Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:1051

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-09-2019
Datum publicatie
15-10-2019
Zaaknummer
18/02299
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1586
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Poging zware mishandeling (art. 45 jo. 302 Sr) door met kracht een koekenpan met hete olie tegen de rug van het slachtoffer te gooien. Bewijsklachten over opzet en de temperatuur van de olie. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/02299

Zitting 3 september 2019

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,

hierna: de verdachte.

1. Bij arrest van 7 mei 2018 heeft het gerechtshof Den Haag onder aanvulling van een beslissing tot aftrek van voorarrest het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 september 2017 bevestigd waarbij:

- de verdachte wegens onder 1 “mishandeling” en onder 2 primair “poging tot zware mishandeling” is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand;

- is gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld, waarbij voorwaarden zijn gesteld betreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde zoals in het vonnis omschreven;

- de onmiddellijke uitvoerbaarheid is bevolen van de terbeschikkingstelling met voorwaarden;

- is beslist op de vordering van de benadeelde partij en in dat verband een schadevergoedingsmaatregel is opgelegd.

Het hof heeft alsnog de aftrek van voorarrest bevolen.

2. Namens de verdachte heeft mr. B.A. Fijma, advocaat te Zwijndrecht, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt over de motivering van de verwerping door het hof van het verweer “dat er geen sprake kan zijn geweest van een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel”. Het tweede middel klaagt over de motivering van de verwerping door het hof van het verweer dat de verdachte “geen opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel”. De middelen kunnen gezamenlijk worden besproken omdat ze betrekking hebben op twee met elkaar samenhangende onderdelen van de onder 2 primair bewezen verklaarde poging tot zware mishandeling.

4. Ten laste van de verdachte is onder 2 primair bewezen verklaard dat:

“hij op 12 maart 2017 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet een pan en hete olie/vloeistof tegen de rug van die [slachtoffer] heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid”.

5. Voordat ik de middelen inhoudelijk bespreek, sta ik kort stil bij het belang van de verdachte bij cassatie. In de toelichting op het eerste middel wordt terecht gewezen op de in artikel 37a, eerste lid, aanhef en onder 1°, Sr gestelde voorwaarde om de terbeschikkingstelling te gelasten. Een veroordeling wegens de onder 1 bewezen verklaarde “mishandeling” voldoet daaraan niet, ook niet in combinatie met een veroordeling ter zake van de onder 2 subsidiair ten laste gelegde ‘eenvoudige’ mishandeling, Alleen met een veroordeling ter zake van poging tot zware mishandeling is aan de gestelde voorwaarde voldaan. In deze zaak is daarvoor van doorslaggevend belang dat bewezen is verklaard dat met een pan met daarin hete olie tegen de rug van het slachtoffer is gegooid. Door het schrappen van de zinsnede “en hete olie” zou wezenlijk afbreuk worden gedaan aan de aard en ernst van het bewezenverklaarde,1 omdat het enkele gooien van een pan tegen de rug van een persoon zonder nader motivering, niet kan worden aangemerkt als een poging tot zware mishandeling. Namens de verdachte wordt echter betwist dat uit de bewijsvoering van het hof voldoende blijkt dat de olie heet zou zijn geweest.

6. Ten behoeve van de bespreking van de middelen, geef ik eerst de bewijsmiddelen weer die de rechtbank in haar door het hof bevestigde vonnis heeft gebruikt:

“1.

Het proces-verbaal van aangifte, nummer PL1700-2017079713-1, pagina’s 3-5 in het proces-verbaal met registratienummer PL1700-2017079713, van politie, regionale eenheid Rotterdam, inhoudende als verklaring van aangeefster [slachtoffer]:

