Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:1068

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
29-10-2019
Datum publicatie
30-10-2019
Zaaknummer
19/00081
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1904
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Poging zware mishandeling door met auto op ander in te rijden (art. 302 Sr), weigering medewerking te verlenen aan ademonderzoek (art. 163.2 WVW 1994) en verlaten plaats ongeval (art. 7.1.a WVW 1994). 1. Kan uit ondertekende afstandsverklaring worden afgeleid dat verdachte, die t.t.v. tz. in h.b. uit anderen hoofde was gedetineerd, afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht? 2. Bewijsklacht poging zware mishandeling. Kan opzet op toebrengen van zwaar lichamelijk letsel uit gebezigde b.m. worden afgeleid? HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/00081

Zitting 29 oktober 2019

CONCLUSIE

F.W. Bleichrodt

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 24 december 2018 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens 1 primair “poging zware mishandeling”, 2. “overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994” en 3. “overtreding van artikel 7, eerste lid, onder a van de Wegenverkeerswet 1994” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr. Voorts heeft het hof de verdachte ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzegd voor de duur van negen maanden. Tot slot heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van een in beslag genomen, nog niet teruggegeven personenauto en ten aanzien van twee vorderingen van benadeelde partijen en dienovereenkomstig schadevergoedingsmaatregelen opgelegd.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. H.M.W. Daamen, advocaat te Maastricht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans niet zonder meer begrijpelijk, heeft geoordeeld dat de verdachte - die ten tijde van de terechtzitting in hoger beroep uit anderen hoofde was gedetineerd – afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht en het onderzoek ter terechtzitting buiten diens aanwezigheid heeft voortgezet in plaats van dat te schorsen.

  4. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 december 2018 houdt onder meer het volgende in:

    “(…)

    De voorzitter doet de zaak tegen de na te noemen verdachte uitroepen.

    De verdachte genaamd:

    [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] [geboortedatum] 1980,

    uit andere hoofde thans gedetineerd te PI Rijnmond - Gev. De IJssel te Krimpen aan den IJssel,

    is niet ter terechtzitting aanwezig.

    Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. T. Kemper, advocaat te Rosmalen, die verklaart uitdrukkelijk door verdachte gemachtigd te zijn de verdediging te voeren. Het hof stemt daarmee in.

    (…)

    De voorzitter deelt mede dat verdachte, die thans is gedetineerd, niet is aangevoerd, terwijl evenmin een verklaring van afstand van aanwezigheid beschikbaar is. De advocaat-generaal wordt verzocht hierover duidelijkheid te verschaffen.

    Het onderzoek ter terechtzitting wordt onderbroken.

    Na hervatting van het onderzoek ter terechtzitting deelt de advocaat-generaal mede dat verdachte afstand heeft gedaan van zijn recht ter terechtzitting aanwezig te zijn en dat een schriftelijke afstandsverklaring zal worden nagezonden.

    De raadsman heeft geen bezwaar tegen voortzetting van het onderzoek ter terechtzitting.

    De advocaat-generaal draagt de zaak voor.

    (…)

    De raadsman wordt onmiddellijk na de voordracht van de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld mondeling de bezwaren van verdachte, die hoger beroep heeft ingesteld, tegen het vonnis op te geven. De raadsman geeft op dat verdachte meent ten onrechte te zijn veroordeeld en dat verdachte de straf te zwaar acht.

    (…)

    De raadsman pleit overeenkomstig de inhoud van de door hem aan het hof overgelegde pleitnota, welke aan dit proces-verbaal is gehecht en als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd, en voegt daaraan het volgende toe;
    (…)

    De voorzitter deelt mede dat het hof inmiddels de schriftelijke afstandsverklaring van verdachte heeft ontvangen ter zake de zitting van heden. (…)”

  5. Door de steller van het middel wordt aangevoerd dat de handtekening op de aan het voornoemde proces-verbaal van de terechtzitting gehechte afstandsverklaring geen gelijkenis vertoont met de handtekeningen en parafen die door de verdachte zijn geplaatst onder de twee verklaringen die hij bij de politie heeft afgelegd. Die omstandigheid had het hof moeten doen twijfelen aan de authenticiteit van de handtekening op de afstandsverklaring en daarmee aan de afstand die de verdachte van zijn aanwezigheidsrecht zou hebben gedaan. Het hof had het onderzoek ter terechtzitting daarom niet zonder meer mogen voortzetten, aldus de steller van het middel.

