Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:1062

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
29-10-2019
Datum publicatie
30-10-2019
Zaaknummer
18/03349
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1930
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie A-G. Beslag ex art. 94 Sv en beklag. De A-G maakt mede naar aanleiding van HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2003 enkele opmerkingen over de vraag of het feit dat de rechtbank een mondeling aangevuld klaagschrift in zijn geheel heeft behandeld, moet leiden tot de (partiële) niet-ontvankelijkheid van de klager in zijn cassatieberoep, dan wel een grond kan opleveren voor (ambtshalve) cassatie. De A-G stelt zich op het standpunt dat de Hoge Raad het cassatieberoep moet verwerpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/03349 B

Zitting 29 oktober 2019

CONCLUSIE

G. Knigge

In de zaak

[klager] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

hierna: de klager.

  1. De rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, heeft bij beschikking van 3 mei 2018 een klaagschrift strekkende tot teruggave van een aantal auto’s ongegrond verklaard.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en mr. R.D.J. Visschers, advocaat te Zutphen, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

3 Het procesverloop

3.1.

Uit de stukken die op de voet van art. 447 lid 2 Sv aan de Hoge Raad zijn toegezonden blijkt dat namens de klager, [klager] , geboren op [geboortedatum] 1988, een klaagschrift is ingediend dat, blijkens een daarop geplaatste stempel, op 27 maart 2018 door de rechtbank is ontvangen en dat, blijkens een daarop gemaakte aantekening, het nummer RK 18/303 heeft gekregen. In dit klaagschrift verzoekt de klager teruggave aan hem van de bij de doorzoeking in zijn bedrijfspand op 16 maart 2018 in beslag genomen:

  • -

    Volkswagen Touran, zilverkleurig, bouwjaar 2013;

  • -

    Volkswagen Golf GTI, kleur antraciet;

  • -

    Volkswagen Polo GTI, kleur zwart;

  • -

    Peugeot 207, Cabrio, grijs;

  • -

    Volkswagen Transporter, kenteken [kenteken 1] , donkerblauw.

3.2.

Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal heeft de rechtbank op 3 mei 2018 in de zaak met parketnummer 05/720111-18, rechtbanknummer 18/303, in raadkamer behandeld een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend namens: “ [klager] geboren op: [geboortedatum] 1988”. Voornoemd proces-verbaal houdt met betrekking tot de behandeling in:

“Tegenwoordig:

mr. C.H.M. Pastoors, rechter, en E.M. Damink, griffier.

Als officier van justitie is aanwezig mr. W. Pustjens.

Ter zitting is verschenen de raadsvrouw van klager, mr. R.J.T. Leijzer, ter vervanging van mr. R.D.J. Visschers. Klager is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

De raadsvrouw voert het woord:

Ik had mijn cliënt wel verwacht, maar hij is er niet. Ik ben door hem gemachtigd.

De rechter vraagt mij over welke zwart Volkswagen Polo het gaat in het klaagschrift. Ik zie dat er inderdaad drie zwarte Polo’s in beslag zijn genomen, ik denk dat het klaagschrift zo gelezen moet worden dat het om alle drie de zwarte Polo’s gaat. Wij hebben gistermiddag pas de stukken ontvangen. Ik wijs u op pagina 48 van het proces-verbaal van bevindingen en de conclusie van de officier van justitie. Er zijn in de strafzaak drie personen als verdachte aangemerkt, waaronder de vader van mijn cliënt. Het is volstrekt onduidelijk gebleven waarom mijn cliënt ook als verdachte is aangemerkt. Uit het dossier wordt niet duidelijk op basis waarvan de verdenking richting mijn cliënt is ontstaan, behalve dan dat zijn vader betrokken zou zijn bij die loods in Azewijn. Mijn cliënt is in een andere loods aangetroffen, dat was de loods in Winterswijk. Daar is ook zijn bedrijf gevestigd. Het lijkt er op dat maar van alles in beslag is genomen in de hoop dat daaruit een verdenking zal ontstaan. In de loods in Winterswijk is niets strafbaars aangetroffen. Het klopt wel dat daar gereedschappen in beslag zijn genomen, waarvan men zegt dat die van mijn cliënt zijn. Het Openbaar Ministerie heeft beslag gelegd op het volledige bedrijf van mijn cliënt. Uit dat bedrijf zijn uiteindelijk spullen verdwenen. Het is niet nader onderbouwd waarom de verdenking daarvoor richting mijn cliënt gaat. Er is gesteld dat het onduidelijk is of de in beslag genomen voertuigen van diefstal afkomstig zijn. Het klaagschrift is van 26 maart jl. en nadien is er door de politie niet aangetoond dat er iets mis zou zijn met de voertuigen in de loods van mijn cliënt. Mijn cliënt heeft een bedrijf waarbij hij handelt in tweedehands onderdelen. Het is dan niet uit te sluiten dat daar iets tussen zit dat van diefstal afkomstig is, maar dan zou mijn cliënt daar ook weet van moeten hebben. Nu, na zes weken, bestaat er nog steeds geen concrete verdenking. Het belang van Strafvordering verzet zich daarom niet langer tegen teruggave van de voertuigen aan mijn cliënt.