Op 12 maart 2017 was ik werkzaam in het ouderencomplex [A] aan de [a-straat] in Rotterdam. Omstreeks 17.15 uur zag ik dat [verdachte] in kamer [001] aan het koken was op een elektrisch kookstel. Ik rook op de gang al de sterke geur van het eten. Ik zag dat [verdachte] aan het koken was op een elektrisch gasstel. Ik heb [verdachte] aangesproken. Vervolgens ben ik verder aan het werk gegaan. Ik hoorde op dat moment een brandalarm afgaan. Mijn collega [betrokkene 1] vertelde dat de brandalarm was afgegaan als gevolg van de rookontwikkeling van het koken van [verdachte] . Zij vertelde dat zij hem hierop had aangesproken en gevraagd om de deur van zijn kamer te sluiten. [betrokkene 1] vertelde dat hij de voordeur gesloten had. Ik hoorde plotseling weer het brandalarm afgaan. Ik ben naar de kamer van [verdachte] gelopen. Ik zag dat [verdachte] de voordeur van zijn kamer [001] opende. Ik zag dat hij direct op mij af kwam en mij met zijn linker vuist keihard tegen de rechter zijde van mijn gezicht sloeg. Ik voelde direct pijn aan mijn gezicht. Ik zag dat hij toen naar het elektrisch gasstel liep en de pan in zijn handen nam. Ik draaide mij om en op dat moment voelde ik dat iets hards mijn rug raakte. Ik voelde dat mijn rug erg heet werd. Ik voelde op dat moment een branderige pijn in mijn rug. De medewerkers van de ambulance hebben mij verteld dat de lagen kleding die ik aan had mijn redding zijn geweest.

2.

Het proces-verbaal van verhoor, nummer PL 1700-2017079713-11, pagina’s 13-14 in het proces-verbaal met registratienummer PL1700-2017079713, van politie, regionale eenheid Rotterdam, inhoudende als verklaring van [betrokkene 1]:

Op 12 maart 2017 had ik met [slachtoffer] dienst in het ouderencomplex [A] aan de [a-straat] te Rotterdam. Toen het brandalarm afging ben ik met [slachtoffer] naar [verdachte] gegaan. Mijn collega kreeg toen een harde klap aan de rechterkant van haar gezicht van [verdachte] . Opeens hoorde ik iets vallen. Ik zag dat er olie op de kleding van de rug van [slachtoffer] zat. Ik hoorde haar zeggen dat ze een branderig gevoel had aan haar onderrug. Toen haar uniformjas uit was zag ik een rode plek op haar rug. Later zag ik dat het een kleine koekenpan was. Ik zag ook dat er olie of vet op de vloer van de gang lag. Ik zag dat er restjes oude olie of vet in de koekenpan zat.

3.

Het proces-verbaal van verhoor, nummer PL1700-2017079713-5, pagina’s 15-18 in het proces-verbaal met registratienummer'PL1700-2017079713, van politie, regionale eenheid Rotterdam, inhoudende als verklaring van de verdachte [verdachte] afgelegd op 13 maart 2017:

Ik woon aan de [a-straat 1] in Rotterdam. Gisteren (de rechtbank begrijpt: ‘12 maart 2017’) heb ik een pannetje gepakt waar ik fricandellen in heb gebakken. Ik heb een koekenpan gegooid naar een mevrouw die daar werkt. Volgens mij zat er olie in die pan.”

7. Met betrekking tot de verweren waarop beide middelen betrekking hebben heeft de rechtbank in haar door het hof bevestigde vonnis het volgende overwogen:

“De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of bewezen kan worden dat de verdachte geprobeerd heeft aangeefster opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Uit het onderzoek ter terechtzitting en de inhoud van het dossier zijn de volgende feiten en omstandigheden naar voren gekomen.

Op 12 maart 2017 was aangeefster werkzaam in een verzorgingsflat aan de [a-straat] in Rotterdam. Omstreeks 17.15 uur zag zij dat de verdachte in zijn kamer aan het koken was op een elektrisch kooktoestel. Zij rook op de gang al de sterke geur van het eten. De verdachte was frikandellen aan het bakken in olie. Nadat aangeefster de verdachte had aangesproken is zij verder aan het werk gegaan.

