Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:1073

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
05-11-2019
Datum publicatie
05-11-2019
Zaaknummer
18/02978
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1965
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Ontucht in relatie arts-patient (art. 249 Sr). Is er sprake van een uitzonderlijk geval waarin die relatie geen rol speelt? Staat de boosheid van de verdachte na het optreden van de patient en het niet verder voltooien van de poging in de weg aan de strafbaarheid van die poging (vrijwillige terugtred)? De AG geeft de Hoge Raad in overweging de middelen daarover en de middelen over de betrouwbaarheid van het bewijs en het afgewezen verzoek tot het horen van getuigen te verwerpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2020/11 met annotatie van Oort, C. van
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/02978

Zitting 5 november 2019

CONCLUSIE

P.C. Vegter

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,

hierna: de verdachte

  1. De verdachte is bij arrest van 6 juli 2018 door het Gerechtshof Den Haag wegens het onder 3 subsidiair bewezen verklaarde “poging tot: als degene werkzaam in de gezondheidszorg ontucht plegen met iemand die zich als patiënt aan zijn hulp en/of zorg heeft toevertrouwd”, veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, en mr. C.W. Noorduyn, advocaat te Den Haag, hebben beiden vier middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Ten behoeve van de bespreking van de middelen geef ik eerst de bewezenverklaring, de bespreking van bewijsverweren, van een kwalificatieverweer en de beslissing op een verzoek uit het bestreden arrest weer.

  4. Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

    “hij op 18 januari 2012 te 's-Gravenhage, ter uitvoering van het door verdachte, voorgenomen misdrijf om, terwijl immers heeft hij verdachte hij toen werkzaam was in de gezondheidszorg, ontucht te plegen met [slachtoffer] , die zich als patiënt aan verdachtes zorg had toevertrouwd, immers heeft hij verdachte, zijn broek en onderbroek naar beneden getrokken terwijl die [slachtoffer] voor hem, verdachte, stond en vervolgens geprobeerd op die [slachtoffer] te gaan liggen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”

  5. Naar aanleiding van een “alibiverweer” heeft het hof overwogen:

    “De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde, aangezien de verdachte op het moment dat het feit volgens aangeefster zou hebben plaatsgevonden - 18 januari 2012 vanaf 17.00 uur - niet in zijn praktijk aanwezig was. De verdachte was op dat moment namelijk in het kader van een nascholing of intervisie in de lobby van [A] in Nootdorp aanwezig. Ter onderbouwing van dit alibiverweer heeft de verdediging gewezen op de ingebrachte presentielijst van de nascholing op 18 januari 2012. Dit betreft een originele presentielijst zoals blijkt uit het rapport van een door de gerechtelijk deskundige W. De Jong uitgevoerd deskundigenonderzoek betreffende forensisch schriftonderzoek. Immers, de hypothese dat het document "Presentielijst nascholing woensdag 18 januari 2012" niet in een ononderbroken printproces is vervaardigd en de handtekeningen alsmede de overige handgeschreven invullingen van aankomsttijd en vertrektijd op dit document geen met inkt vervaardigde schrijfproducties maar fotokopieën zijn, wordt uitgesloten, aldus de verdediging.

    Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

    Bij de rechter-commissaris zijn in dit kader op verzoek van de verdediging vier van de op de presentielijst vermelde huisartsen, te weten [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] (het hof doelt kennelijk op [betrokkene 4] ; PV) gehoord. Zij hebben allen verklaard dat zij nooit een nascholing of een cursus hebben gehad in de lobby van een hotel ( [betrokkene 2] en [betrokkene 3] ) dan wel in [A] in Nootdorp ( [betrokkene 1] en [betrokkene 4] ). Tevens hebben zij verklaard hun paraaf of handtekening op de presentielijst te herkennen, maar zich de cursus 'ECG lezen in uw praktijk' van 18 januari 2012 niet te herinneren ( [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ), deze cursus niet terug te zien op hun nascholingsoverzicht ( [betrokkene 1] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] ) of niet te hebben gevolgd ( [betrokkene 3] en. [betrokkene 4] ). Het hof stelt op grond hiervan ten eerste vast dat de verklaring van de verdachte over de desbetreffende cursus met zijn collega-huisartsen op de desbetreffende dag dus niet strookt met de verklaringen van de vier door de rechter-commissaris gehoorde huisartsen.

    Het hof stelt voorts vast dat bovenaan de desbetreffende presentielijst een logo staat van [B] . Uit een e-mailbericht d.d. 2 april 2014 van [betrokkene 5] , Director Legal Affairs bij [B] , volgt dat een rayonmanager van [B] eind december (het hof begrijpt: 2011) of begin januari (het hof begrijpt: 2012) met de verdachte heeft gesproken over het houden van een nascholing, maar dat het niet mogelijk is gebleken om binnen een termijn van twee weken een nascholing te organiseren die voldeed aan de compliance regels van [B] . De rayonmanager heeft de verdachte vervolgens laten weten dat de nascholing niet door kon gaan. In het systeem van [B] is dan ook geen nascholing in Nootdorp dan wel in de praktijk van de verdachte gevonden op 18 januari 2012. Tevens was er bij navraag bij [A] geen reservering van [B] bekend noch gecanceld.

    Het alibiverweer dat door de verdachte is gevoerd, berust in de kern beschouwd op de stelling dat de presentielijst van 18 januari 2012 niet door de verdachte is gefabriceerd en dat de handtekeningen daarop niet zijn gefingeerd. Wat er ook van de bevindingen van de deskundige ten aanzien van de desbetreffende opgemaakte presentielijst als zodanig zij, de vier als getuige gehoorde artsen die op die lijst voorkomen zijn niet bij een nascholing of intervisie aanwezig geweest op 18 januari 2012 in de lobby van [A] in Nootdorp, zoals zij allen hebben verklaard. Deze verklaringen zijn bovendien in volledige overeenstemming met de hiervoor weergeven overige bevindingen van ( [B] en) [A] . De verklaring van de verdachte wordt - buiten de "presentielijst" om - op geen enkele andere wijze ondersteund, terwijl de verdachte ter terechtzitting desgevraagd nog kenbaar heeft gemaakt geen bonnen en dergelijke te kunnen overleggen ter staving van zijn stelling rond zijn aanwezigheid in het hotel. Het hof houdt het er daarom op dat de "presentielijst" geen getrouwe afspiegeling van de werkelijkheid vormt. Tegen de hierboven vermelde achtergrond is het hof in het verlengde hiervan van oordeel dat het hof het alibiverweer van de verdachte niet geloofwaardig acht.