De officier van justitie voert het woord:

Ik verwijs naar de summiere toetsing die u moet toepassen. De schriftelijke conclusie van het Openbaar Ministerie is duidelijk. Het gaat hier om een groot aantal voertuigen en onderdelen daarvan. Ik vind niet dat het onderzoek al onredelijk lang duurt. Ik persisteer bij de schriftelijke conclusie.

De raadsvrouw voert het woord:

Volgens de officier van justitie is er in al die weken dus één klein onderdeel aangetroffen dat van diefstal afkomstig zou zijn. Ik vind dat dusdanig weinig dat het beslag niet langer moet voortduren. Ik vind het buitenproportioneel dat er nog steeds op alle goederen beslag ligt. Vandaag gaat het echter alleen om de, in het klaagschrift genoemde, voertuigen en de waarde daarvan.

De rechter verklaart het onderzoek gesloten, doet terstond uitspraak en wijst op de mogelijkheid van cassatie.”

3.3.

De zich bij de stukken bevindende beschikking is gewezen op 3 mei 2018, in de zaak met parketnummer 05/720111-18, rechtbanknummer 18/303, door mr. C.H.M. Pastoors, als rechter, in tegenwoordigheid van E.M. Damink, als griffier. Deze beschikking die als naam van de betrokkene noemt “ [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 1966” houdt in:

“(…)

raadsman: mr. R.D J. Visschers, advocaat te Zutphen.

De procedure

Blijkens kennisgevingen van inbeslagneming, gedateerd 16 maart 2018, zijn op 16 maart 2018 onder klager, als verdachte van heling, een Volkswagen Touran (zilverkleurig, kenteken [kenteken 2] ), een Volkswagen Golf GTI (kleur zwart, kenteken [kenteken 3] ), een Volkswagen Polo GTI (kleur zwart, kenteken [kenteken 4] ), een Volkswagen Polo GTI (kleur zwart, kenteken [kenteken 5] ), een Volkswagen Polo GTI (kleur zwart, kenteken [kenteken 6] ), een Peugeot 207 (kleur grijs, kenteken [kenteken 7] ) en een Volkswagen Transporter (kleur donkerblauw, kenteken [kenteken 1] ) in beslag genomen.

Op 27 maart 2018 is bij deze rechtbank binnengekomen het klaagschrift van klager ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, welk klaagschrift betrekking heeft op de een Volkswagen Touran (zilverkleurig, kenteken [kenteken 2] ), een Volkswagen Golf GTI (kleur zwart, kenteken [kenteken 3] ), een Volkswagen Polo GTI (kleur zwart), een Peugeot 207 (kleur grijs, kenteken [kenteken 7] ) en een Volkswagen Transporter (kleur donkerblauw, kenteken [kenteken 1] ). Ter zitting is door de raadsvrouw ook verzocht om teruggave van de overige 2 inbeslaggenomen Volkswagens Polo (kleur zwart).

Het onderzoek in raadkamer

In openbare raadkamer van 3 mei 2018 zijn gehoord:

- mr. R.J.T. Leijzer, ter waarneming van mr. Visschers en

- de officier van justitie;

Hoewel op de bij de wet voorgeschreven wijze opgeroepen, was klager niet in raadkamer aanwezig.