Na enige tijd ging het brandalarm af als gevolg van de rookontwikkeling van het koken door de verdachte. Op verzoek van het personeel heeft de verdachte toen de deur van zijn kamer gesloten. Toen het brandalarm weer afging is aangeefster naar de kamer van de verdachte gelopen. Zij zag dat de verdachte de voordeur van zijn kamer opende; Daarna zag zij dat de verdachte naar het elektrisch kooktoestel liep en de pan in zijn handen nam. Aangeefster draaide zich om en op dat moment voelde zij dat iets hards haar rug raakte. De verdachte heeft verklaard dat hij het pannetje naar aangeefster heeft gegooid waar hij frikandellen in had gebakken. Aangeefster voelde dat haar rug erg heet werd. Zij had een branderige pijn in haar rug. Op de grond van de gang lag olie.

Aangeefster had olie op de kleding van haar rug. Volgens de ter plaatse gekomen ambulancemedewerkers is het letsel meegevallen dankzij de hoeveelheid kleding die aangeefster droeg. Anders had het letsel veel erger kunnen zijn, aldus een van de ambulancemedewerkers. Bij aangeefster werden rode plekken op haar rug waargenomen.

Gelet op het korte tijdsbestek tussen het bakken van de frikandellen, het afgaan van het brandalarm en het gooien van het pannetje tegen de rug van aangeefster, staat voor de rechtbank vast dat de olie in het pannetje op dat moment nog heet was.

De rechtbank is daarom van oordeel dat de gedraging van de verdachte naar zijn uiterlijke verschijningsvorm kan worden aangemerkt als zozeer op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel gericht te zijn dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Van dergelijke aanwijzingen is de rechtbank niet gebleken. Het onder 2 primair ten laste gelegde is dan ook wettig en overtuigend bewezen.”

8. Na deze weergave van de inhoud van de bewijsvoering, kom ik toe aan de inhoudelijke bespreking van de middelen.

9. Voor zover het tweede middel klaagt dat het hof niet op het betreffende verweer heeft beslist, mist deze klacht feitelijke grondslag nu uit de hierboven weergegeven bewijsmotivering blijkt dat daarop is beslist door de rechtbank in haar door het hof bevestigde vonnis. In zoverre faalt het tweede middel.

10. Dan de klacht dat het hof het verweer, “dat er geen sprake kan zijn geweest van een poging tot toebrenging van zwaar lichamelijk letsel”, onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen. Het verweer dat er geen sprake kan zijn geweest van een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, is in de ter terechtzitting van het hof overgelegde pleitnota overwegend onderbouwd met een beroep op het gebrek aan bewijs voor de hoge temperatuur van de olie die in de koekenpan zat die de verdachte naar het slachtoffer heeft gegooid. De temperatuur van de olie komt ook ter terechtzitting van het hof naar voren wanneer de raadsman daar op de voet van art. 416, eerste lid, Sv in de gelegenheid wordt gesteld zijn bezwaren tegen het vonnis op te geven.2

11. De pleitnota in hoger beroep houdt voor zover in cassatie van belang het volgende in:

“De eerste grond [voor het hoger beroep, plv. AG] luidt dat t.a.v. feit 2 de Officier van Justitie m.i. terecht heeft geconcludeerd, dat men te weinig weet over de temperatuur van de olie waarmee door mijn cliënt gegooid zou zijn, zodat er geen sprake was van een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, maar van eenvoudige mishandeling. De Officier van Justitie verzocht dan ook m.i. [terecht] vrijspraak van feit 2.1. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van 21 september jl. was de verdediging het eens met de Officier van Justitie. Dat is nog steeds zo. Opvallend is dat de Rechtbank cliënt voor feit 2 toch veroordeeld heeft voor feit 2.1 nl een poging tot toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Vast staat dat over de temperatuur van de olie ook in hoger beroep nog steeds niets bekend is. Dat betekent dat de mogelijkheid nog openstaat dat de rode vlekken bij het slachtoffer net zo goed door opwinding en/of boosheid kunnen zijn ontstaan. Er is ook geen enkele nadere medische onderbouwing van de aard van de vlekken. Opvallend is dat de Rechtbank drie bewijsmiddelen heeft gebruikt ten aanzien van feit 2.1. Deze bewijsmiddelen zeggen echter niets over de temperatuur van de olie.