    Het hof verwerpt daarom dit verweer.

  6. Naar aanleiding van een betrouwbaarheidsverweer heeft het hof in het bestreden arrest overwogen:

    “De verdediging heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de verklaringen van aangeefster en [getuige 1] op zeer veel onderdelen ongeloofwaardig en onbetrouwbaar zijn en dat de veelheid aan evident in strijd met de waarheid afgelegde onderdelen in hun verklaringen tot de slotsom moet leiden dat verdachte wordt vrijgesproken. Tevens heeft de verdediging vraagtekens gezet bij de betrouwbaarheid en echtheid van de geluidsfragmenten en gesteld dat er op dit gebied sprake is van knip- en plakwerk.

    Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

    Het hof ziet - evenals de verdediging en de rechtbank - enige discrepanties tussen de verklaringen van de aangeefster en [getuige 1] alsook verschillen op onderdelen in hun eigen op meerdere momenten afgelegde verklaringen. Het hof is echter met de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank van oordeel dat hun verklaringen in de kern betrouwbaar en geloofwaardig zijn en dat er daarom geen aanleiding is om deze verklaringen uit te sluiten voor het bewijs. Ook het feit dat de verklaringen van aangeefster en de getuige over de door hen gegeven reden waarom de getuige met, aangeefster zou zijn meegegaan naar de huisartspraktijk van de verdachte, onwaarschijnlijk zijn, betekent nog niet dat hun verklaringen daarmee volledig onbetrouwbaar zijn.

    Voorts bevindt zich in het dossier de schriftelijke uitwerking van twee gesprekken die aangeefster met verdachte zou hebben gevoerd, te weten op 26 en 31 januari 2012.

    Een verbalisant heeft een telefoongesprek uitgewerkt dat op 26 januari 2012 heeft plaatsgevonden tussen de nummers [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] . Aangeefster heeft verklaard dat zij met het eerstgenoemde nummer wel eens naar verdachte heeft gebeld. Hierna zal een deel van het gesprek van 26 januari 2012 worden weergegeven.

    MS= Mannenstem

    VS = Vrouwenstem

    MS : Met [verdachte] .

    VS: Hoi met [slachtoffer] .

    VS: He kan jij mij nu eindelijk duidelijkheid geven over hoe en wat of jij mij hebt uitgeschreven of niet.

    MS: Nee ik heb je niet uitgeschreven.

    (...)

    MS: Nee je staat ingeschreven bij me

    VS: Ik sta gewoon ingeschreven. Dus ik kan gewoon een afspraak maken bij jou

    MS: Ja ja.

    VS: Ok. Maar zonder gedoe. Zonder dat je aan mij gaat zitten en dat neuken en dit en dit en dat.

    MS: Ja is goed hoor.

    Aangeefster heeft schriftelijk een gesprek uitgewerkt dat zij op 31 januari 2012 zou hebben gevoerd met verdachte. [verbalisant] heeft dit gesprek nadien uitgeluisterd en geconcludeerd dat de inhoud van het gesprek overeenkomt met de door aangeefster opgestelde schriftelijke weergave van dit gesprek. Hierna zal een deel van dit gesprek worden weergegeven.

    [slachtoffer] zegt: [verdachte] , Luister even he.

    [verdachte] zegt : Ja.

    [slachtoffer] zegt: luister. Jij zet mij helemaal voor schut. Vorige keer zat mijn vriendin hier heb je mij voor schut gezet, ik heb tegen haar een hele verhaal moeten uitleggen. Ze zei tegen mij wat is dat voor dokter? Ik zeg luister hij gaat hij gaat weg...

    [verdachte] zegt: Doe eens rustig praten.

    [slachtoffer] zegt: Jij maakt mij helemaal gek, je zet mij voor schut ik....

    (…)

    Telefoon gaat. Er volgt een gesprek tussen [verdachte] en patiënt.

    [verdachte] zegt : Ja kijk, die uuh stof wat je in je dinges hebt gehad daar mag je een maand lang niet aan komen.

    [slachtoffer] zegt : (...) . . . wat jij in mijn lippen hebt gespoten was geen lipopvulling.

    [verdachte] zegt: Neej, je mag.. en nu weuuh uuh uuh mag je zeker tot 1 februari niets doen hoor.

    [slachtoffer] zegt: Maar wat, hoe heet dat spul dat je in mijn lippen hebt gespoten.

    [verdachte] zegt ; Lidocaïne, dat is een verdovingsspul.

    [slachtoffer] zegt : Maar waarom zei jij eerst botox en nu lidocaïne?

    [verdachte] zegt : Dat is dat is een soort dat is een genetische naam daarvan. Maar wat jij moet doen jij moet...

    [slachtoffer] zegt : Dus je hebt gewoon verdoving in mijn lippen gespoten?

    [verdachte] zegt: Neej neej het is geen verdoving, het is een genetische naam daarvan maar je mag tot 1 februari niets doen hoor.

    Deze geluidsopnames ondersteunen de door aangeefster en [getuige 1] afgelegde verklaringen dat zij gezamenlijk een bezoek aan de verdachte hebben afgelegd en dat de verdachte seksuele handelingen bij aangeefster heeft verricht. Door de verdediging is aangevoerd dat de geluidsopnames gemanipuleerd zouden zijn in die zin dat daarin is geknipt en geplakt. Door de verdediging is dit standpunt echter onvoldoende geconcretiseerd, in die zin dat niet is onderbouwd welke onderdelen van de gesprekken geknipt en geplakt zouden zijn.

    Het hof neemt voorts in aanmerking dat de geluidsopnames op verzoek van de verdediging zijn onderzocht door het NFI. Het NFI heeft op 5 januari 2018 zijn onderzoeksbevindingen in een rapport neergelegd, dat is opgemaakt en ondertekend door J.F.M. Vermeulen MSc, NFI- deskundige spraak- en audio-onderzoek.