Het standpunt van klager

In het klaagschrift en tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft klager zich op het standpunt gesteld dat de onder klager inbeslaggenomen auto’s aan hem moeten worden geretourneerd. Daartoe is, kort samengevat, aangevoerd dat uit de stukken volstrekt onduidelijk is gebleven waarom klager als verdachte is aangemerkt. Er is door het Openbaar Ministerie gesteld dat er nog nader onderzoek naar de auto’s verricht dient te worden. Het klaagschrift is van 26 maart 2018 en in de tussenliggende periode heeft men alleen een multi media systeem van een gestolen Duits voertuig gevonden. Het is buiten alle proporties dat het beslag nog voortduurt.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de schriftelijke conclusie van het openbaar ministerie.

De beoordeling

Het klaagschrift is tijdig ingediend.

In een procedure als deze toetst de raadkamer de rechtmatigheid van het beslag en slechts marginaal het belang van een rechtens juiste en zorgvuldige strafvordering. De raadkamer overweegt voorts dat in het kader van deze raadkamerprocedure op basis van een klacht ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek, gelet op de aard van die procedure, niet anders dan summier kan zijn.

Het is niet komen vast te staan dat het beslag onrechtmatig is.

Het onderzoek is nog volop gaande. Op dit moment heeft politieonderzoek aangetoond dat zich in de loods van klager een groot aantal auto-onderdelen bevond die niet meer voorzien waren van herkenningstekens en nummers. Ook werd een groot aantal voorwerpen aangetroffen die gebruikt worden bij autodiefstal. In één van de inbeslaggenomen auto’s is een navigatiesysteem aangetroffen dat van diefstal afkomstig is.

Gelet op het vorenstaande is de raadkamer van oordeel dat de inbeslaggenomen auto’s kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. De raadkamer zal daarom beslissen als hierna te melden en neemt daarbij de desbetreffende wetsartikelen in aanmerking.

De beslissing

De raadkamer

verklaart het klaagschrift ongegrond.”

4 De ontvankelijkheid van de klager in het beroep

4.1.

Het namens de klager ingestelde cassatieberoep richt zich tegen een beschikking die, als afgegaan wordt op de tekst ervan, is gegeven in een zaak tegen een ander, namelijk [betrokkene 1] . Uit de inhoud van de boven weergegeven stukken blijkt echter dat sprake is van een kennelijke misslag en dat in de bestreden beschikking abusievelijk klagers vader in plaats van de klager wordt genoemd als degene die het klaagschrift heeft ingediend en tegen wie de beschikking wordt gegeven. De Hoge Raad dient de bestreden beschikking dan ook verbeterd te lezen.

4.2.

De rechtbank heeft het klaagschrift kennelijk ook ontvankelijk geacht voor zover dat klaagschrift bij de behandeling in raadkamer mondeling is aangevuld met een verzoek om teruggave “van de overige 2 inbeslaggenomen Volkswagens Polo (kleur zwart)”. De vraag is of dat moet leiden tot de partiële niet-ontvankelijkheid van de klager in zijn cassatieberoep. De door de Hoge Raad gegeven beschikking van 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2003 is op dit punt naar mijn bescheiden mening verwarrend. De vraag wat de consequenties moeten zijn van een niet op de griffie ingediend en mondeling aangevuld klaagschrift waarin de rechtbank de klager ten onrechte heeft ontvangen, wordt in die beschikking behandeld onder de kop: “Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep”. Vervolgens wordt echter overwogen dat de door de rechtbank gemaakte fout niet tot cassatie behoeft te leiden. Een fout kan echter pas tot cassatie leiden als het ingestelde beroep ontvankelijk is, terwijl een niet-ontvankelijkverklaring van de klager in zijn beroep betekent dat de bestreden beschikking met de daarin gemaakte fout in stand blijft. Ik meen dan ook dat het hier niet gaat om de ontvankelijkheid van de klager in zijn beroep, maar om de vraag of er reden is voor ambtshalve cassatie. Dat zal in de regel niet het geval zijn als de belangen van derden die met het op de juiste wijze indienen van een klaagschrift zijn gemoeid, niet in het gedrang zijn gekomen. In een dergelijk geval kan zelfs geoordeeld worden dat, zo valt in de genoemde beschikking van 30 oktober 2018 te lezen, “niet-ontvankelijkverklaring van [de klager] in zijn beklag achterwege kon blijven”. Van een fout van de rechtbank is in dat geval dus eigenlijk geen sprake.1

4.3.