[…]

Ter nadere onderbouwing van de stelling dat cliënt geen opzet heeft gehad tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel wijs ik allereerst het Gerechtshof op de foto's van pagina 26 van het proces-verbaal. Dat zijn twee foto's van de onderhavige koekenpan waarmee cliënt gegooid heeft. Die foto's zeggen m.i. niets. Zij dragen niet toe aan enig bewijs. Onbegrijpelijks is dat de verbalisant een foto heeft gemaakt van een koekenpan die zich in het schaduw bevond. Er is namelijk niets van de inhoud van de koekenpan te zien.

De bovenste foto laat ook niets zien van de inhoud van de koekenpan zodat ik niet anders moet concluderen dan dat het O.M. NIET wettig en overtuigend bewezen heeft dat mijn cliënt met een koekenpan met hete olie heeft gegooid naar het slachtoffer.

[…]

Op pagina 27 van het proces-verbaal bevinden zich twee foto's van het slachtoffer. De onderste foto is van de borst van het slachtoffer en de bovenste foto is van de rug van het slachtoffer. Uit deze twee foto’s blijkt dat het slachtoffer zowel op de borst als op de rug rood is terwijl het O.M. cliënt verweten heeft in de ten laste legging 2.1 dat hij een pan hete olie naar de rug van het slachtoffer heeft gegooid. Hoe komt de borst van het slachtoffer dan rood? Gegeven de nadrukkelijk onderbouwde stelling van cliënt, dat hij niet met de koekenpan met hete olie heeft gegooid, maakt die roodheid op de borst van het slachtoffer de stelling mogelijk dat het slachtoffer alstoen dusdanig geëmotioneerd was, dat zij ook op de borst rode vlekken vertoonde. Daarbij komt dat de foto's van de koekenpan niet bijdragen tot het bewijs van de stelling dat cliënt aan het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel wilde toebrengen. Uit die foto's blijkt namelijk niet dat zich in de koekenpan (hete) olie heeft bevonden. Bedoelde foto's zijn dan ook aanwijzingen die leiden tot de vaststelling dat de gedraging van cliënt naar zijn uiterlijke verschijningsvorm NIET kan worden aangemerkt als zozeer gericht te zijn op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat cliënt willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg zou hebben aanvaard.

[…]

Cliënt heeft het gooien van een koekenpan met hete olie nadrukkelijk ontkend. Het onder twee primair ten laste gelegde is dan ook m.i. NIET wettig en overtuigend bewezen.

Ik wijs op het feit dat het letsel van het slachtoffer mee viel. We kunnen eigenlijk niet eens spreken van brandwonden (zie pagina 24 proces-verbaal) . De conclusie van de ambulance medewerker op pagina 24 proces-verbaal dat zulks zou komen door de hoeveelheid kleren, wordt niet ondersteund door feiten (Hoeveel kleding? Welke soort kleding droeg het slachtoffer? Daar wordt geen uitsluitsel over gegeven).

Bovendien: een ambulance medewerker is geen arts. Aan diens verklaring

dient m.i. geen waarde te worden toegekend.”

12. Het verweer waarop middel 1 betrekking heeft, komt er kort gezegd op neer dat de onzekerheid over de temperatuur van de olie meebrengt dat poging tot zware mishandeling niet kan worden bewezen.

13. De temperatuur van de olie staat wederom centraal bij de drie argumenten waarmee in cassatie de klacht wordt onderbouwd dat het hof het verweer dat geen sprake geweest kan zijn van een poging tot zware mishandeling onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen. Het eerste argument heeft betrekking op de temperatuur van de olie die zich in de pan bevond die de verdachte naar het slachtoffer heeft gegooid. Het tweede argument heeft betrekking op het bij het slachtoffer vastgestelde letsel. Als derde argument wordt erop gewezen dat de officier van justitie van oordeel was dat de verdachte de subsidiair ten laste gelegde poging tot mishandeling had begaan.

14. Om met het laatste argument te beginnen. Voor de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof is het oordeel van de officier van justitie als zodanig niet relevant. Inderdaad heeft de officier van justitie in eerste aanleg gevorderd de verdachte te veroordelen ter zake van poging tot mishandeling en daaruit kan worden afgeleid dat zij van mening was dat poging tot zware mishandeling niet kon worden bewezen. Maar de rechtbank is aan dat oordeel niet gebonden en het hof evenmin. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank van 21 juni 2017 blijkt dat de officier van justitie de primair ten laste gelegde poging zware mishandeling niet bewezen achtte omdat “we niet genoeg weten over de temperatuur van de olie” terwijl het “enkele gooien van een koekenpan richting de rug” geen aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel oplevert. Op de temperatuur van de olie wordt in cassatie afzonderlijk een beroep gedaan, zodat wat de officier van justitie daarover heeft opgemerkt ook in zoverre geen toegevoegde waarde heeft, terwijl het gooien van een koekenpan in cassatie niet aan de orde wordt gesteld in verband met de bewezen verklaarde poging tot zware mishandeling.

15. In verband met het bij het slachtoffer vastgestelde letsel wordt erop gewezen dat er geen medische rapportage is over de aard van de kwetsuren en “dat de rode vlekken op het lichaam van het slachtoffer even goed door emoties hadden kunnen zijn ontstaan”. Met dit argument wordt aan de bewezenverklaring voorbij gegaan die niet inhoudt dat zwaar lichamelijk letsel is toegebracht – waarbij eisen worden gesteld aan het oordeel van de feitenrechter over “de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel”3 – maar dat de verdachte heeft gepoogd zwaar lichamelijk letsel toe te brengen en daarin dus niet is geslaagd. Het bij het slachtoffer geconstateerde letsel, dat niet kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel, doet daarom niets af aan de overwegingen van het hof waarop beide middelen betrekking hebben.

16. In verband met de temperatuur van de olie, die zich in de pan bevond die de verdachte naar het slachtoffer heeft gegooid, wordt erop gewezen dat “niets bekend is over de exacte temperatuur van de olie in de koekepan”. Ter ondersteuning daarvan wordt erop gewezen dat een getuige die spetters van de olie op haar arm had gekregen, daar geen verwondingen aan heeft overgehouden. Tevens wordt gewezen op een “aanzienlijk tijdsverloop tussen het bakken van de frikandellen en het gooien met de koekenpan met olie”. De bij het slachtoffer op het lichaam geconstateerde rode vlekken zouden even goed door emoties kunnen zijn ontstaan, waarmee zal zijn bedoeld dat dit op zichzelf nog geen bewijs is van de hoge temperatuur van de olie waarmee is gegooid.

17. Voor zover in cassatie een beroep wordt gedaan op de (olie)spetters die een getuige op haar arm heeft gekregen, moet dit buiten bespreking blijven omdat hierop ter terechtzitting van het hof geen beroep is gedaan zodat daarover niets is vastgesteld terwijl de Hoge Raad niet over de feiten oordeelt.

18. Aan de temperatuur van de olie wordt in de schriftuur doorslaggevende betekenis toegekend voor het antwoord op de vraag of de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling. “Het gooien met hete olie levert immers op: het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.” Hoewel het in deze zaak gaat om poging tot zware mishandeling, is de strekking van deze opmerking in de schriftuur duidelijk: als eenmaal vaststaat, dat de olie heet was, dan zou daarmee de aanmerkelijke kans op de koop toe zijn genomen dat deze zouden resulteren in brandwonden op het lichaam van het slachtoffer waarbij er dan van wordt uitgegaan dat brandwonden kunnen worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. Of die veronderstelling juist is, moet in cassatie in het midden blijven omdat hierover niet wordt geklaagd.4

19. Gelet op het ter terechtzitting gevoerde verweer en de middelen die zich tegen de verwerping daarvan richten, is in cassatie de vraag aan de orde of uit de bewijsvoering kan volgen dat de olie in de pan “hete olie” betrof, zoals bewezen is verklaard. Beide middelen gaan er immers vanuit dat de verwerping van het verweer staat of valt met de temperatuur van de olie.