    De conclusies van het deskundigenrapport luiden als volgt:

    ten aanzien van het gesprek op 26 januari 2012:

    a) De integriteit kan niet middels, een gewaarborgde chain of custody worden geverifieerd, noch middels een door Nemop berekend controlegetal, aangezien deze niet meer beschikbaar is.

    b) Onderzoek aan de opname zelf (de metadata, de akoestisch-technische, eigenschappen en het gespreksverloop) levert geen concrete steun op voor de stelling dat er sprake is van knip- en plakwerk, maar levert evenmin steun op voor de stelling dat het een integrale, niet-gemanipuleerde opname betreft.

    c) Het onderzoek levert een aantal bevindingen op die vanwege een gebrek aan beschikbare informatie niet goed te interpreteren zijn.

    d) Voor stelling 1 van de verdachte (’"Het aantal van 128 kilobytes bestandsgrootte kan niet passen bij een heel gesprek, die bestandsgrootte is daarvoor te klein. Dus moet het in kleine bestanden zijn opgestuurd naar nemop.nl" geldt dat deze niet klopt.

    e) over stelling 2 van de verdachte ("U vraagt mij naar de passage "VS: Wat is er" tot en met "MS : ja is goed hoor" op pagina 108 van het dossier. Dat zijn meerdere gesprekken. Dat is knip - en plakwerk.") kan geen uitspraak worden gedaan, zie hierboven;

    f) Voor stelling 3 van verdachte dat er delen zijn waarin het niet zijn stem is geldt dat het onderzoek hier geen steun voor levert.

    ten aanzien van de opname van het gesprek op 31 januari 2012:

    g) De integriteit kan niet middels een gewaarborgde chain of custody worden geverifieerd.

    h) Onderzoek aan de opname zelf (de metadata, de akoestisch-technische eigenschappen en het gespreksverloop) levert geen concrete steun op voor de stelling dat er sprake is van knip- en plakwerk, maar levert evenmin steun op voor de stelling dat het een integrale, niet-gemanipuleerde opname betreft.

    i)Het onderzoek levert een aantal bevindingen op die vanwege een gebrek aan beschikbare informatie niet goed te interpreteren zijn.

    J) Voor stelling 4 van de verdachte ("Het is duidelijk knip- en plakwerk. Het gesprek gaat duidelijk over een injectie die mevrouw heeft gehad op 29 of 30 december 2011, dat was voor een soa. Het gaat over Lidocaïne. Later gaat het gesprek ineens over lippen, dat is geplakt.") is geen steun gevonden.

    k) Voor stelling 5 van de verdachte dat er delen zijn waarin het niet zijn stem is geldt dat het onderzoek hier geen steun voor levert.

    l) Voor stelling 6 van de verdachte, dat delen uit het bandje van zijn voicemail gebruikt zijn, geldt dat het niet kon worden onderzocht, omdat er geen opname van zijn voicemail ter beschikking is.

    De stelling van de verdachte dat er is geknipt en geplakt in de geluidsopnamen, dan wel dat deze opnamen op andere wijze zouden zijn gemanipuleerd kan weliswaar door de deskundige niet volledig worden uitgesloten, maar vindt als zodanig ook geen steun in het deskundigenonderzoek. Voor zover de verdachte zijn stelling dat de geluidsopnames gemanipuleerd zijn nader heeft geconcretiseerd, vindt die stelling geen bevestiging in het deskundigenrapport. Ook overigens acht het hof niet aannemelijk geworden dat de geluidsopnames zijn gemanipuleerd. Het hof verwerpt daarom het op deze gronden gevoerde verweer.”

  7. Over de strafbaarheid van het bewezenverklaarde bevat het bestreden arrest, voor zover van belang, de volgende overweging:

    “De verdediging heeft ter terechtzitting subsidiair aangevoerd dat het bewezenverklaarde niet kan worden gekwalificeerd als ontucht in de zin van artikel 249 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat uit de verklaringen van aangeefster blijkt dat de arts-patiëntrelatie bij de seksuele handelingen geen rol heeft gespeeld. Immers, aangeefster is volgens haar eigen verklaring op 18 januari 2012 naar verdachte toe gegaan om hem in de val te laten lopen en om een gratis lipvergroting voor zichzelf te bewerkstelligen. Bij aangeefster was dus sprake van vrijwilligheid en daarbij is enige afhankelijkheidsrelatie niet van invloed geweest. De verdediging heeft hierbij gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 18 februari 1997, NJ 1997/485.

    Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

    In bedoeld arrest heeft de Hoge Raad overwogen dat uitgangspunt moet zijn dat de strafbaarstelling in artikel 249, tweede lid onder 3°, Wetboek van Strafrecht, gelet op de strekking daarvan, geldt voor alle gevallen waarin tussen de betrokkenen een relatie bestaat als bedoeld in deze wetsbepaling, en dat in zodanig geval slechts dan geen sprake is van "ontucht plegen", wanneer die relatie bij de seksuele handelingen geen rol speelt, in die zin dat bij de patiënt of cliënt sprake is van vrijwilligheid en daarbij enige vorm van afhankelijkheid, zoals die in de regel bij een dergelijke functionele relatie in meerdere of mindere mate bestaat, niet van invloed is geweest (HR 18 februari 1997, NJ 1997/485 en HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2630).

    Op 18 januari 2012 is aangeefster onder meer naar de praktijk van de verdachte gegaan voor de behandeling van een soa. Aangeefster wilde van die gelegenheid gebruik maken om tevens een cosmetische behandeling aan haar lippen uit te laten voeren door de verdachte, nadat een eerdere door hem uitgevoerde lipbehandeling niet het gewenste resultaat had opgeleverd. Aangeefster had zich, kortom, tot de verdachte gewend in zijn hoedanigheid van arts en zij bevond zich als zijn patiënt bovendien in een kwetsbare en van hem afhankelijke positie. De vraag wat de motieven van aangeefster waren bij haar toezegging dat de verdachte met haar zou mogen doen wat hij wilde in ruil voor de lipvergroting, behoeft geen beantwoording omdat de toezegging van aangeefster in dit geval de wederrechtelijkheid van de handelingen bij de verdachte niet wegneemt. Artikel 249 Sr stelt immers, juist gelet op een dergelijke afhankelijkheidsrelatie, de bescherming van de afhankelijke en kwetsbare persoon - in casu de patiënt - voorop. Het hof verwerpt daarom het gevoerde kwalificatieverweer.”