Ik meen overigens dat voor ambtshalve cassatie op de hier bedoelde grond ook onvoldoende reden is als de rechtbank het klaagschrift ongegrond heeft verklaard en de Hoge Raad oordeelt dat de voorgestelde cassatiemiddelen niet tot cassatie kunnen leiden. De verwerping van het cassatieberoep tegen de ongegrondverklaring van het beklag betekent immers in dat geval dat de belangen van derden door de gemaakte fout niet in het gedrang zijn gekomen. Dat ligt anders als de Hoge Raad een voorgesteld cassatiemiddel gegrond acht, zodat verwijzing of terugwijzing zou moeten volgen. Dan kan het om redenen van proces-economie aangewezen zijn om ambtshalve te oordelen dat de klager niet in zijn beklag kan worden ontvangen. Uiteraard kan de Hoge Raad ervan afzien om de cassatiemiddelen te bespreken en zonder meer ambtshalve casseren en de klager niet-ontvankelijk verklaren in zijn beklag. Die weg is echter niet begaanbaar als het om een partiële niet-ontvankelijkheid gaat.

4.4.

De Hoge Raad is ambtshalve bekend met het feit dat tegen [betrokkene 1] , de vader van de klager, een strafzaak loopt met parketnummer 21/000173-16, aangezien in die zaak beroep in cassatie is ingesteld dat aanhangig is in cassatie onder het nummer 19/01674. In die strafzaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, op 27 maart 2019 arrest gewezen. In de – in dat arrest opgenomen – tenlastelegging wordt geen van de onder de klager inbeslaggenomen auto’s genoemd. Het lijkt er dus op dat die strafzaak geen betrekking heeft op deze auto’s. Er is in elk geval onvoldoende grond om aan te nemen dat in deze strafzaak al over de auto’s is beslist, zodat de klager niet op die grond niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn cassatieberoep.

4.5.

Uit door mij ingewonnen inlichtingen is gebleken dat ook tegen de klager een strafzaak loopt. Die strafzaak heeft het parketnummer 05/720111-18, hetzelfde parketnummer dus als vermeld in de onderhavige beklagzaak. Uit de ingewonnen inlichtingen, die dateren van mei van dit jaar, blijkt dat het dossier bij de rechter-commissaris ligt voor het horen van getuigen. Een reden om aan te nemen dat in deze strafzaak al bij vonnis over de inbeslaggenomen auto’s is beslist, is er dus niet.

5 Het eerste middel

5.1.

Het middel klaagt dat de bestreden beschikking ten onrechte is gewezen tegen [betrokkene 1] , klagers vader, in plaats van tegen de klager.

5.2.

De klacht mist feitelijke grondslag aangezien de bestreden beschikking op dit punt verbeterd dient te worden gelezen (hiervoor, onder 4.1). Ik merk daarbij op dat het belang van de klager bij een alleen vanwege de begane misslag ingesteld cassatieberoep niet evident is, nu de klager om een herstelbeschikking had kunnen vragen.

5.3.

Het middel faalt.

6 Het tweede middel

6.1.

Het middel klaagt over het oordeel van de rechtbank dat niet is komen vast te staan dat het beslag onrechtmatig is. Gesteld wordt dat de rechtbank niet voorbij had mogen gaan aan het namens de klager gevoerde verweer dat jegens de klager geen verdenking bestaat.

6.2.

Ik stel voorop dat het enkele feit dat een voorwerp onrechtmatig in beslag is genomen omdat ten tijde van de inbeslagneming geen sprake was van een redelijk vermoeden van een begaan strafbaar feit, volgens de tegenwoordige rechtspraak van de Hoge Raad geen reden oplevert om het beklag tegen de inbeslagneming gegrond te verklaren. Die reden is er pas als er op het moment waarop de beklagrechter oordeelt van een dergelijk vermoeden geen sprake is.2 Voor zover het middel op een andere opvatting berust, faalt het.

6.3.