20. De rechtbank heeft in haar door het hof bevestigde vonnis uiteengezet dat en waarom zij van oordeel is dat de olie heet was op het moment dat de verdachte de koekenpan met daarin de olie naar het slachtoffer gooide. Ik herhaal de kern van de overweging:

“Gelet op het korte tijdsbestek tussen het bakken van de frikandellen, het afgaan van het brandalarm en het gooien van het pannetje tegen de rug van aangeefster, staat voor de rechtbank vast dat de olie in het pannetje op dat moment nog heet was.”

21. Bij de beoordeling van de klacht moet voorop worden gesteld dat in cassatie niet kan worden onderzocht of de door de feitenrechter in zijn bewijsmotivering vastgestelde feiten en omstandigheden juist zijn. Dat geldt ook voor conclusies van feitelijke aard die de feitenrechter heeft getrokken uit de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vastgesteld. Dergelijke vaststellingen en gevolgtrekkingen kunnen in cassatie slechts op hun begrijpelijkheid worden onderzocht.5 De gevolgtrekking dat de olie in het pannetje nog heet was op het moment dat de verdachte het pannetje tegen de rug van het slachtoffer gooide, acht ik niet onbegrijpelijk. Voor een veroordeling ter zake van poging tot zware mishandeling is niet doorslaggevend welke temperatuur de olie exact had toen deze met koekenpan en al werd gegooid. Bewezenverklaard is dat de olie heet was.

22. De klacht faalt en daarmee ook het eerste middel.

23. In de feiten die in de bewijsmotivering zijn vastgesteld, ligt besloten dat de verdachte, door met kracht een koekenpan met daarin hete olie te gooien naar [slachtoffer] , bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zij zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Dit geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is in het licht van het gevoerde verweer niet onbegrijpelijk.

24. Hieruit volgt dat het tweede middel faalt.

25. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

26. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv. AG

1 Vgl. HR 27 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:133, r.o. 2.6.2.

2 Het proces-verbaal houdt het volgende in: “De raadsman merkt op:
De officier van justitie in eerste aanleg heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde diende te worden gekwalificeerd als mishandeling. De rechtbank heeft mijn cliënt veroordeeld voor poging zware mishandeling. Het hoger beroep richt zich tegen deze kwalificatie. In eerste aanleg is gesproken over de temperatuur van de olie.”

3 Vgl. 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1051 r.o. 2.8.

4 Vgl. Rb. ’s-Hertogenbosch 25 september 2009, ECLI:NL:RBSHE:2009:BJ8499 “Uit de slachtofferverklaring blijkt niet dat het slachtoffer nog steeds hinder ondervindt van zijn eerste en tweede graads brandwonden. De rechtbank neemt dan ook aan dat het slachtoffer volledig is hersteld van deze brandwonden . Wel heeft het slachtoffer een grote pigmentvlek overgehouden aan de brandwond op zijn rug. Deze pigmentvlek is naar het oordeel van de rechtbank naar algemeen spraakgebruik niet aan te merken als zwaar lichamelijk letsel. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat deze vlek in de regel niet zichtbaar is als het slachtoffer deelneemt aan het openbare leven. In die zin is het niet te vergelijken met een litteken op het gezicht, zijnde letsel dat in de jurisprudentie wel wordt aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.” Zie ook HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1051 r.o. 2.5 en HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1058 r.o. 2.4 m.b.t. een snijwond van 4-5 centimeter die resulteert in een blijvend en ontsierend litteken boven het linkeroog als zwaar lichamelijk letsel.

5 HR 18 september 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3530 r.o. 3.2.