  8. Naar aanleiding van een verzoek om huisartsen te horen bevat het bestreden arrest de volgende overweging:

    “Ter terechtzitting in hoger beroep op 22 juni 2018 heeft de raadsvrouw een voorwaardelijk verzoek gedaan om de overige op de presentielijst vermelde huisartsen die nog niet als getuige gehoord zijn, alsnog te horen.

    Het hof overweegt omtrent dit voorwaardelijke verzoek als volgt. De hiervoor genoemde getuigen zijn op 4 maart 2016 door de rechter-commissaris gehoord in aanwezigheid van de verdachte en zijn raadsman. De verdediging heeft met het voorwaardelijk verzoek tot het horen van de overige zeven huisartsen op de presentielijst gewacht tot in een zeer laat stadium van de procedure. Nu het verzoek voor het eerst ter terechtzitting in hoger beroep is gedaan is hierop het noodzakelijkheidscriterium van toepassing.

    De noodzaak van het horen van de verzochte nadere getuigen is het hof, mede gelet op de omstandigheid dat de verdediging reeds in de gelegenheid is gesteld om vier huisartsen te bevragen en mede gelet op 's hofs hiervoor weergegeven oordeel rond de niet getrouwe afspiegeling van de werkelijkheid van de "presentielijst" niet gebleken en is door de verdediging ook overigens onvoldoende onderbouwd. Het hof wijst het verzoek daarom af.”

  9. Het eerste middel van mr. Spong betreft de reactie van het hof op het kwalificatieverweer, zoals weergegeven onder randnummer 7. Het verweer zou zijn verworpen op gronden die de verwerping niet kunnen dragen. In de toelichting wordt gesteld dat de motivering tekort schiet omdat in het licht van de uitlokking door het slachtoffer, haar vrijwilligheid en motieven geen sprake was van de voor ontucht vereiste wederrechtelijkheid nu het slachtoffer zich niet (meer/verder) in een afhankelijkheidsrelatie ten opzichte van de arts bevond. Evenals in feitelijke aanleg wordt in cassatie aansluiting gezocht bij HR 18 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0645, NJ 1997/485 m.nt. ’t Hart.

  10. Voor het toepasselijke beoordelingskader citeer ik twee overwegingen uit HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2630, NJ 2011/143:

    “3.2. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat met de strafbaarstelling in art. 249, tweede lid aanhef en onder 3°, Sr van "degene die, werkzaam in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg, ontucht pleegt met iemand die zich als patiënt of cliënt aan zijn hulp of zorg heeft toevertrouwd" is beoogd ook strafrechtelijke bescherming te bieden tegen seksuele benadering van de zijde van de genoemde hulpverleners. Daarbij is uitgangspunt dat de strafbaarstelling in art. 249, tweede lid aanhef en onder 3°, Sr, gelet op de strekking daarvan, geldt voor alle gevallen waarin tussen de betrokkenen een relatie als in deze wetsbepaling bedoeld bestaat (vgl. HR 30 maart 1999, NJ 1999/482). Deze bepaling beschermt de patiënt of cliënt onder meer tegen misbruik van het psychisch overwicht dat de hulpverlener op hem heeft of van de afhankelijke positie van de patiënt of cliënt dan wel van het vertrouwen dat hij van hem heeft gewonnen (vgl. HR 2 februari 2003, LJN AJ1188, NJ 2004/78).”

    “4.3. In HR 18 februari 1997, NJ 1997/485 is geoordeeld dat uitgangspunt moet zijn dat wanneer tussen de betrokkenen een relatie bestaat als bedoeld in art. 249, tweede lid aanhef en onder 3°, Sr, gelet op de strekking van de bescherming die deze bepaling aan patiënten en cliënten beoogt te bieden, slechts dan bij wijze van uitzondering geen sprake is van "ontucht plegen" indien die relatie bij de seksuele handelingen geen rol speelt, in die zin dat bij de patiënt of cliënt sprake is van vrijwilligheid en daarbij enige vorm van afhankelijkheid, zoals die in de regel bij een dergelijke functionele relatie in meerdere of mindere mate bestaat, niet van invloed is geweest.”

  11. Dat verdachte als (huis)arts werkzaam was in de gezondheidszorg en het slachtoffer zich als patiënt aan zijn zorg heeft toevertrouwd staat niet ter discussie. Het slachtoffer was als patiënt bij verdachte als huisarts ingeschreven en bovendien vonden de gewraakte handelingen plaats in de praktijk van verdachte nadat het slachtoffer zich tot hem had gewend voor medische zorg. De arts-patiënt relatie was niet beëindigd.1 Die omstandigheden die een afhankelijkheidsrelatie opleveren zijn in het algemeen voldoende om alsdan plaatsvindende seksuele handelingen binnen het bereik van art 249, tweede lid aanhef en onder 3, Sr te brengen. De afhankelijkheidsrelatie domineert hier en kan zelfs doorslaggevend zijn in het geval het recht op seksuele zelfbeschikking niet is geschonden. Immers, zelfs als vaststaat dat de patiënt de arts heeft verleid tot seks kan gelet op de afhankelijkheidsrelatie worden gesproken van ontucht. De seks vindt plaats in een ‘ongeoorloofde’ relatie.2 Dit is in de termen van de hierboven geciteerde rechtsoverweging 3.2 van de Hoge Raad het ‘uitgangspunt’.

12. Op dit uitgangspunt bestaat een uitzondering. Die uitzondering is beperkt tot vrijwilligheid van de kant van de patiënt en het ontbreken van enige vorm van afhankelijkheid van de (in dit geval) arts. Zie de hierboven geciteerde rechtsoverweging 4.3. Het vereiste dat enige vorm van afhankelijkheid ontbreekt, betekent dat de arts-patiëntrelatie geen enkele invloed op de plaatsvindende seksuele gedraging mag hebben. Dit strenge vereiste3 beperkt de reikwijdte van de uitzondering. De uitzondering betreft uitzonderlijke gevallen zoals die van de arts die seks met zijn echtgenote van wie hij tevens de huisarts is, heeft.4

13. Het hof heeft in de hierboven onder randnummer 7 bestreden overweging inzake de strafbaarheid het juiste, aan de rechtspraak van de Hoge Raad ontleende, criterium toegepast. Het hof heeft de functionele afhankelijkheidsrelatie voorop gesteld en dat is juist. In het oordeel van het hof ligt vervolgens ook besloten dat de afhankelijkheid van de patiënt in de functionele relatie met de arts op zijn minst wel enige invloed heeft gehad op de seksuele gedragingen. Dat oordeel dat overwegend van feitelijke aard is, acht ik niet onbegrijpelijk, reeds omdat de patiënt zich voor medische zorg tot arts heeft gewend en niet van een andere relatie is gebleken dan van de functionele relatie arts-patiënt waaraan een zekere afhankelijkheid van de patiënt aan de arts nu eenmaal inherent is. Ook als in aanmerking wordt genomen dat het slachtoffer de arts heeft verleid tot seksuele gedragingen of hem zelfs heeft uitgelokt met meer of minder respectabele motieven is het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk. De arts die door een patiënt wordt verleid of wordt uitgelokt tot seks moet gelet op zijn functionele relatie tot de patiënt niet voor de verleiding of druk bezwijken, zelfs niet als hem (later) duidelijk zou zijn (of worden) dat de motieven van de patiënt in zijn ogen niet respectabel zijn. Het hof kon derhalve ook oordelen dat nader onderzoek van de motieven overbodig is nu de uitkomsten van degelijk onderzoek niet bepalend zijn voor de vraag of verdachte in strijd met art. 249, tweede lid aanhef en onder 3, Sr en daarmee wederrechtelijk heeft gehandeld.

14 Het eerste middel van mr. Spong faalt.

15. Het tweede middel van mr. Spong klaagt dat het hof het betrouwbaarheidsverweer dat aangeefster [slachtoffer] en [getuige 1] als onbetrouwbare getuigen dienen te worden aangemerkt heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen. De steller van het middel typeert de rechtspraak over uitdrukkelijke onderbouwde standpunten terecht als casuïstisch en voegt daaraan toe (ik citeer): “[…] cassatiemiddelen over deze materie veel weg hebben van Chang’e 4 van het type Lange Mars, de Chinese raket met een landingssonde die op de achterkant van de maan is geland.”

16. Voor de uitvoerige verwerping van het ‘verweer’ in het bestreden arrest verwijs ik naar randnummer 6 hierboven. Dat leidt mij tot de vaststelling dat het hof gemotiveerd heeft beslist op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt. De motivering wordt in de toelichting op het middel om drie redenen niet toereikend geacht. De raadsman heeft gelet op de in hoger beroep overgelegde pleitnota, voor zover hier van belang, betoogd dat de onbetrouwbaarheid van het slachtoffer en [getuige 1] stoelt op (1) het hoogst onwaarschijnlijke gegeven dat een huisarts handelingen van seksuele aard zou willen plegen met een aan gonorroe lijdende patiënte, (2) de beargumenteerde onmogelijkheid om de gewraakte gesprekken van het slachtoffer met verdachte in enkele seconden te voeren en (3) de beargumenteerde onmogelijkheid om met een prepaid telefoonnummer, zoals door de getuigen beweerd, te ‘pingen’. Afzonderlijk en in samenhang zijn dit argumenten waarop het hof specifiek had dienen te reageren, aldus de steller van het middel.

17. Zelfs als in aanmerking wordt genomen dat de zojuist vermelde drie redenen volgens de steller van het middel argumenten zijn om ‘iemand’ (kennelijk dus niet iedereen en ik kan mij dat goed voorstellen5; PV) van verbazing van zijn stoel te laten vallen, is het middel vruchteloos voorgesteld. Het hof begint zijn overwegingen met de vaststelling dat er discrepanties en verschillen op onderdelen zijn die op zich de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de verklaringen niet steunen. Naar valt aan te nemen doelt het hof daarmee op één of meer van de hierboven geselecteerde drie punten waarop een expliciete reactie ontbreekt. Vervolgens overweegt het hof dat de onbetrouwbaarheid op onderdelen nog niet betekent dat de verklaringen volledig onbetrouwbaar zijn. Het hof motiveert dan uitvoerig waarom de verklaringen in de kern betrouwbaar worden geacht. De reactie op het uitdrukkelijke onderbouwde standpunt is mijns inziens hiermee toereikend en voor het overige is sprake van selectie en waardering met de daarbij behorende vrijheid.6

18 Het tweede middel van mr. Spong faalt.

19. Het derde middel van mr. Spong klaagt er over dat er voldoende (steun)bewijs is voor zover de bewezenverklaring inhoudt dat verdachte heeft “geprobeerd op die [slachtoffer] te gaan liggen”.

20. In de bewezenverklaring is de ontucht als volgt feitelijk omschreven: “heeft hij […] zijn broek en onderbroek naar beneden getrokken terwijl die [slachtoffer] voor hem, verdachte, stond en vervolgens geprobeerd op die [slachtoffer] te gaan liggen.” Voor zover het deze feitelijke omschrijving van ontucht betreft door het naar beneden trekken van broek en onderbroek wordt door de steller van het middel niet betwist dat dit op zowel de voor het bewijs gebezigde verklaring van het slachtoffer (bewijsmiddel 1) als de voor het bewijs gebruikte verklaring van de getuige (bewijsmiddel 2) berust.