Ik stel ook voorop dat voor inbeslagneming niet is vereist dat jegens de beslagene een redelijk vermoeden van schuld bestaat aan een begaan strafbaar feit. Voldoende voor een op de voet van art. 94 Sv gelegd beslag is een redelijke vermoeden dat een strafbaar feit is begaan. Een verdachte hoeft er (nog) niet te zijn. Bovendien kan de verdachte een ander zijn dan de beslagene. Voor zover het middel op een andere opvatting berust, faalt het.

6.4.

Uit de door de rechtbank in de bestreden beschikking genoemde kennisgevingen van inbeslagneming blijkt dat de auto’s waarvan de klager de teruggave verzoekt, op de voet van art. 94 Sv onder de klager in beslag zijn genomen.3 Uit deze kennisgevingen blijkt niet of de auto’s in beslag zijn genomen in het kader van een strafrechtelijk onderzoek dat zich tegen de klager richtte, dan wel in het kader van een strafrechtelijk onderzoek dat gericht was tegen de vader van de klager. Ook de processen-verbaal van bevindingen die zich bij de gedingstukken bevinden, verschaffen daarover geen duidelijkheid.

6.5.

De steller van het middel kan worden toegegeven dat de overwegingen van de rechtbank weinig inzicht verschaffen in de door de rechtbank gevolgde gedachtegang. Als de rechtbank heeft geoordeeld dat de auto’s in het kader van het tegen de vader gerichte strafrechtelijke onderzoek in beslag zijn genomen, zou het de rechtbank niet hebben misstaan als zij had aangegeven welk (vermoedelijk) verband er bestaat tussen de tegen de vader gerezen verdenking en de auto’s van de zoon en dus welk strafvorderlijk belang ermee gemoeid is om in de strafzaak tegen de vader beslag te leggen op de auto’s van de zoon. Als de rechtbank heeft geoordeeld dat het beslag is gelegd of althans is gehandhaafd in het kader van een tegen de klager zelf ingesteld strafrechtelijk onderzoek, zou het de rechtbank niet hebben misstaan als zij had aangegeven welke verdenking tegen de klager bestaat en waarop die is gegrond.

6.6.

Het ontbreken van een inzicht gevende motivering op dit punt behoeft echter niet tot cassatie te leiden. Zoals in de toelichting op het cassatiemiddel wordt aangevoerd, vermeldt de officier van justitie in zijn schriftelijke reactie op het gedane beklag dat de klager na afloop van het onderzoek als verdachte zal worden gehoord. Op grond hiervan heeft de rechtbank, die in de bestreden beschikking van de bedoelde schriftelijke reactie melding maakt, kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de klager op het moment waarop de rechtbank oordeelde werd verdacht van een strafbaar feit en dat het beslag op de auto’s in het kader van het onderzoek naar dat strafbare feit is gelegd of althans is gehandhaafd. De rechtbank heeft voorts overwogen dat het politieonderzoek “op dit moment” heeft aangetoond “dat zich in de loods van klager een groot aantal auto-onderdelen bevond die niet meer voorzien waren van herkenningstekens en nummers. Ook werd een groot aantal voorwerpen aangetroffen die gebruikt worden bij autodiefstal. In één van de inbeslaggenomen auto’s is een navigatiesysteem aangetroffen dat van diefstal afkomstig is”. De rechtbank heeft op grond hiervan kennelijk geoordeeld dat de tegen de klager bestaande verdenking diefstal dan wel heling betrof en dat die verdenking – gelet op hetgeen het politieonderzoek heeft aangetoond – berustte op concrete feiten en omstandigheden die maakten dat de verdenking redelijk kan worden genoemd. Onbegrijpelijk is dat oordeel niet. Daarop stuit het middel af.

6.7.

Het middel faalt.

7. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de motivering ontleend aan art. 81 lid 1 RO.

8. Het feit dat de rechtbank de klager ontvankelijk heeft geacht in zijn klaagschrift voor zover dat mondeling is aangevuld, levert om de hiervoor, onder 4.3 vermelde reden geen grond op voor ambtshalve cassatie. Door mij zijn ook geen andere gronden aangetroffen die tot ambtshalve vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.

9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. de noot van J.M. Reijntjes bij deze beschikking zoals gepubliceerd in de NJ (HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2003, NJ 2019/215, noot onder NJ 2019/216).

2 Zie m.n. HR 3 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:502.

3 Alle kennisgevingen bevinden zich bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken.