schoot trok?

-Hij ging me allemaal strelen aan mijn borsten en in mijn onderbroek. Maar als ik dit allemaal vertel, dan wordt papa boos. Want ik mocht dit niet vertellen van papa.

- Een keer ging ik ontbijt op bed brengen bij mijn ouders. Ik ging toen bij mijn ouders op bed liggen en toen deed papa het ook bij mij. Terwijl mama er gewoon bijlag. Dat is toch raar! Dit moet je toch merken dat dit gebeurt. Later toen ik haar dit vertelde gaf ze mij de schuld, ik was ook al te oud om bij hen in bed te komen liggen.

Hoe oud was je toen?

-Ik geloof dat ik toen 15 jaar oud was. Maar alle tijden lopen door elkaar heen. Ik wist al wel dat het niet hoorde, dus ik was ouder dan 12 jaar.

Wat had je toen aan?

-Ook mijn nachtjapon.

Tot waar kwam die nachtjapon?

-Tot mijn knieën ongeveer.

Wat deed je vader toen bij jou?

-Hij ging mij vingeren.

(pag. 37)

Wat deed hij dan om jou te gaan vingeren?

-Dan moest hij alleen mijn nachtjapon omhoog en mijn onderbroek liet hij zo en hij ging met zijn hand in mijn onderbroek via de voorkant aan de bovenkant.

Waar lag jij precies in bed?

-Ik lag in het midden. Mijn moeder lag naast mij aan de rechterzijde en mijn vader lag aan de linkerkant. Er lag een grote deken over ons heen.

Je spreekt over vingeren, wat deed hij dan precies met zijn vingers?

-Hij ging met zijn vinger in mij.

Waarin?

-In mijn vagina.

Wat deed hij met zijn vinger?

-Ronddraaien met zijn vinger in mijn vagina.

Wat deed jij dan, als hij dat deed?

-Niks

Hoe voelde dat voor jou?

-Lichamelijk pijnlijk. Ik wilde dat ook niet.

Waarom wilde je dat niet?

-Omdat het niet goed is.

(pag. 38)

Waarom had je moeder de regel ingesteld dat je niet alleen met papa op een kamer mocht zijn?

-Omdat ik mijn vriendin alles had verteld wat er was gebeurd. Die vriendin heeft het tegen mijn ouders verteld. Daarom mocht ik niet meer met papa op een kamer.

Welke vriendin was dan?

- [betrokkene 2] .

Als jouw vader je op schoot trok als hij voor de computer zat, hoe zat hij dan aan jouw borsten?

-Met zijn arm onder mijn nachtjapon. Hij streelde dan mijn borsten.

(pag. 39)

Bij het op schoot trekken, vertelde je dat je vader ook met zijn hand in je onderbroek ging. wat deed hij met zijn hand in je onderbroek?

-Gewoon vingeren.

Hoe zat jij bij je vader op schoot?

-Ik zat zijdelings bij hem op schoot. Mijn rug aan de kant van zijn ene arm en mijn benen aan de kant van zijn andere arm.

Hoe ging hij dan in je onderbroek?

-Met zijn ene arm aan de zijkant erin. Vanaf de bovenkant van mijn onderbroek.

Zei hij er nog wat bij?

-Dat ik mooi en knap was en speciaal, want ik was zijn speciale vriendinnetje. En dat ik het tegen niemand mocht vertellen, want het was ons geheimpje/dat hij dan boos werd.

Hoe zat het met jouw benen?

-Die deed hij een beetje uit elkaar.

Dat hij aan jou ging zitten op de slaapkamer bij de computer, hoe vaak gebeurde dat?

-Vaak, heel vaak.

Kun je daar wat duidelijker over zijn?

-Zeker drie in de week, daarom dacht ik dat dat normaal was.

(pag. 40)

Is het nog andere keren bij jouw thuis gebeurd?

-Ja op mijn slaapkamer, dan kwam hij mij instoppen.

Hoe ging dat dan?

-Hij ging naast mij zitten op het bed, hij ging me zoenen.

(pag. 41)

Toen ik aan het dansen was, zag ik ineens dat hij onder het gordijn aan het kijken was.

Daar schrok ik van. Hij kwam toen mijn kamer op en vroeg of ik voor hem wilde dansen en dat wilde ik niet.

(...)

Was dat voor of na je twaalfde?

-Nee na mijn twaalfde.

En was dat voor of na je uithuisplaatsing?

-Nee, daarvoor.

-Ik zag dat hij op mijn bed ging zitten en op de plek naast hem op het matras ging kloppen, als teken dat ik naast hem moest gaan zitten. Hij ging toen wel mijn onderbroekje uittrekken.

Wat had je allemaal aan?

-Gewoon mijn nachtjapon.

En toen?

-Toen ging hij mijn vagina kussen.

(pag. 42)

Wat deed hij met jou?

-Hij ging zo op mij liggen.

(...)

En wat gebeurde er toen hij op je kwam liggen?

-Toen ging hij in me met zijn piemel en hoorde ik hem zeggen: "je bent van mij, je bent van mij!".

Wat voelde jij toen hij met zijn piemel in je ging?

-Pijn.

(pag. 43)

Want wanneer was dit eerder voorgekomen?

-Dit was de eerste keer. Maar ik was niet echt daar zo, het leek of ik er boven was en er naar keek. Of het mijn lichaam niet was.

Wat zag je je vader nog meer doen?

-Op en neer gaan. En toen zei mama beneden: " [verdachte] waar blijf je zolang?" en toen ging hij van mij af en ging naar beneden.

Wat deed je vader toen hij je moeder hoorde roepen?

-Hij ging snel van mij af. Ging hij me nog een kusje geven en ging hij weg.

En wat heb jij toen gedaan?

-Niks. Ik heb mijn onderbroek snel aangedaan.

(...)

Dit was is de eerste keer dat dit gebeurde?

-Ja.

Hoe oud was je toen?

-Dat was na mijn twaalfde, ik wist dat het niet goed was. Daarom was ik ook zo bang.

(pag. 44)

Je sprak er ook over dat er nog 2 van zulke situaties zijn geweest. Daar willen wij het ook alles over weten. Welke situatie wil jij het eerst over vertellen?

-Van de Biesbosch. .

Vertel mij daar eens alles over?

-We gingen fietsen en we waren 's ochtends heel vroeg weggegaan. Op de terugweg lagen we ergens in het gras en toen ging papa mij achterover drukken.

En toen?

- Toen weet ik nog dat. ik heel veel pijn voelde bij mijn vagina en daarna dat ik flauw viel of zoiets. Of ik had een black-out, weet ik veel, ik kan me gewoon dat stuk niet herinneren. Toen ik weer bijkwam had ik mijn kleren weer aan en zat mijn vader naast me een peukie te roken.

Wat was er met je kleren voordat je flauw viel?

-Toen deed papa mijn broek en mijn onderbroek omlaag. Tot aan mijn knieën.

En hoe zat het met de kleding van je vader?

-Hij had zijn kleding aan, hij had alleen zijn gulp en knoop open en los, toen hij op mij lag.

Hoe duwde je vader je naar achter?

(pag. 45)

-Hij ging met mij zoenen en zo, en toen duwde hij mij naar achter, zodat ik op de grond lag.

Wat is het laatste wat je je van dat moment kan herinneren?

-De pijn die ik voelde.

Waar had je pijn?

-Pijn aan mijn vagina.

Waar kwam dat door?

-Doordat hij in mij ging.

Hoe wist je dat je in jou ging?

-Dat voelde ik toch.

Wat zie jij daarvan?

-Ik zie dat hij op mij ligt en dan voel ik de pijn en dan is het gewoon niks meer.

Want dat moment beschrijf jij als een black-out of flauw vallen.

-Ja.

En wat is het eerste wat je je herinnert op het moment dat je weer bij komt.

-Dat mijn kleren weer aan zijn.

En dat ik papa zie roken.

(pag. 47)

Wat dacht je daarna toen dat was gebeurd?

-ik vroeg me af of het echt gebeurd was, of ik het me niet had ingebeeld, ik wist het niet.

Hoe oud was je toen?

-13 of 14 jaar. Het was gewoon heel raar. En toen dacht ik, misschien is het niet echt gebeurd, zeker omdat mijn vader ook deed alsof het niet gebeurd was.

Waardoor wist je wel zeker dat het gebeurd was?

-Omdat ik die pijn voelde aan mijn vagina.

(pag. 48)

Wanneer heb jij mama allemaal verteld over wat er gebeurde met papa ?

-Toen ik 15 jaar was, heb ik een gesprek gehad met [betrokkene 2] erbij.

En wanneer heb je verteld wat er gebeurd was toen jij je ouders ontbijt op bed bracht?

-Een paar weken nadat het gebeurd was. Dit was voor het gesprek wat ik op mijn vijftiende had, waar ik net over vertelde.

Wie nam het initiatief om dat gesprek te hebben met je ouders en [betrokkene 2] ?

- [betrokkene 2] en haar man. Ik had hen heel veel verteld, want ik ben naar [betrokkene 2] en haar man gegaan.

Daarna hebben [betrokkene 2] en haar man mijn ouders opgebeld en bij hen thuis uitgenodigd om te komen praten. [betrokkene 2] heeft ook de kerk in [...] gebeld.

Hoe is dat gesprek gegaan?

-Ze hebben gewoon mijn ouders gebeld; Ik denk dat [betrokkene 2] dat heeft gedaan. Ik heb ook allemaal dingen voor [betrokkene 2] opgeschreven, wat papa allemaal deed.

Hoe reageerden je ouders toen ze dat hoorden?

-Die vonden het allemaal onzin en overdreven en het was niet zo erg. Wat was niet zo erg?

-Wat papa had gedaan.

Maar zeiden ze dan dat het niet erg was, maar wel gebeurd of dat het helemaal niet gebeurd was?

-Nee dat eerste, ze zeiden wel dat het gebeurd was, maar dat het allemaal overdreven was en niet zo erg.

Dat heb je je ouders dat horen zeggen?

-Ja tegen [betrokkene 2] . Haar man was er ook bij.

Papa zei later op de terugweg het ook nog een keer, dat ik me aanstelde en dat het wel meeviel en dat het daar mee op moest houden.

(pag. 49)

Is er nog iets gebeurd na het gesprek tussen je ouders en [betrokkene 2] en het moment dat je wegliep naar [betrokkene 7] .

-Dat papa aan mij zat. Hij heeft een paar keer de kans gehad om ermee te stoppen, maar dat deed hij niet.

Wat deed hij dan?