21. De voor het bewijs gebezigde verklaring van het slachtoffer houdt onder meer in: “Nadat hij mijn lippen had gedaan trok hij gelijk zijn broek en boxer uit, ik zag zijn geslachtsdeel gewoon hangen. Hij wilde gelijk op mij liggen. Ondertussen kwam mijn vriendin de dokterskamer in.” De voor het bewijs gebezigde verklaring van de getuige/vriendin houdt onder meer in: “Ik hoorde haar toen zeggen: ‘Wat doe jij, wat doe jij’. Dat zei ze met luide stem. Ik deed de deur open en ik zag hem zonder broek. Zijn shirt kwam tot aan de bovenkant van zijn bovenbeen. Ik weet niet meer wat hij aanhad. Zijn broek zat op zijn enkels. Voor ik het wist stond hij achter de deur, en deed hij de deur dicht.”

22. Voor zover wordt gesteld dat het bewijs dat verdachte heeft geprobeerd op het slachtoffer te gaan liggen is ontleend aan de verklaring van het slachtoffer dat verdachte gelijk op haar wilde liggen geldt allereerst het volgende. Op zich zelf kan dit onderdeel van de bewezenverklaring in een geval als het onderhavige ontleend worden aan een enkele verklaring van het slachtoffer. Dat is niet in strijd met art. 342, tweede lid, Sv. De regel dat het bewijs niet kan worden aangenomen op het bewijs van één getuige geldt immers ten aanzien van de bewezenverklaring als geheel en niet voor elk afzonderlijk onderdeel.7 Als ik het goed zie heeft het hof overigens zelfs steunbewijs voor het betwiste afzonderlijke onderdeel van de bewezenverklaring voor ogen gehad en wel met name het uitgewerkte en voor het bewijs gebezigde telefoongesprek van 26 januari 2012, zoals ook weergegeven in de onder randnummer 6 opgenomen bewijsoverweging: “VS: Ok. Maar zonder gedoe. Zonder dat je aan mij gaat zitten en dat neuken en dit en dit en dat. MS: Ja is goed hoor.” De kennelijk (mede) op basis hiervan door het hof in diezelfde bewijsoverweging gestutte conclusie dat uit de telefoongesprekken valt af te leiden dat seksuele handelingen zijn verricht, wordt in cassatie niet met zoveel woorden door de steller van het middel betwist en die conclusie komt mij niet onbegrijpelijk voor.

23. De steller van het middel heeft als bezwaar tegen de bewijsmotivering verder aangevoerd dat de als bewijsmiddel 1 gebezigde getuigenverklaring van het slachtoffer voor zover deze inhoudt ‘hij wilde gelijk op mij gaan liggen’ geen mededeling bevat van feiten en omstandigheden welke zijzelf heeft waargenomen of ondervonden als bedoeld in art. 342, eerste lid, Sv. Naar aan te nemen valt heeft het hof dit onderdeel van de verklaring van het slachtoffer voor het bewijs gebruikt omdat tot uitdrukking komt dat de getuige enige gedraging van verdachte in woord of gebaar heeft waargenomen waaruit in het algemeen is af te leiden dat verdachte meteen op haar wilde gaan liggen. Gelet op alle overige omstandigheden van het geval is dat hier bepaald niet onbegrijpelijk. Het gaat hier dan om een waarnemingsindruk waarin eerdere ervaring en andere waarneming zijn verwerkt.8

24 Het derde middel van mr. Spong faalt

25. Het vierde middel van mr. Spong klaagt dat uit de bewijsmiddelen volgt, althans dat daaruit het ernstige vermoeden voortvloeit, dat het bewezenverklaarde misdrijf niet is voltooid ten gevolge omstandigheden afhankelijk van de wil van verdachte (art. 46b Sr). Uit de bewijsmiddelen zou de vrijwillige terugtred volgen en het hof had anders oordelende daaraan tenminste een overweging dienen te wijden.

26. Deze vrijwillige terugtred ligt volgens de steller van het middel besloten in het volgende gedeelte van voor het bewijs gebezigde verklaring van het slachtoffer (bewijsmiddel 1):

“Nadat hij mijn lippen had gedaan trok hij gelijk zijn broek en boxer uit, ik zag zijn geslachtsdeel gewoon hangen. Hij wilde gelijk op mij liggen. Ondertussen kwam mijn vriendin de dokterskamer in. [verdachte] had zijn broek op zijn knieën en pakte gelijk de deur vast en hield hem dicht en zei tegen mijn vriendin dat zij moest wachten omdat hij bezig was. Ik zei "luister dit keer ga je mij niet voor de gek houden. Ik wil eerst het resultaat afwachten en als ik tevreden ben dan kijk ik wel wat ik met jou doe".

Hij werd toen heel erg boos en zei: "Luister je gaat nu weg en ik hoef je nooit meer te zien. Dit is oplichterij en ik schrijf je uit". ... Ik ben toen weggegaan met mijn vriendin achter mij aan.”

27. Dat (eigen) boosheid de reden was om vrijwillig terug te treden9 is in feitelijke aanleg niet door de verdediging naar voren gebracht.10 Het hof heeft de verklaring van de verdachte kennelijk en niet onbegrijpelijk niet zo opgevat, maar daarin gelezen en kunnen lezen dat verdachte is gestopt door van buiten komende omstandigheden die niet afhankelijk zijn van de wil van verdachte: het openen van de deur door de vriendin en de daarop volgende mededeling van het slachtoffer. Anders gezegd door het optreden van beide dames werd verdachte boos en door dat optreden is een einde gekomen aan de poging, althans heeft de poging niet geleid tot een voltooid delict. Alleen al gelet hierop heeft het middel geen enkele kans van slagen.

28 Het vierde middel van mr. Spong is kansloos.

29. Het eerste middel van mr. Noorduyn klaagt over de motivering van het oordeel van het hof dat de voor het bewijs gebruikte verklaring van [getuige 1] betrouwbaar is. Het middel vertoont enige overlap met het tweede middel van mr. Spong.