  6. Wanneer aan de stukken of het verhandelde ter terechtzitting duidelijke aanwijzingen kunnen worden ontleend dat de verdachte niet vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, behoort het onderzoek ter terechtzitting te worden geschorst teneinde de verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek aanwezig te zijn. Dat is in de regel het geval indien de verdachte uit anderen hoofde is gedetineerd.1

7. Het hof heeft het voorafgaande niet miskend. Het heeft het onderzoek ter terechtzitting onderbroken nadat de voorzitter van het hof had geconstateerd dat de verdachte was gedetineerd en niet ter terechtzitting aanwezig was, terwijl evenmin een afstandsverklaring beschikbaar was. Het hof heeft voorts de nadien ontvangen schriftelijke afstandsverklaring klaarblijkelijk aangemerkt als een vrijwillige, van de verdachte afkomstige afstandsverklaring, zoals hiervoor bedoeld. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk. Bij het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is een afstandsverklaring gevoegd met daarop vermeld de naam van de verdachte, het parketnummer van de onderhavige zaak, de datum van de zitting en een paraaf/handtekening. Het hof heeft op grond van die verklaring ervan kunnen uitgaan dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Daarop heeft het hof zijn beslissing het onderzoek op de terechtzitting buiten de aanwezigheid van de verdachte voort te zetten, kunnen gronden.

8. De steller van het middel baseert zijn andersluidende visie op een vergelijking van de handtekening / paraaf die is geplaatst op de afstandsverklaring van 12 december 2018 met de handtekeningen / parafen die de verdachte heeft geplaatst onder zijn verklaringen bij de politie.2 Niet kan worden gezegd dat de laatstgenoemde handtekeningen / parafen “geen enkele gelijkenis” vertonen met de handtekening / paraaf op de afstandsverklaring.3 Met name de parafen op de verschillende pagina’s van de verklaringen die bij de politie zijn afgelegd, wijken niet dusdanig af van de paraaf / handtekening op de afstandsverklaring, dat moet worden aangenomen dat het niet de verdachte is geweest die de paraaf / handtekening heeft gezet.4 Aldus behelzen de stukken van het geding niets dat het hof aanleiding had behoren te geven tot twijfel aan de authenticiteit van de afstandsverklaring. Daarbij neem ik in aanmerking dat noch door de uitdrukkelijk gemachtigde raadsman ter terechtzitting in hoger beroep noch in cassatie enig (ander) aanknopingspunt is gegeven voor twijfel dat het de verdachte is geweest die de afstandsverklaring heeft ondertekend.5

9. Het middel faalt.

10. Het tweede middel richt zich tegen de bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde. Het bevat de klacht dat het opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel niet zonder meer uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, zodat de bewezenverklaring niet naar de eis van de wet voldoende met redenen is omkleed.

11. Ten laste van de verdachte is onder 1 primair bewezen verklaard dat:

“hij op 14 mei 2017 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangeefster] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto op die [aangeefster] is toegereden en ingereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;”

12. De bewezenverklaring berust op negen bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de aanvulling op het verkort arrest.

13. Het hof heeft een door de verdediging op de terechtzitting in hoger beroep gevoerd verweer ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde feit als volgt samengevat en verworpen:

“De verdediging heeft in hoger beroep vrijspraak van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bepleit. (…). Subsidiair is ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde aangevoerd dat (1) gelet op de onderlinge verschillen tussen de verklaringen van diverse aangevers en getuigen niet zonder meer van de juistheid daarvan kan worden uitgegaan, en (2) dat onmogelijk kan worden gezegd dat verdachte op enig moment (voorwaardelijk) opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, omdat niet hard is gereden en de auto klein was.

Het hof oordeelt als volgt.
(…)

Ten aanzien van het subsidiaire verweer van de verdediging geldt het volgende. Het hof is van oordeel dat de tot bewijs gebruikte verklaringen van aangevers en getuigen in de kern op elkaar aansluiten en de verschillen daartussen ten aanzien van diverse, ondergeschikte, details niet afdoen aan de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van deze verklaringen.

Het hof is voorts van oordeel dat verdachte minst genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [aangeefster] . Uit de bewijsmiddelen leidt het hof immers af dat verdachte, gezeten in een personenauto, op [a-straat] met enige snelheid recht/frontaal op [aangeefster] is afgereden en dat [aangeefster] opzij is gesprongen vlak voordat een aanrijding zou zijn ontstaan. Niet blijkt, en ook is niet aangevoerd, dat verdachte heeft geprobeerd [aangeefster] te ontwijken. Het is verder algemeen bekend dat ook kleine personenauto’s minstens vele honderden kilo’s zwaar zijn, en dat een frontale aanrijding met een auto van een persoon gemakkelijk ertoe kan leiden dat door de aanrijding de persoon ten val komt en die auto over de persoon heen rijdt, althans dat de persoon onder de rijdende auto terecht komt. Naar algemene ervaringsregels is de kans aanmerkelijk dat bij een dergelijke aanrijding, ook bij geringe snelheid, zeer ernstig lichamelijk letsel ontstaat bij de persoon die onder de (wielen van de) auto terecht komt. Het subsidiaire verweer wordt daarom verworpen.
(…)”

14. Het middel bevat in de toelichting daarop de klacht dat uit de gebezigde bewijsmiddelen wellicht kan worden afgeleid dat de verdachte in de richting van [aangeefster] is gereden en dat zij aan de kant moest springen om niet door het voertuig te worden geraakt, maar dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van [aangeefster] aldaar dan wel dat de verdachte de kans op zwaar lichamelijk letsel bewust zou hebben aanvaard.

15. Ik bespreek allereerst de klacht dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van [aangeefster] .

16. De door het hof gebezigde bewijsmiddelen houden onder meer het volgende in. De aangeefster ( [aangeefster] ) heeft verklaard zij haar moeder hoorde roepen dat er iemand tegen haar auto was gereden en voorts dat zij, de aangeefster, de auto waarin de verdachte reed zag staan aan het einde van de straat. Zij zag dat het raam aan de bestuurderszijde half geopend was. Daarop heeft zij de verdachte aangesproken en meermalen gezegd dat hij uit zijn auto moest stappen, zodat de aanrijding kon worden afgehandeld. Op dat moment stond zij aan de bestuurderszijde van de auto. De verdachte stapte niet uit. De aangeefster ging vervolgens voor de auto staan, zodat de verdachte niet weg kon komen (bewijsmiddel 4). Ook de moeder van de aangeefster ( [betrokkene 1] ) heeft verklaard dat zij zag dat haar dochter de verdachte aansprak en dat haar dochter voor de auto ging staan (bewijsmiddel 5). Andere getuigen hebben verklaard dat zij hebben gezien dat de aangeefster de auto met daarin de verdachte probeerde te stoppen en dat zij opzij moest springen toen de auto wegreed (bewijsmiddelen 7 en 8).

17. In het licht van deze, uit de bewijsmiddelen volgende feiten en omstandigheden, is het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van het hof dat de verdachte zich van de aanwezigheid van de aangeefster voor de auto bewust is geweest niet onbegrijpelijk. Daarbij merk ik nog op dat door de verdediging niet is aangevoerd dat de verdachte de aangeefster niet heeft gezien. Het hof was niet gehouden tot een nadere motivering van zijn oordeel. In zoverre faalt het middel.

18. Het middel bevat voorts de klacht dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet blijkt dat de verdachte de kans op zwaar lichamelijk letsel bewust zou hebben aanvaard.

19. Het hof heeft in zijn nadere bewijsoverweging overwogen dat de verdachte in zijn auto met enige snelheid recht/frontaal op aangeefster [aangeefster] is afgereden, die voor zijn auto stond, en dat zij op tijd opzij heeft kunnen springen. Voorts heeft het hof overwogen dat een frontale aanrijding met een auto van een persoon gemakkelijk ertoe kan leiden dat door die aanrijding de persoon ten val komt en zo onder de rijdende auto terechtkomt. Bij een dergelijke aanrijding is naar het oordeel van het hof naar algemene ervaringsregels de kans aanmerkelijk dat, ook bij een geringe snelheid, zeer ernstig lichamelijk letsel ontstaat bij de persoon die onder de (wielen van de) auto terechtkomt.

20. In de nadere bewijsoverweging van het hof ligt als zijn oordeel besloten dat ook de verdachte op de hoogte was van de door het hof genoemde aanmerkelijke kans. Daarin ligt ook besloten dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte, door zijn auto in beweging te brengen en met enige snelheid/frontaal op [aangeefster] af te rijden, de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel ook heeft aanvaard.6 Gelet op de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden, waarover in cassatie niet wordt geklaagd, is dat oordeel niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat de aangeefster naast de auto van de verdachte stond, aan de bestuurderszijde, terwijl het raam half geopend was, de aangeefster meermalen tegen de verdachte heeft gezegd dat hij moest uitstappen en de aangeefster vervolgens voor de auto is gaan staan, zodat de verdachte niet weg kon komen. De omstandigheden dat het incident ’s nachts plaatsvond en er sterke vermoedens waren dat de verdachte “in kennelijke toestand” verkeerde, doen aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof niet af.

21. Het middel faalt.

22. De beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging.

23. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

24. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317, m.nt. Schalken.

2 De scan van de verblijfsvergunning op de ID-staat van de verdachte is – zo merkt de steller van het middel terecht op – te vaag om te kunnen vergelijken met de handtekening op de afstandsverklaring.

3 Vgl. HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2402.

4 Vgl. HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2393.

5 Vgl. HR 14 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8787. Vgl. in dit verband ook de conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld van 17 september 2019 (ECLI:PHR:2019:766).

6 Vgl. ook G. Knigge en H.D. Wolswijk, Het materiële strafrecht, Ons Strafrecht, dl. 1, Deventer: Kluwer 2015, p. 124 en HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718, HR 30 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:117, rov. 3.2, HR 30 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:973, rov. 3.4, HR 24 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:60, rov. 2.3, HR 17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:862, rov. 3.2.2, HR 30 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5396, NJ 2013/111 m.nt. Keijzer, rov. 2.3, HR 13 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7123, NJ 2012/12, rov. 3.4, HR 18 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4871, rov. 3.5, HR 22 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3888, NJ 2006/123, rov. 3.3, HR 18 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR1860, NJ 2005/154 m.nt. De Jong, rov. 3.3 en HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003/552 m.nt. Buruma, rov. 3.6.