-Gewoon aan mij zitten, aan mijn borsten en vagina en tongzoenen. Gewoon het hele verhaal wat ik al zei.

Waar deed hij dat?

-Meestal als hij achter de computer zat of als hij me in mijn bed kwam stoppen. Maar dat wist mama niet hoor, dat papa mij in bed kwam stoppen. Want ze had gezegd dat ik en papa niet meer op een kamer mochten.

Wat deed jij nou die keer, na die eerste keer weglopen en je vader het opnieuw bij je deed?

Ik deed helemaal niks, ik was alleen heel erg bang, dat mijn moeder erachter zou komen, dat ze boos op mij zou worden.

Wat gebeurt er als je moeder boos wordt?

-Niks, dan wordt ze boos. Maar ik wilde niet dat ze boos was, ik wilde dat ze trots op mij was.

Als je vader bij je komt, die keren na het weglopen, wat deed jij dan?

-Ik wachtte tot het voorbij was, en daarna huilde ik mezelf in slaap. Wachten tot het voorbij was.

Hoeveel keer denk jij dat het opnieuw gebeurd is, tussen het weglopen in?

-1 of 2 keer.

(pag. 50)

Laten we het nog hebben over Slot Loevestein. Was dit voor of na de Biesbosch?

- Volgens mij was dit een van de laatste keren, want die herinner ik me nog heel goed. Het was eigenlijk best wel een leuke dag. We gingen naar slot Loevestein fietsen. We gingen het slot buiten natekenen. We gingen ook door het slot Loevestein heenlopen. We gingen toen terug met de pont naar Gorinchem. Daar gingen we een ijsje halen. Toen gingen we ergens zitten achter de bomen op het gras ons ijsje eten. Toen gingen we weer zoenen. Het ergste wat ik hieraan vond is dat ik erna naar huis toe moest en moest doen of het leuk geweest was. Toen was ik er wel volledig bij, ik weet nog dat hij mijn onderbroek uitdeed, dat hij in me ging, dat ik moest huilen, ik lag daar maar te wachten tot het voorbij was. Verder deed hij gewoon of het normaal was. Dus toen ik thuis kwam, moest ik heel lollig doen, dat het leuk was en dat we een ijsje hadden gegeten. Ik wilde niet dat mama boos was. Ik was ook bang dat ze iets aan mij zou kunnen zien. Ik ben ook gelijk gaan douchen toen ik thuis kwam.

Waar is het gebeurd?

-Vanaf Gorinchem ga je over een lang fietspad. Dan kom je op een stuk langs water waar boten liggen. Aan de andere kant van het water is een brug.

En toen?

- Toen zijn we verder gereden en kwamen we bij water en zijn we verder gereden, op een plek waar molens staan en waar ook een benzinepomp staat. Het is in het gras gebeurd in het weiland.

Je vader heeft je onderbroek naar beneden gedaan en hoe zit het met je vader zijn kleding?

- Hij deed net als de vorige keer zijn rits en knoop losmaken.

En toen?

- Hij ging mij zoenen.

En daarna?

- Daarna ging hij in me. En hoorde ik hem zeggen: "je bent van mij, je bent van mij".

Hij ging in je, waarmee?

-Met zijn piemel in mijn vagina. En toen zei hij dat ik van hem was.

En wat deed hij met zijn piemel?

- Hij ging op en neer.

(pag. 54)

Je vertelde over drie keer dat je vader met zijn penis in je vagina is geweest.

De eerste keer dat het gebeurde, was dat vóór of nadat [betrokkene 2] telefonisch met je sprak?

-Nee dat was erna.

Dus na je 12e?

-Ja.

En nu heb je ook verteld dat je vader bij het betasten met zijn vingers in je vagina ging?

Was dat voor of na je 12e jaar?

-Dat weet ik niet zeker. Het zou kunnen dat het erna was. Dat komt dat alles wat gebeurd was voordat [betrokkene 2] mij belde, normaal leek, dus dat onthoud je dan ook niet. Pas wat erna gebeurde, heb ik met angst meegemaakt en dus beter onthouden.

Wat is de volgorde in die drie keer dat je vader met zijn penis in je vagina ging?

-De eerste keer was op bed, de tweede keer was de Biesbosch en de laatste keer bij Slot Loévestein.

Die drie keren zouden, allemaal tussen je 12e en je 15e gebeurd. Dat is een periode van drie jaar. Hoe lang zit er tussen die drie keren in die drie jaren.

-Dat weet ik niet. Ik weet wel dat er tussen al die keren lange tijd gezeten heeft. Verder kan ik het niet in de tijd plaatsen.

4. Het proces-verbaal van verhoor getuige, d.d. 5 november 2013, nummer PL 1850-2013089369-5, opgenomen als pagina 68 tot en met 77 in het voornoemd proces-verbaal, inhoudende als verklaring van [betrokkene 2] (het hof begrijpt: [betrokkene 2] ):

(pag. 68)

-Ik heb contact met [slachtoffer] vanaf haar 12e. Toen heeft haar vader haar zelf bij mij gebracht. Vanuit de pastorale gedachte, was ons doel om [slachtoffer] verder helpen. Niet alleen [slachtoffer] , maar het hele gezin. Het was een gezinskwestie. Ik ben er toen achter gekomen dat er meer speelde met [slachtoffer] en heb ik [slachtoffer] 1x telefonisch doorgevraagd. Ik heb er nu dan ook geen gevoel bij, dat ik tegenover het gezin zou komen te zitten in de rechtbank. Omdat ze zich als gezin bij mij en mijn man hebben gemeld. Dat is op een groot drama uitgelopen. De ouders hebben nooit schuld willen bekennen. Niet tegenover ons, maar ook niet tegenover [slachtoffer] . Ze gaven [slachtoffer] alleen maar de schuld overal van.

(pag. 70)

U kwam in contact met de familie [...] op een conferentie.

-We deden een open conferentie in de kerk waar de familie kwam. We waren uitgenodigd door de kerk.

(…)

Hoe oud was [slachtoffer] toen ze met u in contact kwam?

-Ik geloof een jaar of twaalf.

(…)

Na die eerste conferentie, hoe bleef het contact toen voortgaan tussen u een [slachtoffer] ?

-Zij belde mij. Ik weet dat de eerste ontmoeting met [slachtoffer] en haar vader mij nu nog bij staat.

Ik zie nog [slachtoffer] staan als een zielig hoopje mens, die verlegen naar haar tenen stond te staren. En een vader die er meewarig naast stond. Je kon er geen hoogte van krijgen. Later heb ik pas moeder leren kennen.

Hoe onderhield [slachtoffer] contact met u?

-Telefonisch. En de keer dat wij opnieuw een conferentie ergens deden, dan werd ze gebracht door haar ouders.

(…)

Wat merkte u van lieverlee aan [slachtoffer] , toen u haar meer ging zien of horen?

-Vreselijk teruggetrokken, ongelooflijk angstig, niet uit haar woorden kunnen komen, maar toch constant contact zoeken.

In die beginperiode van ons contact heb ik [slachtoffer] al gevraagd of zij misbruikt was, omdat ik zoiets aanvoelde bij [slachtoffer] . Maar [slachtoffer] kon niet praten, ze zat op slot. In die tijd was ik nog niet zo doortastend dat ik het AMK belde en liet het over aan haar kerk.

(...)

(pag. 71)

Ik heb tussen [slachtoffer] haar 12e en 15e nooit iets ondernomen in de richting van [slachtoffer] , wat betreft het incestgegeven, het initiatief kwam altijd vanuit [slachtoffer] .

Wat merkte u aan [slachtoffer] in de periode tussen haar 12e en 15e?

-De hygiëne van het gezin, ze waren niet schoon, ze zagen er altijd een beetje sjofel uit. En dat vader vrij dominant overkwam.

Hoe manifesteerde zich dat?

-De manier hoe hij [slachtoffer] binnenbracht, gedag zei en weer vertrok.

Want na lieverlee werd [slachtoffer] gebracht en vertrokken de ouders. Dat was zo'n vreemde band tussen ouders en [slachtoffer] . Heel anders dan hoe ik de intieme band normaal zie tussen kinderen en hun ouders. Heel wonderlijk, ik kan het niet omschrijven hoe het ging tussen haar ouders en [slachtoffer] .

Dan komen we aan dat [slachtoffer] op haar 15e bij u aanklopte.

-Wij woonden toen in [plaats] en ze stond ineens bij ons voor de deur. Ze was helemaal in haar eentje uit [plaats] naar ons toe komen reizen. Hevig schokkend en huilend heeft ze me toen heel veel verteld, maar niet alles.

Wat vertelde ze u?

-Vooral dat haar vader seksuele activiteiten pleegde bij haar, maar niet dat hij echt incest bij haar pleegde. Over tongzoenen, dat het buiten gebeurde, over dat zij bij vader in bed lag.

(...) Vader deed ook dingen buiten bij haar.

Ik heb wel doorgevraagd omdat ik wilde weten of haar vader haar ook echt misbruikt had, maar toen zweeg ze. Er kwam niet meer uit dan ik net vertelde. Hoe kwam het dat dat er niet uitkwam?

-Ik denk dat ze toch haar vader in bescherming heeft willen nemen.

Ze wilde echt praten, ze was weggelopen van huis, maar toen zei ze dus niet alles. (...) Maar ik denk dat haar vader haar zo erg geïntimideerd heeft, dat ze zelfs bij mij op de bank niet alles over haar vader heeft verteld.

Wat mij ook opviel, is dat [slachtoffer] zichzelf ook overal altijd de schuld van gaf.

(…)

Wie waren er nog meer bij toen [slachtoffer] u dit vertelde in [plaats] ?

-Er waren geen andere mensen bij.

Heeft u het wellicht ergens opgeschreven?

-Nee. Het was toen geen werk van mij, nu gaat het anders. Het was een privéaangelegenheid.

Hoe ging het daarna verder?

-Toen is ze blijven logeren. In die tijd logeerde ze overigens wel vaker bij ons. Toen [slachtoffer] het verteld had, heb ik mijn man gevraagd wat we nu moesten doen. Mijn man gaf toen aan dat we de voorgangers uit hun eigen kerk gingen bellen. Dit leek ons het meest veilig. Dat gesprek is kennelijk geweest en tot onze grote verbazing werd [slachtoffer] toen door haar ouders bij ons opgehaald. Wij hebben ons daarmee niet willen mengen, omdat we dachten dat de verantwoordelijkheid lag bij de voorgangers. Dat moment heeft mij enorm verbaasd. Ik heb gelet op het oogcontact tussen [slachtoffer] en haar vader. Ik zag in de ogen van [slachtoffer] verliefdheid en angst voor haar vader. Later hoorden we van [slachtoffer] dat haar ouders heel erg boos waren geworden op ons, dat wij het hadden gemeld bij de voorgangers van de kerk.

(pag. 74)

Hoe heeft u [slachtoffer] bevraagd toen ze bij u op de bank zat op haar 15e?

-Ik heb haar hand gepakt onder heftige emoties van [slachtoffer] en ze vertelde mij met horten en stoten. Ik kan me nog wel herinneren dat ik ontzettend verbaasd was dat haar moeder ervan af wist. Ik heb [slachtoffer] toen gevraagd of haar moeder er dan niets aandeed. [slachtoffer] zei van niet.

Waaruit bleek voor u dat de moeder ervan afwist?

-Dat vroeg ik aan [slachtoffer] . En [slachtoffer] bevestigde dat.

We willen het bevragen iets concreter maken. Dat u bijvoorbeeld alles uit [slachtoffer] heeft moeten trekken en [slachtoffer] allen maar ja of nee hoefde te zeggen, of was het een verhaal wat uit zichzelf vertelde.

-Dat zat er tussen in. Ik heb echt haar hand moeten vastpakken en daarna begon ze wel het verhaal tegen mij te vertellen. Aan de hand van haar verhaal, vroeg ik daarop verder. Ik bood haar de veiligheid. Je moet je voorstellen dat ze ineens moederziel alleen bij mij voor de deur stond. Ik heb haar binnengevraagd en we liepen naar de woonkamer. Daar gingen we zitten en pakte ik haar hand en pas toen begon zij te vertellen. Ik heb baar geen vragen gesteld die haar uitnodigden een verhaal te vertellen.

5. Het proces-verbaal van verhoor getuige, d.d. 30 januari 2014, nummer PL1850-2013089369-17, opgenomen als pagina 120 tot en met 126 in het voornoemd proces-verbaal, inhoudende als verklaring van [betrokkene 8] :

(pag. 121)

Ik zal u een naam noemen, de naam [verdachte] zegt u dat wat?

-Ja dat is lang geleden, ik ben inderdaad een keer met een [verdachte] bezig geweest.

Wat zou u ons daarover kunnen vertellen.

-Dat lag wel in die sfeer van een zedenprobleem. En als ik het mij goed herinner, ik ben in de tijd dat ik pastoraal werker was, op welke manier weet ik niet meer, maar toen ben ik gevraagd om met die [verdachte] op te trekken., Dat is heel snel aan de kant geschoven omdat hij totaal niet aanspreekbaar was. Dat ging, als ik het mij goed herinner, om misbruik van zijn dochter.

(pag. 122)

Wat was de aanleiding om met iemand als u in gesprek te gaan voor [verdachte] ?

-Dat hij er min of meer toe gedwongen werd.

Hoe bedoelt u dat?

-Het was op de een of andere manier aanhangig gemaakt. Maar ik weet dat er iets was binnen het gezin, daar was iets duidelijk geworden. Van daaruit kreeg ik de vraag om met hem te praten, want het zat gewoon fout.

Van daaruit heb ik met hem gesprokenen uit dat gesprek bleek dat [verdachte] vond dat hij niets fout gedaan had. Toen heb ik gezegd dat ik dat heb moeten loslaten, want dan heeft het geen zin.

Tegenwoordig wordt er meer aandacht aan besteed. En met de kennis van nu zou ik hebben gezegd, doe aangifte.

Aangifte?

-Ja aangifte tegen [verdachte] .

Het ging om misbruik binnen het gezin door de vader. Dat was het probleem zoals het aangekaart werd.

Waarvan hij dus de veroorzaker was?

Ja.

(pag. 124)

Hoe kan het dat u zich nog wel voor de geest haalt dat [verdachte] niet vond dat hij iets fout had gedaan.

-Hij bagatelliseerde het. Ik herinnerde me dat het wel een moeilijk gesprek was. Er is ter sprake gekomen om wat voor soort misbruik het ging?

-Nee.

Aan de andere kant kunnen we ons voorstellen, dat dit iets meer is blijven hangen.

-Vandaar dat ik mij kan herinneren dat ik daar niet een goede stap in heb kunnen zetten.

Volgens mij lag dat in zijn onwil, maar dat is mijn interpretatie.

(...)

Nu kan je bagatelliseren omdat je iets wordt aangerekend wat je niet hebt gedaan of je bagatelliseert omdat je hetgeen je hebt gedaan niet onder ogen wil komen.

Wat zou het in het geval van [verdachte] geweest zijn in uw optiek?

-Zeker niet omdat hij het niet gedaan zou hebben. Want hij erkende wel dat er iets was gebeurd wat fout was.

(pag. 125)

Het kan ook zijn dat iemand uit schaamte ergens niet over kon praten.

-Nee, schaamte was het juist niet, want dat miste ik juist. Er is juist erkenning geweest dat er iets was gebeurd, maar zeker geen erkenning dat hij het moest veranderen.

Het hangt me bij dat [verdachte] gezegd had, dat hij het niet meer zou doen. Maar het was me toen al duidelijk dat dat niet voldoende was.

Ik kreeg hem dat echter niet aan zijn verstand gepeuterd.

Hoe was de religieuze beleving van [verdachte] ?

-In mijn beleving was hij vroom. Vroom heeft voor mij een negatieve betekenis. Mensen die het mooi kunnen zeggen en een mooie buitenkant hebben, maar waar het niet van binnen zit.

Want bij degene waar het wel van binnen zit wat merkt u daar dan aan?

-Dan is er een vorm van schaamte en de wil om te veranderen. En de erkenning dat je hulp nodig hebt.

En in dit geval?

-Hij had geen hulp nodig. Hij kwam echt puur omdat hij gestuurd werd en hij er niet onderuit kon.

6. Het proces-verbaal van verhoor getuige. d.d. 14 februari 2014, nummer PL1850-2013089369-22, opgenomen als pagina 132 tot en met 138 in het voornoemd proces-verbaal, inhoudende als verklaring van [betrokkene 9] (het hof begrijpt, [betrokkene 9] ):

Hoe bent u met deze familie ( [...] ) in contact gekomen.

-We zaten in een kerkgemeente in [...] . De gemeente naam was [A] . In die gemeente kwam de familie [...] ook.

(…) Wij ontmoeten elkaar dan tijdens de zondagochtend in de kerk. En soms ook op de maandagavond, dan hadden wij bij ons thuis wel eens bijeenkomsten, waar we praatten, baden en plezier hadden.

Over welke tijdsperiode spreken we dan?

-Qua data weet ik het niet precies. Maar we hebben het over ongeveer 18 a 19 jaar geleden.

Ons contact is verbroken ongeveer .... dat is lastig te zeggen. We zijn in 2000 naar het buitenland vertrokken. 2 jaar ervoor zijn wij de [A] gemeente uitgegaan. En daarvoor liep het hulpverleningstraject voor de familie [...] al een jaar. En daarvoor drie a vier jaar, kregen wij contact met de familie [...] . Dus dit is ongeveer teruggerekend 1994.

(pag. 133)

Ik meen mij te herinneren dat ik de situatie opengegooid heb 1 ergens in februari 997.

Welke situatie?

-Wat er bij de familie [...] gaande was.

(...)

Hoe kent u [slachtoffer] uit die tijd?

-Als ik dat probeer terug te halen, moet ik denken aan een heel zacht lief meisje. Wel heel teruggetrokken en waarvan mijn vrouw en ik dachten: "wat is er?". Ook omdat ze er niet lekker uitzag in haar gezicht. Veel krabplekjes in haar gezicht. Dat zie je weleens met mensen die heel nerveus zijn, die dan constant zitten te krabben in hun gezicht. Dat krabben hebben wij niet daadwerkelijk gezien, maar het schichtig zijn, zo teruggetrokken, gaf mijn vrouw en mij het idee, wat is er aan de hand.

(...)

Was u de enige die dat opviel dat er iets met [slachtoffer] was?

-Dat weet ik niet, wij hebben daar met niemand anders over gesproken. Er zou misschien een persoon zijn, die dat zou kunnen weten. Dat was indertijd een goede vriend van ons. Dat is [betrokkene 10] , die woont in [plaats] , die zou dat misschien ook opgemerkt kunnen hebben.

(pag. 134)

In de situatie met [slachtoffer] hebben wij gedacht of er iets in haar jonge leven zou zijn gebeurd. Ik weet dat uit eigen ervaring, dat sommige dingen zo ingrijpend kunnen zijn, een heel leven kunnen verwoesten, dat je daar heel voorzichtig mee omgaat. Dus concreet had ik daar bij [slachtoffer] geen beeld bij. Het kan zijn dat wij weleens gedacht hebben over incest, maar niet dat wij daar een visje over uit gingen gooien. We lieten het zo.

(...)

Er schiet me nu ook te binnen dat [slachtoffer] zichzelf sneed. Waardoor bij mij de gedachte bevestigd werd, dat er iets was gebeurd met haar, dat zij erg met zichzelf in de knoop zat.

Jullie hebben gekeken naar hoe dat zich heeft ontwikkeld. Is dat op een moment veranderd?

-Jazeker, dat is in het voorjaar, denk ik mij te herinneren. Ergens in februari. Toen is er bij [slachtoffer] iets naar boven gekomen op zo'n maandagavondbijeenkomst bij ons thuis. (...) Als ik me goed herinner, brak [slachtoffer] . Ik zag dat ze begon te huilen.

(pag. 135)

En daaruit kwam dan die incestconclusie?

-Ja want dat heeft ze op één avond verteld. Dat kwam toen naar boven. We hebben toen ook gezegd, omdat ze zich ook sneed, zich terugtrok en niet lekker in haar vel zat en wij het idee hadden dat het kon uitmonden in bijvoorbeeld zelfmoord, dat we het moesten opengooien richting haar ouders.

Hoe oud is [slachtoffer] dan?

- (...) Dus ik reken nu uit dat ze toen ongeveer 13 jaar was.

Ze zat geloof ik net op de middelbare school, het eerste jaar, als ik me goed herinner.

Hoe hebben jullie het open gegooid. Jij en je vrouw wisten het. Hoe ging dat verder?

-Ik heb [verdachte] gebeld en gezegd dat ik met hem wilde praten, omdat er iets gebeurd was. En dat ik dat met hem wilde bespreken. [verdachte] (het hof: de verdachte) en [betrokkene 1] , maar dat weet ik niet helemaal meer zeker, zijn toen bij ons geweest. Mijn vrouw en ik hebben verteld wat er op die maandagavond gebeurd was; En de bedoeling van ons gesprek was, dat er hulp bij hen moest komen. Niet om het in openbaarheid te brengen. We voelden dat er in dat gezin hulp moest komen. Het gevoel was dat er iets was. Zeker nu we wisten dat het om incest ging.

Hoe is dat gesprek gegaan?

-Ik herinner mij dat het heel relaxed was. Dat heeft er mee te maken dat je als christenbroeders, als vrienden bij elkaar zat. De insteek was niet de veroordeling, maar hulp.

Er kwam geen boze reactie van [verdachte] .

Wat is er concreet benoemd?

-Ik weet niet beter als dat wij het woord incest naar [verdachte] genoemd hebben. En misbruik, maar niet hoe en hoe vaak, want dat was bij ons niet bekend. We hebben dat probleem echt benoemd. Het was voor ons namelijk duidelijk. We moesten dit voor [slachtoffer] doen, we konden het niet op zijn beloop laten.

Hoe reageerde [verdachte] op wat jullie zeiden?

-Eigenlijk een reactie van niet ontkennen, laat ik het zo stellen, maar meer van verzachten van. Zo van: ”o ja, ik ben me niet bewust dat dat zo'n impact in haar leven heeft of heeft gehad”.

Waardoor wij weer gingen twijfelen of er dan wel sprake was geweest van incest. Toen lag er nog een heel groot taboe op dat verhaal.

Jullie ging twijfelen?

.- Ja door de reactie van [verdachte] , die het een beetje ging vergoelijken, dat het zo erg niet was.

7. Het proces-verbaal van verhoor getuige, d.d. 25 februari 2014. nummer PL1850-2013089369-24. opgenomen als pagina 139 tot en met 145 in het voornoemd proces verbaal, inhoudende als verklaring van [betrokkene 10] :

(pag. 140)

-Ik ken [verdachte] al jaren. Ik weet dat ze in [plaats] woonden, hij was getrouwd met [betrokkene 1] en ze hadden twee kinderen, een meisje en een jongen. In die tijd was er al sprake dat hij op het gebied van de zeden niet helemaal correct was naar de dochter toe.

Weet u de naam van die dochter?

-Nee, zij was toen ongeveer 14 jaar oud.

(...)

-Ik denk dat dat toen via kennissen naar buiten is gekomen.

Welke?

-Ik denk via [betrokkene 9] en [betrokkene 11] uit [plaats] .

(...)

Ik ben toen bij [verdachte] en [betrokkene 1] geweest. Ik zat in die tijd in het pastorale circuit. Ik heb daar een stukje hulp geboden en toen zijn ze naar [A] gegaan.

[verdachte] was heel blij met mijn komst en met mijn hulp. Het was nogal een teer punt om te bespreken, dat leg je niet bij iedereen neer.

Het was een duidelijk verhaal, dat hij daarmee moest stoppen en wel per direct..

Wat gaf [verdachte] zelf dan over aan?

-Volgens mij heeft hij min of meer aangegeven, ja een soort verleiding, te ver laten gaan, dat hij zelf over de grens was gegaan. Maar voor zijn gevoel was hij te ver gegaan.

(pag. 141)

U heeft het erover dat [verdachte] min of meer dingen heeft aangegeven, zoals te ver laten gaan, over een grens heen gaan, Maar hoe gaf hij dat aan? Ik hoorde hem zeggen: "mijn dochter lag in bed, en daar was ik speels mee en zodoende ben ik te ver gegaan." "Zo'n kind komt dan ook bij je liggen in bed en daar begint het mee". En daar zag je al de vervaging.

Over wat voor seksueel gedrag dan wel?

-Strelen, dat was het eigenlijk.

Vertelde hij dan ook waar hij zijn dochter had gestreeld.

-Ja ik hoorde hem zeggen: "Ik streelde haar op plaatsen waar ik het niet had moeten doen" en dan gaf hij ook wel aan dat hij stom was geweest.

8. Het proces-verbaal van verhoor getuige bij de raadsheer-commissaris, d.d. 2 mei 2017, inhoudende als verklaring van [betrokkene 8] :

U vraagt mij of ik [verdachte] ken. Ik heb hem 1 of misschien 2 keer ontmoet. Ik was destijds pastoraal werker. In het kader daarvan ontmoette ik hem. Het initiatief ging van mij uit. Ik kreeg het verzoek om een gesprek met hem te hebben in verband met dat hij zich vergrepen zou hebben aan zijn dochter. Dat verzoek kreeg ik van ... de getuige zoekt de naam op in zijn telefoon [betrokkene 2] . (...) Ik weet dat er, zeg maar, een verkeerd contact was geweest. U vraagt mij of ik dat concreet kan maken. Dat het in het seksuele vlak lag. (...) U vraagt mij of ik mij kan herinneren of het gesprek een inventariserend karakter had of dat het wel vast stond. Het was wel duidelijk. U vraagt hoe dat komt. Voor zover ik weet heeft hij dat niet ontkend. Of hij het echt toegegeven heeft, durf ik niet meer te zeggen maar hij heeft het zeker niet ontkend.

9. Het proces-verbaal van verhoor getuige bij de raadsheer-commissaris, d.d. 2 mei 2017, inhoudende als verklaring van [betrokkene 9] :

(...) Zij (hof: [slachtoffer] ) kwam op een gegeven moment bij ons en vertelde dat er dingen thuis gebeurden die zij niet fijn vond. Zij vertelde ons geen details. U vraagt wat voor dingen dat waren. Zij vertelde dat dat dingen waren die te maken hadden met seksuele intimiteit.

U vraagt mij of ik bij de politie alles naar waarheid en voor zover ik wist, heb verteld. Ja.

10. Het proces-verbaal van verhoor getuige bij de raadsheer-commissaris, d.d. 2 mei 2017, inhoudende als verklaring van [betrokkene 10] :

U vraagt of ik [verdachte] ken. Ja, lang geleden. Ik kende hem vanuit de kerk. (...) U vraagt, of dat op iemands verzoek was dat ik bij [verdachte] ben gaan praten. Je hoort wel eens wat en dan bel je iemand op om te praten. Dat is helemaal vrijblijvend. U vraagt wat ik gehoord had, wat de aanleiding was om hem te bellen. Ik hoorde later dat er iets met zijn dochter gebeurd was via gemeenteleden, maar op dat moment wist ik nergens van. (...) U houdt mij een deel uit mijn verklaring (p. 140) . Ik wist niet wat de aanleiding van dat gesprek was. Dat, is al zo lang geleden. U vraagt waar [verdachte] per direct mee moest stoppen. Als het het geval is dat je als vader aan je dochter komt moet je daar onmiddellijk mee stoppen. (...) U vraagt of ik mij heb voorbereid. Ik heb nagedacht over wat ik mij nog kon herinneren en dat was weinig. Ik wist nog dat ik gehoord ben door de politie in Sliedrecht. U vraagt of ik toen de waarheid heb verklaard en alles heb gezegd wat ik nog wist. Ja.”

6. Daarnaast bevat het arrest, voor zover voor de bespreking van de middelen van belang, de volgende (bewijs)overwegingen:

“Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman - overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnota - vrijspraak bepleit van het onder 1 ten laste gelegde.

De raadsman heeft hiertoe primair betoogd dat de verdediging – ondanks herhaaldelijke verzoeken daartoe – niet in de gelegenheid is gesteld om de aangeefster te ondervragen en dat er onvoldoende compensatie is geboden voor het ontbreken van deze ondervragingsgelegenheid. Zo hadden audiovisuele opnamen van de politieverklaringen van [slachtoffer] kunnen worden gemaakt, nu dit gebruikelijk is in dit soort zaken. Aldus zou sprake zijn van een schending van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) hetgeen ertoe zou moeten leiden dat de verklaringen van de aangeefster worden uitgesloten van het bewijs.

De verdediging heeft subsidiair betoogd dat de verklaringen van de aangeefster moeten worden uitgesloten van het bewijs omdat deze onbetrouwbaar zijn. In dat kader wordt gewezen op de omstandigheid dat er een lange tijd heeft gezeten tussen de vermeende feiten en de aangifte, op de gebeurtenissen in het leven van de aangeefster, op de bij haar vastgestelde geestelijke stoornissen die invloed kunnen hebben gehad op het herinneringsvermogen van de aangeefster en op de wisselende verklaringen van de aangeefster.

Meer subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het ten laste gelegde. Naast de verklaringen van de aangeefster zijn er slechts verklaringen 'van horen zeggen', waarbij de aangeefster de enige bron is.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het ondervragingsrecht van de verdediging

Het verzoek tot het horen van de aangeefster is door de rechtbank meerdere malen afgewezen, omdat er een gegrond vermoeden bestond dat de gezondheid en het welzijn van de aangeefster, door het afleggen van een verklaring ter terechtzitting dan wel bij de rechter-commissaris, in gevaar werd gebracht en het voorkomen van dat gevaar zwaarder heeft gewogen dan het belang om de aangeefster te ondervragen. De rechtbank heeft daarbij acht geslagen op de rapportages betreffende de medische gegevens van de aangeefster, te weten de FARR medische informatie d.d. 17 februari 2014, opgenomen in het dossier op p. 154 en de crisis- en voortgangsverslagen zoals weergegeven op p. 156 tot en met 170 van het dossier, de gegevens omtrent de gezondheidssituatie van de aangeefster zoals die blijken uit het aanvullend verhoor van de aangeefster op 20 maart 2014 en de brief van Yulius GGZ d.d. 15 april 2016 over de toenmalige psychische gesteldheid van de aangeefster.

Het hof overweegt dat de situatie thans in de kern niet anders is, gelet op recentere informatie over de psychische situatie van de aangeefster, zoals naar voren is gekomen uit het oriënterend psychiatrisch onderzoek door Th.J.G. Bakker d.d. 18 mei 2017 bij de aangeefster thuis. In het door deze psychiater opgemaakte rapport concludeert de psychiater dat het horen van de aangeefster op dat moment op geen enkele wijze mogelijk was, aangezien het risico op ernstige ontregeling, mogelijk zelfs leidend tot een psychiatrische heropname, te groot was. Voorts neemt het hof in aanmerking de verklaring van verpleegkundig specialist [betrokkene 12] van Yulius GGZ d.d. 20 november 2017 waaruit blijkt dat er sprake is van een verergering van de klachten en van een klinische behandeling. Tevens heeft de echtgenoot van de aangeefster ter terechtzitting in hoger beroep, aangegeven dat het helemaal niet goed gaat met de aangeefster.

Het verzoek tot het horen van de aangeefster dient derhalve te worden afgewezen omdat er een gegrond vermoeden bestaat dat de gezondheid en het welzijn van de aangeefster, door het afleggen van een verklaring, ter terechtzitting of bij de raadsheer-commissaris of anderszins, in gevaar wordt gebracht en het voorkomen van dat gevaar zwaarder moet wegen dan het belang de aangeefster te ondervragen.

Het gevolg van deze beslissing is dat de verdediging niet in de gelegenheid is geweest gebruik te maken van haar in artikel 6, eerste en derde lid, aanhef en onder d, EVRM neergelegde ondervragingsrecht.

Het hof is echter met de rechtbank van oordeel dat deze omstandigheid voldoende is gecompenseerd. Allereerst is de verdediging in de gelegenheid geweest om kennis te nemen van de audio-opnamen van het zogenoemde informatief gesprek zeden d.d. 4 oktober 2013 en de daarop volgende politieverhoren van de aangeefster. Het ware - gelet op de Aanwijzing auditief en audiovisueel registreren van verhoren van aangevers, getuigen en verdachten zoals deze gold ten tijde van het afgenomen verhoor - ook met het oog op compensatie beter geweest indien de verhoren niet alleen auditief maar ook audiovisueel zouden zijn vastgelegd, dat neemt echter niet weg dat de auditieve registraties zoals deze wel beschikbaar zijn, bijdragen aan de geboden compensatie.

Een tweede vorm van compensatie betreft het onderzoek dat is verricht door dr. G. Wolters, cognitief psycholoog (hierna: Wolters), die door de rechter-commissaris is benoemd. Wolters heeft voor zijn

(betrouwbaarheids-)onderzoek onder meer voornoemde audioregistraties bestudeerd (zie hierna).

(…)

Wolters is een internationaal erkend expert op het gebied van het menselijk geheugen. Hij heeft op grond van de hem ter beschikking gestelde stukken en audioregistraties in deze zaak vragen van de raadsman en de officier van justitie beantwoord bij rapport van 5 augustus 2015. Dit betreft een zogeheten betrouwbaarheidsonderzoek. De verdediging heeft Wolters vervolgens nog kunnen bevragen bij de rechter-commissaris.

Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat de verdediging de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster voldoende heeft kunnen toetsen. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Voor zover de raadsman van de verdachte de deskundigheid van Wolters nog heeft betwist omdat hij zich buiten zijn deskundigheidsgebied heeft uitgelaten over de invloed van medicatie en bij de aangeefster gediagnosticeerde stoornissen op haar verklaring, overweegt het hof het volgende. Het is juist dat Wolters geen expert is op het gebied van de farmacologie of de psychiatrie. Hij heeft echter zowel in het door hem opgestelde rapport als bij de rechter-commissaris verklaard zichzelf voldoende geïnformeerd te achten om de vragen met betrekking tot de mogelijke invloed van de gediagnosticeerde stoornissen en voorgeschreven medicatie op de verklaringen van de aangeefster te kunnen beantwoorden. Hiertoe overweegt Wolters psychiatrische, klinisch psychologische en farmacologische bronnen te hebben geraadpleegd. Daarnaast heeft Wolters de methode van onderzoek in zijn rapport nader toegelicht en afdoende verantwoord. Het hof heeft dan ook geen aanleiding gevonden om hem op de door de verdediging betwiste onderdelen niet deskundig te achten. Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen de wijze waarop Wolters zich heeft verdiept op de terreinen waar niet zijn primaire expertise ligt. Voorts is er geen enkele grond voor het oordeel dat - zoals door de raadsman nog is gesteld - "het onderzoek van Wolters is gebaseerd op gedateerde, onvolledige en onvoldoende objectieve medische informatie." Het verweer wordt verworpen.

Uitsluiting verklaringen wegens onbetrouwbaarheid?

Zoals hiervoor is benoemd, heeft de verdediging subsidiair betoogd dat de verklaringen van de aangeefster moeten worden uitgesloten van het bewijs omdat deze onbetrouwbaar zijn. In dat kader is verwezen naar de omstandigheid dat er een lange tijd heeft gezeten tussen de vermeende feiten en de aangifte, naar de gebeurtenissen in het leven van de aangeefster en naar haar psychische problemen die invloed kunnen hebben gehad op het herinneringsvermogen van de aangeefster. De verdediging heeft in dit verband ook gesteld dat er sprake is van wisselende verklaringen van de aangeefster.

Anders dan door de verdediging is gesteld, ziet het hof geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster. Het hof overweegt daartoe als Volgt.

Naar het oordeel van het hof zijn de verklaringen van de aangeefster, die zij heeft afgelegd ten overstaan van de politie, consistent. Bovendien vinden deze verklaringen, zoals hieronder wordt besproken, steun in verklaringen die zijn afgelegd door diverse getuigen.

Het hof neemt daarbij mede in aanmerking hetgeen door Wolters met betrekking tot de betrouwbaarheid van die verklaringen is gerapporteerd. Het hof is van oordeel dat de conclusies van Wolters gedragen worden door zijn bevindingen en neemt die conclusies over. Wolters heeft een onderscheid gemaakt tussen seksuele handelingen zoals tongzoenen, vingeren en betasten van borsten en vagina, enerzijds en de seksuele gemeenschap met haar vader waarover ze later heeft verklaard, anderzijds. Hij acht de verklaringen van de aangeefster ten aanzien van de eerstgenoemde handelingen in hoge mate betrouwbaar en neemt daarbij in aanmerking dat de verklaringen van de aangeefster zeer consistent zijn, dat de uitspraken in de verklaringen door meerdere getuigen worden bevestigd en dat de uitspraken al werden geuit voordat sprake was van psychische stoornissen. Wolters acht de verklaringen van de aangeefster ten aanzien van de gestelde geslachtsgemeenschap voorts in aanzienlijke mate betrouwbaar en betrekt daarbij de gedetailleerdheid van de verklaringen van de aangeefster en de omstandigheid dat de aangeefster haar gemoedstoestand ten tijde van de incidenten kan aangeven. Wolters sluit niet uit dat de combinatie van de bij de aangeefster gediagnosticeerde stoornissen en de na 2005 aan haar voorgeschreven medicatie tot gefantaseerde of zelf gesuggereerde deelverklaringen heeft kunnen leiden maar hij acht de kans hierop klein. De omstandigheid dat de aangeefster eerst zoveel jaar na het gestelde misbruik aangifte heeft gedaan, is volgens Wolters van geen enkele betekenis met betrekking tot de betrouwbaarheid van haar verklaringen. Het hof overweegt nog dat de aangeefster al op het moment dat het misbruik speelde, personen in haar directe omgeving heeft geïnformeerd over eerstgenoemde handelingen. Voorts acht het hof het zonder meer begrijpelijk dat de aangeefster de meest vergaande vorm van het aan de verdachte verweten seksueel misbruik, de geslachtsgemeenschap, pas in 2015 heeft genoemd, heeft durven noemen. Het hof heeft geen reden aan haar verklaring te twijfelen. Het hof heeft ook geen aanknopingspunt in het dossier aangetroffen dat dit onderdeel van misbruik niet heeft plaatsgevonden. Als van belang voor de betrouwbaarheid wijst het hof op de gedetailleerde manier waarop de aangeefster heeft verteld hoe zij zich voelde op deze momenten zoals, ik voelde pijn toen hij met zijn piemel in mij ging, ik voelde pijn en mijn vader riep: "je bent van mij, je bent van mij", dat zij lag te wachten tot het voorbij was, alsmede dat het drie keer is gebeurd, waarbij zij een chronologische en feitelijke beschrijving geeft van wat er gebeurd is.

Het verweer wordt derhalve verworpen.

Steunbewijs

De aangeefster heeft in oktober 2005 (zij was toen 21 jaar oud) een intake-gesprek gevoerd bij de politie waarin zij heeft verteld dat zij tussen haar 12e en 15e jaar is misbruikt door haar vader. Gedurende de periode van het misbruik heeft zij er al met derden over gesproken. In oktober 2013 heeft zij bij de politie een informatief zeden-gesprek gevoerd en heeft zij aansluitend in diezelfde maand aangifte gedaan en een verklaring afgelegd betreffende seksueel misbruik gepleegd door haar vader. De verdachte zou in een lange periode, waarvan het zwaartepunt lag tussen het twaalfde en zestiende levensjaar van de aangeefster, op de ouderlijke slaapkamer en op de slaapkamer van de aangeefster, maar ook op verschillende plaatsen buitenshuis, de aangeefster meermalen hebben gevingerd, haar borsten en vagina hebben betast en haar vagina hebben gekust en gelikt. Daarnaast zou er drie keer sprake zijn geweest van geslachtsgemeenschap.

Het dossier bevat verklaringen van diverse personen die het verhaal van de aangeefster ondersteunen, met niet alleen de aangeefster als bron maar ook de verdachte zelf als bron.

De getuigen [betrokkene 2] (destijds [betrokkene 2] genaamd) en [betrokkene 9] hebben van de aangeefster over het misbruik gehoord. Zo volgt uit de politieverklaring van [betrokkene 2] dat de aangeefster op haar 15e jaar naar het huis van de getuige is gekomen en daar op eigen initiatief heeft verteld dat zij seksueel werd misbruikt door haar vader. Daarnaast volgt uit diverse getuigenverklaringen die zijn afgelegd bij de politie, dat verschillende personen uit de kerkgemeenschap waartoe de verdachte behoorde, toentertijd met hem hebben gesproken over het 'grensoverschrijdende gedrag' van de verdachte ten aanzien van zijn dochter. Getuige [betrokkene 8] heeft verklaard dat hij als pastoraal hulpverlener gesprekken heeft gehad met de verdachte vanwege een situatie van misbruik binnen het gezin. De verdachte zou in die gesprekken zijn gedrag hebben gebagatelliseerd, waarbij hij wel zou hebben erkend dat er iets was gebeurd dat fout was. Volgens de verklaring van getuige [betrokkene 9] heeft de aangeefster op enig moment gesproken over een incestsituatie en heeft getuige [betrokkene 9] naar aanleiding daarvan een gesprek met de verdachte gehad. De verdachte zou in dat gesprek hebben gezegd dat hij zich niet had gerealiseerd dat het zo'n impact op het leven van de aangeefster had en zou zijn gedrag min of meer hebben vergoelijkt. Getuige [betrokkene 10] heeft verklaard dat hij een gesprek met de verdachte heeft gehad en dat de verdachte heeft gezegd dat hij te ver was gegaan en dat hij zijn dochter had gestreeld op plaatsen waar dat niet had gemoeten alsmede dat zijn dochter in bed lag, dat hij daar speels mee was en dat hij zodoende te ver is gegaan. Voorts is er nadien door de getuigen [betrokkene 8] , [betrokkene 9] en [betrokkene 10] een verklaring afgelegd bij de raadsheer-commissaris. De getuigenverhoren hebben ruim drie jaar na de afgelegde politieverklaringen plaatsgevonden. De herinnering van de getuigen blijkt vervaagd, zij kunnen zich niet alle onderdelen van hun eerdere verklaring meer herinneren. Wel herhalen zij contact met verdachte te hebben gehad naar aanleiding van ongepast seksueel gedrag tussen de verdachte en de aangeefster. Daarnaast verklaart getuige [betrokkene 9] hierover ook contact te hebben gehad met de aangeefster zelf. Getuige [betrokkene 8] weet nog dat hij met de verdachte ging praten vanwege verkeerd contact met zijn dochter op het seksuele vlak, maar details daarvan kent hij niet dan wel herinnert hij zich niet meer. Hij weet echter wel dat de verdachte het zeker niet heeft ontkend. Getuige [betrokkene 9] verklaart dat de aangeefster heeft verteld dat er thuis dingen gebeurden die zij niet fijn vond, dingen die te maken hadden met seksuele intimiteit. Details heeft zij niet verteld. Getuige [betrokkene 9] verklaart verder bij de raadsheer-commissaris dat hij bij de politie alles naar waarheid en voor zover hij nog wist heeft verteld. Getuige [betrokkene 10] herinnert zich tijdens het verhoor door de raadsheer-commissaris nauwelijks nog iets. Wel verklaart hij dat hij destijds bij de politie naar waarheid heeft verklaard en alles heeft gezegd wat hij nog wist. Geconfronteerd met zijn verklaring bij de politie over specifieke uitlatingen van de verdachte, herinnert hij zich dat niet meer. Gevraagd naar waar de verdachte per direct mee moest stoppen verklaart hij 'Als het het geval is dat je als vader aan je dochter komt, moet je daar onmiddellijk mee stoppen.' De verklaringen van de getuigen [betrokkene 8] , [betrokkene 10] en [betrokkene 9] , zoals afgelegd bij de raadsheer-commissaris, doen naar het oordeel van het hof geen afbreuk aan de betrouwbaarheid van de politieverklaringen. De getuigen komen niet op essentiële punten terug op hun eerder afgelegde verklaring. Ook deze politieverklaringen en verklaringen afgelegd bij de raadsheer-commissaris ondersteunen derhalve de aangifte.

Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat er voldoende steunbewijs is voor de verklaringen van de aangeefster. Het hof stelt in dit verband vast dat, anders dan gesteld door de raadsman van de verdachte, voornoemde getuigenverklaringen niet uit één bron, te weten de aangeefster, afkomstig zijn maar dat er getuigen zijn die (ook) verklaren over wat zij van de verdachte zelf over seksueel misbruik hebben gehoord.

Het verweer van de verdediging wordt verworpen.”

7. Het eerste middel klaagt dat art. 6 EVRM is geschonden, doordat het hof verklaringen van de aangeefster voor het bewijs heeft gebezigd, terwijl de verdachte haar in geen enkel stadium van het geding heeft kunnen (doen) ondervragen, daarvoor geen goede reden was en hem dienaangaande onvoldoende compenserende maatregelen zijn geboden dan wel compenserende factoren aanwezig waren om die handicap te overkomen.

8. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat de verdediging op grond van art. 6, derde lid, aanhef en onder d, EVRM aanspraak heeft op een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om getuigen in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen. Indien die mogelijkheid voor de verdediging niet heeft bestaan, dan kan het gebruik van een door die getuige afgelegde verklaring in strijd komen met art. 6 EVRM. De uitspraak van het EHRM in de zaak Schatschaschwili tegen Duitsland1 houdt daarover, voor zover hier van belang, het volgende in:

“101. The Court's primary concern under Article 6 § 1 is to evaluate the overall fairness of the criminal proceedings (…). In making this assessment the Court will look at the proceedings as a whole, including the way in which the evidence was obtained, having regard to the rights of the defence but also to the interest of the public and the victims in seeing crime properly prosecuted (…) and, where necessary, to the rights of witnesses (…).

(...)

105. (...) the use as evidence of statements obtained at the stage of a police inquiry and judicial investigation is not in itself inconsistent with Article 6 §§ 1 and 3 (d), provided that the rights of the defence have been respected. As a rule, these rights require that the defendant be given an adequate and proper opportunity to challenge and question a witness against him — either when that witness is making his statements or at a later stage of the proceedings (…).

(...)

107. According to the principles developed in the Al-Khawaja and Tahery judgment, it is necessary to examine in three steps the compatibility with Article 6 §§ 1 and 3 (d) of the Convention of proceedings in which statements made by a witness who had not been present and questioned at the trial were used as evidence (ibid., § 152). The Court must examine

(i) whether there was a good reason for the non-attendance of the witness and, consequently, for the admission of the absent witness's untested statements as evidence (ibid., §§ 119-25);

(ii) whether the evidence of the absent witness was the sole or decisive basis for the defendant's conviction (ibid., §§ 119 and 126-47); and

(iii) whether there were sufficient counterbalancing factors, including strong procedural safeguards, to compensate for the handicaps caused to the defence as a result of the admission of the untested evidence and to ensure that the trial, judged as a whole, was fair (ibid., § 147).

(...)

118. (...) it will, as a rule, be pertinent to examine the three steps of the Al-Khawaja-test in the order defined in that judgment (see paragraph 107 above). However, all three steps of the test are interrelated and, taken together, serve to establish whether the criminal proceedings at issue have, as a whole, been fair. (...)

(c) Principles relating to each of the three steps of the Al-Khawaja and Tahery test

(i) Whether there was a good reason for the non-attendance of a witness at the trial

119. Good reason for the absence of a witness must exist from the trial court’s perspective, that is, the court must have had good factual or legal grounds not to secure the witness’s attendance at the trial. If there was a good reason for the witness’s non-attendance in that sense, it follows that there was a good reason, or justification, for the trial court to admit the untested statements of the absent witness as evidence. There are a number of reasons why a witness may not attend a trial, such as (…) absence on health grounds (…) (…).

(…)

(iii) Whether there were sufficient counterbalancing factors to compensate for the handicaps under which the defence laboured

125. As to the question whether there were sufficient counterbalancing factors to compensate for the handicaps under which the defence laboured as a result of the admission of untested witness evidence at the trial (third step of the Al-Khawaja and Tahery test), the Court reiterates that these counterbalancing factors must permit a fair and proper assessment of the reliability of that evidence (…).

126. The fact that the domestic courts approached the untested evidence of an absent witness with caution has been considered by the Court to be an important safeguard (…). The courts must have shown that they were aware that the statements of the absent witness carried less weight (…). The Court has taken into account, in that context, whether the domestic courts provided detailed reasoning as to why they considered that evidence to be reliable, while having regard also to the other evidence available (…). (…)

127. An additional safeguard in that context may be to show, at the trial hearing, a video-recording of the absent witness’s questioning at the investigation stage in order to allow the court, prosecution and defence to observe the witness’s demeanour under questioning and to form their own impression of his or her reliability (…).

128. A further considerable safeguard is the availability at the trial of corroborative evidence supporting the untested witness statement (…). Such evidence may comprise, inter alia, statements made at the trial by persons to whom the absent witness reported the events immediately after their occurrence (…), (…) or expert opinions on a victim’s injuries or credibility (…). (…)

(…)

131. The defendant must further be afforded the opportunity to give his own version of the events and to cast doubt on the credibility of the absent witness, pointing out any incoherence or inconsistency with the statements of other witnesses (…). Where the identity of the witness is known to the defence, the latter is able to identify and investigate any motives the witness may have for lying, and can therefore contest effectively the witness’s credibility, albeit to a lesser extent than in a direct confrontation (…).”

9. In zijn arrest van 4 juli 20172 heeft de Hoge Raad onder meer aan de hand van de uitspraak van het EHRM in de zaak Schatschaschwili tegen Duitsland het volgende overwogen:

“3.2.1. Een door enig persoon in verband met een strafzaak afgelegde en de verdachte belastende of ontlastende verklaring, zoals die onder meer kan zijn vervat in een ambtsedig proces-verbaal, wordt ingevolge de autonome betekenis welke toekomt aan de term 'witnesses/témoins' in art. 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM, in het perspectief van het EVRM aangemerkt als verklaring van een getuige als aldaar bedoeld. Op grond van die verdragsbepaling heeft de verdediging aanspraak op een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om getuigen in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen. De omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid, staat niet eraan in de weg dat een door een getuige afgelegde verklaring voor het bewijs wordt gebezigd, mits is voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, in het bijzonder doordat de bewezenverklaring niet in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd dan wel — indien de bewezenverklaring wel in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd — het ontbreken van een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om de desbetreffende getuige te ondervragen in voldoende mate wordt gecompenseerd.

3.2.2. Voor de beantwoording van de vraag of de bewezenverklaring in beslissende mate steunt op de verklaring van — kort gezegd — een, ondanks het nodige initiatief daartoe, niet door de verdediging ondervraagde getuige, is van belang in hoeverre die verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen. Het benodigde steunbewijs moet betrekking hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist. Of dat steunbewijs aanwezig is, wordt mede bepaald door het gewicht van de verklaring van deze getuige in het licht van de bewijsvoering als geheel.

3.2.3. Voor de in cassatie aan te leggen toets of de bewijsvoering voldoet aan het hiervoor overwogene, kan van belang zijn of de feitenrechter zijn oordeel hieromtrent nader heeft gemotiveerd. In het algemeen geldt dat voor de beoordeling van de vraag of het benodigde steunbewijs aanwezig is, niet kan worden volstaan met een op de betrouwbaarheid van de verklaring van de desbetreffende getuige toegesneden overweging.”

10. In de onderhavige zaak zijn ten overstaan van de politie afgelegde belastende verklaringen van de aangeefster door het hof voor het bewijs gebruikt, terwijl de verdediging de aangeefster in geen enkel stadium van de procedure als getuige heeft kunnen horen. Het verzoek van de verdediging om de aangeefster te horen is zowel in eerste aanleg als in hoger beroep afgewezen op de grond dat het gegronde vermoeden bestond dat de gezondheid of het welzijn van de getuige door het afleggen van een verklaring in gevaar wordt gebracht en het voorkomen van dit gevaar zwaarder weegt dan het belang om de getuige ter terechtzitting te kunnen ondervragen.

11. Aan de klacht dat als gevolg hiervan verdachtes recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM is geschonden, is allereerst ten grondslag gelegd dat er geen goede reden was om de aangeefster niet te horen. Zo zou niet zijn onderzocht of en eventueel op welke termijn de aangeefster in een voor haar vriendelijke verhoorsituatie zou kunnen worden ondervraagd door gespecialiseerde verhoorders, blijkt niet dat het hof heeft overwogen de zaak aan te houden om te bezien of de aangeefster in een later stadium wel zou kunnen worden ondervraagd door de verdediging en heeft het hof geen deskundigen over de toestand van de aangeefster aangesteld of gehoord ter zitting. Daarmee is het hof, aldus de steller van het middel, te passief geweest om ervoor zorg te dragen dat het ondervragingsrecht van de verdachte op enigerlei wijze binnen afzienbare tijd kon worden gewaarborgd.

12. In dat kader stel ik vast dat het hof blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 januari 2017 de zaak op die zitting heeft verwezen naar de raadsheer-commissaris ter benoeming van een door het NFIP aan te wijzen deskundige opdat deze de volgende vraag zou beantwoorden: “Is aangeefster [slachtoffer] in staat te worden gehoord als getuige en, zo ja, door wie, onder welke voorwaarden en met welke waarborgen?” Daarbij tekende het hof aan dat de vraagstelling niet per se rechtstreeks door de verdediging hoefde plaats te vinden, maar eventueel door tussenkomst van een zedenrechercheur, een verbalisant of de raadsheer-commissaris kon plaatsvinden. Verder verzocht het hof, voor het geval een verhoor elders werd ontraden, een verhoor bij aangeefster thuis als mogelijkheid te bezien.

13. Deze verwijzing van de zaak naar de raadsheer-commissaris heeft geleid tot het door het hof genoemde rapport van 18 mei 2017 van psychiater Th.J.G. Bakkum3. Deze concludeerde dat het op dat moment niet mogelijk was de aangeefster te horen onder welke voorwaarden ook, zelfs bij haar thuis niet. Het risico op ernstige ontregeling, mogelijk zelfs leidend tot een psychiatrische heropname, was volgens de deskundige te groot.
Voor zover aan het middel ten grondslag is gelegd dat niet zou zijn onderzocht of de aangeefster in een voor haar vriendelijke verhoorsituatie zou kunnen worden ondervraagd door gespecialiseerde verhoorders en dat het hof geen deskundigen over de toestand van de aangeefster heeft aangesteld, ontbeert het gelet op het voorgaande feitelijke grondslag.

14. De eerder (en dus mogelijk verouderde) aan de rechtbank verstrekte informatie is in hoger beroep niet alleen aangevuld en geactualiseerd door het rapport van Bakkum, maar ook door de ten tijde van de uitspraak ongeveer een maand oude verklaring van de verpleegkundig specialist van Yulius GGZ d.d. 20 november 2017 waaruit bleek dat er sprake was van een verergering van de klachten van de aangeefster en van een klinische behandeling en de nog recentere verklaring van de echtgenoot van de aangeefster op de terechtzitting in hoger beroep van 6 december 2017. Met name door het gebruik van die beide laatste, zeer actuele verklaringen ligt mijns inziens in het oordeel van het hof besloten dat er geen reëel vooruitzicht is op een wijziging van de gezondheidssituatie ten goede.4 Het tegenovergestelde lijkt eerder het geval. Gelet op een en ander is het hof tot het geenszins onbegrijpelijke oordeel gekomen dat het gegronde vermoeden bestaat dat de gezondheid en het welzijn van de aangeefster door het afleggen van een verklaring, ter terechtzitting of bij de raadsheer-commissaris of anderszins, in gevaar wordt gebracht en dat het voorkomen van dat gevaar zwaarder moet wegen dan het belang van de verdediging bij de ondervraging van die getuige. Daarmee was er een goede reden om de aangeefster niet te horen.5 Het middel is in zoverre tevergeefs voorgesteld.

15. Als gevolg van de (herhaalde) afwijzing van het verzoek van de verdediging om de aangeefster te horen, heeft de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, niet in enig stadium van het geding een behoorlijke en effectieve mogelijkheid gehad om de aangeefster te ondervragen. Het hof heeft geoordeeld dat de verklaringen van de aangeefster desondanks bruikbaar zijn voor het bewijs, omdat het ontbreken van een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om de desbetreffende getuige te ondervragen in voldoende mate wordt gecompenseerd. Anders dan de steller van het middel (schriftuur p. 7 “ad stap 2”) ) meent, behoeft dit nog niet zonder meer te betekenen dat verdachte “in beslissende mate zo niet uitsluitend is veroordeeld op de verklaringen van aangeefster.” Dat de verklaringen van aangeefster echter van grote betekenis6 voor het bewijs zijn, staat wel vast evenals de omstandigheid dat het hof in dit geval, kennelijk met het oog op de “overall fairness of the trial”, compensatie noodzakelijk oordeelde.7 Het hof heeft zijn oordeel dat het ontbreken van een ondervragingsmogelijkheid voldoende is gecompenseerd nader gemotiveerd. Bij dat oordeel heeft het hof allereerst in aanmerking genomen dat de verdediging in de gelegenheid is geweest om kennis te nemen van de audio-opnamen van het informatieve gesprek en de politieverhoren van de aangeefster. Daarnaast vormt het door dr. G. Wolters, cognitief psycholoog, uitgevoerde (betrouwbaarheids)onderzoek en het verhoor van deze deskundige bij de rechter-commissaris volgens het hof een vorm van compensatie.

16. Aan het middel is blijkens de toelichting op dit punt ten grondslag gelegd dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het ontbreken van een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om de aangeefster te ondervragen in voldoende mate is gecompenseerd. In de toelichting op het middel wordt in dat kader allereerst aangevoerd dat het hof weinig tot geen terughoudendheid heeft betracht ten aanzien van de verklaringen van de getuige. Verder zijn de verhoren van de aangeefster niet audiovisueel, maar enkel auditief zijn geregistreerd, en zijn de registraties bovendien zowel in eerste aanleg als in hoger beroep ter terechtzitting niet beluisterd. Daarnaast wordt opgemerkt dat Wolters geen beelden van de verhoren tot zijn beschikking had, Wolters de enige deskundige is geweest die zich over de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster heeft uitgelaten en het hof geen deskundigen of verbalisanten heeft gehoord. Ook overigens ontbreekt het aan voldoende compensatie, aldus de steller van het middel.

17. In dat kader merk ik allereerst op dat het ter beschikking stellen van de auditieve registraties van het informatief gesprek zeden en de politieverhoren van de aangeefster aan de verdediging naar mijn mening door het hof niet onbegrijpelijk als vorm van compensatie is aangemerkt. Daarmee is de verdediging immers de gelegenheid geboden om de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster nader te onderzoeken. Het lijkt er op dat de steller van het middel meent (schriftuur p. 8) dat uit de Europese jurisprudentie volgt dat alleen audiovisuele registratie compensatie kan bieden. Gewezen wordt op par. 50 van de zaak Chmura tegen Polen.8 Daar stelt het hof echter in een concreet geval niet meer vast dan dat er sprake is van ‘videorecording as an additional sageguard.” Ik volg de steller van het middel dus niet.9 Wel zal in het algemeen de compenserende werking bij audioregistratie geringer zijn dan bij audiovisuele registratie, omdat de lichaamshouding tijdens het afleggen van de verklaring niet kan worden waargenomen. De compenserende waarde was daarmee bij audiovisuele registratie vermoedelijk groter geweest, maar dat betekent niet dat auditieve registraties in dit geval geen enkele compenserende waarde zouden hebben.10
De omstandigheid dat de auditieve registraties niet ter terechtzitting zijn afgespeeld betekent evenmin dat van enige compenserende werking geen sprake is. Het beluisteren van de registratie ter terechtzitting kan compenserende waarde hebben boven het ter beschikking stellen van de registraties aan de verdediging.11 Overigens merk ik op dat de processen-verbaal van de terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep niet inhouden dat door of namens de verdediging is verzocht een of meer auditieve registraties (gedeeltelijk) af te spelen ter terechtzitting.12

18. Het door de psycholoog Wolters verrichte onderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster en het verhoor van Wolters bij de rechter-commissaris, waar de verdediging de gelegenheid is geboden – en daarvan heeft zij ook gebruik gemaakt – Wolters te ondervragen, is door het hof eveneens niet onbegrijpelijk als een vorm van compensatie aangemerkt.13 Het mag zo zijn dat, zoals de steller van het middel is aangevoerd, Wolters geen beelden van de verhoren tot zijn beschikking had en de enige deskundige14 is geweest die zich over de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster heeft uitgelaten, maar dat doet er niet aan af dat zijn rapport en zijn verhoor een compenserende factor zijn.

19. Naast deze door het hof uitdrukkelijk als zodanig aangeduide compenserende factoren zijn in het licht van de rechtspraak van het EHRM ook andere compenserende factoren aanwezig. Allereerst heeft de verdediging de gelegenheid gehad om haar eigen versie van de feiten te geven, waarvan de verdachte, die zich op zijn zwijgrecht heeft beroepen, geen gebruik heeft gemaakt, en om de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster aan te vechten door inconsistenties tussen verschillende verklaringen aan de orde te stellen, van welke gelegenheid de raadsman ook gebruik heeft gemaakt.15 Dit vormt op zichzelf genomen onvoldoende compensatie voor de handicap die de verdediging ondervindt door het niet kunnen uitoefenen van het ondervragingsrecht.16 Het is echter, zoals blijkt uit de hiervoor aangehaalde uitspraak in de zaak van Schatschaschwili tegen Duitsland, wel een factor bij de beoordeling van de vraag of het ontbreken van een behoorlijke en effectieve ondervragingsgelegenheid voldoende is gecompenseerd.17
Verder kan het gebruik van de verklaringen van de getuigen [betrokkene 2] en [betrokkene 9] voor het bewijs en het verhoor van deze getuigen bij de rechter-commissaris respectievelijk de raadsheer-commissaris in het licht van de rechtspraak van het EHRM als compenserende factor worden aangemerkt. De aangeefster heeft deze getuigen immers reeds ten tijde van het tenlastelegde verteld over (een deel van) het tenlastegelegde feit.18
Ten slotte vormt ook de uitgebreide motivering van het oordeel van het hof omtrent de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster in het licht van de rechtspraak van het EHRM een compenserende factor.19 Al met al kom ik dan op een zestal factoren20 die in onderling verband en samenhang voldoende compensatie bieden. Ik recapituleer: 1. de door de rechter geboden en gerealiseerde mogelijkheid om andere getuigen dan het slachtoffer ten overstaan van een rechter te ondervragen; 2. de door de rechter geboden mogelijkheid tot kennisneming van de auditieve registratie van het verhoor van het slachtoffer; 3. de door de rechter geboden en daadwerkelijk gerealiseerde mogelijkheid om de verklaring van het slachtoffer op betrouwbaarheid te laten toetsen door een deskundige; 4. de nadere motivering van de rechterlijke beslissing waarin wordt verantwoord waarom de verklaringen van het slachtoffer betrouwbaar worden geacht; 5. het stutten van de bewezenverklaring op ander (steun)bewijs dan de verklaring van het slachtoffer; 6. de (gedeeltelijk gerealiseerde) mogelijkheid om de verklaring van het slachtoffer te betwisten en daartegenover een eigen versie van het gebeurde te zetten.