30. Uit de onder randnummer 6 opgenomen overweging van het hof blijkt dat het hof hetgeen namens verdachte is aangevoerd heeft opgevat als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359, tweede lid, Sv. Volgens de steller van het middel “is deze motivering weinigzeggend en gaat deze inhoudelijk volledig voorbij aan de essentie van het verweer en de daarin genoemde feiten en omstandigheden die maken dat [getuige 1] niet als een betrouwbare getuige kan worden beschouwd.” Er wordt met name een beroep gedaan op een passage uit een conclusie van mijn ambtgenoot Knigge : “Hoe indringender het argument, hoe meer de rechter (dus) zal zijn gehouden daarop uitvoerig te reageren.”11

31. Met de steller van het middel kan worden geconstateerd dat het hof een deel van de verklaring van [getuige 1] heeft gekwalificeerd als ‘onwaarschijnlijk’ en daaraan heeft toegevoegd dat zulks niet betekent dat de verklaring daarmee volledig onbetrouwbaar is. Naar het oordeel van het hof is (ook) haar verklaring in de kern betrouwbaar en geloofwaardig. Ik kan de steller van het middel niet volgen in de opvatting dat het hof dat niet heeft gemotiveerd. Het voor het bewijs gebruikte deel van de verklaring die de getuige tegenover de rechter-commissaris heeft afgelegd is voor het bewijs gebruikt en dat deel dat wijst op de poging tot ontucht zelf vindt steun in door het hof nader genoemde omstandigheden waaronder telefonisch contact tussen het slachtoffer en de verdachte. Het middel lijkt er vooral neer te komen dat de steller van het middel de uitvoerige motivering niet overtuigend vindt, maar dat is in cassatie niet aan de orde.

32 Het eerste middel van mr. Noorduyn faalt.

33. Het tweede middel van mr. Noorduyn bevat de klacht dat het oordeel van het hof dat het “alibiverweer” niet geloofwaardig is zonder nader motivering die ontbreekt onbegrijpelijk is.

34. Hetgeen namens verdachte over zijn alibi naar voren is gebracht heeft het hof niet aannemelijk geacht. Zie de hierboven onder randnummer 5 geciteerde bewijsoverweging van het hof. Zowel bij het in feitelijke aanleg gevoerde (zeer uitvoerige) verweer als bij hetgeen in cassatie naar voren wordt gebracht, gaat het om waardering van de betrouwbaarheid van verklaringen, een presentielijst en andere omstandigheden. De ruimte voor cassatie is daarmee beperkt tot de beoordeling van de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof. Het hof acht de presentielijst, ook als niet vaststaat dat deze door verdachte is gefabriceerd en dat de handtekeningen zijn gefingeerd, geen getrouwe afspiegeling van de werkelijkheid inzake de aanwezigheid van verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten in [A] . Die gestelde aanwezigheid wordt door niets anders dan de lijst ondersteund, terwijl de verklaringen van de vier artsen, de informatie van [B] (geen nascholing georganiseerd) en [A] (geen reservering in verband met een nascholing) in een andere richting wijzen en verdachte (desgevraagd ter terechtzitting) ook overigens zijn stelling dat hij in het hotel was niet door bonnen of anderszins kan staven. Dat komt mij niet onbegrijpelijk voor, ook niet als ervan wordt uitgegaan dat de herinnering van de artsen (aanvankelijk) niet ‘bewust’ is en (nogal suggestief) dat de artsen “mogelijkerwijs een reden hebben gehad om niet de waarheid te verklaren”.

35 Het tweede middel van mr. Noorduyn faalt eveneens.

36. Het derde middel van mr. Noorduyn klaagt over de afwijzing van een voorwaardelijk verzoek tot het horen van getuigen.

37. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 22 juni 2018 houdt onder meer in:

“De raadsvrouw vult nummer 34 van haar pleitnotities aan met een voorwaardelijk verzoek tot nader onderzoek, inhoudende dat indien het hof het standpunt van de verdediging niet volgt, de overige, nog niet bij de rechter-commissaris gehoorde, huisartsen op de presentielijst worden opgeroepen als getuigen.”

38. De beslissing van het hof op dit verzoek in het bestreden arrest luidt als volgt:

“Het hof overweegt omtrent dit voorwaardelijke verzoek als volgt. De hiervoor genoemde getuigen zijn op 4 maart 2016 door de rechter-commissaris gehoord in aanwezigheid van de verdachte en zijn raadsman. De verdediging heeft met het voorwaardelijk verzoek tot het horen van de overige zeven huisartsen op de presentielijst gewacht tot in een zeer laat stadium van de procedure. Nu het verzoek voor het eerst ter terechtzitting in hoger beroep is gedaan, is hierop het noodzakelijkheidscriterium van toepassing. De noodzaak van het horen van de verzochte nadere getuigen is het hof, mede gelet op de omstandigheid dat de verdediging reeds in de gelegenheid is gesteld om vier huisartsen te bevragen en mede gelet op 's Hofs hiervoor weergegeven oordeel rond de niet getrouwe afspiegeling van de werkelijkheid van de "presentielijst", niet gebleken en is door de verdediging ook overigens onvoldoende onderbouwd. Het hof wijst het verzoek daarom af.”

39. Nu aan de bij het verzoek gestelde voorwaarde was voldaan was het hof gelet op de volgens art. 415 Sv in hoger beroep toepasselijke art. 315, 328 en 330 Sv gehouden op het verzoek te beslissen. In zo’n geval is het criterium of de noodzakelijkheid van het verhoor van de nog niet gehoorde getuige blijkt (art. 315, eerste lid, Sv). Het hof heeft derhalve de juiste maatstaf toegepast.12 Ondanks deze strenge maatstaf diende het hof volgens de steller van het middel het ter terechtzitting gedane verzoek in te willigen omdat er sprake was van een bijzondere situatie: relatief sterk ontlastend bewijs (een presentielijst met daarbij behorende deskundigenverslag) werd door het hof terzijde gesteld.13 Bovendien kan de verdediging niet worden tegengeworpen dat het verzoek in een laat stadium van de procedure in hoger beroep is gedaan nu het verzoek om alle artsen op de presentielijst te horen ook reeds in eerste aanleg was gedaan.

40. De motivering van de afwijzing van het verzoek komt mij niet ontoereikend of onbegrijpelijk voor. Dat een in eerste aanleg gevoerde discussie over het horen van alle artsen op de presentielijst met een kennelijk de verdediging in het licht van de door vier artsen afgelegde verklaringen onwelgevallige slotsom niet eerder en slechts voorwaardelijk wordt heropend na het pleidooi in hoger beroep kon het hof in aanmerking nemen als een (in mijn woorden) meer of minder sterke relativering van de noodzaak om de getuigen alsnog te horen.14 Dat geldt eens te meer nu in het voorwaardelijke verzoek niet wordt toegelicht welke reden er kan zijn om aan te nemen dat de overige zeven huisartsen een andere verklaring zullen afleggen dan de vier reeds gehoorde artsen. Dat de presentielijst relatief sterk ontlastend bewijs zou vormen, doet daar zelfs als dit als juist wordt aanvaard niet aan af.

41 Het derde middel van mr. Noorduyn heeft geen kans van slagen.

42. Het vierde middel van mr. Noorduyn betreft de motivering van de beslissing op het verweer dat de in het geding gebrachte geluidsopnamen onbetrouwbaar zijn. Die motivering is volgens de steller van het middel onvoldoende, althans de door het hof gebezigde gronden kunnen de verwerping niet dragen. Uiteindelijk plaatst de steller van het middel in de toelichting onder 14 ook het vierde middel in de sleutel van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359, tweede lid, Sv.

43. Het hof heeft als bewijsmiddel 6 een proces-verbaal van bevindingen betreffende een spraakmemo gebruikt en als bewijsmiddel 7 een geschrift, zijnde een uitgewerkt spraakmemo. Randnummer 6 hierboven bevat de door de steller van het middel gewraakte motivering met als slotsom dat het hof niet aannemelijk acht dat van manipulatie van de geluidsopnames sprake is. Het hof heeft hoe dan ook beslist op het standpunt van de verdediging in feitelijke aanleg en kennelijk staat dus uitsluitend (de overigens uitgebreide) motivering van die beslissing nog (of opnieuw) ter discussie. Het heeft er in deze zaak veel van weg dat elke motivering - hoe uitvoerig ook - in de ogen van de verdachte tekort zal schieten.

44. Het hof heeft onder meer overwogen dat het standpunt van de verdediging in die zin onvoldoende is geconcretiseerd, dat niet is onderbouwd welke onderdelen van de gesprekken geknipt en geplakt zouden zijn. Volgens de steller van het middel houden de pleitnotities in hoger beroep (nrs. 49 en 50) wel degelijk een concretisering in. Het is juist dat in hoger beroep door de verdediging gewezen is op een concrete zin uit het telefoongesprek van 26 januari 2012. Dat de verdediging op die zin heeft gewezen naar aanleiding van de bevindingen uit de analyse van het gespreksverloop door het NFI miskent het hof niet. Ik lees echter in de pleitnotities niet dat namens verdachte voorafgaande aan die gespreksanalyse er op is gewezen dat en waarom juist de passage waarin deze zin voorkomt plak- en knipwerk moet zijn. De klacht berust op een onjuiste lezing van de overweging van het hof.

45. In de schriftuur worden de pijlen uiteindelijk vooral gericht op – wat wordt aangeduid als – de overall conclusie van het hof: “De stelling van de verdachte dat er is geknipt en geplakt in de geluidsopnamen, dan wel dat deze opnamen op andere wijze zouden zijn gemanipuleerd kan weliswaar door de deskundige niet volledig worden uitgesloten, maar vindt als zodanig ook geen steun in het deskundigenonderzoek.” De toelichting op het middel heeft veel van een semantische oefening waarbij vooronderstellingen worden betrokken. Ik volsta met de constatering dat het hof kennelijk op basis van een aantal - uit het NFI rapport in de bewijsoverweging geciteerde (en niet betwiste) - bevindingen niet verder is gekomen dan te constateren dat onregelmatigheden niet volledig zijn uitgesloten, maar dat daar ook geen duidelijke aanwijzingen voor zijn. Die constatering is niet onbegrijpelijk en het is evenmin onbegrijpelijk dat het hof bij die stand van zaken de inhoud van de spraakmemo’s voor het bewijs heeft gebruikt.

46 Ook het vierde middel van mr. Noorduyn treft geen doel.

47. De middelen falen en kunnen met uitzondering van het eerste middel van mr. Spong worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

48. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie HR 14 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2958, NJ 2015/47 (geen therapeutische sessies meer).

2 Term ontleend aan Machielse (Noyon, Langemeijer, Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, aantek. 5 bij art. 246 Sr bijgewerkt tot 15 augustus 2018).

3 Deze strenge uitleg wordt wel bekritiseerd. Zie bijvoorbeeld K. Lindenberg en A.A. van Dijk, Herziening van de zedendelicten, Zutphen 2016, p. 453-455.

4 Vgl. ook A.J. Machielse, aantek. 8 bij art. 249 Sr (Noyon, Langemeijer, Remmelink, a.w.).

5 Uit bewijsmiddel 7 blijkt bijvoorbeeld dat het voor het bewijs gebezigde telefoongesprek van 31 januari 2012 4:15 minuten heeft geduurd, terwijl uit bewijsmiddel 2 blijkt dat het hof er kennelijk vanuit is gegaan dat de [getuige 1] de spreekkamer is binnen gegaan omdat ze het slachtoffer met luide stem hoorde zeggen: “Wat doe je nu. Wat doe je nu.” Dat de getuige door verdachte is gepingd voor zij de spreekkamer inging, acht het hof kennelijk niet aannemelijk.

6 Van Dorst, 2018, p. 237.

7 HR 12 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1158, NJ 2014/252 m.nt. Reijntjes.

8 Zie T&C Sr, 12e druk, aantek. 3 bij art. 342 Sv (Dubelaar).

9 Daarover J. de Hullu, Materieel Strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 428 e.v.

10 In dit soort gevallen wordt ambtshalve cassatie zeer spaarzaam toegepast. Zie bijvoorbeeld HR 26 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:1007, NJ 2018/337, m.nt. Reijntjes.

11 ECLI:NL:PHR:2018:7, onder 5.2.

12 Zie HR 1 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 m.nt. Borgers.

13 De steller van het middel doet daarbij een beroep op HR 31 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ0050, NJ 2011/277.

14 HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 m.nt. Borgers r.o. 2.76. HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015, NJ 2017/440 m.nt. Kooijmans, r.o. 2.8 en 2.9.