20. In het licht van het voorgaande komt het oordeel van het hof dat het ontbreken van een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om de aangeefster te ondervragen in voldoende mate is gecompenseerd mij onjuist noch onbegrijpelijk voor. Gelet hierop kon het hof voor het bewijs gebruik maken van de bij de politie afgelegde verklaringen van aangeefster zonder inbreuk te maken op het recht van de verdachte op een eerlijk proces en zijn ondervragingsrecht in de zin van art. 6, eerste lid en derde lid, aanhef en onder d, EVRM.

21. Het middel faalt.

22. Het tweede middel klaagt dat de bewezenverklaring uitsluitend is gestoeld op de verklaring van de aangeefster, zonder dat die verklaring voldoende steun vindt in het overige bewijsmateriaal, zodat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.

23. Volgens het tweede lid van art. 342 Sv – dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan – kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Bij de in cassatie aan te leggen toets of aan dat bewijsminimum is voldaan, kan van belang zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd.21

24. Bij zedenzaken, zeker met minderjarigen, komt het veelal aan op de vraag in hoeverre de door één persoon verklaarde gang van zaken steun vindt in andere bewijsmiddelen. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad kan worden opgemaakt dat niet is vereist dat het misbruik steun vindt in ander bewijsmateriaal.22 Het is voldoende wanneer de verklaring van de aangeefster op bepaalde punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Tussen de verklaring en het overige gebezigde bewijsmateriaal mag dan geen sprake zijn van een te ver verwijderd verband.23

25. In deze zaak heeft het hof in zijn arrest gemotiveerd uiteengezet dat aan het bewijsminimum is voldaan en dat steunbewijs voor de belastende verklaringen van de aangeefster is te vinden in de overige door het hof gebruikte bewijsmiddelen, meer in het bijzonder in de verklaringen van de getuigen [betrokkene 8] , [betrokkene 9] en [betrokkene 10] over de gesprekken die zij eind jaren negentig, in de bewezenverklaarde periode, met de verdachte hebben gevoerd over grensoverschrijdend gedrag van de verdachte ten aanzien van zijn dochter en meer in het bijzonder over de uitlatingen van de verdachte tijdens die gesprekken.
[betrokkene 8] heeft met de verdachte gesproken in verband met misbruik binnen het gezin door de verdachte. De verdachte erkende dat er iets was gebeurd, maar bagatelliseerde zijn gedrag, aldus [betrokkene 8] .
[betrokkene 9] en zijn vrouw hebben met de verdachte gesproken nadat de aangeefster hen had verteld over incest. Tijdens het gesprek met de verdachte hebben [betrokkene 9] het probleem benoemd en gesproken over incest en misbruik. De verdachte ontkende niet, aldus [betrokkene 9] , maar vergoelijkte zijn gedrag min of meer en heeft iets gezegd in de trant van dat hij zich niet bewust was dat het zo’n impact op het leven de aangeefster had.
Tegen [betrokkene 10] heeft de verdachte verteld dat hij te ver was gegaan, dat hij zijn dochter streelde op plaatsen waar hij het niet had moeten doen en dat zijn dochter in bed lag, dat hij daar speels mee was en dat hij zodoende te ver is gegaan.

26. De door het hof gebezigde bewijsmiddelen houden daarmee naast de verklaringen van de aangeefster in dat de verdachte tegenover [betrokkene 10] heeft toegegeven dat hij ontuchtige handelingen heeft gepleegd met de aangeefster. Deze verklaring van [betrokkene 10] wordt bovendien nog ondersteund door de verklaringen van [betrokkene 8] en [betrokkene 9] . Daarmee vinden de verklaringen van de aangeefster niet alleen bevestiging in bewijsmateriaal afkomstig van een andere bron dan de aangeefster, maar heeft dit steunbewijs in deze zaak zelfs betrekking op de tenlastegelegde gedragingen.

27. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat de tot het bewijs gebezigde verklaringen van de aangeefster onvoldoende steun vinden in het overige gebezigde bewijsmateriaal. Anders dan in het middel wordt betoogd, is dus geen sprake van schending van art. 342, tweede lid, Sv.

28. Het middel faalt.

29. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

30. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 EHRM (Grote Kamer) 15 december 2015, no. 9154/10, NJ 2017/294, m.nt. Myjer.

2 HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1016, NJ 2017/447, m.nt. Kooijmans.

3 In het arrest van het hof abusievelijk aangeduid als Th.J.G. Bakker.

4 Een dergelijke vaststelling is (ook) volgens De Wilde op basis van de Europese jurisprudentie vereist. Zie B. de Wilde, Stille getuigen. Het recht belastende getuigen in strafzaken te ondervragen (artikel 6 lid 3 sub d EVRM) (diss. Amsterdam VU), Deventer: Kluwer 2015, p. 307.

5 Vgl. EHRM 18 juli 2013, no. 59632/09 (Vronchencko t. Estland), par. 58, EHRM 2 april 2013, no. 25307/10 (D.T. t. Nederland), par. 48, en EHRM 19 december 2013, no. 26540/08 (Rosin t. Estland), par. 55.

6 Zie voor de nuance B. de Wilde, Stille getuigen, a.w., p. 296. In het licht van de bewijsmiddelen 5, 6 en met name 7 (verdachte erkent tegenover de getuige het –bewezenverklaarde– strelen van het slachtoffer op plaatsen waar hij dat niet had moeten doen) kan wel worden verdedigd dat van beslissende betekenis geen sprake is.

7 Vgl. HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:123, NJ 2019/217, m.nt. Vellinga, rov. 3.6.3.

8 EHRM 3 april 2012, no. 18475/05.

9 Zie ook par. 127 van EHRM (Grote Kamer) 15 december 2015, no. 9154/10, NJ 2017/294, m.nt. Myjer (Schatschaschwili t. Duitsland).

10 Vgl. B. de Wilde, Stille getuigen. a.w., p. 536.

11 Vgl. EHRM 2 april 2013, no. 25307/10 (D.T. t. Nederland), par. 50. Zie ook B. de Wilde, Stille getuigen. a.w., p. 536.

12 Kennisname van de audioregistraties door het hof kan ook plaatsvinden buiten de terechtzitting. Ik wijs er op dat de verdediging door de rechtbank des verzocht in de gelegenheid is gesteld de banden bij de politie te beluisteren.

13 Vgl. HR 20 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF5704, NJ 2003/672, rov. 3.6, EHRM 2 april 2013, no. 25307/10 (D.T. t. Nederland), par. 51, en EHRM 11 februari 2014, no. 61047/13 (González Nájera t. Spanje), par. 56.

14 De steller van het middel lijkt ten onrechte te veronderstellen dat bij een betrouwbaarheidsoordeel één deskundige geen deskundige is. Ik wijs er op dat op zich zelf een betrouwbaarheidsoordeel niet zonder meer is uitgesloten indien in het geheel geen deskundige wordt ingeschakeld. Aldus (bij een andersoortige vaststelling) ook mijn ambtgenoot Aben (3.5.3) bij HR 6 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL9001, NJ 2010/509 m.nt. Schalken.

15 Zie p. 5-6 van de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 december 2017 gehechte pleitnota van de raadsman.

16 EHRM 2 maart 2017, no. 16980/06 (Palchik t. Oekraïne), par. 48.

17 Zie ook EHRM 10 augustus 2012, no. 28328/03 (Aigner t. Oostenrijk), par. 43, EHRM 19 februari 2013, no. 61800/08 (Gani t. Spanje), par. 48, EHRM 2 april 2013, no. 25307/10 (D.T. t. Nederland), par. 50, en EHRM 2 april 2013, no. 4380/09 (Garofolo t. Zwitserland), par. 56.

18 Vgl. EHRM (Grote Kamer) 15 december 2011, no. 26766/05 & 22228/06 (Al-Khawaja & Tahery t. Verenigd Koninkrijk), par. 156, EHRM 16 oktober 2012, no. 40612/11, (McGlynn t. Verenigd Koninkrijk), par. 24, en EHRM 2 april 2013, no. 25307/10 (D.T. t. Nederland), par. 50.

19 Vgl. EHRM 19 juli 2012, no, 29881/07 (Sievert t. Duitsland), par. 66, EHRM 17 september 2013, no. 23789/09 (Brzuszczyński t. Polen), par. 89-91, en EHRM 18 december 2014, no. 14212/10 (Scholer t. Duitsland), par. 61. Zie ook EHRM 22 november 2012, no. 46203/08 (Tseber t. Tsjechië), par. 67, EHRM 7 januari 2014, no. 5592/05 (Prăjină t. Roemenië), par. 59, en EHRM 3 juli 2014, no. 63117/09 (Nikolitsas t. Griekenland), par. 37. In die zaken overwoog het EHRM dat de nationale rechter zich juist niet over de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen uitgelaten.

20 B. de Wilde, Stille getuigen, a.w., p. 533-545 noemt 10 factoren. Eén daarvan is hier niet van toepassing (zorgvuldige instructie van de jury). Nu daarmee 6 van 9 factoren die in vermeld proefschrift op basis van de Europese jurisprudentie (in het bijzonder Schatschaschwili par. 126-131) zijn gedetecteerd van toepassing zijn, komt de vraag op of het middel waarin geklaagd wordt over onvoldoende compensatie niet van overmoedigheid getuigt.

21 Vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452, NJ 2010/515, m.nt. Borgers, rov. 2.4.

22 Vgl. HR 15 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:717, NJ 2018/298, m.nt. Rozemond, rov. 2.4.

23 Vgl. HR 26 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2094, NJ 2010/512, rov. 3.4.